PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/00964 Datum 1 maart 2024 Belastingkamer B Onderwerp/tijdvak Wet waardering onroerende zaken, jaar 2020 Nr. Gerechtshof 22/00255; 22/00256 Nr. Rechtbank 21/1106; 21/1112 CONCLUSIE M.R.T. Pauwels In de zaak van [X] B.V. (belanghebbende) tegen het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Westland (het College) 1Overzicht van de zaak en de conclusie 1.1 Deze zaak gaat over de uitleg en toepassing van de samenstelbepaling van art. 16(
(1)van de Wet van 27 april 1994, Stb. 1994, 420). Die wet voorzag erin dat de objectafbakeningsbepaling (met daarin de samenstelbepaling) zou worden opgenomen in art. 219a Gemeentewet, maar als gevolg van art. I(A) van de Invoeringswet van de wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet, Stb. 1994, 420 is dat art. 220a Gemeentewet geworden. Het wetsvoorstel dat heeft geleid tot die laatste wet voorzag in opname van de objectafbakeningsbepaling in art. 225 Gemeentewet (zie Kamerstukken II 1992/93, 23 217, nr. 2, p. 3). De memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel verwijst voor dat voorgestelde art. 225 naar het wetsvoorstel 21 591 (zie Kamerstukken II 1992/93, 23 217, nr. 3, p. 4). De aanpassing van art. 225 naar het uiteindelijke art. 220a is niet direct uit Kamerstukken op te maken (zelfs het aan de Eerste Kamer voorgelegde wetsvoorstel voorziet nog in opname in art. 225; zie Kamerstukken I 1993/94, 23 217, nr. 182, p. 3) maar als ik het goed zie gaat het om een hernummering voorafgaand aan plaatsing in het Staatsblad op grond van art. XXI van Invoeringswet van de wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet, Stb. 1994,
- Kamerstukken II 1990/91, 21 591, nr. 7, p.
- Wet van 20 december 1996 tot wijziging van de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, alsmede de Wet waardering onroerende zaken (Aanpassingswet Wet waardering onroerende zaken), Stb. 1996, 653, art. IA. Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p. 14 en
- Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p.
- HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058, BNB 2003/270 (Schiphol-arrest). HR 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3060, BNB 2010/
- Op het eerste gezicht kan dit feitencomplex vragen oproepen, omdat voor een samenstel sprake moet zijn van zowel één genothebbende krachtens een zakelijk recht als één gebruiker. Ik veronderstel dat in dit geval sprake is van zowel één eigenaar (omdat de eigenaar van de grond door natrekking ook eigenaar is van de bungalow) als één gebruiker (de huurder). HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3831, BNB 2002/
- HR 28 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3888, BNB 2001/
- HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1328, BNB 2017/
- HR 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD6426, BNB 2002/36, rov. 3.
- Conclusie A-G IJzerman, ECLI:NL:PHR:2017:355, punt 4.26-4.34, bij HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1328, BNB 2017/
- Gerechtshof Den Haag 22 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:
- Rechtbank Noord-Holland 5 april 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:3853, Belastingblad 2023/194 met noot Scherff. Rechtbank-Zeeland-West-Brabant 18 januari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:283, NTFR 2024/373 met aantekening E.D. Postema. Rechtbank Oost-Brabant 20 april 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:1978, Belastingblad 2018/233 met noot Kats. Rechtbank Breda 14 augustus 2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:AY
- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3201, V-N 2023/4.22 met noot redactie Vakstudie-Nieuws. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7363, Belastingblad 2020/424 met noot Scherff, V-N 2021/2.32 met noot redactie Vakstudie-Nieuws. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:
- Conclusie raadsheer A-G Wattel van 3 december 2019, ECLI:NL:CBB:2019:658, punt 8.
- CBb 2 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:364, BNB 2020/
- Vraagbaak Waardebepaling Wet WOZ, par. 1.5.5, laatst gewijzigd 3 oktober
- Te raadplegen via https://www.waarderingskamer.nl/voor-gemeenten/hulpmiddelen/vraagbaak-waardebepaling-wet-woz. Vraagbaak Waardebepaling Wet WOZ, par. 1.5.15, laatst gewijzigd 3 oktober
- Conclusie A-G IJzerman, ECLI:NL:PHR:2017:355, bij HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1328, BNB 2017/
- Vakstudie Lokale belastingen en milieuheffingen, art. 16 Wet WOZ, aant. 9.1.
- S. Bosma in zijn noot in Belastingblad 2023/
- Kats in zijn noot in Belastingblad 2018/
- Conclusie A-G IJzerman, ECLI:NL:PHR:2017:355, punt 4.35-4.39, bij HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1328, BNB 2017/
- Deze term is wat ‘verdwaald’ sinds de overheveling van de objectbepaling uit de Gemeentewet naar de Wet WOZ. Vgl. ook Snoijink in zijn noot in BNB 2001/
- Een impliciete eis is dat de eigendommen dezelfde eigenaar of beperkt zakelijk gerechtigde hebben. Ik gebruik de term ‘subregel’ in navolging van E. Korthals Altes & H.A. Groen, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. Procesrecht.
- Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 150, die in dit kader opmerken: “Het kan voorkomen dat in een bepaalde feitelijke situatie toepassing van de vage norm of het onbepaalde begrip altijd tot een bepaalde uitkomst moet leiden, ongeacht de verdere omstandigheden van het concrete geval. In deze gevallen is één aspect of zijn enkele aspecten van het geval van volstrekt doorslaggevende betekenis voor de beslissing en kan men een regel opstellen waarin dat aspect of die aspecten zijn verwerkt.” Beroepschrift in cassatie, p. 5 (onderaan). Zie ook in gelijke zin p.
- Beroepschrift in cassatie, p.
- Beroepschrift in cassatie, p.
- Beroepschrift in cassatie, p.
- Verweerschrift in cassatie, p.
- Verweerschrift in cassatie, p. 18 en
- Vgl. ook M.P. van der Burg e.a., Compendium Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 2.4.3.5 die er op wijzen dat de jurisprudentie wisselend is over de vraag of de vereisten uit het Schiphol-arrest cumulatief moeten worden opgevat. Zie daarnaast ook M.P. van der Burg e.a., Compendium Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 2.4.3.5, die de zaakspecifieke overweging in het Schiphol-arrest algemener geformuleerd weergeven. E.D. Postema onderschrijft die opvatting in NTFR 2024/373: “Uit het Schiphol-arrest kan (…) a contrario worden afgeleid dat wanneer tussen de onroerende zaken onmiskenbaar geografische samenhang ontbreekt, de onroerende zaken niet bij elkaar horen en reeds daarom geen samenstel zijn (zie hof Den Haag 22 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:276).” Aangenomen dat het criterium om te bepalen of een of meer eigendommen zijn te onderscheiden niet afwijkt van het civielrechtelijke criterium om te bepalen of sprake is van een of meer zaken. Zie HR 30 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3550, rov. 6.4 voor dat laatste criterium, onder verwijzing naar HR 29 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:BH2110, BNB 1985/
- Belanghebbende lijkt in de kern hetzelfde te betogen in het beroepschrift in cassatie, p.
- Er kunnen goede redenen zijn voor een feitenrechter om niet in te gaan op een uitspraak van een andere feitenrechter. Zo is het feitencomplex doorgaans niet hetzelfde, kent de feitenrechter het dossier in de andere zaak niet en is niet steeds bekend wat (wel en niet) over en weer is aangevoerd in die andere zaak. Het kan bovendien zo zijn dat de feitenrechter een andere (rechts)opvatting heeft en/of tot een andere weging komt in een vergelijkbaar feitencomplex. Dat staat de feitenrechter vrij; hij is niet gebonden aan een uitspraak van een andere feitenrechter.