← Nederland

ECLI:NL:PHR:2024:206

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/00660 Zitting 27 februari 2024 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 19 april 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens - onder 1 primair “medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel het opzettelijk afleveren of voorhanden hebben van een zodanig geschrift, terwijl hij en zijn mededaders weten dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik, meermalen gepleegd”, - onder 2A primair “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, - onder 3 “medeplegen van gewoontewitwassen” en - onder 4 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de verdachte voor de duur van 11 jaren ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van het optreden als aanbieder van een financieel product of financieel instrument dan wel het optreden als financiële dienstverlener. 2. Er bestaat samenhang met de zaak tegen [medeverdachte] (22/00661). In die zaak zal ik vandaag ook concluderen. 3. Namens de verdachte hebben M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, en W.J. Koops, advocaat te ’s‑Gravenhage, tien middelen van cassatie voorgesteld. 2De zaak 4. Het gaat in deze zaak om de vraag of, en zo ja in hoeverre, in de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 september 2011 sprake is geweest van beleggingsfraude rondom investeringsproducten van Quality Investments (hierna: QI ). 5. Vanaf begin 2007 bood QI investeringsproducten aan die betrekking hadden op aangekochte levensverzekeringen van Amerikaanse burgers. De verdachte en zijn medeverdachte bouwden daar een investeringsproduct omheen. Voor iedere levensverzekering die was aangekocht, werd een fonds opgericht. Vervolgens zocht QI via allerlei wegen naar particuliere beleggers die bereid waren om in de betreffende fondsen te participeren. 6. De levensverzekeringen (hierna ook wel overlijdensrisicoverzekeringen of life settlements genoemd) gaven aanspraak op een verzekerde som, die tot uitkering zou komen als de verzekerde zou overlijden. Het unieke karakter van de investeringsproducten van QI was dat zij een (vaste) looptijd van een aantal jaren hadden en dat het risico dat de verzekerde aan het eind van die looptijd niet zou zijn overleden, was afgedekt via een contraverzekeraar. Als de verzekerde niet voor het eind van de looptijd was overleden, zou de contraverzekeraar een bedrag ter grootte van de verzekerde som uitkeren. Op deze manier werd aan de beleggers in de fondsen van QI dus de garantie gegeven dat zij een bepaald rendement zouden behalen: ofwel via een uitkering van de verzekerde som door de levensverzekering als de verzekerde overleed voor het einde van de looptijd van het fonds, ofwel via een uitkering van de contraverzekeraar na het einde van de looptijd. QI kon deze garantie echter niet waarmaken in gevallen waarin de verzekerde persoon niet voor het einde van de looptijd was overleden. Contraverzekeraar Provident Capital Indemnity Ltd. (hierna: PCI ) had haar verplichtingen namelijk niet herverzekerd en ging in gevallen waarin dat nodig was niet tot uitkering over. 7. De verdachte in deze zaak wordt – kort gezegd – verweten dat hij zich, telkens in de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 september 2011, schuldig heeft gemaakt aan: - medeplegen van valsheid in geschrift (feit 1), - medeplegen van oplichting of verduistering (feit 2), - medeplegen van (gewoonte)witwassen (feit 3) en - deelname aan een criminele organisatie (feit 4). 8. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachte in het begin van de tenlastegelegde periode “met open ogen in de val van PCI [zijn] gelopen”, maar dat er later een kantelpunt is geweest waarna de verdachten het risico dat PCI uiteindelijk niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen op de koop toe hebben genomen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van valsheid in geschrift en veroordeeld wegens medeplegen van oplichting, medeplegen van gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie. Dit alles voor een deel van de tenlastegelegde periode. 9. Anders dan de rechtbank, is het hof tot een veroordeling wegens ook valsheid in geschrift gekomen en heeft het de feiten telkens voor de gehele tenlastegelegde periode bewezen verklaard. Het hof heeft in het bijzonder geoordeeld dat de verdachten al vanaf het begin van de tenlastegelegde periode wisten dat PCI geen betrouwbare contraverzekeraar was en heeft uit de vastgestelde feiten en omstandigheden afgeleid “dat het de verdachten waar het PCI betreft er nooit om te doen is geweest om een serieuze contraverzekeraar te vinden en in te schakelen” en dat de verdachte zich samen met twee anderen heeft schuldig gemaakt aan een grootschalig piramidespel, waarbij participanten een bedrag van in totaal ten minste € 162.258.000 hebben ingelegd. 10. In cassatie wordt vooral geklaagd dat het arrest van het hof niet voldoet aan bewijsrechtelijke eisen van nauwkeurigheid en zorgvuldigheid. Deze klacht mondt uit in acht van de tien voorgestelde cassatiemiddelen, die voor het overgrote deel weer uiteenvallen in diverse deelklachten. Het eerste middel houdt verband met de totstandkoming en de inhoud van een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en het gebruik van een daarin opgenomen verklaring voor het bewijs (zie paragraaf 4 van deze conclusie). Het tweede middel klaagt over het gebruik van een verklaring van de medeverdachte voor het bewijs (zie paragraaf 5 van deze conclusie). De middelen drie tot en met zeven spitsen zich toe op de bewijsvoering van het onder 1 primair en/of onder 2A primair bewezenverklaarde (zie achtereenvolgens paragraaf 6, 7, 8, 9 en 10 van deze conclusie). Het achtste middel betreft de strafmotivering (zie paragraaf 11 van deze conclusie). Het negende middel richt zich tegen de afwijzing van een tweetal getuigenverzoeken (zie paragraaf 12 van deze conclusie). Tot slot klaagt het tiende middel over de schending van de inzendtermijn (zie paragraaf 13 van deze conclusie). 3De opbouw van de bewijsconstructie van het hof 11. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen lijkt het mij dienstig om alvast inzicht te geven in de opbouw van de bewijsconstructie van het hof. 12. Het hof laat zijn bewezenverklaring ten dele steunen op feiten en omstandigheden die zich vóór de tenlastegelegde periode hebben voorgedaan. Het hof begint zijn beschouwingen over de inhoud van de zaak dan ook onder 1 van het bestreden arrest met een weergave van feiten en omstandigheden in de periode vóór 1 januari 2007. Het eindigt dit onderdeel onder 1.8 met de volgende tussenconclusie: “Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat een contraverzekering essentieel was voor de verdachten om veel participaties te kunnen verkopen. De verdachten wisten in 2004 en 2005 dat PCI geen betrouwbare contraverzekeraar was. De keuze voor Albatross [als contraverzekeraar, DP] ondersteunt dit oordeel. Nadat in juli 2005 bekend werd dat er valse verklaringen waren vanuit Albatross , was er geen contraverzekering voor de [polis 1] -polis. De verdachten hebben voor 1 januari 2007 geen nieuwe contraverzekering afgesloten voor de [polis 1] -polis en zij hebben de participanten na juli 2005 ook niet geïnformeerd dat er geen contraverzekering voor deze polis was. Een aannemelijke verklaring waarom de verdachten in juli 2005, of korte tijd daarna, geen nieuwe contraverzekering hebben gesloten bij PCI is niet gegeven. Dit is des te opmerkelijker aangezien ervan uitgegaan mag worden dat naarmate de periode waarbinnen het overlijden van de verzekerde is te verwachten korter wordt, een serieuze contra-verzekeraar minder geneigd zal zijn dekking te bieden voor het risico dat dit overlijden niet (meer) binnen de looptijd van de participatie zal plaatsvinden. Ondanks de negatieve berichten over PCI sluiten de verdachten voor de [polis 2] -polis op 3 oktober 2005 een overeenkomst met PCI en voor de [polis 3] -polis op 28 juni 2006. De verdachten hebben, vlak na hun debacle met Albatross , hiervoor een bedrag van $ 120.000 aan PCI betaald. Dat signalen over de onbetrouwbaarheid van PCI waren weggenomen, vindt het hof niet aannemelijk. Daarnaast kent het hof betekenis toe aan de e-mail die [medeverdachte] aan [betrokkene 1] stuurde en waarin is vermeld dat klanten niet te horen kregen wie PCI is, wel dat ze eventueel te horen kregen dat hun polis is herverzekerd bij grote maatschappijen. Ten tijde van het sturen van deze e-mail in september 2005 was het de verdachten bekend dat voor de [polis 1] -polis geen contraverzekering was afgesloten en ook voor de [polis 2] - en [polis 3] -polissen was nog geen overeenkomst aangegaan met PCI . [medeverdachte] geeft desondanks aan [betrokkene 1] de instructie om participanten voor te liegen dat er een contraverzekeraar was en dat sprake was van herverzekeraars als Zurich-re of Swiss-re . De participanten zijn na juli 2005 er ook niet van op de hoogte gesteld dat zaken zouden worden gedaan met PCI . Over dit laatste bedrijf wisten de verdachten immers dat op eenvoudige wijze negatieve informatie via het internet kon worden verkregen. Ze wisten ook dat zij daardoor geen, dan wel veel minder, participaties zouden verkopen. Het hof acht aannemelijk, gelet op al het voorgaande, dat het de verdachten waar het PCI betreft er nooit om te doen is geweest om een serieuze contraverzekeraar te vinden en in te schakelen. De betalingen aan PCI waren alleen bedoeld om anderen, onder wie participanten en naaste medewerkers, te laten geloven dat contraverzekeringen werden afgesloten. Uit het feit dat de verdachten voor de [polis 1] -polis geen contraverzekering of vergelijkbare dekking hebben afgesloten in de periode tussen juli 2005 tot begin 2009 leidt het hof af dat de verdachten van plan waren de uitkering, in geval van in leven zijn van [polis 1] op de einddatum, uiteindelijk te betalen uit de inleg van gelden van (andere) participanten. Het hof verwijst wat dit betreft naar hetgeen het overweegt en beslist in de hierna volgende paragraaf (‘De (juridische) structuur’). Het hof vindt hiervoor ook bevestiging in de afspraken tussen PCI en QI begin 2009 om te doen alsof PCI uitkeerde uit hoofde van een contraverzekering voor de [polis 1] -polis, terwijl dit in werkelijkheid niet zo was. Deze zogenoemde ‘ [polis 1] -oplossing’ komt hierna nog nader aan de orde. Met hun beslissing om voor de andere twee polissen ( [polis 3] en [polis 2] ) betalingen te doen aan PCI namen de verdachten verder een onverklaarbaar groot risico dat PCI (net als Albatross ) niet zou uitkeren. De conclusie kan daarom niet anders zijn dan dat de verdachten ook voor deze polissen van plan waren om de financiële middelen voor een betaling bij in leven zijn van de verzekerde op de vooraf vastgestelde datum, voor zover nodig, te voldoen uit de inleg van andere participanten. Voorts is niet gebleken dat door de verdachten voor de bepaling van de hoogte van een contraverzekering die betaald moest worden aan PCI , ooit een actuaris is benaderd hoewel dit bedrijfseconomisch logisch zou zijn geweest. Het hof is van oordeel dat verdachten dit bewust niet hebben gedaan omdat, indien zij dit wel hadden gedaan, bekend zou worden dat de werkelijke kosten voor zo’n premie veel hoger waren dan door PCI was berekend, hetgeen ook een indicatie is dat PCI in werkelijkheid geen reële contraverzekering bood. Het hof vindt bevestiging hiervan in de berekeningen die in dit onderzoek door een actuarieel deskundige van de Belastingdienst en het actuarieel adviesbureau [A] BV te [plaats] zijn uitgevoerd. De deskundige van de Belastingdienst komt tot de conclusie dat hij de hoogte van de door PCI in rekening gebrachte premie voor de contraverzekering van een life settlement product gezien de overige cijfers niet kan verklaren. De conclusie van [A] BV luidt als volgt: “Wij zijn van mening dat de aannames gedaan de beste kennis en verwachtingen op moment van ingang van het herverzekeringsovereenkomst weerspiegelen. Elke rationeel opererende verzekeringsmaatschappij, die de best practice van de industrie volgt, zal dezelfde of zelfs meer prudente aannames gebruiken in de waardering. De resultaten verkregen uit deze waardering laten zien dat het onwaarschijnlijk is dat de herverzekeringspremie van $800.000 voldoende is om zelfs maar de netto risicopremie van PCI te dekken.” Nadat bleek dat de premie die [betrokkene 2] had gefinancierd voor de contraverzekering bij Albatross weggegooid geld was, is de samenwerking tussen [betrokkene 2] enerzijds en [medeverdachte] en [verdachte] anderzijds verbroken. [medeverdachte] en [verdachte] zijn voor juridische bijstand in contact gekomen met de medeverdachte [betrokkene 3] . Vanaf dat moment zijn deze drie mannen gaan samenwerken door gebruik te maken van Watershed en QI , als hierna omschreven.” 13. Onder 2 gaat het hof vervolgens in op de (juridische) structuur van de verschillende beleggingsproducten. Het hof geeft onder 2.1 weer wat daaromtrent in de diverse uitgebrachte brochures naar voren komt. Het hof is kennelijk van oordeel dat die informatie (geheel of gedeeltelijk) vals is en beschrijft onder 2.2 vervolgens de – naar het oordeel van het hof – werkelijke gang van zaken. Daarbij wordt achtereenvolgens ingegaan op: - het bedrijf Watershed , dat zich bezig hield met de in- en verkoop van de overlijdensrisicoverzekeringspolissen in de Verenigde Staten (onder 2.2.1), - QI , van waaruit de mogelijkheid werd geboden om te participeren in beleggingsfondsen en na 1 januari 2007 participaties daarin werden verkocht (onder 2.2.2), - de trusts, die in opdracht van Watershed werden opgericht en waaraan de door Watershed aangekochte polissen werden doorverkocht (onder 2.2.3), - de route van de door Watershed aangekochte en aan de trusts verkochte overlijdensrisicoverzekeringspolissen aan de hand van het voorbeeld van CLSF III/IV (onder 2.2.4) - de winstverdelingsovereenkomst van januari 2008 tussen QI en Watershed , waarin is vastgelegd dat QI recht heeft op 40% van de marge tussen de aankoopprijs van een overlijdensrisicoverzekeringspolis door Watershed en de verkoopprijs daarvan aan de trust (onder 2.2.5) - de PCI contraverzekeringspolis van de op 9 juli 2007 door Watershed opgerichte “The CLSF Trust III/IV Stichting Closed Life Settlement Fund UA” (onder 2.2.6 in combinatie met 2.2.4), - de route van de door de participanten betaalde ‘inlegsom’, bestaande uit de aankoopsom voor de overlijdensrisicoverzekeringspolis (kennelijk inclusief de marge, DP), de premie voor de contraverzekering en de jaarlijkse premie om de overlijdensrisicoverzekeringspolis in stand te houden (onder 2.2.7) - de (economische) eigendom van de polissen (onder 2.2.8) - de veiligheid van de in te leggen/ingelegde gelden die door de participanten werden gestort op de escrow-rekeningen die werden beheerd door de trustee (onder 2.2.9) - mogelijkheden voor participanten om over uitkeringen te beschikken, nu alleen Watershed de zeggenschap had over de trust-accounts (onder 2.2.10) - de gang van zaken rond de uitkering op de [polis 1] -, [polis 3] - en [polis 4] -polis (onder 2.2.11) - de conclusie dat sprake is van piramide fraude, omdat telkens wanneer een uitbetaling diende te worden gedaan in het kader van een contraverzekering, deze werd gedaan met de inleggelden van participanten en niet met gelden van de contraverzekeraar, en het hele bouwwerk zou instorten als zich te weinig nieuwe participanten zouden aandienen om de ‘contraverzekeringsuitkering’ te voldoen (onder 2.2.12). 14. Onder 3 volgt daarna de beoordeling van de tenlastegelegde feiten, waarbij hetgeen onder 1 en 2 door het hof is vastgesteld en de conclusies die het hof daaruit heeft getrokken, worden betrokken. Dit onderdeel van de bewijsconstructie van het hof komt hierna bij de desbetreffende middelen nog uitgebreid aan de orde. 4Het eerste middel 15. Het eerste middel houdt in dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2022 niet zo spoedig mogelijk, althans niet binnen de in art. 365 lid 1 Sv gestelde termijn is opgesteld, vastgesteld en ondertekend, waardoor het onderzoek ter terechtzitting lijdt aan nietigheid. 16. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang, die op grond van art. 415 lid 1 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn: - art. 327 Sv: “Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen den in het eerste lid van artikel 365 vermelden termijn onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.” - art. 365 lid 1 en 3 Sv: “1. Het vonnis wordt binnen tweemaal vier en twintig uren na de uitspraak onderteekend door de rechters die over de zaak hebben geoordeeld, en door den griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest. […] 3. Zoodra het vonnis is geteekend en in ieder geval na afloop van den termijn in het eerste lid vermeld, kan de verdachte, zijn raadsman of de benadeelde partij daarvan en van het proces-verbaal der terechtzitting kennis nemen. De voorzitter verstrekt desgevraagd een afschrift van het vonnis en het proces-verbaal aan de verdachte, zijn raadsman en de benadeelde partij.” 17. De stellers van het middel betogen in de toelichting dat het proces-verbaal van 14 februari 2022 “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid eerst vele maanden na het onderzoek ter terechtzitting, althans na de uitspraak in hoger beroep, althans na het instellen van cassatie, [is] uitgewerkt, vastgesteld en ondertekend”. Dat de Hoge Raad de stukken van de onderhavige zaak op 7 februari 2023 zou hebben ontvangen en dat de verdediging het betreffende proces-verbaal pas op 10 februari 2023 heeft ontvangen, zou volgens hen betekenen dat het proces-verbaal, gelet op voormelde wettelijke voorschriften, niet tijdig is opgemaakt. Naar het oordeel van de stellers van het middel is de verdediging hierdoor in haar belangen geschaad, omdat door de (zeer) late verstrekking van het zittingsproces-verbaal, de verdediging effectief is belemmerd in de gelegenheid om opmerkingen te maken ten aanzien van de inhoud van dit proces-verbaal. 18. Ik kan deze redenering niet volgen. Het belang van een tijdige uitwerking van het zittingsproces-verbaal na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting zoals wettelijk is voorgeschreven, houdt immers niet zozeer verband met enige mogelijkheid voor de verdediging om naar aanleiding daarvan opmerkingen te maken. Het belang van een tijdige uitwerking en de mogelijkheid om daarvan vervolgens kennis te nemen, is er veeleer in gelegen dat de inhoud daarvan nog kan worden betrokken bij de afweging omtrent het instellen van een rechtsmiddel. Die inhoud kan immers behulpzaam zijn bij het beoordelen van het gewezen vonnis of arrest. In het voorliggende geval is tijdig besloten tot het instellen van een rechtsmiddel tegen het bestreden arrest en is dit rechtsmiddel – na kennisneming van het proces-verbaal van 14 februari 2022, dat gelet op de gangbare praktijk pas na het instellen van beroep in cassatie zal zijn uitgewerkt – niet ingetrokken. Met het late opmaken van het betreffende proces-verbaal zijn in die zin de belangen van de verdediging niet geschaad. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat de overschrijding van de in de wet gestelde termijnen voor het opmaken van een proces-verbaal van de terechtzitting niet leidt tot nietigheid. 19. Het middel faalt. 5Het tweede middel 20. Het tweede middel bevat de klacht dat de door de verdachte in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] afgelegde verklaring als getuige niet (volledig) in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 15 februari 2022 is opgenomen, althans dat het hof de bewezenverklaring mede heeft gebaseerd op een door de verdachte afgelegde getuigenverklaring, terwijl die verklaring niet is afgelegd in de zaak van de verdachte, en die verklaring zich ook overigens niet in het strafdossier van de verdachte bevindt. 21. Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld dat het proces-verbaal van de terechtzitting in beginsel de enige kenbron is voor de inhoud van de op die terechtzitting afgelegde verklaringen. Wat daarin niet is opgenomen, wordt in cassatie geacht niet te zijn verklaard. Voor zover het middel de klacht bevat dat de verklaring van de verdachte niet (volledig) in het proces-verbaal van de terechtzitting is opgenomen, mist het daarom feitelijke grondslag en kan het niet tot cassatie leiden. 22. Het hof overweegt onder 2.2.9 van het bestreden arrest: “Alle gelden die binnenkomen op de escrow rekening(

  1. en)zijn van Watershed . [betrokkene 4] is alleen de beheerder van de trust en kan niets met het geld doen zonder opdracht van Watershed / [verdachte] . Dit heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep, als verdachte in zijn eigen zaak en als getuige in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] , in de kern nog eens herhaald.” 23. De stellers van het middel klagen terecht dat het hof de vaststellingen in dit citaat mede heeft ontleend aan een getuigenverklaring van de verdachte in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] , terwijl die verklaring niet is opgenomen in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2022 in de strafzaak tegen de verdachte. 24. Tot cassatie hoeft dit bij gebrek aan rechtens te respecteren belang evenwel niet te leiden. Zoals al uit de geciteerde overweging van het hof volgt, kan deze vaststelling ook worden ontleend aan de verklaring van de verdachte in zijn eigen zaak. Die verklaring is wel opgenomen in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2022. 25. Het middel leidt niet tot cassatie. 6Het derde middel 26. Het derde middel houdt in dat de bewezenverklaring onder 1 en 2A ontoereikend is gemotiveerd, omdat deze niet steunt op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen die met voldoende nauwkeurigheid zijn weergegeven en/of omdat de bewijsoverwegingen van het hof niet (voldoende) door de bewijsmiddelen worden ondersteund. Het middel valt blijkens de toelichting in zes deelklachten uiteen. 27. Bij de beoordeling van dit middel stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 359 lid 3 Sv moet de rechter zijn beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, doen steunen op de inhoud van de in het vonnis (of in hoger beroep: het arrest) opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Bij de toepassing van de Promis-werkwijze geeft de rechter de redengevende passages uit de bewijsmiddelen niet letterlijk weer, maar volstaat hij met een (zakelijke) samenvatting van de redengevende inhoud van het bewijsmiddel, waarbij steeds in een voetnoot wordt verwezen naar de bron daarvan in het dossier. 28. In twee arresten van 15 mei 2007 heeft de Hoge Raad over deze werkwijze overwogen dat deze in beginsel niet in strijd is met het in art. 359 lid 3 Sv neergelegde voorschrift. Wel moet daarbij rekening worden gehouden met het onderscheid tussen de redengevende feiten en omstandigheden enerzijds, en de gevolgtrekkingen die het hof daaraan verbindt anderzijds. Als de rechter volstaat met een gevolgtrekking zonder dat de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden worden opgenomen, schiet de motivering tekort. Verder geldt dat de verwijzing naar de bewijsmiddelen in de voetnoten voldoende nauwkeurig moet zijn, zodat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd. 29. Bij de vraag of de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen voldoet aan de vereiste mate van nauwkeurigheid, komt het volgens de Hoge Raad aan op de aard en inhoud van de stukken uit het dossier waarnaar wordt verwezen. Mijn ambtgenoot Aben heeft er vorig jaar al op gewezen dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat verwijzingen naar meerdere pagina’s of gehele processen-verbaal niet aan een voldoende nauwkeurige verwijzing in de weg hoeven te staan, zolang de passage waarnaar het hof heeft willen verwijzen met voldoende zekerheid en zonder al te grote moeite uit het procesdossier kan worden achterhaald. 30. Verder moet worden aangetekend dat de gevolgtrekkingen die het hof in zijn bewijsoverweging op basis van eerder vastgestelde redengevende feiten en omstandigheden heeft gedaan – anders dan die redengevende feiten en omstandigheden zelf – niet ondersteund hoeven te worden door een concreet bewijsmiddel. In cassatie speelt slechts de vraag of de feitenrechter die gevolgtrekkingen op grond van de feiten en omstandigheden die op grond van de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, heeft kunnen doen. Voor een gedegen en efficiënte toetsing van (het gebruik van) dergelijke gevolgtrekkingen is het van belang dat de feitenrechter in zijn uitspraak duidelijke linken legt tussen zijn gevolgtrekkingen en de feiten en omstandigheden waarop zij zijn gebaseerd, zo nodig in de vorm van specifieke terugverwijzingen naar hetgeen al eerder is vastgesteld. Een arrest mag op dit punt niet verworden tot een zoekplaatje. 31. Voorafgaand aan de beoordeling van het middel merk ik tot slot nog het volgende op. Klachten over de mate van nauwkeurigheid van verwijzingen in voetnoten bij Promis-bewijsoverwegingen geven niet zonder meer aanleiding geven tot cassatie van de bestreden uitspraak. Die aanleiding ontbreekt onder meer indien het verzuim geen wezenlijke afbreuk doet aan de toereikendheid van de motivering van de bewezenverklaring, als gevolg waarvan moet worden aangenomen dat er géén belang is bij cassatie. Gelet hierop verdienen klachten over de nauwkeurigheid van verwijzingen in voetnoten in cassatie slechts bespreking voor zover daarbij stellig en duidelijk wordt aangegeven in welk opzicht een of meer onderdelen van de bewezenverklaring niet in toereikende mate steunen op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. 32. In de onderhavige zaak voeren de stellers van het middel voorafgaand aan de nadere uiteenzetting van de zes deelklachten alvast aan dat elke deelklacht betrekking heeft op een (essentiële) bouwsteen in de bewijsoverweging van het hof, die het hof uiteindelijk tot de conclusie leidt dat de verdachte en zijn medeverdachte van meet af aan opzet had op oplichting en het gebruik maken van valse/vervalste documenten in de zin van art. 225 lid 2 Sr. Bij de eerste vijf deelklachten wordt in de kop vervolgens aangegeven op welke bouwsteen van de bewijsconstructie van het hof de betreffende klacht betrekking heeft. Op de zesde deelklacht kom ik later terug. 6.1. De eerste deelklacht: ‘problemen bij Albatross ” 33. De eerste deelklacht richt zich tegen de volgende passage uit de bewijsoverweging van het hof (onder 1.5 van het bestreden arrest): “Eind april 2005 ontstonden er problemen met Albatross . Op 15 juli 2005 stuurde Banca di Roma een bericht dat de bankgarantie, die voor Albatross zou zijn afgegeven, vals was. [betrokkene 1] stuurde vervolgens op 22 juli 2005 een e-mail aan [betrokkene 2] en de verdachten. Hierin vermeldde hij: “Op het moment dat de overeenkomst met Albatros is ontbonden en we hebben ons geld terug, dan hebben we de verplichting de notaris te informeren dat er geen dekking van Albatross meer bestaat. (...) Dit maakt het belang om een nieuwe herverzekeraar te vinden nog essentiëler.” Vast staat dat Albatross geen uitkering heeft gedaan uit hoofde van de op 21 december 2004 aangegane overeenkomst en het bedrag van $ 700.000 niet heeft terugbetaald. Vanaf juli 2005 was daarom voor verdachten duidelijk dat Albatross niet zou uitkeren als [polis 1] nog in leven zou zijn op 21 december 2009. De participanten zijn daarover niet geïnformeerd. Niet is gebleken dat alsnog is getracht de [polis 1] -polis te verzekeren bij PCI .” 34. De stellers van het middel klagen dat niet uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen volgt dat (duidelijk was dat) voor de [polis 1] -polis geen contraverzekering (meer) bestond in juli 2005, zoals het hof concludeert. Daarbij wordt aangegeven dat dit relevant is, “omdat het hof elders in het arrest (tussenconclusie, p. 22) mede daarop de conclusie baseert dat verdachten het er nooit om te doen is geweest om een serieuze contraverzekeraar te vinden, waarop het hof vervolgens (mede) de conclusie baseert dat verdachten (waaronder [medeverdachte] ) van meet af aan opzet had op oplichting van de participanten.” 35. Meer specifiek wordt allereerst geklaagd dat uit het bestreden arrest niet blijkt waarop de constatering is gebaseerd dat de bankgarantie die voor Albatross zou zijn afgegeven, vals was en dat een verwijzing naar de vindplaats van de bewuste e-mail ontbreekt. 36. Met de stellers van het middel constateer ik dat een verwijzing naar de vindplaats van het bericht van Banca di Roma van 15 juli 2005 en de e-mail van [betrokkene 1] van 22 juli 2005 in het arrest ontbreekt. Daar staat tegenover dat het hof letterlijk uit de e-mail van [betrokkene 1] heeft geciteerd en daarbij eveneens de datum van verzending, alsmede de verzenders en de ontvangers heeft weergegeven. Een korte zoekslag in het procesdossier op basis van die gegevens leert vervolgens dat het hier gaat om D-2475. Daaruit blijkt dat het bericht van Banca di Roma van 15 juli 2005, waaruit inderdaad valt af te leiden dat de bank de afgegeven bankgarantie als vals beschouwt, zich als bijlage bij de e-mail van [betrokkene 1] bevindt. Deze klacht faalt daarmee bij gebrek aan belang. 37. Op basis van zijn vaststellingen heeft het hof (in de hierboven geciteerde passage onder 1.5 van het bestreden arrest) geconcludeerd dat het voor de verdachten vanaf juli 2005 duidelijk was dat Albatross niet zou uitkeren als [polis 1] nog in leven zou zijn op 21 december 2009. Ook heeft het hof later in zijn arrest (onder 1.6) in navolging hiervan nog overwogen dat er op 7 september 2005 “geen dekking meer bestond” voor de [polis 1] -polis en (onder 1.8) dat er “[n]adat in juli 2005 bekend werd dat er valse verklaringen waren vanuit Albatross , […] geen contraverzekering [was] voor de [polis 1] -polis. 38. De stellers van het middel betogen dat geen van deze conclusies in relatie tot Albatross en de [polis 1] -polis door wettige bewijsmiddelen wordt gedekt. Ook dit betoog slaagt niet. Het hof heeft op grond van bewijsmiddelen kunnen vaststellen dat op 15 juli 2005 bekend werd dat de bankgarantie van de Banca di Roma , die voor Albatross zou zijn afgegeven, vals was. Vervolgens heeft het hof de mail van [betrokkene 1] aan (onder meer) de verdachten gebruikt. Uit die mail kan niet alleen worden afgeleid dat het de kennelijke bedoeling was om de overeenkomst met Albatross te ontbinden, maar daaruit blijkt ook dat [betrokkene 1] wijst op het belang om een nieuwe contraverzekeraar te vinden in de plaats van Albatross . Uit deze feiten en omstandigheden heeft het hof kunnen afleiden dat het voor de verdachten, nadat zij op de hoogte raakten van de valse bankgarantie, duidelijk was dat Albatross nooit zou gaan uitkeren. Die gevolgtrekking is niet onbegrijpelijk. De daarop voortbouwende conclusies van het hof, die in de kern inhouden dat er als gevolg hiervan na juli 2005 geen dekking meer bestond voor de [polis 1] -polis, zijn dat evenmin. 39. De eerste deelklacht faalt. 6.2. De tweede deelklacht: mededelingen aan participanten en tussenpersonen in 2004/2005 40. De tweede deelklacht houdt verband met de volgende twee passages uit de bewijsoverweging van het hof: “1.6 Keuze voor PCI voor de [polis 2] -polis en de [polis 3] -polis Uit het dossier blijkt dat in 2004 aan participanten en tussenpersonen die daarnaar informeerden, werd meegedeeld dat PCI de contraverzekeraar was terwijl op dat moment geen sprake was van een overeenkomst met PCI . [77] Twee berichten hierover worden door [medeverdachte] aan [verdachte] gestuurd, die van de inhoud hiervan op de hoogte was. [78] Op 4 oktober 2004 stuurt [medeverdachte] echter een e-mail aan ene ‘ [betrokkene 6] ’ dat de klant niets over de herverzekeraar (hof: contraverzekeraar) hoeft te weten. [79] In een e-mail [80] van [medeverdachte] aan [betrokkene 1] van 7 september 2005 schrijft [medeverdachte] : “NB; de klanten krijgen niet te horen wie PCI is, wel krijgen ze eventueel te horen dat hun polis is herverzekerd bij grote maatschappijen zoals Zurich-re , zwich-re etc.” De verdachten sloten namens Best Europe Invest Ltd een overeenkomst met PCI op 3 oktober 2005 voor de [polis 2] -polis. [81] Voor de [polis 3] -polis sloten zij op 28 juni 2006 een soortgelijke overeenkomst met PCI . [82] Het hof merkt op dat op de datum waarop [medeverdachte] de hiervoor bedoelde e-mail stuurt, dat wil zeggen 7 september 2005, nog geen overeenkomst was aangegaan om het lang leven risico voor de [polis 2] -polis en de [polis 3] -polis te dekken. Ook voor de [polis 1] -polis bestond hiervoor op dat moment geen dekking meer. […] [77] D-2072, D-2073 en D-2445. [78] D-2445 en D-2447. [79] D-2458. [80] D-2264. [81] D-1100. [82] D-1012.” “1.8 Tussenconclusie […] Daarnaast kent het hof betekenis toe aan de e-mail die [medeverdachte] aan [betrokkene 1] stuurde en waarin is vermeld dat klanten niet te horen kregen wie PCI is, wel dat ze eventueel te horen kregen dat hun polis is herverzekerd bij grote maatschappijen. Ten tijde van het sturen van deze e-mail in september 2005 was het de verdachten bekend dat voor de [polis 1] -polis geen contraverzekering was afgesloten en ook voor de [polis 2] - en [polis 3] -polissen was nog geen overeenkomst aangegaan met PCI . [medeverdachte] geeft desondanks aan [betrokkene 1] de instructie om participanten voor te liegen dat er een contraverzekeraar was en dat sprake was van herverzekeraars als Zurich-re of Swiss-re . De participanten zijn na juli 2005 er ook niet van op de hoogte gesteld dat zaken zouden worden gedaan met PCI .” 41. De stellers van het middel betogen allereerst dat het hof kennelijk heeft geconcludeerd dat in 2004 en 2005 mededelingen zijn gedaan aan participanten en tussenpersonen aangaande de contraverzekeraar van de [polis 2] - en [polis 3] -polis, terwijl op dat moment nog geen contraverzekering bij PCI was afgesloten. Op basis van de door het hof genoemde bewijsmiddelen in de voetnoten kan echter niet de conclusie worden getrokken dat in die mededelingen ten onrechte werd vermeld dat PCI de contraverzekeraar was, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt op welke polis de door de verdachte gedane mededelingen betrekking hebben, aldus de stellers van het middel. 42. De mededelingen waarop het hof in de eerste zin van het eerste citaat onder 40 doelt, zijn blijkens de onderliggende bewijsmiddelen gedaan in augustus 2004. De veronderstelling van de stellers van het middel dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat deze mededelingen betrekking hadden op de [polis 2] - en [polis 3] -polis, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft dat niet met zoveel woorden overwogen en uit de bewijsvoering van het hof (onder 1.2) blijkt ook dat de [polis 2] -polis pas op 26 april 2005 en de [polis 3] -polis pas op 28 juni 2006 is aangekocht. Het hof heeft – naar het mij voorkomt – daarom slechts in algemene zin willen overwegen dat aan participanten reeds in 2004 werd meegedeeld dat PCI de contraverzekeraar was, terwijl er toen nog geen sprake was van een overeenkomst met PCI . Nu uit de verdere bewijsvoering van het hof blijkt dat het onderzoek door de verdachten naar PCI als contraverzekeraar in oktober 2004 nog in volle gang was, is de overweging van het hof dat er in 2004 nog geen sprake was van een overeenkomst met PCI niet onbegrijpelijk en vindt die voldoende steun in de bewijsvoering. Dat uit de concrete mededelingen niet blijkt op welke polis zij betrekking hebben, doet aan die overweging niet af. 43. De stellers van het middel betogen verder dat het hof in het tweede citaat (uit de tussenconclusie) ten onrechte heeft samengevat dat de verdachte in september 2005 aan [betrokkene 1] de instructie gaf om participanten ‘voor te liegen’ dat er een contraverzekering was, nu uit de e-mail van de verdachte blijkt dat deze mail geen betrekking heeft op de [polis 3] - en [polis 1] -polis. De stellers van het middel wijzen er evenwel zelf al op dat de waarde van de [polis 2] -polis $ 2 miljoen was, terwijl de verdachte in zijn e-mail aan [betrokkene 1] verwijst naar polissen ter waarde van onder meer $ 2.000.000. De omstandigheid dat de e-mail van de verdachte geen betrekking heeft op de [polis 3] - en [polis 1] -polissen, maakt daarom nog niet dat het hof ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de verdachte in september 2005 aan [betrokkene 1] de instructie gaf om participanten ‘voor te liegen’ dat er een contraverzekering was. Daar komt bij dat het hof onder 1.6 heeft vastgesteld dat de verdachten eerst op 3 oktober 2005 voor de [polis 2] -polis een overeenkomst met PCI hebben afgesloten, terwijl het hof onder 1.2 al had vastgesteld dat deze polis op 26 april 2005 was aangekocht. 44. De tweede deelklacht faalt. 6.3. De derde deelklacht: ‘informatie uit Texas in november 2006 bevestigt dat PCI geen solide verzekeringsmaatschappij was’ 45. De derde deelklacht is gericht tegen de overweging van het hof dat “[o]ok informatie afkomstig uit Texas in november 2006 bevestigt dat PCI geen solide verzekeringsmaatschappij was.” Die overweging in 1.7 van het bestreden arrest heeft het hof kennelijk gebaseerd op een “Official order of the commissioner of insurance of the state of Texas”, waaruit volgens het hof samengevat volgt dat het PCI is verboden handelingen te verrichten op het gebied van verzekeringen op straffe van een boete. Volgens de stellers van het middel kan uit dat document (het gaat om D-0854, voetnoot 84 in het bestreden arrest) niet de conclusie worden getrokken dat PCI geen solide verzekeringsmaatschappij was. 46. Uit het document blijkt dat tegen PCI op 6 november 2006 een “Emergency cease and desist order” is uitgevaardigd, kennelijk omdat PCI verzekeringen aanbood zonder dat zij daarvoor een vergunning had in de staat Texas. Dat het hof daarin een bevestiging heeft gezien dat PCI geen solide verzekeringsmaatschappij was, is niet onbegrijpelijk. Bovendien moet de overweging van het hof niet zo streng worden gelezen dat het hof (enkel) op basis van dit document de conclusie heeft getrokken dat PCI geen solide verzekeringsmaatschappij was. Het is slechts een van de vele argumenten op basis waarvan het hof heeft geoordeeld dat PCI geen betrouwbare contraverzekeraar was (en dat de verdachten dat wisten). In zoverre moet worden aangenomen dat de verdachte geen belang heeft bij cassatie. 47. De derde deelklacht faalt. 6.4. De vierde deelklacht; ‘het hof acht het aannemelijk dat verdachten waar het PCI betreft er nooit om te doen is geweest om een serieuze contraverzekeraar te vinden en in te schakelen’ 48. De vierde deelklacht houdt in dat de “(‘tussen’-)-conclusie van het hof dat verdachte van meet af aan opzet hebben gehad op oplichting van de participanten”, niet steunt op de inhoud van nauwkeurig geduide bewijsmiddelen. De stellers van het middel wijzen op de volgende passage uit de hiervoor onder 12 geciteerde tussenconclusie van het hof: “Het hof acht aannemelijk, gelet op al het voorgaande, dat het de verdachten waar het PCI betreft er nooit om te doen is geweest om een serieuze contraverzekeraar te vinden en in te schakelen. De betalingen aan PCI waren alleen bedoeld om anderen, onder wie participanten en naaste medewerkers, te laten geloven dat contraverzekeringen werden afgesloten. Uit het feit dat de verdachten voor de [polis 1] -polis geen contraverzekering of vergelijkbare dekking hebben afgesloten in de periode tussen juli 2005 tot begin 2009 leidt het hof af dat de verdachten van plan waren de uitkering, in geval van in leven zijn van [polis 1] op de einddatum, uiteindelijk te betalen uit de inleg van gelden van (andere) participanten. Het hof verwijst wat dit betreft naar hetgeen het overweegt en beslist in de hierna volgende paragraaf (‘De (juridische) structuur’). Het hof vindt hiervoor ook bevestiging in de afspraken tussen PCI en QI begin 2009 om te doen alsof PCI uitkeerde uit hoofde van een contraverzekering voor de [polis 1] -polis, terwijl dit in werkelijkheid niet zo was.[86] Deze zogenoemde ‘ [polis 1] -oplossing’ komt hierna nog nader aan de orde. Met hun beslissing om voor de andere twee polissen ( [polis 3] en [polis 2] ) betalingen te doen aan PCI namen de verdachten verder een onverklaarbaar groot risico dat PCI (net als Albatross ) niet zou uitkeren. De conclusie kan daarom niet anders zijn dan dat de verdachten ook voor deze polissen van plan waren om de financiële middelen voor een betaling bij in leven zijn van de verzekerde op de vooraf vastgestelde datum, voor zover nodig, te voldoen uit de inleg van andere participanten. [86] AH-19, p. 25 e.v.” 49. De stellers van het middel gaan er ten onrechte vanuit dat het hof deze overwegingen van voetnoten had moeten voorzien waarin het duidt op welke bewijsmiddelen zij steunen. Deze passage is immers onderdeel van een tussenconclusie van het hof en bevat conclusies die het hof heeft ontleend aan de door het hof daaraan voorafgaand vastgestelde feiten en omstandigheden. Zoals ik hiervoor onder 30 heb vooropgesteld, behoeven dergelijke conclusies geen verwijzing naar concrete bewijsmiddelen. 50. De vierde deelklacht faalt. 6.5. De vijfde deelklacht: ‘al in 2007 onjuiste informatie over de [polis 4] -polis verspreid’ 51. Deze deelklacht richt zich tegen de volgende passage uit de bewijsoverweging van het hof, zoals opgenomen onder het kopje “2.2.11. De gang van zaken rond de uitkering op de [polis 1] -, [polis 3] - en [polis 4] -polis”: “Ter zake van de gang van zaken met betrekking tot de uitkering op de [polis 3] -polis heeft de verdediging van [medeverdachte] het standpunt ingenomen dat [medeverdachte] hierbuiten is gehouden en daarvan dan ook niet op de hoogte is geweest. Het hof hecht hieraan geen geloof, gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] – en voor een kortere periode ook [betrokkene 3] – op alle vlakken van de handel in participaties in life settlements. Ook was de verdachte nauw betrokken bij het vinden van een oplossing voor de polissen waarvoor geen contraverzekering aanwezig was en wel moest worden uitgekeerd aan participanten. [185] Het hof wordt hierin gesterkt door het feit dat ook, en al in 2007, over een andere uitkering onjuiste informatie is verspreid, in dat geval door QI . Er was op de website van QI een link met de tekst ‘uitgekeerde fondsen’. Daarop wordt naast LSF1 (waarin de [polis 1] -polis was ondergebracht [186]) en LSF5 (de [polis 3] -polis [187]) ook CLSF 6 genoemd. Dit fonds betrof participaties in de life settlement op naam van [polis 4] . Onbetwist is dat de aankoop van deze polis een fout betrof. [betrokkene 3] heeft dan ook in september 2007 [188] QI geadviseerd om de [polis 4] -polis niet in een trust te plaatsen. [betrokkene 3] heeft ook aangegeven dat Watershed de kosten van de uitkering moest dragen omdat die als koper zodanig in gebreke was gebleven, dat de reeds afgesloten participatieovereenkomsten niet meer nagekomen konden worden. Aan de participanten [betrokkene 7] en [betrokkene 8] is in november 2007, door brieven opgesteld door [betrokkene 3] [189], bekendgemaakt dat hun investering tot uitkering kwam. De betaling kwam echter van de escrow rekening in beheer bij [betrokkene 4] . [190] Naast dat QI in strijd met de waarheid op haar website heeft gesuggereerd dat dit fonds succesvol tot uitkering was gekomen, is dit aan haar intermediairs en op een bijeenkomst van participanten kenbaar gemaakt, waarbij de ene keer is meegedeeld dat de oorspronkelijke verzekeraar had uitgekeerd en de andere keer de contraverzekeraar. [191] [185] AH-019, PV ‘Bevindingen [polis 1] ’ en AH-023 PV ‘bevindingen [polis 2] ’ en BOB-0077b en AH-007 PV ‘Uitkering [polis 4] ’ en D-1148. [186] AH-019, PV ‘Bevindingen [polis 1] ’, p. 38 en D-0866. [187] AH-021, PV ‘Bevindingen [polis 3] ’, p. 24 en D-0866. [188] D-1147. [189] D-1150 en D-1153. [190] AH-029, PV ‘Geldstromen’ [191] AH-007, PV ‘Uitkering [polis 4] ’, p. 3 van 14.” 52. De stellers van het middel betogen dat het oordeel van het hof dat al in 2007 onjuiste informatie werd verspreid over de (uitkering van
  2. de)[polis 4] -polis door QI , niet door de bewijsmiddelen wordt gedragen, terwijl de desbetreffende overweging van het hof relevant is voor de bewezenverklaring dat (van meet af aan) sprake was van opzet op oplichting. Aangevoerd wordt dat in de brieven van [betrokkene 3] aan [betrokkene 7] en [betrokkene 8] waar het hof naar verwijst (D-1150 en D-1153), niet is geschreven dat hun investering tot uitkering kwam. 53. In die brieven naar [betrokkene 7] en [betrokkene 8] (van respectievelijk van 9 november 2007 en 28 november 2007) staat inderdaad niet met zoveel woorden dat ‘hun investering tot uitkering is gekomen’. Uit de inhoud van die brieven kan wel worden afgeleid dat zij het vervolg zijn op eerdere correspondentie tussen de participanten [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en [betrokkene 3] . In die eerdere brieven die zich in het dossier bevinden (van respectievelijk 7 november 2007 en 23 november 2007; het gaat om D-1149 en D-1152) staat wél met zoveel woorden geschreven dat “dit fonds, waarin u participeert tot uitkering is gekomen”. Het hof heeft evident bedoeld (ook) naar deze onderdelen van het procesdossier te verwijzen. Het bestreden arrest kan in zoverre verbeterd worden gelezen, waardoor moet worden aangenomen dat er geen verzuim is. 54. De vijfde deelklacht kan niet tot cassatie leiden. 6.6. De zesde deelklacht: onjuiste/onvolledige verwijzingen naar bewijsmiddelen in de voetnoten 55. Met de zesde deelklacht wordt geklaagd over de onjuistheid en/of onvolledigheid van een grote hoeveelheid voetnoten die verspreid staan in het bestreden arrest. Volgens de stellers van het middel is het bestreden arrest gelet op deze grote hoeveelheid vage en onjuiste verwijzingen niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. 56. Gelet op hetgeen ik onder 31 heb overwogen, behoeft deze deelklacht geen bespreking, nu de stellers van het middel daarbij niet stellig en duidelijk aangeven in welk opzicht een of meer onderdelen van de bewezenverklaring niet in toereikende mate steunen op de inhoud van wettige bewijsmiddelen 57. De zesde deelklacht dient buiten bespreking te blijven. 6.7. Slotsom van het derde middel 58. Het middel faalt in al zijn onderdelen. 7Het vierde middel 59. Het vierde middel bevat vier deelklachten over de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde ‘valsheid in geschrift’. 60. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 september 2011 in Nederland en/of in België en/of in de Verenigde Staten van Amerika telkens tezamen en in vereniging met andere natuurlijke personen telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt en gebruik heeft doen maken van valse geschriften, te weten - 1) participatie-overeenkomsten a. participatie-overeenkomst 13 sub 1 / CLSF III/IV, gedateerd 13 juli 2007, ten name van participant [betrokkene 9] en b. participatie-overeenkomst 3 sub 5, 6, 7 / CLSF XV, gedateerd 4 maart 2008, ten name van participant [betrokkene 10] en c. participatie-overeenkomst 20 / CLSF XXV, gedateerd 23 januari 2009, ten name van participant [betrokkene 11] en d. participatie-overeenkomst 23 / BGIF 23, gedateerd 15 december 2010, ten name van participant [betrokkene 11] en e. participatie-overeenkomst 29 sub 2 / CLSF XLIII, gedateerd 06 januari 2011, ten name van participant [betrokkene 12] en -2), addenda bij participatie-overeenkomsten, a. addendum bij participatie-overeenkomst 13 Sub 1 / CLSF III/IV, gedateerd 12 augustus 2010, ten name van participant [betrokkene 9] en b. addendum bij Participatie-overeenkomst 3 sub 5, 6, 7 / CLSF XV, gedateerd 12 augustus 2010, ten name van participant [betrokkene 10] en c. addendum bij Participatie-overeenkomst 20 / CLSF XXV, gedateerd 26 augustus 2010, ten name van participant [betrokkene 11] en -3) versies van brochures/prospectus over door Quality Investments B.V. aangeboden financiële producten, waaronder een brochure/prospectus, getiteld “Closed Life Settlement Fund”, versie oktober 2008 en -4) een ongedateerde leaflet (in het dossier addendum op de productbrochure genoemd), getiteld “ Quality Investments , Uw product van A tot Z” zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren die geschriften echt en onvervalst, en telkens opzettelijk de hiervoor bedoelde geschriften heeft afgeleverd en heeft doen afleveren en voorhanden heeft gehad, terwijl zij wisten, dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren die geschriften echt en onvervalst, bestaande die valsheid telkens hierin dat in die geschriften, in strijd met de waarheid, was aangegeven en/of vermeld - zakelijk weergegeven - in de periode van 1 januari 2007 tot en met 15 december 2010 in de betreffende geschriften, genoemd onder punten 1a en 1b en 1c en 1d: - dat het in elk van de betreffende geschriften met name genoemde “fonds” het (economische) eigendom heeft van een Amerikaanse overlijdensrisicoverzekering; - dat het in elk van de betreffende geschriften met name genoemde “fonds” het (economische) eigendom heeft van een herverzekering (in het dossier contraverzekering genoemd) op basis waarvan de verzekerde som zal worden uitgekeerd, indien na een vooraf bepaalde looptijd de verzekerde persoon niet is overleden en dat “het fonds” aldus een gegarandeerde looptijd heeft; en in de periode van omstreeks juni 2010 tot en met 27 september 2011 in de geschriften, genoemd onder punten 1e en 2a en 2b en 2c en 4: - dat de participanten samen (economisch) eigenaar zijn van een overlijdensrisicoverzekering en in de brochures, genoemd onder punt 3: - dat het risico, dat de verzekerde persoon langer leeft dan de vooraf bepaalde looptijd van het financieel product, is/wordt verzekerd (voor hetzelfde bedrag als de overlijdensrisicoverzekering op het leven van dezelfde persoon) - dat een juridische evaluatie is verricht door of namens HRM Advocaten op grond waarvan door een advocaat is vastgesteld • dat de herverzekeringsovereenkomst voorziet in volledige herverzekering (in het dossier contraverzekering genoemd) van een overlijdensrisicoverzekering/Life Settlement Policy en/of • dat de herverzekeringsassuradeur (in het dossier contraverzekeraar genoemd) voor 80% haar verplichtingen heeft herverzekerd bij herverzekeringsbedrijven/herverzekeraars en/of • dat deze herverzekeringsbedrijven/herverzekeraars (van de herverzekeringsassuradeur (in het dossier contraverzekeraar genoemd) bedrijven zijn als Zurich, AIG, Hannover, Swiss RA, Royal and Sun Alliance, Copenhagen RE, AXA, St. Pauls RE, Munich RE en Allianz en bestaande het opzettelijk gebruik maken en gebruik doen maken en afleveren en doen afleveren hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders telkens, de geschriften, genoemd onder punten 1) en 2), - ter ondertekening aan (aspirant) participanten hebben toegezonden en/of doen toezenden en/of voorgelegd en/of doen voorleggen en/of - vervolgens die geschriften als bewijs van een tussen Quality Investments BV en de (aspirant) participant te sluiten/gesloten overeenkomst door de betreffende (aspirant) participant hebben doen ondertekenen en - zelf met dat doel heeft ondertekend en/of doen ondertekenen en - vervolgens een getekend exemplaar van de geschriften, genoemd in punten 1) en 2), aan de betreffende participant hebben afgegeven en/of toegezonden en/of hebben doen afgeven en/of toezenden en de geschriften, genoemd onder punten 3) en 4), - ter ondersteuning en/of ten bewijze van hetgeen (namens Quality Investments BV) werd gesteld tijdens een miljonairsfair en/of individuele verkoopgesprekken en/of andere marketingactiviteiten, aan geïnteresseerden hebben voorgehouden en/of doen voorhouden en verstrekt en/of doen verstrekken en - op een website op het internet hebben gepubliceerd en/of hebben doen publiceren en aldus bedoelde geschriften voor onbepaald publiek hebben beschikbaar gesteld en/of heeft doen beschikbaar stellen.” 61. Het hof heeft bij de beoordeling van de feiten ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde (onder 3.1) – voor zover voor het middel van belang – het volgende overwogen (de voetnoten heb ik weggelaten): “Algemeen In het eerste feit op de tenlastelegging wordt de verdachte – samengevat – verweten dat hij samen met anderen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 september 2011 gebruik heeft gemaakt van valse documenten. De valsheden zijn opgenomen in vijf genoemde participatie-overeenkomsten, in drie addenda bij deze participatieovereenkomsten, in een brochure/prospectus getiteld “Closed Life Settlement Fund” en/of in een leaflet “Quality Investment, Uw product van A tot Z”. De valse informatie die is opgenomen in de verschillende geschriften is volgens de tenlastelegging dat: - het fonds het (economisch) eigendom heeft van een Amerikaanse overlijdensverzekering en een contraverzekering, - de participant is bijgeschreven in Exhibit II van de trustdeed, - de participanten samen (economisch) eigenaar zijn van een overlijdensrisicoverzekering, - het risico dat een verzekerde persoon langer leeft dan de looptijd is verzekerd, - dat een juridische evaluatie is verricht door HRM advocaten, - de herverzekeringsovereenkomst (contraverzekering) voorziet in volledige herverzekering, - de herverzekeraarsassuradeur haar verplichtingen voor 80% heeft herverzekerd bij herverzekeraars, - deze herverzekeraars bedrijven zijn als Zurich, AIG, Swiss RA, Royal and Sun Alliance, Copenhagen Re, AXA, St. Pauls RE, Munich Re en Allianz. Het gebruik maken van de valse geschriften bestaat eruit dat de verdachte participatie-overeenkomsten en addenda heeft toegezonden of doen toezenden aan participanten om deze te tekenen, deze zelf heeft getekend of door iemand van QI heeft laten tekenen en een getekend exemplaar aan de participanten heeft toegezonden dan wel heeft doen toezenden zodat dit als bewijs gold van een gesloten overeenkomst met QI . De brochures en de leaflet zijn gebruikt om de informatie, die is verteld tijdens een miljonairsfair, tijdens verkoopgesprekken en/of op internet is geplaatst, te ondersteunen. […] Het hof stelt vast dat de hiervoor bedoelde geschriften zijn gebruikt binnen de tenlastegelegde periode van 1 januari 2007 tot en met 27 september 2011. De pleegplaatsen zijn België, Nederland en voor zover het de addenda betreft ook de Verenigde Staten. Voor wat betreft de valse informatie die in de periode 1 januari 2007 tot en met 15 december 2010 in de participatieovereenkomsten onder a, b, c en d, is opgenomen gaat het allereerst om het vermelden dat het fonds het (economisch) eigendom heeft van een Amerikaanse overlijdensrisicoverzekering. Het hof heeft hiervoor [ik begrijp bij de beschrijving van de werkelijke gang van zaken onder 2.2.8, welk onderdeel ik onder randnummer 64 van deze conclusie zal weergeven, DP] overwogen dat in werkelijkheid geen sprake was van (economisch) eigendom van een Amerikaanse overlijdensrisicoverzekering. Hetzelfde heeft het hof overwogen over het (economisch) eigendom van een herverzekering (contraverzekering). Deze contraverzekering bestond in werkelijkheid niet zodat alleen al daarom daarvan geen (economisch) eigendom kon worden verkregen. […] In de periode omstreeks juni 2010 tot en met 27 september 2011 stond in de participatie-overeenkomst onder e en in de addenda a tot en met c dat de beneficiaries (begunstigden) gezamenlijk het economisch eigendom hebben van de overlijdensrisicoverzekering. In het onder 4 bedoelde leaflet is in de samenvatting vermeld dat de investeerder het economisch eigendom heeft verworven in een deel van de trust die juridisch eigenaar is van de verzekeringen. Nu vast staat dat met “beneficiaries” en “investeerder” in de bedoelde geschriften de participanten (zoals aangeduid in de tenlastelegging) worden bedoeld, zal het hof dit deel bewezen verklaren. Het hof verwijst verder naar hetgeen hiervoor voor de documenten in de periode 1 januari 2007 toten met 15 december 2010 is overwogen. In de brochure staat vermeld: “CLSF Trust Ill/IV heeft een Herverzekering gesloten. Mocht de Overlijdensrisicoverzekering niet voor 1 juli 2011 uitkeren, dan zal de Herverzekering uiterlijk op 1 oktober 2011 $ 10.000.000,= USD aan CLSF Trust III/IV betalen, waarna de Participanten onmiddellijk zullen worden voldaan.” In de Letter of Comfort (LOC) van HRM Advocaten is vermeld dat een juridische evaluatie is verricht door HRM Advocaten en dat is vastgesteld dat de herverzekeringsovereenkomst voorziet in volledige herverzekering van de Life Settlement Policy. Ook is hierin vermeld “De herverzekeringsassuradeur heeft op haar beurt voor 80% haar verplichtingen uit hoofde van de 2e polis herverzekerd bij bedrijven die alle zijn gewaardeerd met AMBEST en STANDARD AND POORS “A” of hogere rating. Ik heb vastgesteld dat deze bedrijven zijn als Zurich, AIG, Hannover, Swiss RA, Royal and Sun Alliance, Copenhagen RE, AXA, St. Pauls RE, Munich RE en Allianz.” [betrokkene 3] trad op namens HRM. Bij de participanten was niet bekend dat [betrokkene 3] voor een derde deel meedeelde in ‘de buit’, zoals [verdachte] dit in zijn e-mail van 24 februari 2009 noemde. [betrokkene 3] had dan ook financieel belang bij grote bedragen aan inleg door participanten. Hij heeft zich bij het opstellen van de LOC uitsluitend gebaseerd op informatie die hem is verstrekt door de verdachten. De verdachte [medeverdachte] heeft dit bevestigd, hij gaf [betrokkene 3] samen met [verdachte] informatie. De vermelding dat een juridische evaluatie is verricht, houdt naar het oordeel van het hof in dat ten minste (enig) onderzoek is gedaan of de door [medeverdachte] en [verdachte] verstrekte informatie op waarheid was gebaseerd. Vast staat dat [betrokkene 3] , voorafgaand aan het opnemen van de informatie in de LOC, geen enkel onderzoek heeft gedaan naar de herverzekering of bij de bedrijven die in de LOC worden genoemd. [betrokkene 3] was verder nauw betrokken bij de [polis 1] -oplossing en hij wist dat PCI meewerkte aan een constructie die was gebaseerd op leugens. Ook daarna is de informatie, zoals vermeld in de LOC, niet aangepast. [medeverdachte] en [verdachte] waren van dit alles volledig op de hoogte. De participatie-overeenkomsten werden door QI en later door AD Consultancy opgemaakt. Getuige [betrokkene 13] werkte vanaf maart 2010 tot maart 2011 voor QI en AD Consultancy. Zij maakte onder meer contracten op voor participanten. De contracten waren volgens haar als het ware al gemaakt, zij vulde ze in. De onder 1 en 2 genoemde documenten zijn zowel door [medeverdachte] ondertekend als door de participanten. De participanten hebben een getekend exemplaar ontvangen. Getuige [betrokkene 11] heeft hierover verklaard: “In de contracten staat alle informatie maar die kreeg ik pas nadat ik ze getekend had. Ik had de storting al gedaan voordat ik het contract getekend had.” De producten van QI werden op de internetsite van QI , in brochures, via het televisie, programma ‘Business Class’ van Harry Mens en in individuele verkoopgesprekken met potentiële investeerders gepresenteerd. Participanten werden benaderd op Miljonairsfairs, georganiseerde bijeenkomsten in hotels en via assurantietussenpersonen in binnen- en buitenland. QI had ook verkoopkantoren in België. Getuige [betrokkene 14] heeft vanaf februari 2009 tot september 2010 bij QI gewerkt. Hij heeft een aantal gesprekken gehad met investeerders en regelmatig zat hij als tweede man van [betrokkene 15] en [betrokkene 16] , beiden ook werkzaam voor dan wel bij QI , bij een gesprek met investeerders. [betrokkene 14] werkte vanaf april 2010 op de salesafdeling bij QI . Hij beantwoordde vragen van verkopers en beantwoordde zelf ook wel eens vragen van klanten. Meestal namen de klanten contact op met de intermediairs. Hij voerde zelf wel gesprekken met klanten en ook wel samen met [betrokkene 15] (hof: [betrokkene 15]). Getuige [betrokkene 15] antwoordde op de vraag wat hij over de getoonde prospectus D-013 kon verklaren dat dit een kopie was van de prospectus die hij had gebruikt naar zijn investeerders toe. Ook alle intermediairs hebben deze prospectus gebruikt. De betrokkenheid en wetenschap van [medeverdachte] , [verdachte] en [betrokkene 3] [medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] de creatieve man was die betrokken was bij het samenstellen van de prospectus. De specialist die was betrokken was [betrokkene 3] . Op de vraag of [medeverdachte] met [verdachte] en [betrokkene 3] het product heeft bedacht en gemaakt, heeft [medeverdachte] geantwoord dat [betrokkene 3] de prospectus heeft gemaakt met input van hem en [verdachte] . [betrokkene 3] heeft verklaard dat [medeverdachte] en [verdachte] hem opdracht hebben gegeven om documenten te maken. Hij heeft opdracht gehad om de rechtsfiguur van het fonds te gebruiken en daarvoor de participatie-overeenkomst en de voorwaarden voor beheer en bewaring van het fonds te maken. Met verwijzing naar wat daarover hiervoor is opgenomen, acht het hof bewezen dat [medeverdachte] en [verdachte] wisten dat PCI geen betrouwbare contraverzekeraar was en dat participanten werd meegedeeld dat risico’s waren herverzekerd terwijl er geen sprake was van een reële contraverzekering. Uit de afwikkeling van de [polis 3] - en de [polis 1] -polis begin 2009 blijkt dat [medeverdachte] wist dat PCI wilde meewerken aan het opstellen van valse documenten zodat participanten kon worden voorgespiegeld dat PCI uitkeringen had gedaan terwijl dit in werkelijkheid niet zo was. Op 1 februari 2009 stuurt [betrokkene 17] aan onder meer [medeverdachte] en [verdachte] een e-mail over de afwikkeling van de [polis 1] -polis waarin is vermeld dat het duidelijk is dat PCI geen verantwoordelijkheid heeft om enig bedrag te betalen. [betrokkene 3] heeft hierover verklaard dat de suggestie om [betrokkene 17] te vragen een polis af te geven in zijn beleving is gedaan door [verdachte] of [medeverdachte] . [betrokkene 3] had nog de suggestie gedaan om eerlijk te zeggen hoe het zat, maar die werd afgewezen. Hij heeft die suggestie in ieder geval gedaan aan [medeverdachte] maar die werd om commerciële redenen afgewezen. Hij heeft dit ook met [verdachte] besproken. Naast hetgeen het hof eerder heeft overwogen over de betrouwbaarheid van PCI , is de verklaring van [betrokkene 3] een bevestiging dat PCI in was voor fraude en dat [medeverdachte] en [verdachte] dit wisten. Zij hadden een commercieel belang om de waarheid te verhullen. De vermelding in de geschriften, dat participanten economisch eigendom hadden van de overlijdensrisicoverzekering en de herverzekering (contraverzekering) is door onder meer [medeverdachte] gedaan om participanten de indruk te geven dat zij in verband hiermee zelf rechten en plichten hadden ten aanzien van de polis en ‘herverzekering’. [betrokkene 3] heeft [medeverdachte] echter op 12 juni 2009 per e-mail geïnformeerd dat HRM advocaten al regelmatig vraagtekens heeft geplaatst bij de trustdeed en dat de AFM volkomen gelijk heeft als zij zegt dat [betrokkene 4] op basis van de redactie van de trustdeed eenvoudigweg eigenaar is. “En als je goed kijkt naar wat er op papier staat, dan kom je eenvoudigweg tot de conclusie dat in een zestal fondsen de eigendom van de polis niet meer in het fonds zit”. Wat er overigens ook zij van deze laatste opmerking dat een polis in een fonds zou kunnen zitten, [betrokkene 3] vroeg zich af waar de eigendom lag en stelde [medeverdachte] hiervan in kennis. In werkelijkheid was het de trust die optrad als verzekeringnemer van de overlijdensrisicoverzekeringen en hadden participanten slechts een recht als beneficiary ten opzichte van de trust. De herverzekering werd door [medeverdachte] gebruikt om participanten over te halen om geld in te leggen. Zoals eerder overwogen, in werkelijkheid bestond er geen contraverzekering. Verdachte [verdachte] heeft over de Letter of Comfort, waarin een juridische evaluatie is opgenomen verklaard: ‘We zochten iemand die de structuur goed op papier kon zetten en zich kon bemoeien met de prospectus. Zo kwamen we bij [betrokkene 3] . In die tijd hebben wij met ons drieën ons bezig gehouden met de inhoud prospectus en de inhoud van de letter of comfort. Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [medeverdachte] , [verdachte] en (tot op zekere hoogte) [betrokkene 3] betrokken waren bij het opstellen van de documenten en wisten dat daarin valse informatie was opgenomen.” 7.1. De eerste deelklacht 62. Deze deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat de participanten niet de ‘economische eigendom’ van de levensverzekeringspolis of de contraverzekeringspolis hebben verkregen. Dit oordeel getuigt volgens de stellers van het middel van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof voor de vraag of sprake is van economisch eigendom als doorslaggevend heeft aangemerkt dat de economisch eigenaar zelfstandig enige beschikkingsmacht over de zaak kan uitoefenen. 63. Het hof heeft bewezenverklaard dat in een aantal van de in de bewezenverklaring genoemde geschriften in strijd met de waarheid was aangegeven en/of vermeld dat de participanten, al dan niet via het in de geschriften genoemde fonds, de (economische) eigendom hadden van de Amerikaanse levensverzekering en van een herverzekering. 64. Het hof heeft ten aanzien van de (economische) eigendom van de polissen in het bijzonder het volgende overwogen: “2.2.8. De (economische) eigendom van de polissen Duidelijk is dat de participanten niet, al dan niet via het fonds voor gemene rekening, juridisch eigenaar waren van de trust of van de zich daarin bevindende polissen. Wat de trust zelf betreft kan dat juridisch gezien ook niet. De rechtsfiguur van de trust houdt in dat een trustee bewaarder en beheerder is van bezittingen overeenkomstig de voorwaarden van de trust ten behoeve van de begunstigden. Het zijn van juridisch eigenaar van een trust is dan ook niet mogelijk. Wie de begunstigden waren, werd bepaald door de bij de trustdeed behorende ‘Exhibit II’. De trustee was degene die gehouden was deze lijst van begunstigden bij te houden. Er is onduidelijkheid over de vraag of Exhibit II bij de verschillende trustdeeds als zodanig werd ingevuld en bijgehouden. [betrokkene 4] deed dat volgens haar eigen zeggen niet. Blijkens haar verklaring voelde zij zich daar niet verantwoordelijk voor, dat was naar haar idee een taak voor de beheerder van het fonds (voor gemene rekening, zo begrijpt het hof). Desgevraagd heeft zij verklaard dat er wel een Exhibit II was (op haar kantoor, zo begrijpt het hof), maar dat dat blanco zal zijn geweest. In Nederland waren er wel documenten aanwezig (het hof: Exhibits II) die van haar elektronische handtekening zouden zijn voorzien. Volgens [betrokkene 4] was zij geen trustee voor afzonderlijke participanten, maar alleen voor een gesloten Nederlands fonds, en wist zij “zelfs niet eens wie er lid was van het gesloten fonds. Deze zaken werden allemaal door Quality Investments in Holland afgehandeld door hun administratiebedrijf.” [betrokkene 3] heeft, als getuige in deze zaak gehoord ter terechtzitting in hoger beroep, ook geen echte duidelijkheid op dit punt kunnen of willen geven. Hij heeft er het volgende over gezegd: “Op de vraag of ik uit eigen wetenschap weet of Exhibit II bij de trustdeed – het stuk waarop de participanten werden bijgeschreven en waardoor ze aanspraak konden maken op de trust – werd bijgehouden en up to date was, antwoord ik dat ik weet dat het van een aantal fondsen up to date was. Op kantoor hadden wij een aantal mappen, binders, en documenten verzameld. Aan de binnenkant zat een lijst waarop was aangekruist welke stukken er wel en niet waren. Voor het gros was Exhibit II aanwezig. Op de vraag of Exhibit II aanwezig was en ingevuld, zeg ik dat ook een paar namen of niet alle namen ingevuld waren.” Het hof komt op grond van beide verklaringen tot de conclusie dat de gang van zaken als volgt is geweest: [betrokkene 4] hield geen lijsten van participanten bij, noch in Exhibit II, noch anderszins, maar hield alleen bij welk fonds voor gemene rekening bij welke trust hoorde. Of zij dit als zodanig op Exhibit II vermeldde, blijft onduidelijk. In Nederland werd bij HRM advocaten en/of bij QI op kantoor, of haar administratiekantoor, bijgehouden welke participanten in welk fonds deelnamen. In de praktijk komt dit ‘stappenplan’ er op neer dat de participanten begunstigden waren van de trust, aangezien een fonds geen rechtspersoon is maar bestaat uit zijn participanten. Wanneer de trustee dus als begunstigde het desbetreffende fonds noteerde – en het hof gaat er dan maar van uit dat dit uit haar administratie af te leiden was – noteerde zij daarmee in feite ‘de gezamenlijke participanten in dat fonds’. Wie dat dan waren, kon worden nagegaan, maar ook door de participanten zelf op grond van hun participatie-overeenkomst worden aangetoond. Het hof constateert verder dat bij de door de participanten gesloten overeenkomsten soms wel en soms niet de desbetreffende trust partij was – wat daarvan dan ook het rechtsgevolg zou moeten zijn. De vraag is nu of het vorenstaande kan kwalificeren als economisch eigendom. Het hof stelt voorop dat economische eigendom een rechtsfiguur is die het Nederlandse goederenrecht niet kent. De invulling van dit begrip verschilt bovendien bij toepassing in verschillende rechtsgebieden. De verdachten zelf hebben in ieder geval niet op enig moment aan hun klanten duidelijk gemaakt wat zij daar dan onder verstonden. Voor zover overeenstemming bestaat over het wezen van economisch eigendom geldt het volgende. Economisch eigendom verkrijgen is het resultaat van een verbintenis die tussen contractanten wordt aangegaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad vat de heersende opvattingen in de doctrine ten aanzien van die verkrijging als volgt samen – en het hof volgt dit – wil daar sprake van zijn dan moet de economisch eigenaar het volgende van de juridisch eigenaar hebben verkregen: 1. het risico van waardeveranderingen van de zaak 2. het risico van tenietgaan van de zaak 3. de gerechtigdheid tot de vruchten van de zaak (het genot). Door de verdediging is aangevoerd dat wat de participanten is aangeboden en door hen is gekocht, een deelrecht is op de uitkering van de door de combinatie van life settlement polis en contraverzekering verzekerde som. Dat zou gelijk staan aan de economische eigendom van de in de trust ondergebrachte polis en contraverzekeringspolis, geheel in overeenstemming met wat de participanten is verteld. Indien een van beide verzekeringen tot uitkering zou komen, zou dat bedrag in de trust vallen en moest de trustee uitkeren. Het hof volgt deze gedachtegang niet, nog daargelaten dat het de vraag is of het overdragen van de economische eigendom inderdaad is wat de verdachten voor ogen stond toen zij de tekst van hun brochures samenstelden. Dat vindt in ieder geval geen bevestiging in het dossier. Het hof heeft de juridische positie van de trust ten opzichte van de verzekeraar vastgesteld aan de hand van de informatie die hierover te halen valt uit eerdergenoemde brochures en uit de koopovereenkomst tussen Watershed en The CLSF Trust III/IV Stichting Closed Life Settlement Fund UA. Hoewel, zeker waar het de BGI-fondsen betreft, de positie en de benaming van enerzijds het fonds voor gemene rekening en anderzijds de trust nogal eens door elkaar gehaald worden, lijkt er consensus te zijn over de omstandigheid dat de juridische eigendom van de polissen (life settlement en ‘contra-verzekering’) zich in de trust bevindt. Kennelijk is met de verkoop aan de trust van een life settlement, de trust contractpartij van de oorspronkelijke verzekeringsmaatschappij geworden en heeft deze daarmee de positie van de verzekeringnemer ingenomen. Tegelijkertijd is de trust in de plaats van de oorspronkelijke gerechtigde op de uitkering aangewezen als begunstigde van de levensverzekering. Vervolgens zijn de participanten, zoals hiervoor is vastgesteld, gezamenlijk de begunstigde (beneficiary) van de trust. Daarmee zijn zij dus slechts begunstigde van een begunstigde van een levensverzekering, wat door het ver verwijderde verband niet meer kan kwalificeren als enige vorm van aanspraak op die polis zelf. De participanten dragen geen risico van waardeveranderingen van de levensverzekering zelf of het risico van tenietgaan daarvan. Deze risico’s bevinden zich binnen de invloedsfeer van de trust/trustee. De conclusie is dan ook dat de participanten niet de economische eigendom van die levensverzekeringspolis (of van de contraverzekeringspolis, wat daarvan verder ook zij) hebben verkregen. Dit is eens te meer het geval vanaf het moment dat de eigendom van de levensverzekering wordt verkocht aan de (in)corporations en deze (in)corporations worden aangemerkt als begunstigde van die verzekering, aangezien daardoor het verband tussen participant en eigendom dan wel begunstigde van de polis nog verder wordt opgerekt.” 65. In de bewijsoverweging die is toegespitst op het onder 1 primair tenlastegelegde feit (zie hiervoor onder 61) heeft het hof omtrent het economisch eigendom in aansluiting hierop het volgende overwogen: “Voor wat betreft de valse informatie die in de periode 1 januari 2007 tot en met 15 december 2010 in de participatieovereenkomsten onder a, b, c en d, is opgenomen gaat het allereerst om het vermelden dat het fonds het (economisch) eigendom heeft van een Amerikaanse overlijdensrisicoverzekering. Het hof heeft hiervoor [zie onder 2.2.8, zoals in het vorige randnummer weergegeven, DP] overwogen dat in werkelijkheid geen sprake was van (economisch) eigendom van een Amerikaanse overlijdensrisicoverzekering. Hetzelfde heeft het hof overwogen over het (economisch) eigendom van een herverzekering (contraverzekering). Deze contraverzekering bestond in werkelijkheid niet zodat alleen al daarom daarvan geen (economisch) eigendom kon worden verkregen. […] In de periode omstreeks juni 2010 tot en met 27 september 2011 stond in de participatie-overeenkomst onder e en in de addenda a tot en met c dat de beneficiaries (begunstigden) gezamenlijk het economisch eigendom hebben van de overlijdensrisicoverzekering. In het onder 4 bedoelde leaflet is in de samenvatting vermeld dat de investeerder het economisch eigendom heeft verworven in een deel van de trust die juridisch eigenaar is van de verzekeringen. Nu vast staat dat met “beneficiaries” en “investeerder” in de bedoelde geschriften de participanten (zoals aangeduid in de tenlastelegging) worden bedoeld, zal het hof dit deel bewezen verklaren. Het hof verwijst verder naar hetgeen hiervoor voor de documenten in de periode 1 januari 2007 tot en met 15 december 2010 is overwogen.” 66. Het begrip “economisch eigendom” is een veel gebruikt, maar weinig gedefinieerd begrip uit het civiele en fiscale recht. Het is een verzamelterm voor gevallen waarin het economische belang bij een bepaald goed toebehoort aan een ander dan degene die juridisch als eigenaar of als rechthebbende moet worden gekwalificeerd. Die ander wordt dan de economische eigenaar genoemd. Over dit begrip overwoog de Hoge Raad op 24 december 1957 in een fiscale zaak “dat, wil iemand als “economisch eigenaar” van een zaak, waarvan de eigendom naar burgerlijk recht aan een ander toebehoort, kunnen worden aangemerkt, vereist is, dat economisch het belang bij die zaak geheel aan hem toekomt, hetgeen insluit, dat het risico van de waardeveranderingen en het eventuele tenietgaan van de zaak ten volle door hem wordt gedragen”. Uit latere arresten van de Hoge Raad in de civielrechtelijke context blijkt dat economisch eigendom niet moet worden gezien als een begrip met zelfstandige betekenis, maar slechts als een benaming van een samenhangend complex van verbintenisrechtelijke rechten en plichten. Die rechten en plichten hoeven niet steeds dezelfde te zijn, aangezien het dus gaat om een samenvattende benaming van de rechtsverhouding tussen partijen zonder zelfstandige betekenis. 67. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is het begrip economisch eigendom één keer eerder aan de orde geweest in een strafzaak bij de Hoge Raad. In die zaak besliste de Hoge Raad dat het hof zijn oordeel dat geen (economische of juridische) overdracht van aandelen had plaatsgevonden niet toereikend had gemotiveerd onder meer omdat de omstandigheden die het hof in aanmerking had genomen niet zonder meer eraan in de weg staan dat de betrokken vennootschap de economische eigendom had verkregen. 68. Uit de conclusie van mijn ambtgenote Spronken voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad in deze zaak blijkt dat in hoger beroep door de verdediging was gewezen op de volgende passage uit de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer en enkele andere belastingwetten in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken: “De omschrijving van het begrip economische eigendom in jurisprudentie en literatuur is geen constante. In de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, waar het veelal gaat om de vraag of afschrijvingen of investeringsaftrek ter zake van bedrijfsmiddelen kunnen plaatsvinden, is het criterium vaak of het risico van waardeverandering in positieve casu quo negatieve zin aan de belastingplichtige toekomt. In de omzetbelasting is de overdracht van de beschikkingsmacht het doorslaggevend criterium. Een eensluidende definitie is daarom moeilijk te geven, zoals ook in de literatuur over dit onderwerp wordt aangegeven, maar er bestaat een algemene overeenstemming over het volgende. Bij economische eigendom is er steeds sprake van een splitsing tussen macht (in de juridische betekenis) en belang (in de economische betekenis) bij het goed op grond van een overeenkomst tussen partijen. Rechten en verplichtingen ten aanzien van dat goed en het risico van waardeverandering in positieve en negatieve zin komen aan de ene partij (economisch eigenaar) toe, terwijl het goed niet zijn eigendom is of hem krachtens een zakelijk recht ter beschikking staat, omdat het niet geleverd is door de juridische eigenaar. De facto is hij genothebbende, de iure niet.” 69. Mijn ambtgenote Spronken heeft in haar conclusie de criteria die in het civiele en fiscale recht voor economische eigendomsoverdracht als volgt omschreven (de voetnoten heb ik weggelaten): 14. Economische eigendom is […] geen goederenrechtelijk begrip, maar in feite het resultaat van een contactuele relatie tussen de juridische eigenaar en de economische eigenaar. De inhoud daarvan kan al gelang de gemaakte afspraken variëren. Het begrip economische eigendom is in de rechtspraak geaccepteerd. Voor de fiscus […] is het in beginsel doorslaggevend of er civielrechtelijk sprake is van eigendom, behalve in de situatie dat een ander dan de juridische eigenaar fiscaal als eigenaar wordt aangemerkt. Daarvan is sprake als een ander dan de juridische eigenaar de economische eigendom van betreffend goed of activum heeft. Wil iemand ‘economisch eigenaar’ worden van een zaak, moet wel het gehele economische belang overgaan naar een ander dan de juridische eigenaar. Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als het risico van waardeverandering en tenietgaan volledig bij de ander dan de juridische eigenaar ligt. Daarnaast wordt ook het "genot" van de zaak gezien als een element van het economische belang en daarmee van de economische eigendom.” 70. In de onderhavige zaak ligt met de eerste deelklacht de vraag voor of het hof voor zijn beoordeling of sprake is van economisch eigendom als doorslaggevend heeft aangemerkt dat de economisch eigenaar zelfstandig enige beschikkingsmacht over de zaak kan uitoefenen. 71. Aan de hand wat het hof onder 2.2.8 heeft overwogen, stel ik vast dat het hof ervan uitgaat dat het verkrijgen van economisch eigendom het resultaat is van een verbintenis die tussen contractanten wordt aangegaan en dat, wil daarvan sprake zijn, de economisch eigenaar het volgende van de juridisch eigenaar moet hebben verkregen: 1. het risico van waardeveranderingen van de zaak 2. het risico van tenietgaan van de zaak 3. de gerechtigdheid tot de vruchten van de zaak (het genot). 72. Dit duidt er dus niet op dat het hof voor zijn beoordeling of sprake is van economisch eigendom als doorslaggevend heeft aangemerkt dat de economisch eigenaar zelfstandig enige beschikkingsmacht over de zaak kan uitoefenen. 73. Hetgeen het hof vervolgens heeft overwogen over het economische eigendom in deze zaak, maakt dat niet anders. Het hof heeft met zijn overwegingen kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een situatie waarin het gehele economische belang is overgegaan naar een ander dan degene bij wie de juridische eigendom ligt, te weten de trust en later de (in)corporations. Het hof heeft daartoe vastgesteld dat (
  3. i)het dossier in ieder geval geen bevestiging biedt voor de omstandigheid dat de verdachten toen zij de tekst van hun brochures samenstelden het overdragen van de economische eigendom voor ogen stond, (
  4. ii)de participanten geen risico dragen van waardeveranderingen of het risico van het tenietgaan daarvan en (iii) de trust de begunstigde is van de levensverzekering, hetgeen van de participanten slechts begunstigde van een begunstigde maakt. 74. Nu niet blijkt dat het hof voor de vraag of sprake is van economisch eigendom als doorslaggevend heeft aangemerkt dat de economisch eigenaar zelfstandig enige beschikkingsmacht over de zaak kan uitoefenen, faalt de klacht dat het oordeel van het hof op dit punt getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. 75. De eerste deelklacht faalt. 7.2. De tweede deelklacht 76. Deze deelklacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen niet kan volgen dat de verdachte wist, althans bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hetgeen in de geschriften over de economische eigendom werd vermeld, onjuist was. 77. Voor zover wordt geklaagd over de ontoereikende motivering van het oordeel van het hof dat de verdachte wetenschap had dat hetgeen in de geschriften werd vermeld over de economische eigendom van de contraverzekering onjuist, merk ik het volgende op. Het hof heeft geoordeeld dat er aan de zijde van de participanten geen sprake was van economisch eigendom van de contraverzekering, omdat die contraverzekering in werkelijkheid helemaal niet bestond. Van belang is verder dat het hof – zoals ik hierna bij de derde deelklacht van dit middel nog zal toelichten – niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat (kort samengevat) de verdachte al vanaf het begin van de bewezenverklaarde periode wist dat de contraverzekering in werkelijkheid niets waard was. Voorts heeft het hof onder het kopje “[d]e betrokkenheid en wetenschap van [medeverdachte] , [verdachte] en [betrokkene 3] ” in de op feit 1 primair toegespitste bewijsoverweging vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij het opstellen van de in de bewezenverklaring genoemde documenten en dat [betrokkene 3] , die met het opstellen van de documenten was belast, zich met vragen omtrent de eigendom van de polissen heeft gewend tot de verdachte. Deze vaststellingen en overwegingen bieden naar mijn mening voldoende grond voor het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat hetgeen in de geschriften werd vermeld over de economische eigendom van de contraverzekering onjuist was. Daarmee is het oordeel van het hof dus toereikend gemotiveerd. 78. Voor zover wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte wetenschap had, althans bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat hetgeen in de geschriften werd vermeld over de economische eigendom van de overlijdensrisicoverzekering onjuist was, ontoereikend is gemotiveerd, geldt het volgende. Het hof heeft onder 3.1 in het tussenkopje “De betrokkenheid en wetenschap van [medeverdachte] , [verdachte] en [betrokkene 3] ” geconcludeerd dat de verdachten betrokken waren bij het opstellen van de documenten en wisten dat daarin valse informatie was opgenomen. Ten aanzien van de betrokkenheid en wetenschap van de verdachte heeft het hof daarin onder verwijzing naar een verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] vastgesteld dat [betrokkene 3] de prospectus heeft gemaakt in opdracht en met input van de verdachte en zijn medeverdachte. Uit het bestreden arrest blijkt verder dat participanten keer op keer door QI bewust verkeerd zijn geïnformeerd. Niet alleen over de contraverzekering, maar ook over het juridisch eigendom van de polissen, waaronder die van de overlijdensrisicoverzekering. Nadat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) begin juni 2010 een rectificatie van de verstrekte informatie over de eigendom van de verzekeringspolissen had afgedwongen, werd door QI een leaflet uitgebracht, met opnieuw feitelijk onjuiste informatie, omdat de eigendom van de polissen in de maanden mei tot en met juli van 2010 vanuit de trust waren ingebracht in (in)corporaties. De participanten zijn daarover bewust niet geïnformeerd, omdat dat alleen maar vragen opriep die weer zouden leiden tot nog meer vragen, zo heeft het hof in zijn bewijsoverweging ten aanzien van het onder 2A ten laste gelegde overwogen (onder verwijzing naar D-2572, p. 2, inhoudende een tapgesprek tussen de medeverdachte en [betrokkene 16] , die werkzaam was voor dan wel bij QI ). Voor de verdachte was van commercieel belang dat aan aspirant-participanten een aantrekkelijk beleggingsproduct kon worden voorgespiegeld en hij wist dat om die reden in de documenten valse informatie werd verstrekt. Het hof heeft onder 3.1 ten aanzien van de vermelding in de geschriften dat participanten economisch eigendom hadden van de overlijdensrisicoverzekering overwogen dat deze door onder meer [medeverdachte] is gedaan om participanten de indruk te geven dat zij zelf rechten en plichten hadden ten aanzien van de polis van de overlijdensrisicoverzekering. Gelet op dit commerciële belang nam de verdachte volgens het hof kennelijk minst genomen op de koop toe – en heeft hij dus bewust de kans aanvaard – dat in de documenten ook valse informatie werd verstrekt over de economische eigendom. Dat die informatie daadwerkelijk vals was, heeft het hof – zoals al is uiteengezet bij de bespreking van de eerste deelklacht van dit middel – vastgesteld onder 2.2.8 van het bestreden arrest. Daarmee is de bewijsvoering van het hof toereikend. 79. Ten overvloede merk ik het volgende op. Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat uit de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof niet zonder meer kan volgen dat de verdachte wist, althans bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hetgeen in de geschriften over de economische eigendom van de overlijdensrisicoverzekering werd vermeld, onjuist was, geeft dit nog geen aanleiding tot cassatie. Immers, door weglating van de onderdelen die betrekking hebben op de (economische) eigendom van de overlijdensriscioverzekering in de bewezenverklaring worden de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aangetast, terwijl ook de kwalificatie ongewijzigd blijft, zodat voor terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling onvoldoende grond bestaat. 80. De tweede deelklacht faalt. 7.3. De derde deelklacht 81. De derde deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachten al van meet af aan (vanaf 1 januari 2007) van plan waren om alle uitkeringen – indien de verzekerden op de einddatum van de levensverzekering nog leefden – te betalen uit de inleg van andere participanten en dat zij wisten dat de uitlatingen in de geschriften in relatie tot de contraverzekeraar onjuist waren. 82. De stellers van het middel gaan er blijkens de toelichting op deze deelklacht kennelijk vanuit dat het hof deze oordelen heeft gebaseerd op: (
  5. i)de overweging dat het de verdachte nooit te doen zou zijn geweest om een serieuze contraverzekering te vinden en (
  6. ii)de vaststelling dat er begin 2009 in relatie tot de [polis 1] -polis door de verdachten met PCI afspraken werden gemaakt om te doen voorkomen dat PCI zou uitkeren. Dat zou volgens hen onvoldoende zijn om het met deze deelklacht bestreden oordeel van het hof te dragen. In ieder geval zou hetgeen het hof hiertoe heeft overwogen, tegen de achtergrond van de gebruikte bewijsmiddelen onbegrijpelijk zijn. 83. Het hof heeft in zijn tussenconclusie (onder 1.8 van het arrest van het hof, zoals weergegeven onder 12 van deze conclusie) geoordeeld dat de verdachten reeds in 2004 en 2005 wisten dat PCI geen betrouwbare contraverzekeraar was. Daarbij heeft het hof onder meer gewezen op het feit dat de verdachten, nadat de contraverzekering voor de [polis 1] -polis bij Albatross in juli 2005 ophield te bestaan, geen nieuwe contraverzekering bij PCI hebben afgesloten. Ook heeft het hof betekenis toegekend aan de mail van de verdachte aan [betrokkene 1] waarin is vermeld dat klanten niet te horen kregen wie PCI was en aan het feit dat de participanten na juli 2005 ook nooit op de hoogte zijn gesteld dat zaken zouden worden gedaan met PCI . Voorts heeft het hof nog opgemerkt dat niet is gebleken dat de verdachten voor de bepaling van de hoogte van een contraverzekering die aan PCI moest worden betaald, ooit een actuaris hebben benaderd. Volgens het hof hebben de verdachten dit bewust niet gedaan, omdat dan bekend geworden zou zijn dat de werkelijke kosten voor de premie veel hoger waren dan door PCI berekend, hetgeen ook een indicatie is dat PCI in werkelijkheid geen reële contraverzekering bood. Dat het hof (onder meer) op grond van deze genoemde feiten en omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat het de verdachten wat PCI betreft nooit te doen is geweest om een serieuze contraverzekeraar te vinden en in te schakelen, is wat mij betreft niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik ook in aanmerking dat uit de bewijsvoering weliswaar blijkt dat er betalingen aan PCI zijn gedaan, maar dat het hof daarover heeft overwogen dat deze betalingen slechts bedoeld waren om anderen te laten geloven dat contraverzekeringen daadwerkelijk werden afgesloten. 84. Vervolgens komt het hof ten aanzien van de [polis 1] -polis tot de conclusie dat de verdachten van plan waren de uitkering, in het geval dat [polis 1] op de einddatum nog leefde, te betalen uit de inleg van de gelden van andere participanten. Dat heeft het hof afgeleid uit het feit dat de verdachten geen contraverzekering of vergelijkbare dekking hebben afgesloten voor die polis in de periode tussen juli 2005 en begin 2009. Die conclusie is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft overwogen dat die contraverzekering essentieel was voor de verdachten om veel participaties te kunnen verkopen en dat de verdachten, nadat hen vanaf juli 2005 bekend was geworden dat de eerdere contraverzekeraar Albatross niet zou uitkeren, de participanten hierover nooit hebben geïnformeerd, alsmede niet over het feit dat er voor de [polis 1] -polis geen contraverzekering (meer) was. Dat het hof voor dit plan van de verdachten “ook bevestiging” ziet in de afspraken tussen QI en PCI van begin 2009 om te doen alsof PCI (als contraverzekeraar) uitkeerde voor de [polis 1] -polis, terwijl dit in werkelijkheid niet zo was, is evenmin onbegrijpelijk. 85. Ook in verband met de [polis 3] -polis en de [polis 2] -polis heeft het hof geoordeeld dat de verdachten van plan waren om de financiële middelen voor een betaling bij het in leven zijn van de verzekerde op de einddatum, voor zover nodig, te voldoen uit de inleg van andere participanten. Dat oordeel heeft het hof gebaseerd op de overweging dat de verdachten met hun beslissing om betalingen te doen aan PCI “een onverklaarbaar groot risico [namen] dat PCI (net als Albatross ) niet zou uitkeren”. Dat oordeel komt mij – mede gelet op de vrijheid die de feitenrechter heeft bij de waardering van het bewijs – niet onbegrijpelijk voor. 86. Kort samengevat heeft het hof in zijn tussenconclusie onder 1.8 van het bestreden arrest aldus geoordeeld dat het de verdachten er, waar het PCI betreft, nooit om te doen is geweest een serieuze contraverzekeraar te vinden en in te schakelen en dat de verdachten al vanaf het begin af aan van plan waren een eventuele uitkering uit hoofde van de contraverzekering te betalen met de inleg van andere participanten. Hierin ligt als oordeel van het hof besloten dat de verdachten in ieder geval vanaf het begin van de onder 1 (en 2A) bewezenverklaarde periode (1 januari 2007) het opzet hadden op hetgeen het hof onder 2.2.12 van zijn arrest kenschetst als ‘piramide fraude’. Het hof is vervolgens in de op feit 1 toegespitste bewijsoverweging (onder het kopje “[d]e betrokkenheid en wetenschap van [medeverdachte] , [verdachte] en [betrokkene 3] ”) gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat de verdachten betrokken waren bij het opstellen van de documenten en tevens dat zij wisten dat daarin valse informatie was opgenomen. Dat oordeel is – mede tegen de achtergrond van hetgeen het hof in zijn tussenconclusie onder 1.8 tot uitdrukking heeft gebracht – toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. 87. Gelet op het voorgaande, kon het hof dus oordelen dat de verdachten al van meet af aan (vanaf 1 januari 2007) van plan waren om alle uitkeringen – indien de verzekerden op de einddatum van de levensverzekering nog leefden – te betalen uit de inleg van andere participanten en dat de verdachten wisten dat de uitlatingen in de geschriften in relatie tot de contraverzekeraar onjuist waren. Daarmee faalt de derde deelklacht. 7.4. De vierde deelklacht 88. De vierde deelklacht richt zich tegen de motivering van het oordeel van het hof dat de vermelding dat een juridische evaluatie is verricht door of namens HRM advocaten, vals is. 89. Het hof heeft hierover onder 3.1 van het bestreden arrest het volgende overwogen: “ [betrokkene 3] trad op namens HRM. Bij de participanten was niet bekend dat [betrokkene 3] voor een derde deel meedeelde in ‘de buit’, zoals [verdachte] dit in zijn e-mail van 24 februari 2009 noemde. [betrokkene 3] had dan ook financieel belang bij grote bedragen aan inleg door participanten. Hij heeft zich bij het opstellen van de LOC uitsluitend gebaseerd op informatie die hem is verstrekt door de verdachten. De verdachte [medeverdachte] heeft dit bevestigd, hij gaf [betrokkene 3] samen met [verdachte] informatie. De vermelding dat een juridische evaluatie is verricht, houdt naar het oordeel van het hof in dat ten minste (enig) onderzoek is gedaan of de door [medeverdachte] en [verdachte] verstrekte informatie op waarheid was gebaseerd. Vast staat dat [betrokkene 3] , voorafgaand aan het opnemen van de informatie in de LOC, geen enkel onderzoek heeft gedaan naar de herverzekering of bij de bedrijven die in de LOC worden genoemd. [betrokkene 3] was verder nauw betrokken bij de [polis 1] -oplossing en hij wist dat PCI meewerkte aan een constructie die was gebaseerd op leugens. Ook daarna is de informatie, zoals vermeld in de LOC, niet aangepast. [medeverdachte] en [verdachte] waren van dit alles volledig op de hoogte.” 90. In de toelichting klagen de stellers van het middel over de vaststelling van het hof dat [betrokkene 3] zich bij het opstellen van de Letter of Comfort (hierna: LOC) uitsluitend heeft gebaseerd op informatie die hem is verstrekt door de verdachten. Dat zou niet volgen uit de ter terechtzitting afgelegde verklaring van [betrokkene 3] waarnaar het hof heeft verwezen. 91. Het gegeven dat [betrokkene 3] ook beschikte over informatie afkomstig van [betrokkene 4] , van PCI en van de certified account van PCI , zoals door de stellers van het middel wordt aangevoerd, hoeft aan de vaststelling van het hof evenwel niets af te doen. Het hof heeft immers niet meer vastgesteld dan dat [betrokkene 3] de LOC uitsluitend heeft gebaseerd op informatie die hem is verstrekt door de verdachten. Die interpretatie van de verklaring van [betrokkene 3] is niet onbegrijpelijk, nu deze verklaring het volgende inhoudt: “Ik moest die letter of comfort opstellen omdat [medeverdachte] en [verdachte] vonden dat ik kon beoordelen of datgene dat er behoorde te zijn er ook was. Het werd mij aangereikt.” 92. Dat zich tussen deze (kennelijk) door de verdachten verstrekte informatie ook informatie bevond die afkomstig was van anderen dan de verdachten zelf, doet daaraan dus niet af. 93. Bovendien is de kern waar het in deze overweging om gaat, vooral dat [betrokkene 3] geen enkel onderzoek heeft gedaan naar de herverzekering en de bedrijven die in de LOC worden genoemd, terwijl de vermelding dat “een juridische evaluatie is verricht” volgens het hof inhoudt dat tenminste enig onderzoek is gedaan of de door [medeverdachte] en [verdachte] verstrekte informatie op waarheid is gebaseerd. Dat [betrokkene 3] voorafgaand aan het opnemen van de informatie in de LOC geen enkel nader onderzoek heeft gedaan naar die informatie, kan worden afgeleid uit zijn voor het bewijs gebruikte verklaring, die inhoudt: “U houdt mij voor dat ik in de letter of comfort ook heb gezet dat de contraverzekeraar zich weer had herverzekerd bij een groot aantal andere verzekeringsmaatschappijen en dat er een e-mail is van [betrokkene 18] die zei dat daarvoor premies werden betaald. Ik heb geen ander onderzoek gedaan. Ik had een brief van PCI . Als [betrokkene 18] dat zegt, die certified public accountant was, wat voor mij zoiets is als register accountant, dat betekent iets. Dat zijn de stukken waarop de letter of comfort is gebaseerd. U zult ook hebben gelezen dat in een later stadium meer onderzoek is gedaan. Met name mijn kantoorgenoot [betrokkene 19] is daar druk mee geweest. Dat onderzoek heeft in 2007 niet plaatsgevonden omdat ik de opdracht niet had gehad. [verdachte] en [medeverdachte] hadden gezegd dat het een businessmodel was met partners die al bestonden uit de Vievestment tijd.” 94. Deze overweging kan het oordeel van het hof dat de vermelding dat een juridische evaluatie is verricht door of namens HRM advocaten, vals is, dragen. 95. De vierde deelklacht faalt. 7.5. Slotsom van het vierde middel 96. Hetgeen de stellers van het middel onder randnummer 4.34-4.40 van de schriftuur “in aanvulling” op de daarvoor gegeven toelichting nog naar voren brengen, lijkt me vooral een herhaling van hetgeen in de tweede en derde deelklacht van dit middel is betoogd en brengt mij niet op andere gedachten. Het middel faalt in al zijn onderdelen. 8Het vijfde middel 97. Het middel bevat vijf deelklachten over de bewezenverklaring van de onder 2A primair tenlastegelegde ‘oplichting’. 98. Ten laste van de verdachte is onder 2A bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 september 2011 in Nederland en in België en in Zwitserland in de Verenigde Staten van Amerika, telkens tezamen en in vereniging met andere natuurlijke personen en een rechtspersoon, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, telkens door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, een aantal personen, verder (ook) te noemen ‘participant(en)’, telkens en/of meermalen heeft bewogen tot afgifte van een of meer bedrag (
  7. en)aan geld, te weten na te noemen personen tot afgifte van na te noemen bedragen aan geld: * [betrokkene 10] (AG-002) tot afgifte(
  8. n)van een of meer bedrag (
  9. en)aan geld tot een totaalbedrag groot $ 190.668,- of daaromtrent en * [betrokkene 20] (AG-004) tot afgifte(
  10. n)van een of meer bedrag(
  11. en)aan geld tot een totaalbedrag groot EURO 75.000,- en $ 300.000,- en * [betrokkene 21] (AG-005) tot afgifte(
  12. n)van een of meer bedrag(
  13. en)aan geld tot een totaalbedrag groot EURO 50.000,- en * [betrokkene 12] (AG-007) tot afgifte(
  14. n)van een of meer bedrag(
  15. en)aan geld tot een totaalbedrag groot EURO 81.750,- en * [betrokkene 22] (AG-008) tot afgifte(
  16. n)van een of meer bedrag(
  17. en)aan geld tot een totaalbedrag groot $ 324.000,- en * [betrokkene 23] (AG-010) tot afgifte(
  18. n)van een of meer bedrag(
  19. en)aan geld tot een totaalbedrag groot EURO 200.000,- en * [betrokkene 9] (AG-020) tot afgifte(
  20. n)van een of meer bedrag(
  21. en)aan geld tot een totaalbedrag groot $ 130.730,- of daaromtrent en * [betrokkene 24] AG-023) en/of [betrokkene 25] tot afgifte(
  22. n)van een of meer bedrag(
  23. en)aan geld tot een totaalbedrag groot $ 124.800,- of daaromtrent en * [betrokkene 26] (AG-027) tot afgifte(
  24. n)van een of meer bedrag(
  25. en)aan geld tot een totaalbedrag groot EURO 50.000,- en * [betrokkene 26] (AG-033)) tot afgifte(
  26. n)van een of meer bedrag(
  27. en)aan geld tot een totaalbedrag groot EURO 250.000,- of daaromtrent en $ 226.400,- of daaromtrent, telkens heeft bewogen tot afgifte(
  28. n)van bedrag(
  29. en)aan geld (als inleg ten behoeve van de aanschaf en/of onderhoud van een financieel product), (telkens) door overboeking(
  30. en)van (een) geldbedrag(
  31. en)op één of meer Amerikaanse bankrekening(en), genummerd [rekeningnummer 1] (JP Morgan Chase/USA, ten name van Guaranty National Title Co .) en/of [rekeningnummer 2] (TD Bank/USA, ten name van [B] ) en/of [rekeningnummer 3] (TD Bank/USA, ten name van [B] II), immers hebben verdachte en zijn medeverdachten toen daar telkens opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -, telkens jegens de participanten, in verkoopgesprekken en in verkoopbrochures en in een prospectus en in voorwaarden voor beheer en bewaring en in reclame uitingen en in participatieovereenkomsten en voorgewend dat: A. Eigendom overlijdensrisicoverzekering en her- of contraverzekering - de participanten telkens via een fonds en Amerikaanse trust gezamenlijk de (economische) eigendom zouden verkrijgen van Life Settlements, (overlijdensrisicoverzekeringen) en van her-/contraverzekeringen en B. Veiligheid in te leggen/ingelegde gelden - de door participanten overgeboekte gelden enkel dienden als inleg in een beleggingsfonds (waaronder CLSF en/of BGIF) en premiebetaling voor de levensverzekeringen en her-/contraverzekeringen, en - voornoemde gelden op een (derdengeld)rekening en/of Escrow account in de Verenigde Staten worden gestort, waarover alleen een Trustee kan beschikken en - de middelen van de voornoemde fondsen enkel worden aangewend via de bankrekeningen van de specifieke voor dat fonds opgerichte trust, althans bij het fonds behorende trust, teneinde aan de verplichtingen uit hoofde van de overlijdensrisicoverzekering en contraverzekering te voldoen en bij uitkeringen van de overlijdensrisicoverzekeringen of de contraverzekeringen, de uitkeringen aan de beleggers te voldoen en C. Betrouwbaarheid contraverzekeraar - de aangekochte Life Settlements zijn herverzekerd bij een betrouwbare en zeer solvabele contraverzekeraar en - deze contraverzekeraar ( Provident Capital Indemnity Ltd, verder PCI ) de hoogste rating, althans een 5A rating van Dun & Bradstreet heeft en een in de participatieovereenkomsten opgenomen gegarandeerde uitkeringsdatum geldt, waarop uitkeringen van de overlijdensrisicoverzekering of de contraverzekeraar uiterlijk plaatsvinden en - de contraverzekeraar ( PCI ) op zijn beurt voornoemd het verzekerd risico voor 80% heeft herverzekerd bij grote zeer bekende herverzekeringsmaatschappijen die/dat is/zijn gewaardeerd met “Ambest en Standard And Poors “A” of hogere rating en - de contraverzekeraar ( PCI ) reeds een of meermalen en tot uitkering van de contraverzekering of levensverzekering is overgegaan (§ 3.4.2.3.2, dossierpagina 332 e.v.) en D. Onderzoek van product door advocaat - de in de prospectussen en op die documenten verwoorde zekerheden en garanties door een Nederlandse advocaat zijn onderzocht en juist zijn bevonden (hetgeen door deze advocaat telkens is vastgelegd in een zogenaamde ‘Letter of Comfort’) waardoor de participant(
  32. en)(telkens) werd(
  33. en)bewogen tot voornoemde afgifte(n);” 99. Het hof heeft bij de beoordeling van de feiten ten aanzien van het onder 2A tenlastegelegde (onder 3.2) – voor zover voor het middel van belang – het volgende overwogen (de voetnoten heb ik weggelaten): “Periode Het hof zal de verdachte veroordelen voor het onder feit 2A primair ten laste gelegde. De verdachte heeft zich in de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 september 2011 schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting. De eerste betaling voor een participatie is gedaan op 6 mei 2007, de laatste betaling vermeld op het desbetreffende overzicht is gedaan op 19 januari 2011. Plaatsen waar het bewezenverklaarde feit is gepleegd Het kantoor van QI was gevestigd in Amsterdam. Per 1 januari 2010 is het hoofdkantoor verplaatst naar Zug in Zwitserland. Het bestuur vindt plaats door daarvoor opgerichte Zwitserse rechtspersonen, QI Holding AG en QI International AG. Verdachte [medeverdachte] is van beide vennootschappen bestuurder. QI maakte gebruik van intermediairs in Nederland, België en Spanje om de beleggingsproducten te verkopen. Voor de verkoop in België is in 2008 een Belgische rechtspersoon opgericht, QI Belgie BVBA. Bestuurder hiervan werd onder meer verdachte [medeverdachte] . QI maakte gebruik van de diensten van [betrokkene 4] in Florida (Verenigde Staten van Amerika), trustee (beheerder) voor alle trusts. Zij beheerde behalve de twee bankrekeningen in Amerika waarop participanten rechtstreeks hun inleg overmaakten nog 18 bankrekeningen, waarop interne overboekingen plaatsvonden en die gebruikt werden om uitgaven voor de organisatie te doen. Ook de polisadministratie in de USA werd door [betrokkene 4] gedaan. De tien in de tenlastelegging met naam genoemde aangevers zijn gevestigd in Nederland of in België. De participanten [betrokkene 10] , destijds woonachtig in Nederland, heeft verklaard dat de verdachte [medeverdachte] zijn contactpersoon was binnen QI . Hij heeft op 14 maart 2008 $ 115.668 ingelegd in CLSF XV/3 sub 5, 6, 7. Op 23 april 2010 heeft hij € 75.000 ingelegd in BGI fund 20/6. Op de vraag of hij beschikte over de gegevens van de verzekerde antwoordde hij: “Nee, en die heb ik ook nooit gehoord. Ik had er veel vertrouwen in en dat hoefde ik ook niet te weten, want ik zou toch mijn geld krijgen aan het einde van de looptijd.” Hij heeft verklaard dat hij in eerste instantie is voorgelicht door [verdachte] . Die heeft hem enthousiast gemaakt in de Vievestment tijd. [betrokkene 10] denkt dat hij later in de QI tijd is gebeld. Volgens [betrokkene 10] bestonden de garanties en zekerheden uit de herverzekeraar (hof hier en verder ten aanzien van feit 2: contraverzekeraar), hij had vertrouwen in die herverzekeraar. Het is hem niet bekend dat wijzigingen in het eigendom zijn bekend gemaakt. Het rendement van 11% was voor hem reden om in te stappen in het product van QI . Hij had veel vertrouwen in de persoon [medeverdachte] . [betrokkene 10] heeft verklaard dat zijn materiële schade $ 199.998 bedraagt en het inlegbedrag van € 75.000 in het BGI fonds en de niet ontvangen rente. [betrokkene 20] , destijds woonachtig in Nederland, heeft verklaard dat hij via [betrokkene 27] , zijn accountant, in 2007 in contact is gekomen met QI . [betrokkene 20] heeft telefonisch gesproken met [medeverdachte] en hij zorgde ervoor dat [betrokkene 20] de formulieren thuis gestuurd kreeg. Hij maakte op [betrokkene 20] wel een goede indruk. Hij heeft het programma van Harry Mens gezien waar QI zich presenteerde. [betrokkene 27] heeft [betrokkene 20] het product uitgelegd. [betrokkene 20] wist van het CLS fonds, dat als de Amerikaan waarvan de levensverzekeringspolis was aangekocht kwam te overlijden, de uitkering naar de participanten zou gaan. Indien de Amerikaan niet binnen de looptijd van de polis overleed, dan zou de herverzekeraar uitkeren. [betrokkene 20] heeft op 31 augustus 2007 voor $ 300.000 ingelegd in het CLS fonds. Dit fonds zou aflopen op 1 juli 2011 en zou op 1 oktober 2011 tot uitkering komen. Deze uitkering zou $ 500.000 bedragen. Die uitkering heeft hij niet ontvangen. Wel heeft hij tussendoor nog premies betaald. Op 4 januari 2010 heeft [betrokkene 20] € 75.000 ingelegd in het BGIF nummer 15. [betrokkene 20] beschikte niet over gegevens om welke verzekerde het ging. [betrokkene 27] vertelde [betrokkene 20] dat het heel goed in elkaar stak. Hij zou een gegarandeerd rendement van 11% hebben op de inleg van $ 300.000. Hij is ook gewezen op de herverzekering en dat gaf hem wel garantie. Het zat volgens [betrokkene 20] zo goed in elkaar, het kon niet fout gaan. [betrokkene 20] heeft verklaard dat volgens hem [betrokkene 4] het eigendom had van de polis. Hem is niets bekend van wijzingen in het eigendom van een polis, daar heeft hij niets over gehoord. Het rendement van 11% en de korte looptijd van het beleggingsproduct waren een reden om hierin te beleggen. Ook de herverzekering van het product zodat er in ieder geval een uitkering zou komen, was voor hem reden om te beleggen. Het onderzoek van [betrokkene 27] bij advocaat [betrokkene 3] heeft hem wel doen besluiten om in te stappen. [betrokkene 27] heeft bij [betrokkene 3] in ieder geval de polissen gezien. [betrokkene 3] gaf [betrokkene 27] de indruk dat het wel goed zat. [betrokkene 21] , destijds woonachtig in Nederland, heeft verklaard dat hij via [betrokkene 28] in aanraking is gekomen met QI . [betrokkene 21] heeft zich maandenlang via de website van QI in het product verdiept. Hij heeft rechtstreeks contact opgenomen met QI . [betrokkene 21] is geconfronteerd met het verschijnsel van herverzekering. In dit geval was dat PCI in Costa Rica. Hij heeft PCI een paar mails gestuurd en hen vragen gesteld over hun betrouwbaarheid als solide verzekeraar. Hij heeft PCI ook vragen gesteld naar aanleiding van vragen en opmerkingen op internet en ze daarmee geconfronteerd. De reactie van PCI was dat zij geen rechtstreeks antwoord gaven en dat [betrokkene 21] daarvoor bij QI moest zijn. De vragen gingen voornamelijk over hun betrouwbaarheid. Hij heeft in die periode ook advocaat [betrokkene 3] benaderd met vragen over de life settlement producten, met name over de Letter of Comfort die door advocaat [betrokkene 3] was geschreven. [betrokkene 3] vertelde hem dat hij alle stukken in de kluis had en hij alles nauwkeurig had bekeken. Ook had [betrokkene 3] geïnformeerd bij een advocaat in Amerika die tot dezelfde betrouwbaarheidsconclusie was gekomen. De naam van die advocaat of kantoor mocht [betrokkene 3] niet noemen. [betrokkene 3] heeft ook informatie gegeven over de trustee, [betrokkene 4] , in Amerika. [betrokkene 21] heeft van [betrokkene 3] begrepen dat het geld bij de trustee in goede handen was. Zij was meester in de rechten. [betrokkene 21] heeft [betrokkene 4] via de mail vragen gesteld met betrekking tot de betrouwbaarheid van het product. [betrokkene 4] heeft niet op zijn vragen gereageerd. Vervolgens heeft hij gesproken met [betrokkene 29] van QI . [betrokkene 29] heeft [betrokkene 21] verwezen naar de website van PCI . Hierop stond onder meer dat de problemen in Amerika waren veroorzaakt door oud werknemers die de naam van PCI in Amerika hadden misbruikt. [betrokkene 29] was expliciet in zijn motivering en vertelde dat het een zeer betrouwbaar product was en QI een betrouwbare en deskundige aanbieder. Vervolgens is [betrokkene 15] bij [betrokkene 21] thuis geweest. QI wilde dat [betrokkene 21] een bedrag van minstens € 100.000 in een BGI fund zou beleggen maar [betrokkene 21] wilde niet meer dan € 50.000 beleggen in dit fonds. Uit de Letter of Comfort bleek dat er boven PCI een grote herverzekering was afgesloten als extra zekerheid die ruim dekkend zou zijn. Er kon dus eigenlijk niets gebeuren, er kon niets misgaan. [betrokkene 15] gaf aan dat het geld juist bij de trustee veilig was en buiten de vingers van ieder ander dan de trustee, [betrokkene 4] zou blijven. [betrokkene 21] heeft een referentie gevraagd van iemand die al langere tijd in QI had geïnvesteerd, die heeft hij gekregen. De volledige beantwoording van zijn vragen, het verkrijgen van de referentie, het uitblijven van enig signaal van de AFM ondanks dat hij daarover had gebeld, het feit dat er een Letter of Comfort was opgemaakt door advocaat [betrokkene 3] met betrekking tot onder andere de her- en contraverzekering en de betrouwbaarheid van de trustee in Amerika ten aanzien van polissen en geldbeheer waren voor [betrokkene 21] reden om in te stappen in het BGI fonds van QI . Volgens [betrokkene 21] was [medeverdachte] leidinggevende van QI , hij heeft zich in het openbaar zo gemanifesteerd en op de website van QI staat hij vermeld als CEO. [betrokkene 21] kan niets vertellen over de levensverwachting van de verzekerde omdat dit niet interessant was gezien het product en de gegarandeerde looptijd. Het bedrag van € 50.000 dat [betrokkene 21] heeft belegd zou na afloop geheel worden teruggekregen. Maandelijks werd een rendement betaald gedurende de looptijd van 42 maanden, dat zou neerkomen op 8% per jaar. Doordat de verzekering afgedekt was door de herverzekering was de datum van overlijden niet relevant omdat de herverzekering de totale termijn limiteerde tot 42 maanden. Volgens [betrokkene 21] waren de participanten gezamenlijk eigenaar van de polis. Voor zover hij weet zijn hem geen wijzigingen in het eigendom bekend gemaakt. [betrokkene 12] , destijds woonachtig in Nederland, heeft verklaard dat hij via het programma van Harry Mens in contact is gekomen met de beleggingsproducten van QI . Zijn contacten liepen via [betrokkene 28] ( [betrokkene 28] Investment Coaching). [betrokkene 12] denkt dat [medeverdachte] leidinggevende was van QI . De belangstelling van [betrokkene 12] ging uit naar deelname in een CLSF. Hij heeft hierover verklaard dat je bij de CLSF eenmalig inlegt en aan het einde van de looptijd, van een jaar of vier, een hoger bedrag uitgekeerd krijgt van de herverzekeraar. De uitkering vindt eerder plaats als de verzekerde is overleden. [betrokkene 12] heeft op 13 april 2011 een bedrag van € 81.750 ingelegd in CLSF XLIII, nr 29 sub 2. [betrokkene 30] en [betrokkene 28] van [betrokkene 28] Investment Coaching hadden het over een investering zonder nieten. Het kon niet mis omdat er na vijf jaar een herverzekeraar was die de face value zou uitkeren en als voor die tijd de man of vrouw waarop de verzekering was afgesloten zou overlijden, zou de uitkering eerder plaatsvinden. [betrokkene 12] vond de herverzekeraar een garantie. Er was in Amerika een trustee, [betrokkene 4] . Dat was een notaris dus zeer vertrouwenwekkend. [betrokkene 4] zou zorgdragen voor een correcte betaling van de levensverzekeringspremies. In die tijd had hij nog niet gehoord van Watershed en [verdachte] . Op de vraag wie de eigendom van de polis heeft, antwoordde [betrokkene 12] dat hij zelf zou denken dat zij als participanten gezamenlijk de polis hadden overgenomen. [betrokkene 12] wist dat er een herverzekeraar was en dat was voor hem voldoende. [betrokkene 22] , destijds woonachtig in Nederland, is met QI in contact gekomen na de Miljonairsfair 2007. Hij heeft publicaties gezien en een uitzending van Harry Mens. Hij had telefonisch contact met [betrokkene 31] en [medeverdachte] . Volgens [betrokkene 22] was [medeverdachte] de leidinggevende van QI . Over de beleggingsproducten van QI verklaarde hij dat het ging om een specifieke overlijdensverzekering met een uitkering uit herverzekering bij niet overlijden voor de expiratiedatum van 4 jaar. Het ging om Amerikaanse levensverzekeringen die afgekocht konden worden. Die werden opgekocht door QI . QI werkte met een herverzekeraar. Hij heeft nog telefonisch contact gezocht met [medeverdachte] en hem gevraagd naar het langlevenrisico. Toen werd hem door [medeverdachte] verteld dat QI werkte met een herverzekeraar waar ook premie voor werd betaald. [betrokkene 22] heeft in december 2007 een bedrag van $ 240.000 belegd in producten van QI . Op 21 september 2011 heeft hij een bijstorting gedaan van ongeveer $ 84.000. Het ging om CLSF XIV 9 sub 2. De uitkering van de polis, $ 500.000, zou plaatsvinden op 1 januari 2012. [betrokkene 43] vond de levensverwachting van de verzekerde niet interessant omdat het langlevenrisico was afgedekt. Van het CSF fonds wist hij dat je eenmalig inlegde. De polis zou na vier jaar tot uitkering komen of eerder wanneer de verzekerde voor het eind van de looptijd van de herverzekering zou zijn overleden. Als de verzekerde na vier jaar nog in leven was zou de herverzekeraar namelijk uitkeren. Dat zou enkele maanden duren voor afwikkeling. [betrokkene 22] heeft wel wat stukken gekregen, onder andere van HRM advocaten in Amsterdam, die verklaarden dat het juridisch allemaal goed in elkaar zat. Hij heeft verklaard dat hem nog bijstond dat in de stukken werd uitgelegd dat de polissen in een afzonderlijke rechtspersoon ondergebracht zijn waar de beleggers rechtstreeks gerechtigd waren op het bezit daarvan, op het eigendom. [medeverdachte] fungeerde alleen als beheerder van de rechtspersonen. De polis was gezamenlijk eigendom van de beleggers, dat was essentieel. [betrokkene 22] heeft het toen begrepen als een fonds waarin de polissen inclusief de herverzekeringspolis uiterlijk na 4 jaar zouden worden afgewikkeld ten behoeve van de beleggers van dat fonds. Hij herinnerde zich ook nog een Amerikaanse toelichting dat de gelden apart gestort werden op een Amerikaanse bankrekening waar het Amerikaanse advocatenkantoor van [betrokkene 4] over kon beschikken en dat deze beschikbaar waren voor de koop van de Amerikaanse overlijdensverzekering. [betrokkene 22] heeft nadere vragen gesteld aan [medeverdachte] . Hem werd een- en andermaal verzekerd dat er een grote betrouwbare herverzekeraar was waarvan hij de naam niet kon prijsgeven. De zekerheid bestond volgens [betrokkene 22] uit de onderzoeken/rapportages die ze lieten zien van de Nederlandse en Amerikaanse advocatenkantoren. Het eigendom was bij de gezamenlijke beleggers in die polis, zo is hem verteld. De reden voor [betrokkene 22] om in te stappen in het beleggingsproduct van QI was de verklaring van HRM advocaten, de zogenaamde Letter of Comfort, waarin stond dat er voldoende juridische afscheiding was van de eigendom van de gekochte Amerikaanse polis en de verklaring van de Amerikaanse advocaat dat zij de gelden ontving en die gebruikten voor de aankoop van de polis. Voor hem was een argument dat [medeverdachte] met zijn QI geen toegang had tot de gelden van de beleggers voor de aankopen van de polis. [betrokkene 22] heeft de publicatie van januari 2011, waarin is meegedeeld dat de directeur-eigenaar van PCI is aangehouden inzake fraude, niet gelezen en hij was daarvan niet op hoogte. Was hij daarvan wel op de hoogte geweest, dan had hij de laatste betaling in september 2011 van ongeveer $ 84.000 niet gedaan. Ook QI heeft hem niet op de hoogte gebrachte van die ontwikkelingen. [betrokkene 23] , destijds woonachtig in Nederland, is via [betrokkene 28] in contact gekomen met QI . [betrokkene 28

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.