PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/01128 Zitting 23 januari 2024 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 30 maart 2022 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens 1. ‘mishandeling’ en 2. ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’, veroordeeld tot 1 maand gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen en gelast dat het gedeelte van de bij een eerder arrest opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 270 dagen, met aftrek van de dagen die verdachte reeds in detentie heeft doorgebracht, alsnog wordt ondergaan. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D. Marcus, advocaat te Rijen, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel bevat de klacht dat het hof de namens de verdachte gevoerde verweren heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, althans dat de verwerping onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen omkleed. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: ‘1. hij op 18 december 2018 te Tilburg [slachtoffer] heeft mishandeld door deze aan de haren te trekken en tegen het hoofd te slaan; 2. hij op 18 december 2018 te Tilburg [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "als je aangifte doet of de politie erbij betrekt, dan schiet ik je morsdood.’ 5. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): ‘1. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 19 december 2018 (…), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 1]: Op 18 december 2018 omstreeks 22.20 uur, liep ik met mijn vriendin, [betrokkene 2], in Tilburg op de Hendrik de Keijserstraat. Ik hoorde een meisje heel hard gillen op straat. Ik zag een jongen en een meisje op straat staan. Ik zag dat de jongen aan de haren van het meisje trok. Toen ik dit zag had ik meteen 112 gebeld. Ik zag dat de jongen het meisje twee keer tegen het hoofd sloeg met een vuist. Ik zag dat hij ging rennen. Het meisje liep terug, onze richting op. Ik zag dat het meisje helemaal overstuur was. Ik had het meisje opgevangen. Even later zag ik dat de jongen zich omdraaide en haar telefoon teruggaf en ik hoorde hem zeggen: "als je aangifte doet of de politie erbij betrekt, dan schiet ik je morsdood". Ik heb het meisje meegenomen naar de andere kant van de straat en kort hierna kwam de politie. 2 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 25 januari 2019 (…), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 2]: Op 18 december 2018, liep ik in Tilburg in de Hendrik de Keijserstraat. Ik liep daar samen met mijn vriend [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]). Voor ons zag ik een jongen en een meisje lopen. Ik zag dat de jongen aan het meisje aan het trekken was. Ik hoorde dat het meisje heel hard aan het gillen was. Ik zag dat het meisje onze richting uit kwam lopen. Ik zag dat het meisje erg overstuur was. De jongen was weggelopen. Ik zag dat de jongen terug kwam lopen en dat hij de telefoon aan haar teruggaf. Toen hij de telefoon teruggaf was hij tegen haar aan het schreeuwen. 3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 december 2018 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]: Op 18 december 2018 omstreeks 22.25 uur, waren wij belast met de incidentenafhandeling voor het bewakingsgebied Tilburg. We hoorden dat de volgende melding aan ons werd uitgegeven; op de Hendrik de Keijserstraat in Tilburg is een jongen zijn vriendin aan het slaan en de vriendin gilt. We hoorden dat het vermoedelijk ging om [verdachte] . Toen wij aankwamen zagen we dat er twee vrouwen stonden en een man. Een van de vrouwen gaf op te zijn [slachtoffer]. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat ze onderweg naar Tilburg ruzie had gekregen met [verdachte] . Bij de Hendrik de Keijserstraat heeft ze haar auto geparkeerd en heeft [verdachte] haar telefoon gepakt. [slachtoffer] is [verdachte] achternagegaan omdat ze haar telefoon terug wilde hebben. [verdachte] heeft haar op een gegeven moment tegen haar linkeroor geslagen en daarna geslagen aan de rechterzijde van haar gezicht waardoor ze de striem had opgelopen. Hij is daarna weggelopen met nog steeds haar telefoon in zijn bezit. Een man en een vrouw hebben haar vervolgens opgevangen. Toen ze samen bij haar auto waren, kwam [verdachte] terug. Hij gaf haar de telefoon terug. [slachtoffer] vertelde dat ze erg bang was voor [verdachte] . Hij had aangegeven dat als ze aangifte ging doen hij haar dood zou maken. Ik, [verbalisant 1], hoorde van [slachtoffer] dat ze pijn had van de klap. Door de klap op haar oor heeft ze een piep in haar oor. 4. Het niet ondertekende en derhalve als ander geschrift conform art. 344 lid 1 sub 5 Sv gebruikte proces-verbaal van verhoor, (…), d.d. 26 januari 2019 opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van politie eenheid Zeeland-West-Brabant, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van getuige [slachtoffer]: Ik heb een relatie gehad met [verdachte] . Ik wil geen aangifte doen van wat er gebeurd is op 18 december 2018. Ik was die dag wel bang van hoe [verdachte] naar mij reageerde.’ 6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2022 houdt onder meer het volgende in: ‘De voorzitter houdt kort de stukken voor van de zaak voor zover betrekking hebbend op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 januari 2022. De verdachte verklaart: Het feit betreffende huiselijk geweld waarvoor ik op 18 november 2019 door de politierechter in Breda ben veroordeeld was ook gericht tegen [slachtoffer]. (…) De verdachte verklaart: Het betreft een voorval van een tijd geleden. Het gaat nu lekker met me. Als ik nu weer naar binnen zou moeten voor deze zaak, raak ik alles kwijt. Ik heb een eigen woning; ik woon alleen. Ik werk bij mijn moeder en stiefvader in hun distributiebedrijf. Dat houdt in dat ik kranten sorteer en seal. Dat is nachtwerk: ik begin om 2 uur 's nachts tot 9 uur ‘s ochtends. Verder houd ik mij overdag bezig met sporten. Ik ontvang nog steeds een WA-jonguitkering. Ik ben ook nog onder begeleiding. Dat is niet bij het DOK. Ik kan even niet op de naam komen, maar ik heb begeleiding ook voor wat de financiën betreft. Ik heb een bewindvoerder en krijg leefgeld van 100 euro per week. Ik ben klaar met het afbetalen van mijn schulden. Ik ben niet verslaafd aan drugs of alcohol en ik ben gezond. Ik maak mij het meeste zorgen dat ik mijn woning kwijtraak als ik in detentie moet. Ik heb daar lang op gewacht. Het belangrijkste is dat ik mijn woning kan behouden. Ik kan wel een taakstraf verrichten. Het reclasseringscontact is goed afgerond. Ik vind zelf dat ik geen alcoholprobleem heb en ik heb wat dat betreft geen hulpvraag. (…) De raadsvrouw voert het woord tot verdediging: Cliënt heeft aangegeven dat hij anders tegen de feiten aan kijkt. Het betreft incidenten van lang geleden. Het was laat op de avond en het was donker. We spreken over midden december. Het stel kreeg onenigheid, dat kan gebeuren. Vervolgens is daar een ander stel. Dat heeft op een afstand van 75 tot 100 meter gestaan. Hebben zij wel goed kunnen zien wat er is gebeurd? Cliënt en zijn vriendin zullen niet onder een lantaarn hebben gestaan. De twee getuigenverklaringen lopen uiteen en komen niet overeen op essentiële punten. [betrokkene 1] heeft verklaard dat mijn cliënt het slachtoffer aan haar haren heeft getrokken en aan haar kraag heeft vastgepakt. Ook [betrokkene 2] verklaart over trekken, maar [betrokkene 1] zou meer hebben gezien waar [betrokkene 2] niet over rept. Dit terwijl de getuigen naast elkaar hebben gestaan. Indien het hof de verklaring van [betrokkene 1] doorslaggevend vindt, verzoek ik hierbij deze twee personen als getuigen te horen. De verklaringen zijn op essentiële punten zo uiteenlopend dat ik wil weten waar ze hebben gestaan ten opzichte van cliënt en [slachtoffer] en hoe het zicht was. Ik verzoek het hof om daar nu over te beslissen na raadkamer. Cliënt zegt dat het niet zo is gegaan als [slachtoffer] heeft verklaard. Het had handiger gekund, maar het is zijn recht om daar wel of niet over te verklaren. We zijn nu 3,5 jaar verder en het contact tussen deze personen is nog steeds goed. [slachtoffer] geeft ook aan dat er tot op de dag van vandaag goed contact is. De nog openstaande zaak waarin [slachtoffer] als getuige moet verklaren is anders dan deze zaak. Als ik dan de advocaat-generaal hoor zeggen dat er sprake is van totale onvrijheid bij [slachtoffer], dan kan ik dat niet rijmen. Waarom mijn cliënt in de telefoon van [slachtoffer] heeft gekeken, weten we niet. Dat staat niet in het dossier. Daar hadden verdere vragen over moeten worden gesteld aan [slachtoffer]. Er is door mijn cliënt hooguit ergens aan getrokken, maar waaraan is niet duidelijk. En er is wat geduwd. Ik verzoek u mijn cliënt van het eerste feit vrij te spreken, omdat het niet wettig en overtuigend bewezen is. Ten aanzien van feit 2, de bedreiging, merk ik op dat het een klachtdelict is. Er is door [slachtoffer] geen aangifte gedaan. [betrokkene 2] heeft geschreeuw gehoord, een kreet gehoord. Dat is geen ondersteunend bewijs. Tegen de politie heeft [slachtoffer] verklaard wat er misschien zou gebeuren als ze aangifte zou doen, maar het is niet zo dat zij heeft herhaald wat cliënt tegen haar heeft geuit. Met betrekking tot de geuite woorden is er dus feitelijk maar één bewijsmiddel. Dus ook dit feit is niet wettig en overtuigend bewezen. De vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling is niet goed betekend in hoger beroep. In eerste aanleg was er sprake van een onverwijlde tenuitvoerlegging, maar als het nu ten uitvoer gelegd zou worden is er sprake van disproportioneel handelen. De feiten stammen uit 2014 en 2015. In 2019 is de zaak aan de orde geweest. Het is nu 2022. Wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn kan die in mindering worden gebracht op een eventuele straf. Voor de vordering herroeping VI zijn er andere mogelijkheden. Er kan bij wijze van waarschuwing een wijziging van de voorwaarden plaatsvinden. Zoals mijn cliënt zegt heeft hij nu een huis, waar hij lang voor ingeschreven heeft gestaan. Met veel moeite is dat gelukt. Hij heeft een WA-jonguitkering en hij heeft in dat kader begeleiding vanuit het UWV. Weliswaar is er omvangrijke documentatie, maar als we kijken naar de afgelopen jaren dan is er totaal niets meer voorgevallen. Dat wil iets zeggen over de gewijzigde houding van cliënt en het pad dat hij is ingeslagen. Het Uittreksel Justitiële Documentatie ondersteunt juist dat het goed gaat met hem. Op het moment dat hij weer naar binnen moet, wordt dat doorkruist. Ik verzoek u rekening te houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Kortom verzoek ik vrijspraak voor beide feiten, subsidiair oplegging van een taakstraf en afwijzing van de vordering VI. (…) De raadsvrouw dupliceert: Ik persisteer bij mijn verzoek. Dat de verklaring van [slachtoffer] gedekt wordt door de verklaring [betrokkene 1] ten aanzien van de bedreiging kan ik niet teruglezen en ook niet dat de in de tenlastelegging opgenomen woorden van de bedreiging door mijn cliënt zijn geuit. Dan resteert alleen de verklaring van [betrokkene 1] en dat is de verklaring die dient te worden getoetst. Ik persisteer bij wat ik over de persoonlijke omstandigheden heb opgemerkt. Er zal een belangenafweging plaats moeten vinden. Na korte onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot het horen van getuigen wordt afgewezen, aangezien het horen van de getuigen niet noodzakelijk is voor de beoordeling van de strafzaak. Voorts is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd op grond waarvan getwijfeld dient te worden aan de juistheid van de verklaringen. Tot slot weegt het hof mee dat de getuigenverklaringen niet doorslaggevend, zijn en worden ondersteund door de bevindingen van de verbalisanten’. 7. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen: ‘Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. (…) Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en aan bedreiging van het slachtoffer als zij daarvan aangifte zou doen. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Bij de straftoemeting heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 januari 2022, waaruit volgt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de justitiële documentatie van de verdachte, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van 1 maand met aftrek van voorarrest met zich brengt. Beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 27 juli 2017 onder parketnummers 20/001091-16 en 20/002394-16 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 15 maanden met aftrek van voorarrest en een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van voorarrest. De tenuitvoerlegging daarvan is op 29 maart 2016 gestart. [verdachte] is op 9 oktober 2018 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast is een aantal bijzondere voorwaarden verbonden aan deze voorwaardelijke invrijheidstelling. De officier van justitie heeft op 29 januari 2019 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend. De rechter-commissaris heeft op 29 januari 2019 de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling bevolen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 6 maart 2019 de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling opgeheven. Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen. Daarbij diende in mindering te worden gebracht de dagen die de verdachte in het kader van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling van 26 januari 2019 tot en met 6 maart 2019 in hechtenis heeft doorgebracht. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal toewijzen. De verdediging heeft bepleit de vordering af te wijzen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof stelt vast dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden van de voorwaardelijke invrijheidstelling, nu hij opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd gedurende de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Het gaat daarbij om ernstige feiten, zoals hiervoor is overwogen en daarmee om een ernstige schending van de gestelde voorwaarden. De veroordeelde was een gewaarschuwd man en wist wat hem boven het hoofd hing, maar heeft desondanks wederom strafbare feiten gepleegd. Het hof zal de vordering tot herroeping derhalve toewijzen. Daarbij dienen in mindering te worden gebracht de dagen die verdachte in het kader van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling in hechtenis heeft doorgebracht.’ 8. De cassatieschriftuur is als volgt opgebouwd. Onder een kopje ‘In aanmerking nemende’ geeft de steller aan dat het cassatieberoep is gericht tegen de bewezenverklaring van beide feiten en tegen de herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling. Vervolgens wordt onder het kopje ‘Feiten’ de inhoud van enkele stukken van het geding weergegeven. Onder het kopje ‘Verweer ter terechtzitting bij het gerechtshof’ wordt een deel van de ter terechtzitting gevoerde verweren herhaald. Onder het kopje ’Overwegingen gerechtshof’ wordt vermeld dat het hof wettig en overtuigend bewezen heeft dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld en zich jegens het slachtoffer bedreigend heeft uitgelaten. Onder het kopje ‘Cassatiemiddelen’ wordt – als gezegd – gesteld dat het hof de namens de verdachte gevoerde verweren heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, althans dat de verwerping onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen omkleed. Onder het kopje ‘Toelichting’ zijn teksten geformuleerd onder de subkopjes ‘Aanvulling bewijsmiddelen arrest gerechtshof ’s-Hertogenbosch’; ‘Mishandeling [slachtoffer]’; ‘Bedreiging [slachtoffer]’; ‘Herroepen VI’; ‘Persoonlijke omstandigheden [verdachte] ’ en ‘Overschrijding redelijke termijn’. Onder enkele van deze subkopjes is een formulering te vinden die als een klacht over de schending van een rechtsregel dan wel het verzuim van een vormvoorschrift door het hof kan worden opgevat. Daarbij gaat het, anders dan het middel aangeeft, niet alleen om klachten over de verwerping van verweren. 9. De eerste deelklacht betreft, als ik het goed zie, de bewijsvoering van feit 1. Het hof zou, zo begrijp ik, ten onrechte ‘waarde’ hebben gehecht aan de verklaring van [betrokkene 2], nu zij pas meer dan een maand na het incident door de politie als getuige is gehoord, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een relatie hebben, zodat niet vastgesteld zou kunnen worden welke feiten en omstandigheden [betrokkene 2] zelf heeft waargenomen, en beide getuigen anders verklaren over de mishandeling. 10. Het is vaste rechtspraak dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behalve in bijzondere gevallen.De tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv brengt mee dat de rechter de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal nader dient te motiveren indien deze beslissing in strijd is met een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. 11. Het hof heeft de voor het bewijs gebezigde verklaring van getuige [betrokkene 2] kennelijk betrouwbaar en bruikbaar geacht. Die beslissing behoefde geen nadere toelichting in het licht van hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. In cassatie is ook niet gesteld dat van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt sprake is. Ik wijs er in dat verband op dat de raadsvrouw heeft gesteld dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 75 tot 100 meter hebben gestaan, dat zij zich vervolgens heeft afgevraagd of zij konden zien ‘wat er is gebeurd’, en dat zij wat de verschillen tussen beide verklaringen betreft alleen heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] meer zou hebben gezien ‘waar [betrokkene 2] niet over rept’. Dat [betrokkene 2] pas meer dan een maand na het incident is gehoord en dat de relatie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van invloed zou zijn op de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 2] is ter terechtzitting in hoger beroep niet aangevoerd. Aan hetgeen wel is aangevoerd is niet de conclusie verbonden dat de verklaring van [betrokkene 2] onbetrouwbaar is. 12. De eerste deelklacht faalt. 13. In de toelichting op het middel wordt voorts opgemerkt dat het proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt door verbalisanten die arriveerden nadat de mishandeling had plaatsgevonden en ‘dat de informatie voornamelijk afkomstig is van [slachtoffer]’, die ‘op een later moment nimmer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.