PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummers 23/01127, 23/01149 Datum 29 maart 2024 Belastingkamer B Onderwerp/tijdvak Loonbelasting Nrs. Gerechtshof 21/01712, 21/01713 Nrs. Rechtbank 20/02757, 20/2758 CONCLUSIE M.R.T. Pauwels In de zaken van [X1] [X2] c.s. (gezamenlijk: belanghebbenden) tegen de staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) 1Overzicht van de zaken en de conclusie Eén conclusie in twee zaken 1.1 Deze twee zaken in cassatie betreffen feitelijk één zaak. Ze kennen hun oorsprong in één gezamenlijk verzoek van de belanghebbenden waarop de Inspecteur bij één beschikking in negatieve zin heeft beslist. Zowel de Rechtbank als het Hof heeft voor elke belanghebbende afzonderlijk uitspraak gedaan. Zowel de overwegingen van het Hof in elk van de uitspraken als de processtukken in cassatie van partijen in elk van de zaken zijn nagenoeg identiek. Gelet op dit een en ander behandel ik de twee zaken in één conclusie. Ik zal in de conclusie ook geregeld enkelvoud (bijv. zaak) gebruiken. Kern 1.2 Deze zaak gaat over de zogenoemde 30%-regeling in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB). In de kern ligt de vraag voor of in het geval de inspecteur bij onherroepelijk geworden beschikking in positieve zin heeft beslist op een verzoek om toepassing van de 30%-regeling voor een bepaalde periode, maar bij dat verzoek (al dan niet abusievelijk) is uitgegaan van een kortere looptijd dan mogelijk zou zijn op basis het UBLB, via een nieuw verzoek kan worden bewerkstelligd dat de 30%-regeling alsnog langer van toepassing is. Ik kom uiteindelijk tot de conclusie dat dit mogelijk is. De voorliggende rechtsvraag heeft trouwens aan principieel belang ingeboet door het Eindejaarsbesluit 2023. Dat voorziet namelijk in een regeling op grond waarvan een beschikking 30%-regeling kan worden herzien. 1.3 Het is op het eerste gezicht niet evident dat het gelijk aan belanghebbende is. Er zijn namelijk op het oog nogal wat potentiële knelpunten (nog steeds ingekomen werknemer? begrip ‘resterende looptijd’; nieuw verzoek mogelijk?; geen expliciete mogelijkheid tot herziening; aantasting formele rechtskracht eerdere beschikking?; nova afwezig). Met betrekking tot elk ervan kom ik echter uiteindelijk tot de conclusie dat het geen beletsel vormt. Feiten 1.4 De Inspecteur heeft bij beschikking beslist dat de 30%-regeling kan worden toegepast van 1 maart 2017 tot en met 28 februari 2019. Dat is conform het verzoek van Werkneemster (belanghebbende in de zaak met nummer 23/01127) en haar vorige werkgever. Bij dat eerste verzoek is echter uitgegaan van een te lange kortingsperiode. Omdat Werkneemster in 2018 is gaan werken voor Werkgever 2 (belanghebbende in de zaak met nummer 23/01149) is een verzoek tot voorzetting van de 30%-regeling gedaan, waarbij wederom is uitgegaan van een te lange kortingsperiode. De Inspecteur heeft bij beschikking het tweede verzoek gehonoreerd voor voortgezette toepassing van 30%regeling vanaf 1 juni 2018 tot en met 28 februari 2019. 1.5 Belanghebbenden hebben op 6 februari 2019 een nieuw verzoek tot toepassing van de 30%regeling gedaan voor de periode vanaf 1 maart 2019 tot en met 29 februari 2020. Dit verzoek is afgewezen. De zaak gaat over de beslissing op dit derde verzoek. Het Hof 1.6 Het Hof heeft belanghebbenden in het ongelijk gesteld. Het Hof oordeelt (
- i)dat Werkneemster geen ‘ingekomen werknemer’ is ten tijde van de indiening van het derde verzoek. Voor het geval daarover anders zou moeten worden geoordeeld, oordeelt het Hof (
- ii)dat in het wettelijke systeem ligt besloten dat in beginsel slechts één keer - met vrucht - een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan, dat het UBLB niet voorziet in een mogelijkheid tot heroverweging van een beschikking 30%-regeling en dat de formele rechtskracht van de oorspronkelijke beschikking in beginsel moet worden gerespecteerd. Het Hof overweegt verder (iii) dat een analoge toepassing van art. 4:6 Awb ook niet tot herziening van de looptijd kan leiden, nu geen sprake is van nova en niet is gebleken van een bijzondere omstandigheid waardoor het weigeren van de herziening evident onredelijk is. Cassatiemiddelen belanghebbenden 1.7 Belanghebbenden hebben twee cassatiemiddelen voorgesteld, met elk twee onderdelen. Middelonderdeel 1a keert zich tegen het oordeel van het Hof dat Werkneemster niet als ‘ingekomen werknemer’ kan worden aangemerkt. Middelonderdeel 1b stelt dat de opvatting onjuist is dat in het wettelijke systeem besloten ligt dat in beginsel slechts één keer met vrucht een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan. Middelonderdeel 2a betoogt dat art. 4:6 Awb überhaupt niet van toepassing is, omdat de eerdere beschikkingen niet (gedeeltelijk) afwijzend waren. Voor het geval art. 4:6 Awb wel van toepassing is, komt middelonderdeel 2b op tegen het oordeel dat er geen bijzondere omstandigheid is die leidt tot evidente onredelijkheid. 1.8 Het kost mij enige moeite om middelonderdeel 2a te plaatsen in verhouding tot de uitspraak van het Hof (zie 3.9-3.10). Als onderdeel van middel 2 lijkt het op het eerste gezicht gericht tegen oordeel (iii) van het Hof, maar het middelonderdeel betoogt juist dat art. 4:6 Awb niet van toepassing is. Het middelonderdeel 2a lijkt dan ook eerder in het verlengde te liggen van middelonderdeel 1b. De strekking is namelijk kennelijk dat een nieuw verzoek mogelijk is en dat dit verzoek niet op grond van art. 4:6 Awb kan worden afgewezen. Opvallend is dat het middelonderdeel 2a niet ingaat op de overweging van het Hof over de formele rechtskracht. Belanghebbenden lijken daarmee een andere redeneerlijn te hebben dan het Hof. Ik heb daarom geworsteld met het bepalen van een geschikte aanvliegroute voor de analyse. Ik heb ervoor gekozen om eerst aandacht te besteden aan de betekenis van de formele rechtskracht (7.15-7.48) en daarna aan de niet-toepasselijkheid van art. 4:6 Awb (8.1-8.13). Zaakoverstijgend belang? 1.9 Kern in deze zaak is of via een nieuw verzoek kan worden bewerkstelligd dat de 30%-regeling van toepassing is voor een periode waarop de eerdere beschikkingen geen betrekking hadden. Als uitgangspunt heeft deze kwestie een zaakoverstijgend belang. De kwestie komt namelijk vaker voor (vgl. 7.20-7.25). Verder is er een mogelijk uitstralingseffect naar een aanpalende kwestie (7.26-7.32). 1.10 Het zaakoverstijgend belang op de genoemde punten is echter sterk afgenomen door het Eindejaarsbesluit 2023. Dat voorziet namelijk in invoering in het UBLB van een regeling op grond waarvan een beschikking 30%-regeling kan worden herzien, ook ten voordele van een belastingplichtige (10.1-10.7). Waarom deze procedure nog? 1.11 Er zijn twee gebeurtenissen na de uitspraak van het Hof die de vraag doen rijzen waarom deze procedure nog wordt gevoerd. De eerste is de publicatie van een mededeling van 18 juli 2023 waaruit volgt dat de hardheidclausule is toegepast in een situatie die ogenschijnlijk zeer op het onderhavige geval lijkt (4.36). De tweede gebeurtenis is de meergenoemde invoering van de herzieningsregeling per 1 januari 2024. Het lijkt er op dat belanghebbenden via een verzoek om herziening alsnog kunnen bereiken wat zij beogen (10.9). Wellicht kunnen partijen bij Borgersbrief melden wat de stand van zaken is en wat het belang nog is bij deze procedure (vgl. 10.10). Opbouw en inhoud van de conclusie 1.12 De conclusie is als volgt opgebouwd. Na de onderdelen 2 (feiten en oordelen feitenrechters) en 3 (het geding in cassatie) geef ik in onderdeel 4 een uiteenzetting van de 30%-regeling. Dit onderdeel is vooral beschrijvend van aard. 1.13 In onderdeel 5 onderzoek ik het impliciete uitgangspunt in deze procedure dat een beschikking 30%-regeling niet alleen ‘groen licht’ betekent voor toepassing van die regeling, maar dat zij ook de looptijd vastlegt. Zou dat laatste niet het geval zijn en het UBLB bepalend zijn voor de looptijd, dan zou deze procedure wellicht overbodig zijn. Ik kom tot de bevinding dat hoewel de tekst van het UBLB daartoe niet dwingt, uit HR BNB 2009/204 en HR BNB 2012/86 volgt dat een in een beschikking 30%-regeling vermelde looptijd onderdeel is van die beschikking. 1.14 Onderdeel 6 gaat in op middelonderdeel 1a. Ik meen dat het Hof op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat Werkneemster niet kan worden aangemerkt als 'ingekomen werknemer' van Werkgever 2. Het gaat uit van een onjuist toetsmoment ("ten tijde van de indiening van het nieuwe verzoek”) en het gaat eraan voorbij dat bij een wisseling van werkgever de toets niet is of de nieuwe werkgever de werknemer vanuit het buitenland heeft geworven, maar of de eerdere werkgever dat heeft gedaan. De crux in deze zaak is of meer dan één keer met vrucht een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan. 1.15 Die kwestie komt aan de orde in onderdeel 7, dat het zwaartepunt vormt van deze conclusie. Na een analyse van het oordeel van het Hof (7.1-7.8), behandel ik eerst kort of een verzoek om een langere looptijd valt te scharen onder een verzoek om voortgezette toepassing van de 30%-regeling (nee) (7.9). Vervolgens onderzoek ik ’s Hofs oordeel dat slechts één keer met vrucht een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan. Ik maak daarbij een splitsing tussen enerzijds de vraag of een nieuw verzoek mogelijk is na een eerder verzoek en anderzijds de vraag naar de betekenis van de beschikking op het eerdere verzoek, met name of de formele rechtskracht daarvan in de weg staat aan honorering van het nieuwe verzoek. De eerste vraag beantwoord ik bevestigend (7.10-7.14). Voor beantwoording van de tweede vraag neem ik een langere aanloop. Eerst komen aan de orde hoe de inspecteur de looptijd vaststelt (maximum minus korting) (7.15-7.19), feitenrechtspraak (7.20-7.25) en de betekenis van het begrip ‘resterende looptijd’ (7.26-7.33). Daarna volgt mijn beschouwing (7.34-7.44). Uitkomst daarvan is dat ik meen dat de reikwijdte van de formele rechtskracht van een beschikking 30%-regeling afhangt van de verhouding tussen de beschikking en het verzoek. Indien een verzoek volledig is gehonoreerd, dan heeft de formele rechtskracht van de beschikking geen verdergaande reikwijdte dan waarover in positieve zin is beslist. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat de formele rechtskracht van de twee eerdere beschikkingen niet in de weg staat aan honorering van het derde verzoek, nu het derde verzoek op een andere periode betrekking heeft dan de eerdere beschikkingen (7.45-7.48). Wat betreft de eerste beschikking komt daar nog bij dat de formele rechtskracht daarvan niet aan belanghebbenden kan worden tegengeworpen nu Werkgever 2 geen belanghebbende was bij die beschikking (7.32). 1.16 In onderdeel 8 komt een invalshoek van belanghebbenden aan de orde die besloten ligt in middelonderdeel 2a. Bij die invalshoek wordt geen aandacht besteed aan de formele rechtskracht van de eerdere beschikkingen, maar staat centraal dat art. 4:6 Awb niet van toepassing is – zoals ook de Staatssecretaris meent – waardoor (zo begrijp ik belanghebbenden) er geen wettelijke basis is om het nieuwe verzoek af te wijzen onder verwijzing naar de eerdere beschikkingen wegens gebrek aan nova. Ik meen dat juist is het uitgangspunt van beide partijen dat art. 4:6 Awb niet van toepassing is: (
- i)van een eerdere (gedeeltelijk) afwijzende beschikking is geen sprake en (
- ii)het derde verzoek is evenmin een herhaalde aanvraag (8.6-8.10). Ik zie in de niet-toepasselijkheid van art. 4:6 Awb een wetssystematisch argument ten faveure van de opvatting dat de formele rechtskracht van een toewijzende beschikking niet verder gaat dan wat in positieve zin is beslist (8.13). 1.17 Onderdeel 9 gaat op middelonderdeel 2b, dat is voorgesteld voor het geval art. 4:6 Awb toch van toepassing zou zijn. Hoewel het oordeel van het Hof (erg) summier is gemotiveerd dat aan het ‘evident onredelijk’-criterium niet is voldaan, faalt het middelonderdeel omdat de eerdere beschikkingen niet evident onjuist zijn. Wel wijs ik op de Mededeling van 18 juli 2023 in verband met een eventuele ambtshalve toepassing van beleid. 1.18 Onderdeel 10 gaat in op het Eindejaarsbesluit 2023 dat voorziet in de invoering van een herzieningsregeling. Die invoering is weliswaar niet direct van belang voor de beslissing in deze zaak (10.8), maar nu belanghebbenden in aanmerking lijken te komen voor herziening, rijst de vraag wat het belang nog is bij deze procedure (10.9-10.10). Verder is de invoering ook anderszins indirect van belang. Gegeven dat de herzieningsregeling soelaas biedt voor een probleem als in de onderhavige zaak, kan immers de vraag rijzen of het wel ‘verstandig’ is als de Hoge Raad thans nog in deze zaak een arrest zou wijzen met een rechtsvormend karakter. Ik zie in deze rechtspolitieke invalshoek echter geen aanleiding om mijn opvatting te wijzigen (10.11-10.13). 1.19 Onderdeel 11 bevat mijn beoordeling van de middelen onder verwijzing naar de voorafgaande onderdelen van deze conclusie. Naar mijn mening is het cassatieberoep in elk van de zaken gegrond en kan de Hoge Raad de zaken zelf afdoen. Twee slotopmerkingen 1.20 De lengte van deze conclusie kan de indruk oproepen dat het nogal wat juridisch trapezewerk vergt, wil het gelijk aan belanghebbenden zijn. Die indruk zou onjuist zijn. In de kern is de hoofdlijn van deze conclusie eenvoudig: (
- i)een tweede verzoek betreffende dezelfde tewerkstelling is mogelijk en (
- ii)honorering van zo’n tweede verzoek tast niet langs een omweg de formele rechtskracht van een eerdere toewijzende beschikking voor een andere periode aan. Dat ik meer ruimte heb gebruikt, heeft ermee te maken dat ik me realiseer dat mijn opvatting tegen de stroom ingaat en ik (ook) daarom de tegenargumenten zorgvuldig heb willen onderzoeken in een systematisch kader. 1.21 Ik acht de andersluidende opvatting van de Inspecteur en van het Hof zeker verdedigbaar, en de gebezigde argumenten (“in het wettelijk systeem ligt besloten”; “respecteren van de formele rechtskracht”) hebben een sterke retorische aantrekkingskracht. Een onderliggende strekking van mijn conclusie is echter: waarom potentiële formele belemmeringen voor een juiste materiële wetstoepassing ruim uitleggen indien dat geen duidelijk belang dient, ook niet een daadwerkelijk rechtszekerheidsbelang (vgl. 7.43)? Concreter: (
- i)men zou wellicht kunnen oordelen dat (honorering van) een tweede verzoek niet mogelijk is, maar (het systeem van) het UBLB dwingt niet tot dat oordeel, en (
- ii)men zou kunnen betogen dat de formele rechtskracht wordt aangetast, maar dat gaat uit van een ruime reikwijdte van de formele rechtskracht van een toewijzende beschikking 30%-regeling. 2De feiten en oordeel feitenrechters De feiten 2.1 De gemachtigde van belanghebbenden dient op 24 maart 2017 namens belanghebbende in de zaak met zaaknummer 23/01127 (hierna: Werkneemster) en haar vorige werkgever een verzoek in tot toepassing van de 30%-regeling (het eerste verzoek) met een looptijd van 1 maart 2017 tot en met 28 februari 2019. Bij dat verzoek is rekening gehouden met een korting van de looptijd wegens een periode van eerder verblijf in Nederland van Werkneemster van januari 1996 tot en met december 2001. 2.2 In verband met het eerste verzoek heeft Werkneemster een vragenlijst van de gemachtigde ingevuld. Daarin vermeldt zij dat zij eerder in Nederland is verbleven in de voornoemde periode van januari 1996 tot en met december 2001. Het eerste verzoek is op deze informatie gebaseerd. Op 16 maart 2017 is echter per e-mail aan de gemachtigde gemeld dat haar verblijf in Nederland niet is aangevangen in januari 1996, maar in januari 1997. 2.3 De Inspecteur neemt conform het eerste verzoek een beschikking (met dagtekening 3 april 2017) dat de 30%-regeling kan worden toegepast van 1 maart 2017 tot en met 28 februari 2019. Tegen deze beschikking is geen bezwaar gemaakt. 2.4 Werkneemster is in 2018 gaan werken voor belanghebbende in de zaak met zaaknummer 23/01149 (hierna: Werkgever 2). Op 17 juli 2018 ontvangt de Inspecteur een verzoek tot voortzetting van de 30%-regeling (het tweede verzoek) voor de tewerkstelling van Werkneemster bij Werkgever 2 met ingang van 1 juni 2018. Dit verzoek vermeldt dat Werkneemster eerder vanaf 1 januari 1996 in Nederland heeft verbleven. 2.5 De Inspecteur beslist bij beschikking (met dagtekening 8 oktober 2018) dat de 30%regeling voortgezet kan worden vanaf 1 juni 2018 tot en met 28 februari 2019. Tegen deze beschikking is geen bezwaar gemaakt. 2.6 Op 6 februari 2019 ontvangt de Inspecteur een nieuw verzoek tot toepassing van de 30%regeling (het derde verzoek) waarbij wordt verzocht een beschikking af te geven voor de periode vanaf 1 maart 2019 tot en met 29 februari 2020. Daarbij is vermeld dat het eerdere verblijf van Werkneemster in januari 1997 is aangevangen in plaats van in januari 1996, zodat abusievelijk is uitgegaan van een looptijdvermindering van 72 maanden in plaats van 60 maanden. De Inspecteur wijst het derde verzoek af. Namens belanghebbenden is hiertegen bezwaar gemaakt door indiening van één bezwaarschrift. Dat bezwaar heeft de Inspecteur afgewezen (in één brief). Namens belanghebbenden is hiertegen beroep ingesteld door indiening van één beroepschrift. Rechtbank Noord-Holland 2.7 De Rechtbank heeft voor ieder van de belanghebbenden afzonderlijk uitspraak gedaan. Zij verklaart in elk van de uitspraken het beroep gegrond. Zij overweegt dat, anders dan de Inspecteur stelt, er een wettelijke grondslag voor het indienen van het derde verzoek is, namelijk art. 10ei Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB). Het feit dat een eerdere beschikking formele rechtskracht heeft, leidt niet tot het ontbreken van een wettelijke grondslag voor een nieuw verzoek of een verzoek om terug te komen op de eerdere beschikking. De Rechtbank overweegt dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten in de zin van art. 4:6 Awb, want het feit dat het eerdere verblijf van Werkneemster in januari 1997 en niet in januari 1996 aanving was immers bekend of had althans bekend kunnen zijn bij de gemachtigde. 2.8 De Rechtbank acht echter de afwijzing van het verzoek met de enkele verwijzing naar het bestaan van formele rechtskracht onredelijk. Daarbij neemt de Rechtbank in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat het eerdere verblijf van Werkneemster in januari 1997 is aangevangen en dat de vermelding januari 1996 in de eerdere verzoeken op een fout berust. Evenmin is in geschil dat wanneer de aanvangsdatum correct zou zijn vermeld, de looptijdvermindering 60 maanden in plaats van 72 maanden zou zijn geweest en Werkneemster een jaar langer recht zou hebben gehad op toepassing van de 30%regeling, dus tot en met 29 februari 2020. Dat geen nieuwe feiten of omstandigheden aan het verzoek ten grondslag liggen, staat er niet aan in de weg dat de Inspecteur de bevoegdheid heeft een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Dat leidt de Rechtbank af uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) van 23 november 2016. Tot slot kent de Rechtbank betekenis toe aan het feit dat ten aanzien van een beschikking over de 30%regeling geen ambtshalve herziening op grond van – naar ik begrijp – art. 65 AWR mogelijk is. Van de Inspecteur had in het onderhavige geval, waarin de mogelijkheid van ambtshalve herziening op grond van de wet ontbreekt, mogen worden verwacht dat hij een zorgvuldige heroverweging had uitgevoerd met inachtneming van de omstandigheden van het geval. 2.9 In een geval als dit staat naar het oordeel van de Rechtbank de formele rechtskracht van de gegeven beschikkingen niet in de weg aan het afgeven van een nieuwe beschikking met de juiste einddatum. Gerechtshof Amsterdam 2.10 Het Hof verklaart in twee afzonderlijke uitspraken het hoger beroep van de Inspecteur gegrond. Het overweegt dat art. 10ei UBLB de mogelijkheid tot het doen van een verzoek beperkt tot ‘ingekomen werknemers’ in de zin van art. 10e
(1)(b) UBLB. Naar het oordeel van het Hof is Werkneemster ten tijde van de indiening van het derde verzoek geen ingekomen werknemer. Zij werkte immers al in Nederland en is door Werkgever 2 niet vanuit het buitenland aangeworven. Reeds daarom is het derde verzoek terecht afgewezen. 2.11 Het Hof overweegt verder dat, indien daarover anders zou moeten worden geoordeeld, in het wettelijke systeem ligt besloten dat ten aanzien van een ingekomen werknemer in beginsel één keer – met vrucht – een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan. Dat is slechts anders bij een wisseling van werkgever tijdens de looptijd: dan kan eenmalig een verzoek tot voortgezette toepassing van de bewijsregel worden gedaan. In het UBLB is niet voorzien in een mogelijkheid tot heroverweging of wijziging van een beschikking over toepassing van de 30%-regeling, althans van de daarin vermelde looptijd. In beginsel moet daarom de formele rechtskracht van de oorspronkelijke beschikking – incluis de looptijd – worden gerespecteerd. Nu bij de aanwerving door Werkneemsters vorige werkgever en de overstap naar Werkgever 2 al beschikkingen zijn afgegeven, is het derde verzoek terecht afgewezen. 2.12 Het Hof overweegt voorts dat een analoge toepassing van art. 4:6 Awb ook niet tot herziening van de looptijd kan leiden, nu geen sprake is van nova en het Hof ook overigens niet is gebleken van een bijzondere omstandigheid waardoor het weigeren van de herziening evident onredelijk is. 3Het geding in cassatie 3.1 Beide belanghebbenden hebben tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld bij afzonderlijke beroepschriften. De Staatssecretaris heeft in elk van de zaken een verweerschrift ingediend. De beroepschriften zijn inhoudelijk gelijkluidend; de verweerschriften ook. Cassatiemiddelen 3.2 Het beroepschrift in cassatie bevat twee middelen, die elk uiteenvallen in twee middelonderdelen. 3.3 Middel 1 betoogt dat art. 10e
(2)(b) en art. 10ei
(1)UBLB zijn geschonden doordat het Hof heeft geoordeeld dat Werkneemster ten tijde van het indienen van het derde verzoek niet als ingekomen werknemer van haar huidige werkgever kan worden aangemerkt (middelonderdeel 1a), dan wel in het wettelijke systeem besloten ligt dat ten aanzien van een ingekomen werknemer in beginsel slechts één keer met vrucht een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan (middelonderdeel 1b). 3.4 Middelonderdeel 1a houdt in dat uit jurisprudentie volgt dat de status van ‘ingekomen werknemer’ moet worden beoordeeld op het moment van het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst, en niet op het moment dat het verzoek wordt gedaan. Bij wisseling van werkgever wordt dan teruggegrepen op het moment van tot stand komen van de eerste arbeidsovereenkomst waarmee de werknemer uit het buitenland is aangeworven. Immers, bij wisseling van werkgever woont een werknemer veelal reeds in Nederland ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe werkgever. Deze is op dat moment niet uit een ander land aangeworven. Aangezien noch art. 10ed UBLB, noch enige andere bepaling iets regelt ten aanzien van de aanwerving uit een ander land, kwalificeert een werknemer die verzoekt tot voortzetting van de 30%-regeling – volgens art. 10e
(2)(b) UBLB – niet als ingekomen werknemer. Uit de omstandigheid dat de 30%regeling in die situaties toch wordt toegekend kan worden afgeleid dat kennelijk wordt teruggegrepen op de situatie ten tijde van de totstandkoming van de eerste dienstbetrekking. Dat teruggrijpen volgt ook uit het Besluit van 21 oktober
- Daaruit volgt dat in de situatie waarin een werknemer wisselt van werkgever zonder dat de 30%-regeling bij de eerdere werkgever is aangevraagd, toch de 30%-regeling ten aanzien van de dienstbetrekking bij die tweede werkgever kan worden aangevraagd. Gezien Werkneemster bij het eerste verzoek en het tweede verzoek als ingekomen werknemer kwalificeerde, geldt dat ook voor het derde verzoek. 3.5 Middelonderdeel 1b betoogt dat in de regelgeving die relevant is voor de aanvraag tot toepassing van de 30%-regeling – de AWR, de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) en het UBLB – op het punt van de formele aspecten van de aanvraag van de 30%-regeling niet is afgeweken van de Awb. In art. 10ei UBLB is enkel geregeld dat een verzoek om (voortgezette) toepassing van de 30%-regeling bij de inspecteur kan worden gedaan en dat de inspecteur daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist. Deze bepaling beperkt het indienen van een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling dan ook niet tot één succesvolle aanvraag. Aldus geldt het algemene bestuursrecht als uitgangspunt, en is het derhalve mogelijk om een nieuwe aanvraag in te dienen. Uit V&A 40 van het Besluit van 23 augustus 2013 kan daarnaast worden opgemaakt dat een nieuw verzoek mogelijk is indien een eerder verzoek is afgewezen, zij het dat een dergelijk verzoek op grond van art. 4:6 Awb kan worden afgewezen indien geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Indien in het wettelijk systeem van de loonbelasting zelf een beperking zou zijn aangebracht voor het doen van een nieuwe aanvraag, dan zou het optionele karakter van art. 4:6 Awb teniet worden gedaan. 3.6 Middel 2 betoogt dat art. 4:6 Awb is geschonden doordat het Hof heeft geoordeeld dat de vastgestelde looptijd van de eerdere beschikking tot toepassing van de 30%-regeling niet kan worden herzien omdat niet sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, dan wel dat niet sprake is van een bijzondere omstandigheid die ertoe leidt dat het weigeren van het derde verzoek evident onredelijk is. Het middel betoogt daartoe dat art. 4:6 Awb überhaupt niet van toepassing is (middelonderdeel 2a), en als dat wel zo is, komt het op tegen het oordeel dat er geen bijzondere omstandigheid is die leidt tot evidente onredelijkheid (middelonderdeel 2b). 3.7 Middelonderdeel 2a betoogt dat art. 4:6 Awb hoe dan ook niet direct van toepassing is, nu het derde verzoek niet is ingediend na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking. Daarnaast blijkt uit de parlementaire behandeling van art. 4:6 Awb dat deze bepaling ten opzichte van eerdere aanvragen geen absolute werking heeft. Aldus is art. 4:6 Awb niet van toepassing indien een bestuursorgaan – formeel bezien – om iets anders wordt gevraagd, hetgeen in lijn is met het doel van art. 4:6 Awb: het verkort afdoen van herhaalde aanvragen. Gelet op dat doel is art. 4:6 Awb eveneens niet van toepassing op de situatie waarin een bestuursorgaan materieel bezien om iets anders wordt gevraagd. Dat is hier het geval, omdat het derde verzoek het eerste verzoek is dat zich richt op de periode van 1 maart 2019 tot en met 29 februari
- Belanghebbenden waren dus ook niet gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, en het weigeren van het derde verzoek kan ook niet op het ontbreken daarvan worden gebaseerd. 3.8 Middelonderdeel 2b behelst een rechts- en motiveringsklacht. Door enkel te stellen dat niet gebleken is van een bijzondere omstandigheid, geeft het Hof geen inzicht in de afweging die ten grondslag ligt aan het oordeel dat geen sprake is van evidente onredelijkheid. Zo besteedt het Hof geen aandacht aan het gegeven dat tussen partijen niet in geschil dat Werkneemster materieel bezien recht had op toepassing van de 30%regeling tot en met 29 februari 2020, en dat de einddatum van 28 februari 2019 berust op een kennelijke vergissing. Omdat de beschikking een constitutief vereiste is voor de toepassing van de 30%-regeling, is er reden om het ‘evident onredelijk’-criterium minder streng uit te leggen dan in het algemene bestuursrecht gebeurt. Dit te meer nu in het fiscale recht (en ook in casu) sprake is van tweepartijenverhoudingen, waarbij geen belangen van derden hoeven te worden meegewogen. Het is bovendien niet duidelijk welk redelijk belang de Inspecteur heeft bij het handhaven van een overduidelijk onjuiste 30%-beschikking. Duiding middelonderdeel 2a 3.9 Middelonderdeel 2a roept bij mij enige verwarring op. Middel 2 lijkt een subsidiair cassatiemiddel te zijn, dat wordt voorgesteld voor het geval het betoog faalt dat het derde verzoek een nieuw verzoek is. Het middel lijkt dan ook dan ook gericht te zijn tegen rov. 5.9 van het Hof waarin het oordeelt dat, kort gezegd, ook analoge toepassing van art. 4:6 Awb geen soelaas biedt. Maar middelonderdeel 2a betoogt juist dat art. 4:6 Awb niet van toepassing is omdat geen sprake is van een aanvraag na een gedeeltelijk afwijzende beschikking, aangezien de eerdere verzoeken juist waren gehonoreerd. Als art. 4:6 Awb echter niet van toepassing is, zoals middelonderdeel 2a voorstaat, dan kan art. 4:6 Awb ook geen soelaas bieden. In dat opzicht past middelonderdeel 2a niet bij het bestrijden van het oordeel van het Hof in rov. 5.
- Daarbij komt dat een kernpunt van middelonderdeel 2a lijkt te zijn dat het derde verzoek een nieuwe aanvraag is in die zin dat het verzoek ziet op een andere periode dan de eerdere gehonoreerde verzoeken. Middelonderdeel 2a heeft daarmee veel overlap met middelonderdeel 1b en bouwt daarop voort. Ik zal dit middelonderdeel 2a daarom mede in samenhang met middelonderdeel 1b beschouwen in onderdeel
- Wel besteed ik daarnaast in onderdeel 8 ook nog afzonderlijk aandacht aan middelonderdeel 2a in verband met de nadruk die het legt op het niet van toepassing zijn van art. 4:6 Awb. 3.10 Alleen middelonderdeel 2b gaat uit van de situatie dat art. 4:6 Awb wel van toepassing is en is dus in dat opzicht daadwerkelijk subsidiair gericht tegen rov. 5.9 van het Hof. 4De 30%-regeling algemeen 4.1 Ik ga allereerst in op de 30%-regeling in het algemeen. De 30%-regeling bestaat al jaren, zij het niet steeds onder die noemer, en de verschillende onderdelen en voorwaarden van die regeling zijn gedurende die jaren meermaals gewijzigd. Zo staat de 30%-regeling pas sinds 2001 in het UBLB
- Daarvoor ging het om de 35%-regeling en die regeling was opgenomen in beleidsbesluiten. 4.2 Ik loop iets op de zaken vooruit, maar ik merk hier alvast op dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de voorwaarden van de 30%-regeling als uitgangspunt moeten worden beoordeeld naar het moment van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst, en dat ook naar de tekst van het UBLB 1965 van dat moment moet worden beoordeeld (zie 4.11 en verder). Ik merk verder op dat bij wisseling van werkgever – zoals in dit geval – in ieder geval de voorwaarde ‘aangeworven uit het buitenland’ wordt getoetst naar het moment van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de oude werkgever (zie 4.23). Dat geldt naar mijn mening ook voor de zogeheten 150-kilometertoets (zie ook 6.6 en 6.7). De eerste arbeidsovereenkomst in deze zaak is in 2017 tot stand gekomen. Ik ga daarom, tenzij anders vermeld, van de teksten uit 2017 uit. Overigens is tussen 2017 en 2019 (het jaar waarin het derde verzoek is gedaan) weinig gewijzigd dat in cassatie van belang is. Plaats van de 30%-regeling in het wettelijk systeem 4.3 De Wet LB kent de zogeheten werkkostenregeling van art. 31
(1)(
- f)en art. 31a Wet LB, een systeem voor het (gedeeltelijk) onbelast doen van vergoedingen en verstrekkingen door de inhoudingsplichtige werkgever. Voor zover hier relevant houdt de werkkostenregeling in dat systematisch de loonheffing over een als eindheffingsbestanddeel aangewezen vergoeding of verstrekking niet langer voor rekening van de werknemer komt, maar van de inhoudingsplichtige in de vorm van een eindheffing van 80%. Die eindheffing van 80% is echter alleen verschuldigd over het deel van de aangewezen vergoedingen en verstrekkingen dat (
- a)niet onder een zogeheten gerichte vrijstelling valt (art. 31a
(2)(a-
- i)Wet LB) en tevens (
- b)de zogeheten vrije ruimte overstijgt. 4.4 Een van de gerichte vrijstellingen is opgenomen in art. 31a
(2)(e) Wet LB: de gerichte vrijstelling voor extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking. Deze kosten worden ook wel extraterritoriale kosten genoemd. Het gaat kort gezegd om kosten die een werknemer extra maakt omdat hij buiten zijn land van herkomst werkt. Deze extraterritoriale kosten bestaan bijvoorbeeld uit de extra kosten voor levensonderhoud door een hoger prijspeil in het werkland dan in het land van herkomst, de kosten voor een kennismakingsreis naar het werkland, eventueel met het gezin, om bijvoorbeeld te zoeken naar een woning of een school, en de kosten voor het aanvragen of omzetten van officiële persoonlijke papieren, zoals verblijfsvergunningen, visa en rijbewijzen. 4.5 In art. 31a
(2)(e) Wet LB – zoals dat luidde tot 1 januari 2019 – is ook een delegatiebepaling opgenomen die verband houdt met de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten. Deze bepaling luidt: “2. De verschuldigde belasting met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, wordt bepaald naar een tarief van 80%, met dien verstande dat deze vergoedingen en verstrekkingen worden verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met 1,2% van het loon waarover met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting wordt geheven, alsmede met vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, ter zake of in de vorm van: (…) e. extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking (extraterritoriale kosten), met dien verstande dat voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen werknemers die door een inhoudingsplichtige van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen of buiten Nederland worden uitgezonden, onder daarbij te stellen voorwaarden, geldt dat vergoedingen van kosten en verstrekkingen van verblijf buiten het land van herkomst – voor van buiten Nederland in dienstbetrekking genomen werknemers gedurende ten hoogste acht jaar – ten minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot ten hoogste 30% van het daarbij aan te wijzen gedeelte van het loon, alsmede tot het bedrag van de daarbij aan te wijzen schoolgelden;” 4.6 Van deze delegatiebepaling is gebruikt gemaakt in artt. 10e tot en met 10ej UBLB. Zoals in de delegatiebepaling staat, strekt de 30%-regeling ertoe om de (als zodanig overeen te komen) vergoeding voor extraterritoriale kosten bij wijze van forfait vast te stellen op ten hoogste 30 procent van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking waarover belasting van de werknemer wordt geheven, alsmede de vergoeding voor extraterritoriale kosten (zie ook art. 10ea UBLB). De 30%-regeling is dus een bewijsregel: zij voorziet in een andere wijze van het berekenen van de gericht vrijgestelde vergoeding voor extraterritoriale kosten. Voor deze zaak is de grondslag en de wijze van berekening niet relevant; ik laat het dan ook bij deze algemene opmerkingen. Voorwaarden 4.7 Om voor de 30%-regeling in aanmerking te komen, moet een werknemer aan een aantal voorwaarden voldoen. Alleen als hij aan deze voorwaarden voldoet, is hij een ‘ingekomen werknemer’ in de zin van art. 10e
(2)(b) UBLB. 4.8 Ten eerste moet de werknemer een specifieke deskundigheid hebben die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is (art. 10eb
(2)(b)
(1)UBLB). Deze schaarse, specifieke deskundigheid is een kwantitatief criterium: art. 10eb UBLB bepaalt dat een werknemer specifieke deskundigheid bezit indien het loon in de zin van paragraaf 3.3.1 Wet IB 2001 op jaarbasis een bepaald bedrag overschrijdt. 4.9 Ten tweede moet de werknemer in meer dan twee derde van de periode van 24 maanden die voorafgaat aan de aanvang van de tewerkstelling in Nederland, hebben gewoond op een afstand van meer dan 150 kilometer van – kortweg – de grens van Nederland (art. 10eb
(2)(b)
(2)UBLB). 4.10 Een derde voorwaarde is dat het gaat om een werknemer in de zin van art. 2 Wet LB, die door een inhoudingsplichtige uit een ander land is aangeworven. Omdat het laatste aspect van deze voorwaarde onderdeel is van het geschil in cassatie ga ik nader op deze voorwaarde in. 4.11 In HR BNB 2006/262 overweegt de Hoge Raad dat de voorwaarde dat de werknemer uit een ander land is aangeworven, zo moet worden uitgelegd dat daaraan is voldaan als de werknemer ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst zijn woonplaats buiten Nederland heeft en niet in Nederland werkzaam is: “3.3.
- Degeen die een arbeidsovereenkomst aangaat met een inhoudingsplichtige op een tijdstip waarop hij woonplaats buiten Nederland heeft en niet - anders dan in situaties als opleiding of stage - in Nederland werkzaam is, kan worden aangemerkt als "door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven". Tekst noch strekking van de [Wet LB; MP] of het [UBLB; MP] staat aan die kwalificatie in de weg in gevallen waarin de betrokkene nadien, maar voor de overeengekomen ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn woonplaats naar Nederland verlegt, en evenmin in gevallen waarin hij, in afwachting van die overeengekomen ingangsdatum, hier te lande tijdelijk arbeid gaat verrichten voor een ander, dan wel voor eigen rekening. 3.3.
- Een arbeidsovereenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding, die in iedere vorm kunnen geschieden, en in gedragingen besloten kunnen liggen (artikel 3:37, lid 1, BW).” Deze regel is bevestigd in HR BNB 2011/258, met de toevoeging dat “in Nederland werkzaam zijn” in de eerste volzin van rov. 3.3.2 ook het werken als ondernemer omvat. 4.12 Ik meen uit HR BNB 2006/264 (over de toenmalige 35%-regeling, vervat in het in 4.40 vermelde besluit BNB 1995/243) meer achtergrond bij deze uitleg van de Hoge Raad te kunnen destilleren: “3.3.
- Zoals de Staatssecretaris in de toelichting op het middel stelt, dient de vraag of belanghebbende vanuit een ander land is aangeworven, in beginsel te worden beantwoord naar het tijdstip van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Daaraan voegt de toelichting op het middel toe dat bij het redigeren van het Besluit ervan is uitgegaan dat de ingangsdatum van de dienstbetrekking samenvalt met het tijdstip van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat vrijwel steeds enige tijd gelegen is tussen de datum van totstandkoming van een arbeidsovereenkomst en die waarop de dienstbetrekking ingaat, zeker indien de gecontracteerde werknemer uit een ander land is aangeworven. Voor die situatie, waarin de beide tijdstippen niet samenvallen, biedt de tekst van het Besluit evenwel, kennelijk vanwege het hiervoor bedoelde uitgangspunt van de besluitgever, geen aanknopingspunt voor het antwoord op de vraag welk tijdstip beslissend is, dat van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst dan wel dat van indiensttreding. De Hoge Raad zal dat antwoord daarom zoeken in doel en strekking van de regeling, zoals ook het middel voorstaat. 3.3.
- Blijkens de aanhef van paragraaf 1.3.1 van het Besluit strekt de 'vrijgestelde vergoeding' ertoe de buitenlandse werknemer tegemoet te komen in de extra uitgaven waarvoor hij zich geplaatst ziet in verband met zijn tewerkstelling door een binnenlandse werkgever. Het strookt met deze strekking om het tijdstip van 'aanwerving' te stellen op dat van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst, ook indien de overeengekomen datum van indiensttreding een latere is. Zou immers het tijdstip van indiensttreding als tijdstip van 'aanwerving' worden aangemerkt, dan zou in de veelvuldig voorkomende situatie waarin het tijdstip van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst voorafgaat aan dat van de indiensttreding en de betrokken werknemer - zoals ook in het onderhavige geval - met het oog op zijn indiensttreding zijn woonplaats voorafgaand aan de indiensttreding naar Nederland verlegt, de 35%-regeling geen toepassing kunnen vinden, hoewel deze werknemer zich ontegenzeggelijk in rechtstreeks verband met zijn indiensttreding bij een binnenlandse werkgever voor extra uitgaven geplaatst ziet. Mitsdien faalt middel
- (…) 3.4.
- Aan de 35%-regeling heeft mede de gedachte ten grondslag gelegen dat door vergroting van het netto besteedbare loon van de betrokken werknemers een faciliteit werd geboden die het bedrijfsleven beter in staat stelde schaarse specifieke deskundigheid aan te trekken. Hiermee strookt om (overeenkomstig het standpunt van de Staatssecretaris in de toelichting op middel 1) de peildatum voor de aanwezigheid van specifieke deskundigheid te stellen op de datum van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst, aangezien op dat tijdstip de binnenlandse (aspirant)werkgever in concurrentie staat tot buitenlandse (aspirant-)werkgevers. Op dat tijdstip, niet op de latere ingangsdatum van de dienstbetrekking heeft de (aspirant-)werkgever baat bij het bestaan van de faciliteit.” 4.13 Het uitgangspunt is dus dat de vraag of een werknemer voldoet aan de voorwaarden van de 30%-regeling moet worden beantwoord naar de stand van zaken op het moment dat de arbeidsovereenkomst tot stand komt. Dat is immers het moment waarop de aspirant-werkgever het meeste baat heeft bij de 30%-regeling, omdat hij met die regeling een buitenlandse werknemer met schaarse specifieke deskundigheid kan overtuigen om in Nederland, en niet in zijn thuisland of in een ander land, te gaan werken. 4.14 In HR BNB 2015/204 bevestigt de Hoge Raad dat bij dit uitgangspunt aansluit dat het tijdstip van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst ook maatgevend is als het erom gaat aan de hand van welke wettelijke voorschriften de aanwezigheid van specifieke deskundigheid moet worden beoordeeld. Die zaak ging over een Portugese werknemer die in 2011 in Nederland is komen werken, en die gebruik wilde maken van de per 1 januari 2012 in art. 10eb UBLB geïntroduceerde versoepelde deskundigheidsnorm voor werknemers die een mastertitel hebben behaald en de leeftijd van 30 jaren nog niet hebben bereikt: “2.3.
- Aan de 30%-bewijsregel heeft mede de gedachte ten grondslag gelegen dat door vergroting van het netto besteedbare loon van de betrokken werknemer een faciliteit wordt geboden die het bedrijfsleven beter in staat stelt schaarse specifieke deskundigheid aan te trekken. Het strookt met deze gedachte om aan de hand van de feiten ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst te beoordelen of de betrokken werknemer over de vereiste specifieke deskundigheid beschikt. Op dat moment staat immers de binnenlandse (aspirant-)werkgever in concurrentie tot buitenlandse (aspirant-)werkgevers en heeft hij baat bij het bestaan van de faciliteit (zie onderdeel 3.4.3 van het arrest BNB 2006/264). Daarbij sluit aan dat het tijdstip van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst eveneens maatgevend is als het erom gaat aan de hand van welke wettelijke voorschriften de aanwezigheid van specifieke deskundigheid moet worden beoordeeld. Die beoordeling moet dus plaatsvinden aan de hand van de op dat moment geldende wettelijke voorschriften, ook in het geval dat het verzoek tot toepassing van de 30%-bewijsregel later wordt gedaan en de regelgeving inmiddels is gewijzigd. In het onderhavige geval moet derhalve aan de hand van de regeling-2011 worden getoetst of belanghebbende over de vereiste specifieke deskundigheid beschikt. 2.3.
- Opmerking verdient dat het hiervoor in 2.3.3 overwogene niet geldt voor de toepassing van artikel 10ee UBLB. De in die bepaling voorziene voortdurende toetsing aan de deskundigheidseis vindt naar haar aard plaats aan de hand van de wettelijke voorschriften die gelden op het moment waarop de deskundigheid nog steeds aanwezig moet zijn, behoudens voor zover daarop een uitzondering is gemaakt in artikel IV van het Besluit van 22 december 2011 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten, Stb. 2011, 677.” 4.15 Mertens becommentarieert dit arrest in zijn BNB-noot kritisch op het punt van het ‘fotomoment’ van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Dat punt is voor deze zaak echter niet zo relevant omdat de Hoge Raad dat oordeel in HR BNB 2019/38 bevestigt. Wel wil ik uitlichten wat hij in par. 4 van zijn commentaar schrijft over een late(re) aanvraag: “
- (…) De volgende vraag die [de werknemer; MP] had kunnen kwellen was – wellicht – of hij twee jaar na dato nog een beroep op de [30%-regeling; MP] kon doen. Alles wees erop dat dat het geval was. Ten eerste is de bewijsregel maar een bewijsregel. Het uitgangspunt van de vrijstelling voor vergoedingen voor extraterritoriale kosten vinden we (in 2013) in art. 31a lid 2 onderdeel e Wet LB
- Vergoedingen voor extraterritoriale kosten zijn onbelast en in bepaalde gevallen kan daarbij een beroep worden gedaan op de bewijsregel. Het is dus goed mogelijk dat iemand, nadat hij steeds de werkelijke extraterritoriale kosten vergoed heeft gekregen, pas op een later moment een beroep op de bewijsregel wil doen. Met die mogelijkheid houdt de bewijsregel bovendien uitdrukkelijk rekening. Zo kent de 30%-regeling als uitgangspunt dat om toepassing daarvan moet worden verzocht. Wordt een dergelijk verzoek niet gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling, dan wordt de looptijd verminderd met de periode tussen het tijdstip waarop de ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige is tewerkgesteld en het tijdstip waarop de beschikking voor het eerst van toepassing is (art. 10eg Uitv.besl. LB 1965). In de systematiek van de bewijsregel is gelegen dat een late(re) aanvraag niet tot uitsluiting van de regeling leidt, maar alleen tot korting van de looptijd. Ofwel: toepassing van de 30%-regeling kan op ieder moment worden aangevraagd. Zoals gezegd ligt dat voor de hand, omdat de bewijsregel alleen maar een forfaitaire verbijzondering is van de algemene mogelijkheid om extraterritoriale kosten onbelast te kunnen vergoeden.” Looptijd van de 30%-regeling 4.16 De laatste voorwaarde is wat meer impliciet. Deze voorwaarde is dat er nog resterende looptijd moet zijn. Het begrip ‘looptijd’ staat gedefinieerd in art. 10e
(2)(d) UBLB: de periode gedurende welke hoofdstuk 4a van het UBLB – waarin de 30%-regeling is geregeld – voor een werknemer van toepassing is. Als hoofdstuk 4a niet van toepassing is op een werknemer, kan deze immers ook niet op grond van dat hoofdstuk als ingekomen werknemer worden aangemerkt. 4.17 Op het eerste verzoek in deze zaak was nog een maximale looptijd van acht jaren van toepassing, ingaande op de eerste dag van de tewerkstelling door de inhoudingsplichtige en eindigende op de laatste dag van het loontijdvak na het loontijdvak waarin die tewerkstelling is geëindigd (art. 10ec
(1)UBLB). Het gaat hier om de maximale looptijd: als de tewerkstelling eerder eindigt, of een werknemer op enig moment niet meer voldoet aan de voorwaarden van de 30%-regeling, dan eindigt de looptijd op een eerder moment (art. 10ec
(1)en art. 10ee UBLB). 4.18 De looptijd van de 30%-regeling voor de ingekomen werknemer wordt bekort met perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf in Nederland voorafgaand aan de tewerkstelling als ingekomen werknemer (art. 10ef
(1)UBLB). Dit is ook de reden van het onderhavige geschil: de korting wegens eerder verblijf blijkt ten onrechte – zo is niet in geschil – 60 in plaats van 72 maanden te moeten bedragen. De korting wordt naar boven afgerond op hele kalendermaanden (art. 10eh UBLB). 4.19 De maximale looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers is overigens per 1 januari 2019 verkort naar vijf jaren, met overgangsrecht. Die verkorting is voor deze zaak verder niet relevant, nu de in geschil zijnde extra looptijd van 12 maanden hooguit tot een totale looptijd van 3 jaren zou leiden. Gezamenlijk verzoek 4.20 Om de 30%-regeling te kunnen toepassen, moeten de werknemer en de inhoudingsplichtige een gezamenlijk verzoek doen (art. 10ea
(1)UBLB). Op dat verzoek beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking (art. 10ei
(1)UBLB). 4.21 Zonder gezamenlijk verzoek kan bij een ingekomen werknemer de bewijsregeling niet worden toegepast, zo oordeelt de Hoge Raad in HR BNB 2007/242 met betrekking tot de toenmalige 35%-regeling: “3.8 (…) In [het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1999, nr. 34 654, BNB 2000/124; MP] is, anders dan belanghebbende kennelijk meent, niet beslist dat bij de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen recht bestaat op toepassing van de 35%-regeling zodra aan de materiële vereisten is voldaan, ook al is daartoe geen gezamenlijk verzoek gedaan en geen vergoeding afzonderlijk vastgesteld. Voor een beslissing in die zin bestaat ook overigens geen grond.” Voortzetting op verzoek bij wisseling inhoudingsplichtige 4.22 Als de werknemer gedurende de looptijd van inhoudingsplichtige wisselt (bijvoorbeeld wanneer hij een andere baan heeft gevonden), dan kan op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige de bewijsregel gedurende de resterende looptijd van toepassing blijven (art. 10ed
(1)UBLB). Daarvoor is dan wel vereist dat de periode tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe inhoudingsplichtige niet langer is dan drie maanden. 4.23 Als een dergelijk verzoek tot voortzetting wordt gedaan, moet de nieuwe inhoudingsplichtige opnieuw aannemelijk maken dat de werknemer behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer (art. 10ed
(2)UBLB). Bij introductie van de 30%-regeling in het UBLB is het volgende opgemerkt in de toelichting (op wat toen nog art. 9c (oud) UBLB was): “Artikel 9c, eerste lid, bepaalt dat indien de ingekomen werknemer binnen tien jaar na zijn eerste tewerkstelling door de inhoudingsplichtige van werkgever verandert, hij samen met zijn nieuwe inhoudingsplichtige voor de resterende looptijd opnieuw een verzoek kan doen voor toepassing van de bewijsregel. Hierdoor kan deze werknemer alsnog maximaal gedurende tien jaar van de regel gebruik maken. Volgens het tweede lid is dat alleen mogelijk indien de werknemer nog steeds schaarse specifieke deskundigheid bezit. Dit betekent dus een extra toetsingsmoment met betrekking tot de schaarse specifieke deskundigheid van de werknemer. Daarbij kan de werknemer vanzelfsprekend nog steeds worden beschouwd als uit een ander land te zijn aangeworven of gezonden. (…).” Verzoek binnen en buiten vier maanden na de aanvang van de tewerkstelling 4.24 Voor zowel het verzoek om toepassing als het verzoek om voortgezette toepassing geldt een zogenoemde aanvraagtermijn van vier maanden. Deze termijn is echter geen harde vervaltermijn. Overschrijding van die termijn brengt namelijk niet mee dat in het geheel geen aanspraak meer kan worden gemaakt op de 30%-regeling. Wel zijn materieel gezien vervalaspecten verbonden aan de termijn. De termijn is namelijk van belang voor het ingangsmoment van de beschikking en voor de looptijd. Als het verzoek wordt gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling, werkt de beschikking terug tot en met de aanvang van de tewerkstelling (eerste volzin van art. 10ei
(2)UBLB). In het geval het verzoek later is gedaan, is de beschikking van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het verzoek is gedaan (tweede volzin van art. 10ei
(2)UBLB). In dat geval wordt bovendien de looptijd van de regeling verminderd met de periode tussen het tijdstip waarop de ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige is tewerkgesteld en het tijdstip waarop de beschikking voor het eerst van toepassing is (art. 10eg UBLB). Indien een verzoek niet binnen de termijn van vier maanden is gedaan, heeft dat dus ‘verval’-gevolgen in die zin dat niet gehele potentiële looptijd van de 30%-regeling meer kan worden benut. Vgl. voor dit een en ander ook Mertens aangehaald in 4.
- Aanvraagprocedure 4.25 Zoals al beschreven: om de 30%-regeling te kunnen toepassen, moet een gezamenlijk verzoek worden gedaan door de werknemer en de inhoudingsplichtige. 4.26 In de praktijk wordt veelal op één van twee manieren een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling gedaan. De eerste manier is door een formulier in te vullen en op te sturen; dat formulier is te vinden op de website van de Belastingdienst. In dit verband licht ik met name onderdelen 4 en 7 van dat formulier uit. In onderdeel 4 van het formulier wordt verzocht om informatie over periodes van werk en verblijf in Nederland, welke informatie naar het zich laat aanzien wordt gebruikt om de korting op de maximale looptijd te berekenen. In onderdeel 7d-7g wordt ook naar een aantal temporele aspecten gevraagd: de gewenste ingangsdatum van de 30%-regeling, de datum waarop de arbeidsovereenkomst waarvoor het verzoek wordt gedaan, is getekend of aangegaan, de datum waarop de werknemer in dienst is gekomen, en de datum van aankomst van de werknemer in Nederland. Ik zie in het formulier geen mogelijkheid om de gewenste einddatum van de 30%-regeling op te geven. 4.27 De andere manier om een verzoek te doen, is via een fiscaal dienstverlener die met de Belastingdienst een werkafspraak in het kader van horizontaal toezicht heeft gemaakt. In de Leidraad Horizontaal Toezicht staat het volgende over deze werkafspraak: “Serviceniveau 30 % regeling Belastingdienst maakt werkafspraken met fiscaal dienstverleners. De werkafspraak houdt in dat fiscaal dienstverleners, onder voorwaarden, zelf beoordelen of een werknemer voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van de 30%-regeling. De Belastingdienst volgt de conclusie van de fiscaal dienstverlener en geeft een 30%-beschikking af. Steekproefsgewijs wordt achteraf getoetst of aan de voorwaarden voldaan is. De voorwaarden en werkwijze is in een werkafspraak met de fiscaal dienstverlener vastgelegd. De fiscaal dienstverlener dient het verzoek in bij het officiële toezendadres.” 4.28 Ouweneel schrijft het volgende over de werkafspraak: “In het kader van horizontaal toezicht is de Belastingdienst met enkele fiscale dienstverleners overeengekomen dat zij met ingang van 1 januari 2010 zelf mogen beoordelen of in concrete gevallen de 30%-regeling kan worden toegekend. De beoordeling vindt plaats aan de hand van een door de Belastingdienst goedgekeurde vragenlijst. De fiscale dienstverlener behoeft slechts de naam en het BSN van de werknemer, de naam en het loonbelastingnummer van de inhoudingsplichtige en de looptijd in een aanvraag te vermelden, waarna de Belastingdienst zonder verdere controle een beschikking afgeeft.” 4.29 In het dossier is een kopie opgenomen van de werkafspraak die de gemachtigde met de Belastingdienst heeft gesloten. Voor zover hier relevant zijn daarin de volgende passages opgenomen: “
- Kortingsregeling 4.1 Eerdere perioden van verblijf of tewerkstelling in Nederland in de 25 jaar voorafgaand aan de dag van de tewerkstelling (waaronder ook een eerdere periode van verblijf of tewerkstelling in Nederland die langer dan 25 jaar geleden is begonnen, maar minder dan 25 jaar geleden is geëindigd), komen in mindering op de looptijd van de bewijsregel van maximaal 8 jaar. Voor de toepassing van de kortingsregeling is de werknemer: [volgen uitzonderingen op kortingsregeling uit art. 10ef(3-4) UBLB, alsmede de regel van art. 10ef
(5)UBLB; MP] [Gemachtigde] onderzoekt of, en zo ja, hoeveel maanden, de looptijd van de bewijsregel moet worden gekort. Bij korting wordt elke periode naar boven afgerond op gehele maanden. (…)
- Fouten in de afhandeling Fouten in de afhandeling worden niet afgewenteld op de werknemer van de klant respectievelijk de inhoudingsplichtige indien deze juiste informatie hebben verstrekt. Fouten in de afhandeling worden niet afgewenteld op [gemachtigde] (…).
- Verwerking verzoeken Van de dossiers die volgens de afspraken in aanmerking komen voor de toepassing van de regeling verstrekt [gemachtigde] periodiek via de mail een lijst met de BSN-nummers van de werknemers, het inhoudingsplichtigennummer van de inhoudingsplichtige, de looptijd van de regeling, de sectorcode van de inhoudingsplichtige, het beroep plus een korte omschrijving van de aard van de werkzaamheden van de werknemer. De Belastingdienst toetst aan de hand van beschikbare gegevens of de beslissing van [gemachtigde] juist is.Is dat het geval dan wordt zo spoedig mogelijk een beschikking opgemaakt dat de regeling van toepassing is. Beschikt de Belastingdienst over aanwijzingen dat de beslissing mogelijk onjuist is of dat een andere looptijd van toepassing is, neemt de Belastingdienst onverwijld contact op met [gemachtigde].” Verzoeken in het geval van Werkneemster 4.30 In het kader van het eerste verzoek heeft de gemachtigde een vragenlijst (‘toolkit’) naar Werkneemster gestuurd. Voor zover in cassatie relevant heeft Werkneemster daarin ingevuld dat de ‘expected period of employment in the Netherlands’ van 1 maart 2017 tot en met 28 februari 2018 zou zijn. 4.31 In het dossier is ook het eerste verzoek via de werkafspraak opgenomen. Deze lijkt uit niet veel meer te bestaan dan een tabel met daarin de personalia van Werkneemster, en de naam en het loonheffingennummer van haar vorige werkgever. Ook haar functietitel staat opgenomen. Verder staan twee data opgenomen: 1 maart 2017 en 28 februari
- Dat zijn denkelijk de begin- en einddatum van de looptijd van de beschikking waar de gemachtigde om heeft verzocht. 4.32 Het tweede verzoek bij wisseling van werkgever is met behulp van het formulier ingediend, en niet via de werkafspraak. Zoals al vastgesteld (4.26) kent het formulier geen mogelijkheid om een gewenste einddatum op te geven. In de begeleidende brief is enkel verzocht om een “nieuwe 30%-beschikking af te geven voor deze werknemer voor de resterende looptijd met als inhoudingsplichtige de nieuwe werkgever”. 4.33 Ook het derde verzoek is middels het formulier ingediend. In de begeleidende brief – met een uiteenzetting van de gang van zaken – staat dat belanghebbenden verzoeken het verzoek als een nieuw verzoek aan te merken. 4.34 De tekst van de afwijzing van het derde verzoek neem ik hier ook deels op: “Eerste verzoek 30%-bewijsregel Op 17-07-2018 heb ik uw eerste verzoek voor de toepassing van de 30%-bewijsregel ontvangen. Met dagtekening 08-10-2018 heb ik u bij beschikking de 30%-regeling toegekend met een looptijd van 01-06-2018 tot 28-02-
- Deze beschikking staat reeds onherroepelijk vast. Tweede verzoek Op 06-02-2019 heb ik uw tweede verzoek voor toepassing van de 30%-bewijsregel ontvangen. In uw brief verzoekt u om een nieuwe beschikking met een aangepaste looptijd. Op basis van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht en vraag 40 van het besluit van 23 augustus 2013, nr. DGB 2013/70M, kunt u een nieuwe aanvraag indienen na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking. Zoals ik hierboven heb vermeld, heb ik op uw eerste verzoek positief beslist. Het betreft geen “geheel of gedeeltelijke afgewezen beschikking”. Om deze reden wijs ik uw tweede verzoek af.” Hardheidsclausule(beleid) 4.35 Ik neem hier twee relatief recente mededelingen over toepassing van de hardheidsclausule (art. 63 AWR) op. De eerste Mededeling van 12 mei 2022 gaat over de situatie waarin de Belastingdienst abusievelijk een foute einddatum op een beschikking 30%-regeling opneemt na een verzoek tot voortzetting bij wisseling werknemer: “Samenvatting verzoek Op 27 november 2015 is door de Belastingdienst, overeenkomstig de ingediende aanvraag, een beschikking 30%-regeling (artikel 10ei van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965; hierna UBLB 1965) afgegeven met een looptijd van 1 oktober 2015 tot en met 30 september
- Bij wisseling van inhoudingsplichtige is verzocht om voortzetting van de 30%-regeling gedurende de resterende looptijd. Op 12 januari 2018 is daarvoor een beschikking afgegeven met een looptijd van 1 november 2017 tot en met 31 augustus
- Vaststaat dat de werknemer voldeed aan de voorwaarden voor het toepassen van 30%-regeling voor de looptijd die is vermeld op de eerste beschikking. De Belastingdienst heeft echter abusievelijk een foutieve einddatum opgenomen op de tweede beschikking. Pas na afloop van de bezwaartermijn is opgemerkt dat de einddatum op de tweede beschikking afweek van de aanvraag en de eerste beschikking. Hierop is verzocht om herstel van deze fout. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen omdat de wettelijke regeling niet voorziet in een herstelmogelijkheid na afloop van de bezwaartermijn. In artikel 10ei UBLB 1965 is de voorwaarde opgenomen dat de inspecteur beslist op het verzoek om (voortgezette) toepassing van de 30%-regeling bij voor bezwaar vatbare beschikking. In de wettelijke regeling is niet voorzien in een herzieningsmogelijkheid van deze beschikking in het geval van gebleken onjuistheden na het verlopen van de bezwaartermijn. Onder de gegeven omstandigheden is dit onwenselijk. Goedkeuring De Staatssecretaris van Financiën heeft in deze situatie met toepassing van de hardheidsclausule het volgende goedgekeurd. Nu vaststaat dat de Belastingdienst abusievelijk in de tweede beschikking een foutieve einddatum heeft opgenomen, mocht de inhoudingsplichtige alsnog uitgaan van de einddatum in de eerste beschikking, met inachtneming van de wetswijziging en het bijbehorende overgangsrecht per 1 januari
- Daardoor eindigt de 30%-regeling voor dit geval niet op 31 augustus 2020, maar op 31 december 2020.” 4.36 De Mededeling van 18 juli 2023 gaat over de – ogenschijnlijk zeer op het onderhavige geval gelijkende – situatie waarin een zogenoemde werkafspraakhouder (zie 4.27) abusievelijk, ondanks dat hij over de juiste informatie van de inhoudingsplichtige en de werknemer beschikte, de looptijd van de 30%-regeling foutief vaststelt: “Samenvatting verzoeken De Corporate Dienst Vaktechniek van het Directoraat-generaal Belastingdienst heeft naar aanleiding van een eerdere mededeling (mededeling van 12 mei 2022, nr. 2020-2987) over de toepassing van de hardheidsclausule, verzoeken ontvangen waarbij een zogenoemde werkafspraakhouder een onjuiste looptijd heeft doorgegeven aan de Belastingdienst bij de aanvraag van de 30%-regeling. De werkafspraakhouder heeft abusievelijk, ondanks dat hij over de juiste informatie van de inhoudingsplichtige en de werknemer beschikte, de looptijd van de 30%-regeling foutief vastgesteld. De Belastingdienst heeft de beschikking 30%-regeling (overeenkomstig de werkafspraak) afgegeven conform de aanvraag van de werkafspraakhouder. Herzien beschikking 30%-regeling De Belastingdienst is met een aantal intermediairs een werkafspraak overeengekomen (hierna werkafspraakhouders). Deze afspraken staan in de werkafspraakovereenkomst. Volgens deze afspraken onderzoekt de werkafspraakhouder de start- en einddatum van de looptijd van de 30%- regeling. In dat kader onderzoekt de werkafspraakhouder of de looptijd dient te worden gekort met de perioden van eerder verblijf en/of eerdere tewerkstelling in Nederland. Volgens de werkafspraak wordt de door de werkafspraakhouder opgegeven looptijd niet beoordeeld door de Belastingdienst en wordt deze overgenomen in de beschikking 30%-regeling in overeenstemming met de opgave door de werkafspraakhouder. Vaststaat dat de werknemers voldoen aan de voorwaarden voor het toepassen van de 30%-regeling. De looptijd op de beschikking 30%-regeling is echter onjuist doordat de werkafspraakhouder abusievelijk een foutieve looptijd heeft vastgesteld en/of doorgegeven bij de aanvraag van de 30%- regeling. Op het moment van het vaststellen van de looptijd waren de juiste gegevens aanwezig bij de werkafspraakhouder. Pas na afloop van de bezwaartermijn is opgemerkt dat de looptijd onjuist is vastgesteld. In artikel 10ei UBLB 1965 is de voorwaarde opgenomen dat de inspecteur beslist op het verzoek om (voortgezette) toepassing van de 30%-regeling bij voor bezwaar vatbare beschikking. In de huidige wet- en regelgeving is niet voorzien in een herzieningsmogelijkheid van de beschikking 30%-regeling in het geval van gebleken onjuistheden na het verlopen van de bezwaartermijn. Onder de gegeven omstandigheden is dit onwenselijk. Goedkeuring De staatssecretaris van Financiën heeft in deze specifieke situatie en onder de gegeven omstandigheden met toepassing van de hardheidsclausule het volgende goedgekeurd. Als vaststaat dat de beschikking 30%-regeling onjuist is doordat de werkafspraakhouder een foutieve looptijd heeft doorgegeven aan de Belastingdienst, terwijl door de werknemer en de inhoudingsplichtige wel de juiste gegevens waren verstrekt, en de Belastingdienst deze foutieve looptijd overeenkomstig de werkafspraak heeft overgenomen, mag in deze situatie alsnog worden uitgegaan van de looptijd van de 30%-regeling die zonder de fout zou zijn vastgesteld.” 4.37 De redactie Vakstudie-Nieuws becommentarieert deze laatste mededeling onder meer als volgt: “Inhoudelijk zal deze goedkeuring op grond van de hardheidsclausule niet veel verbazing wekken en wij zijn blij dat door deze mededeling wordt vastgelegd dat, ook als een werkafspraakhouder een foutieve einddatum van de 30%-regeling vaststelt, mag worden uitgegaan van de juiste (volgens de wettelijke regels) vastgestelde einddatum. Eerder had de Staatssecretaris van Financiën dit al goedgekeurd als deze problematiek zich voordoet, doordat de Belastingdienst zelf een foutieve einddatum heeft bepaald (V-N 2022/29.5). Nu is geregeld dat dit ook geldt als een werkafspraakhouder dit doet. Dat wekt geen verbazing, omdat een werkafspraakhouder op grond van een overeenkomst met de fiscus vaststelt of een ingekomen werknemer aan de voorwaarden van de 30%-regeling voldoet en, zo ja, gedurende welke periode de inhoudingsplichtige de regeling mag toepassen. De Belastingdienst beoordeelt dit dan niet meer inhoudelijk en verstrekt de beschikking conform de opgave van de werkafspraakhouder. Dat de tegemoetkoming op grond van de hardheidsclausule uit 2022 voortaan ook geldt voor het onbezoldigde verlengstuk van de Belastingdienst (de werkafspraakhouder) is dan niet meer dan logisch.” Relevante beleidsbesluiten en enige UBLB-geschiedenis 4.38 Ik begin hier bij de voorganger van de 30%-regeling, de 35%-regeling. In de jaren ’80 en ’90 was de 35%-regeling niet geregeld in het UBLB, maar in resoluties en besluiten. Daarvóór was sprake van een vertrouwelijke, niet-gepubliceerde regeling. Ik haal hier de resolutie aan die is gepubliceerd in BNB 1991/
- De 35%-regeling kende toen een looptijd van 60 kalendermaanden. In onderdeel 3.B van BNB 1991/86 is opgenomen dat een verzoek dient te worden gericht aan de inspecteur, en in onderdeel F van die resolutie staat een regeling voor continuering bij wisseling van werkgever. 4.39 In de resolutie die is opgenomen in BNB 1992/284, die onder meer de resolutie in BNB 1991/86 vervangt, is de maximale looptijd van de 35%-regeling uitgebreid naar 96 maanden. Nieuw in deze resolutie is dat een tussentijdse toetsing na 48 maanden wordt ingesteld (onderdeel 3.3 van die resolutie). Deze tussentijdse toetsing is overigens, zoals volgt uit de voorgaande bespreking van de voorwaarden van de 30%-regeling, inmiddels vervangen door een doorlopende toets. De werkgever moest voor de tussentijdse toetsing bij gezamenlijk verzoek van werknemer en werkgever aannemelijk maken dat het ten gevolge van het voortdurend gebrek aan specifieke deskundigheid op de arbeidsmarkt noodzakelijk is dat de verblijfsduur van de buitenlandse werknemer in Nederland wordt verlengd. Ook dat gezamenlijk verzoek moest worden gericht aan de inspecteur (onderdeel 4.1 van die resolutie). Het initiële verzoek en het verzoek bij wisseling van inhoudingsplichtige staan ook afzonderlijk in dat onderdeel 4.1 genoemd. 4.40 In het besluit dat is opgenomen in BNB 1995/243 is de maximale looptijd uitgebreid naar tien jaren, en is het tussentijdse toetsmoment verlegd na afloop van vijf jaren. Nieuw bij dit besluit is een bijlage met vragen en antwoorden. In V&A 15 van BNB 1995/243 staat het volgende over het karakter van het verzoek bij tussentijdse toetsing: “Vraag 15 De regeling wordt uiterlijk vóór het verstrijken van een periode van 60 maanden getoetst. Moet daarna de regeling voor de resterende periode van 60 maanden opnieuw worden aangevraagd? Antwoord 15 Neen, de regeling wordt verleend voor de duur van 120 maanden. Na een periode van 48 maanden, maar uiterlijk vóór het verstrijken van een periode van 60 maanden dient de werkgever aannemelijk te maken dat de omstandigheden niet wezenlijk zijn gewijzigd. Daarbij wordt niet meer beoordeeld of er nog sprake is van specifieke deskundigheid. Er vindt uitsluitend een marginale toets plaats of de specifieke deskundigheid op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is.” 4.41 Dat besluit bevat ook V&A 21 over de situatie waarin van werkgever wordt gewisseld en waarin eerder is verzuimd de regeling aan te vragen voor de tewerkstelling bij de eerste inhoudingsplichtige: “Vraag 21 Door omstandigheden is verzuimd de regeling aan te vragen. Kan bij verandering van binnenlandse werkgever de regeling worden verleend? Antwoord 21 Indien bij verzuim ten genoegen van de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland te Heerlen wordt aangetoond, dat vanwege de tewerkstelling door een eerdere binnenlandse werkgever de regeling zou zijn verleend, kan vanwege de tewerkstelling door de nieuwe binnenlandse werkgever, de regeling onder korting van eerdere perioden van tewerkstelling door een binnenlandse werkgever of verblijf, worden verleend, mits aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan.” 4.42 In het kader van de Belastingherziening 2001 is de bewijsregeling als 30%-regeling verankerd in de regelgeving, te weten in Hoofdstuk 3 van het UBLB, meer in het bijzonder in de art. 8-9h (oud) UBLB. De tussentijdse toetsing is toen opgenomen in art. 9d(2-3) (oud) UBLB. Daarbij is komen te vervallen dat voor de tussentijdse toetsing vereist is dat een verzoek tot de inspecteur wordt gericht; in plaats daarvan bepaalde art. 9d
(2)(oud) UBLB dat de inspecteur de inhoudingsplichtige kan verzoeken aannemelijk te maken dat de werknemer nog steeds behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer. Art. 9d
(3)(oud) UBLB bepaalde dat de inhoudingsplichtige ook uit eigen beweging aannemelijk kan maken dat de werknemer nog steeds een ingekomen werknemer is. Art. 9h
(1)(oud) UBLB bevatte dezelfde tekst als art. 10ei
(1)UBLB. 4.43 Ik citeer enige passages uit de toelichting op deze wijziging van het UBLB: “(…) De bedoelde bewijsregel is opgenomen in hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting
- De bewijsregel bouwt voort op een aantal tot 1 januari 2001 geldende besluiten, te weten het Besluit van 29 mei 1995, nr. DB95/119M, BNB 1995/243 (de 35%-regeling) (…). Voorzover in het onderhavige hoofdstuk 3 termen en begrippen zijn opgenomen die niet afwijkend zijn gedefinieerd of omschreven, hebben die dan ook dezelfde betekenis als zij voor de toepassing van de genoemde besluiten krachtens beleid en rechtspraak hebben gekregen. (…) Artikel 9c, eerste lid, bepaalt dat indien de ingekomen werknemer binnen tien jaar na zijn eerste tewerkstelling door de inhoudingsplichtige van werkgever verandert, hij samen met zijn nieuwe inhoudingsplichtige voor de resterende looptijd opnieuw een verzoek kan doen voor toepassing van de bewijsregel. Hierdoor kan deze werknemer alsnog maximaal gedurende tien jaar van de regel gebruik maken. Volgens het tweede lid is dat alleen mogelijk indien de werknemer nog steeds schaarse specifieke deskundigheid bezit. Dit betekent dus een extra toetsingsmoment met betrekking tot de schaarse specifieke deskundigheid van de werknemer. Daarbij kan de werknemer vanzelfsprekend nog steeds worden beschouwd als uit een ander land te zijn aangeworven of gezonden. In de slotzinsnede van het eerste lid is bepaald dat een verzoek om voortzetting van de bewijsregel niet kan worden gedaan indien een werknemer er langer dan drie maanden over heeft gedaan een nieuwe dienstbetrekking te vinden. De reden hiervoor is dat de deskundigheid van de ingekomen werknemer dan kennelijk minder schaars is, zodat hij niet meer voor toepassing van de bewijsregel kwalificeert, terwijl in dat geval ten aanzien van de nieuwe werkgever de werknemer niet meer wezenlijk als ingekomen kan worden beschouwd. Ingevolge artikel 9d wordt de looptijd van de bewijsregel verminderd indien de ingekomen werknemer niet langer als zodanig is aan te merken omdat hij niet langer schaars is. Dit kan bijvoorbeeld een gevolg zijn van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. De bewijsregel is niet langer van toepassing vanaf het moment waarop is gebleken dat de ingekomen werknemer niet langer schaars is. De minimale looptijd is echter altijd vijf jaren, tenzij de looptijd reeds als gevolg van een andere kortingsbepaling korter is dan vijf jaar. De maximale vermindering van de looptijd is derhalve vijf jaar. De reden hiervoor is dat uit praktische overwegingen de eerste vijf jaar van de looptijd de schaarste geacht wordt aanwezig te zijn. In het tweede lid is bepaald dat de inspecteur vanaf het zesde jaar van de looptijd de inhoudingsplichtige kan verzoeken aannemelijk te maken dat de werknemer nog steeds schaars is. De bewijslast ligt hierdoor bij de inhoudingsplichtige. Volgens het derde lid kan een inhoudingsplichtige met ingang van het zesde jaar van de looptijd ook uit eigen beweging aannemelijk maken dat de werknemer nog steeds behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer. Indien de inhoudingsplichtige daarin slaagt, kan de inspecteur het tweede lid niet toepassen. Hierdoor verkrijgen de inhoudingsplichtige en de ingekomen werknemer zekerheid over de toepassing van het besluit voor de resterende periode van de looptijd. Evenals onder de oude regeling heb ik er geen bezwaar tegen dat in beide gevallen de toetsing marginaal plaatsvindt.” 4.44 In het na de Belastingherziening 2001 verschenen vraag- en antwoordbesluit, opgenomen in BNB 2002/61, staat geen enkele verwijzing naar art. 9d (oud) UBLB, en het in 4.40 vermelde V&A 15 is ook verdwenen. Het eerder geciteerde V&A 21 (4.41) is eveneens verdwenen, maar duikt met redactionele wijzigingen weer op in het Vraag- en antwoordbesluit 2005 als V&A 34: “Vraag 34 Een werknemer verandert van dienstbetrekking. Bij de nieuwe werkgever blijkt dat hij in aanmerking komt voor de bewijsregel als ingekomen werknemer. Bij zijn vorige werkgever heeft hij geen gebruik gemaakt van de bewijsregel. Kan bij de nieuwe werkgever gebruik worden gemaakt van de bewijsregel? Antwoord Ja, bij de nieuwe werkgever kan gebruik worden gemaakt van de bewijsregel. Als de werknemer bij de voorgaande tewerkstelling voldeed aan de voorwaarden voor de toepassing van de bewijsregel, maar niet samen met de inhoudingsplichtige een verzoek heeft gedaan om toepassing van de bewijsregel, kan de bewijsregel bij de opvolgende inhoudingsplichtige worden toegepast, mits overigens aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan. De looptijd van de regeling wordt verminderd met de perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf in Nederland overeenkomstig artikel 9e van het Uitv. besl. LB 1965.” 4.45 In het Vraag- en antwoordbesluit 2005 staat ook V&A 40 over het doen van een nieuw verzoek na afwijzing van een eerder verzoek: “Vraag 40 Werknemer en inhoudingsplichtige hebben een gezamenlijk verzoek gedaan om toepassing van de bewijsregel. Het verzoek is afgewezen. De beschikking waarbij het verzoek is afgewezen staat onherroepelijk vast. Is het mogelijk opnieuw een verzoek te doen om te worden aangemerkt als ingekomen werknemer? Antwoord Ja, het is mogelijk een nieuw verzoek te doen. Op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het nieuwe verzoek echter afgewezen indien daarin geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Daarbij wordt verwezen naar de eerdere afwijzende beschikking. Tegen de afwijzing van het nieuwe verzoek staat weliswaar bezwaar en beroep open, maar de discussie in de bezwaar- en beroepsprocedure zal zich moeten beperken tot het al of niet aanwezig zijn van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.” 4.46 Met ingang van 1 januari 2011 is de 30%-regeling opgenomen in Hoofdstuk 4a van het UBLB, waarbij ook een vernummering van de artikelen heeft plaatsgevonden tot art. 10e tot en met 10ej UBLB. Deze wijziging houdt verband met enerzijds het uitgangspunt dat de hoofdstukindeling in het UBLB aansluit bij de volgorde van de delegatiebepalingen in de Wet LB en anderzijds wijzigingen in de Wet LB met betrekking tot de delegatiebepalingen; inhoudelijk zijn geen wijzigingen beoogd. 4.47 In het thans geldende Vraag- en antwoordbesluit 2013 is V&A 34 van het Vraag- en antwoordbesluit 2005 komen te vervallen wegens ‘onvoldoende belang’. Het hiervoor aangehaalde V&A 40 van het Vraag- en antwoordbesluit 2005 is overgenomen in V&A 40 van het Vraag- en antwoordbesluit
- Voorafgaand: wat is de betekenis van een beschikking 30%-regeling? Omvat zij ook de vaststelling van de looptijd? 5.1 Een impliciet uitgangspunt in deze procedure is dat een beschikking 30%-regeling niet alleen betekent dat die regeling mag worden toegepast, maar dat zij ook de looptijd vastlegt. In dit onderdeel onderzoek ik de juistheid van dat uitgangspunt. Dat is van belang. Immers, indien een beschikking 30%-regeling niet meer zou zijn dan een ‘groen licht’-beschikking, waarbij alleen wordt vastgesteld dát de regeling kan worden toegepast, dan zou deze procedure wellicht overbodig zijn. Werkneemster zou dan – op grond van de toewijzende beschikking op het tweede verzoek – ‘groen licht’ hebben voor (voortgezette) toepassing van de 30%-regeling, en voor de vraag hoelang zij de 30%-regeling kan toepassen is vervolgens het materiële recht beslissend, dus de bepalingen in het UBLB. Het zou dan niet nodig zijn om een nieuwe (of herziene) beschikking 30%-regeling te krijgen voor (ook) de periode 1 maart 2019 tot en met 29 februari
- 5.2 Aanleiding voor onderzoek naar de juistheid van het voormelde uitgangspunt is ook jurisprudentie van de laatste jaren over andere fiscale beschikkingen betreffende de toepassing van fiscale regimes, zoals de beschikking fiscale eenheid voor de omzetbelasting, de beschikking tonnageregeling en de beschikking fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Zo heeft de beschikking tonnagereling trekken van een ‘groen licht’-beschikking. En zo heeft de beschikking fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting een beperktere betekenis dan waarvan in een deel van de literatuur en feitenrechtspraak werd uitgegaan. 5.3 Hier gaat het om de vraag wat de betekenis althans reikwijdte is van een beschikking 30%-regeling. Een vraag is of art. 10ei UBLB – of een andere bepaling – voorschrijft dat de inspecteur de looptijd bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststelt. Die looptijd is in art. 10e
(2)(d) UBLB gedefinieerd als “de periode gedurende welke dit hoofdstuk voor een werknemer van toepassing is”. Hoe de looptijd wordt bepaald, vloeit voort uit de artikelen 10ec, 10ee, 10ef, 10eg en 10eh UBLB. 5.4 De tekst van art. 10ei
(1)UBLB luidt als volgt: “Een verzoek om toepassing of voortgezette toepassing van de bewijsregel ten aanzien van een ingekomen werknemer wordt gedaan aan de inspecteur. Deze beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.” Uit de toelichting op zijn gelijkluidende voorganger valt niet op te maken wat de reikwijdte is van een beschikking, meer in het bijzonder niet of een toewijzende beschikking wat meer inhoudt dan alleen honorering van het verzoek om toepassing van de bewijsregel: “Artikel 9h geeft regels voor het verzoek om toepassing of voortgezette toepassing van de bewijsregel. Een dergelijk verzoek moet volgens het eerste lid worden gedaan aan de competente inspecteur. (…) [V]oor ingekomen werknemers zal hiertoe, evenals dat thans het geval is, de inspecteur BPO buitenland worden aangewezen. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.” 5.5 Het dossier in deze zaak bevat een toewijzende beschikking 30%-regeling. Hierop staat, voor zover hier relevant, het volgende, waarbij ik tussen blokhaken een en ander anonimiseer: “Met deze brief maak ik u kenbaar dat de heer of mevrouw [naam werknemer] met BSN [BSN], in aanmerking komt voor de toepassing van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers. Deze regeling is opgenomen in hoofdstuk 4a, Heffing van de inhoudingsplichtige (hoofdstuk V van de wet): extraterritoriale werknemers, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Voor meer informatie over deze regeling alsmede de relevante besluiten verwijs ik u naar www.belastingdienst.nl. De tekst van deze besluiten vindt u ook op www.minfin.nl. Voor de juiste uitvoering van de regeling door de inhoudingsplichtige treft u tevens informatie aan in het Handboek Loonheffingen. De bewijsregel geldt voor de tewerkstelling door: [naam inhoudingsplichtige] Loonheffingsnummer: [loonheffingsnummer] Van: [datum begin 30%-regeling] tot en met: [datum einde 30%-regeling]. Deze beschikking is afgegeven op grond van de in het verzoek verstrekte gegevens, en is geldig onder voorbehoud van wijziging in wet- en regelgeving.” 5.6 De beschikking vermeldt dus onder meer de looptijd. Dat de looptijd op een beschikking 30%-regeling staat, wordt ook op andere plaatsen door de Belastingdienst gecommuniceerd. Zie bijvoorbeeld de website van de Belastingdienst, waar de beschikking ook naar verwijst: “Looptijd beschikking Beschikkingen voor de 30%-regeling hebben met ingang van 1 januari 2019 een looptijd van maximaal 5 jaar. Voor werknemers die vóór 1 januari 2019 bij u in dienst zijn gekomen, geldt overgangsrecht (zie hierna) voor de looptijd van de beschikking. Van de looptijd trekken wij af: (…) De uiterlijke einddatum staat in de beschikking die u van ons krijgt. (…)” In het Handboek Loonheffingen staat een vergelijkbare tekst. 5.7 De enkele omstandigheid dat de looptijd, althans einddatum, is vermeld in de toewijzende beschikking, is naar mijn mening niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag wat leidend is voor de looptijd van de 30%-regeling: de vermelde looptijd of de looptijd die uit het UBLB voortvloeit. Evenmin is doorslaggevend dat de Belastingdienst de opvatting heeft dat de looptijd onderdeel is van een (toewijzende) beschikking. Van belang is of een algemeen verbindend voorschrift (het UBLB) de inspecteur de bevoegdheid verleent om bij een toewijzende beschikking ook de looptijd vast te stellen. Indien het UBLB die bevoegdheid niet verleent en de inspecteur stelt de looptijd wel vast, dan kunnen de betrokken belanghebbenden zich weliswaar – in beginsel – op die looptijd beroepen op basis van het vertrouwensbeginsel, maar die vastgestelde looptijd kan aan de betrokken belanghebbenden niet worden tegengeworpen indien uit het UBLB een langere looptijd voortvloeit. 5.8 In art. 10ei
(1)UBLB staat niet dat de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking ook de looptijd vaststelt. Ook overigens moet ik vaststellen dat het UBLB alleen bepaalt dat een verzoek om toepassing van de 30%regeling moet worden gedaan en dat de inspecteur op dat verzoek beslist. Het UBLB bepaalt verder niet expliciet iets over de inhoud van het verzoek, over de vraag ten aanzien van welke rechtsverhouding of gebeurtenis dat verzoek wordt of kan worden gedaan, of over de inhoud van de door de inspecteur te nemen beslissing. Ook uit de toelichting volgt niet dat de looptijd door de inspecteur wordt vastgesteld (zie 5.4). Ik acht op basis van de tekst van art. 10ei
(1)UBLB (en eerder art. 9h) daarom een uitleg mogelijk dat de beschikking alleen inhoudt dat de 30%-regeling mag worden toegepast, en dat de looptijd vervolgens voortvloeit uit de bepalingen van het UBLB, meer specifiek de al eerder genoemde artikelen 10ec, 10ee, 10ef, 10eg en 10eh UBLB. 5.9 Betoogd kan worden dat er een materieelrechtelijk (tegen)argument is dat de looptijd wel onderdeel is van een beschikking 30%-regeling. Het ‘hebben’ van looptijd is namelijk de facto een voorwaarde voor het toepassen van de 30%-regeling. Immers, zonder looptijd is hoofdstuk 4a van het UBLB niet van toepassing en is de werknemer dus geen ingekomen werknemer. In dat opzicht neemt de inspecteur bij het toekennen of afwijzen van een verzoek om toepassing van de 30%-regeling ook een beslissing over de looptijd. Hiertegen kan worden ingebracht dat weliswaar een criterium voor toekennen van een beschikking 30%-regeling is of er looptijd is, maar dat dit nog niet hoeft te betekenen dat de looptijd onderdeel is van een toekennende beschikking 30%-regeling. 5.10 A-G Van Ballegooijen lijkt in een conclusie over de 35%-regeling ervan uit te gaan dat de inspecteur een looptijd vaststelt, maar haalt daarbij geen bronnen aan: “4.5 Het Hof heeft impliciet de 30%-regeling aan belanghebbende toegekend, maar heeft daaraan geen looptijd verbonden. Aan de toekenning van de 30%-regeling pleegt de inspecteur een looptijd te verbinden, met name ingeval deze minder dan 120 maanden is. De looptijd van de 30%-regeling dient te worden verminderd met de periode gedurende welke de 35%-regeling zou zijn toegepast. Voorts dient bij vaststelling van de looptijd van de regeling ook de kortingsregeling van onderdeel 1.3.4 van de 35%-regeling in aanmerking te worden genomen op de voet van artikel 12c van het Uitvoeringsbesluit LB. Vaststaat dat belanghebbende al van 30 april 1999 tot en met 21 mei 1999 en vanaf 1 juli 1999 tot 1 januari 2001 in Nederland is verbleven, dan wel tewerkgesteld, zodat die periodes in ieder geval in mindering dienen te komen op de looptijd van de regeling (die ingaat per 1 januari 2001). Het is echter onvoldoende komen vast te staan of belanghebbende nog andere periodes in Nederland is verbleven of tewerkgesteld, op grond waarvan de looptijd van de regeling dient te worden verminderd. Het Hof had dit moeten onderzoeken en zich over de looptijd moeten uitlaten om te voorkomen dat bij belanghebbende onterecht de verwachting wordt gewekt dat de hem verleende 30%-regeling gedurende 120 maanden geldt.” 5.11 Steun voor de opvatting van de A-G is te vinden in twee arresten nadien: HR BNB 2009/204 en HR BNB 2012/86. In elk van deze zaken betreft het geschil de toepassing van de kortingsregel: het verzoek tot toepassing van de 30%-regeling is wel toegewezen, maar niet voor de periode die de belanghebbende voor ogen had. De Hoge Raad beslist in beide zaken over het materieelrechtelijke geschilpunt over de looptijd. Er zijn wel meer arresten die over de kortingsregel gaan, maar deze arresten zijn in dit kader interessant omdat de beschikkingen niet afwijzend maar toekennend zijn. Uit de omstandigheid dat de Hoge Raad in deze arresten tot beslechting van het materiële geschil is overgegaan, moet wel worden afgeleid dat hij van oordeel is dat de looptijd – immers de enige kenbron van de toepassing van de kortingsregel bij een positieve beschikking – onderdeel van de beschikking is (NB dat de beschikkingen voorliggen blijkt ook uit de aanhef en het kopje ‘geding in feitelijke instantie’ van die arresten). 5.12 Deze benadering heeft voordelen uit oogpunt van rechtszekerheid. Omdat de opgenomen looptijd onderdeel van de beschikking is, kan bij een geschil over – bijvoorbeeld – de toepassing van de kortingsregel al bij het nemen van de beschikking een rechtsmiddel daartegen worden aangewend. 5.13 Concluderend, hoewel de wettekst daartoe niet dwingt, leid ik uit HR BNB 2009/204 en HR BNB 2012/86 af dat een in een beschikking 30%-regeling vermelde looptijd of einddatum onderdeel is van die beschikking. Dit brengt mee dat de 30%-regeling niet op grond van die beschikking kan worden toegepast na het einde van die looptijd (c.q. na die einddatum), ook niet indien materieelrechtelijk gezien de looptijd nog niet geëindigd is. 6Is Werkneemster een ingekomen werknemer? (middelonderdeel 1a) 6.1 Middelonderdeel 1a richt zich tegen het oordeel van het Hof dat, als het derde verzoek een nieuw verzoek is, de Inspecteur het verzoek terecht heeft afgewezen, reeds omdat Werkneemster “ten tijde van de indiening van het nieuwe verzoek (…) niet meer [kon] worden aangemerkt als ingekomen werknemer van [Werkgever 2; MP] in de zin van hoofdstuk 4A van het UBLB.” Het oordeel van het Hof wordt in commentaren onderschreven. 6.2 De vraag of Werkneemster ingekomen werknemer is, komt naar mijn inzicht alleen aan de orde als het derde verzoek als nieuw verzoek moet worden aangemerkt. Bij het tweede verzoek is immers kennelijk aannemelijk gemaakt dat Werkneemster ingekomen werknemer is; anders zou de beschikking waarbij die voortzetting is goedgekeurd niet zijn toegekend (art. 10ed
(2)UBLB). Als die beschikking zou worden herzien, dan ziet dat enkel op het punt van de looptijd en staat het ingekomen werknemerschap niet ter discussie. Echter, indien het derde verzoek een nieuw verzoek is, dan is de relevante vraag of Werkneemster ook voor dat nieuwe verzoek nog als ingekomen werknemer kan worden aangemerkt. 6.3 In onderdeel 4 beschrijf ik dat het relevante toetsmoment voor de 30%-regeling het moment van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst is (zie 4.11-4.15). Dat laat zich verklaren vanuit het uitgangspunt van de Hoge Raad dat op dat moment de aspirant-werkgever het meeste baat heeft bij de 30%-regeling, omdat hij met die regeling een buitenlandse werknemer met schaarse specifieke deskundigheid kan overtuigen om in Nederland en niet in haar thuisland of in een ander land te gaan werken (HR BNB 2006/264). Dat betekent dat op het moment dat de arbeidsovereenkomst tot stand komt, er een ‘fotomoment’ is: de regelgeving van dat moment is van toepassing, en op dat moment wordt beoordeeld of de werknemer een ingekomen werknemer is. Dat uit zich ook in de mogelijkheid tot het later aanvragen van de beschikking 30%-regeling: de werkgever en werknemer kunnen op elk moment binnen de looptijd verzoeken om toepassing van de 30%-regeling, en dan worden de voorwaarden naar het moment van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst beoordeeld, zij het – zie 4.24 – dat een korting op de looptijd kan plaatsvinden. De enige voorwaarden waar dit uitgangspunt niet voor geldt zijn (i) de schaarse specifieke deskundigheid van art. 10eb UBLB – maar daarvan is in art. 10ee UBLB expliciet bepaald dat dit een doorlopende toets betreft – en (ii) de eis dat het gaat om een werknemer (als de tewerkstelling eindigt, eindigt ook de 30%-regeling). 6.4 De 30%-regeling kent dus een sterke ex tunc-benadering, met enkele specifieke uitzonderingen. Bij wisseling van werkgever bepaalt art. 10ed
(2)UBLB dat opnieuw aannemelijk moet zijn dat de werknemer een ingekomen werknemer in de zin van art. 10e UBLB is. Dat impliceert een ex nunc-beoordeling, maar die soep wordt niet zo heet gegeten. Immers, de toelichting op de voorganger van die bepaling (art 9c (oud) UBLB) maakt duidelijk dat de toets alleen de schaarse specifieke deskundigheid betreft (zie 4.23 voor een uitgebreider citaat): “(…) Volgens het tweede lid is dat alleen mogelijk indien de werknemer nog steeds schaarse specifieke deskundigheid bezit. Dit betekent dus een extra toetsingsmoment met betrekking tot de schaarse specifieke deskundigheid van de werknemer. Daarbij kan de werknemer vanzelfsprekend nog steeds worden beschouwd als uit een ander land te zijn aangeworven of gezonden. (…).” 6.5 Ook het gerechtshof ’s-Hertogenbosch volgt dat uitgangspunt bij wisseling van inhoudingsplichtige: “4.
- De criteria uit [HR BNB 2006/262 en HR BNB 2006/266, zie ook 4.11; MP] bijten de criteria genoemd in artikel 9c UBLB. Zij zijn met elkaar in tegenspraak. Houdt men namelijk strak de hand aan eerstgenoemde criteria, dan kan indien een ingekomen werknemer een andere inhoudingsplichtige krijgt nooit op de voet van artikel 9c UBLB de bewijsregel worden toegepast op de tewerkstelling bij deze nieuwe inhoudingsplichtige. Op het moment dat hij de nieuwe inhoudingsplichtige krijgt, werkte hij immers al in Nederland (voor de oude werkgever). Volgens de arresten is hij dan niet als ingekomen werknemer te beschouwen. 4.
- De enige manier om deze tegenspraak op te lossen, is door, zoals belanghebbende bepleit, aan te nemen dat de nadere voorwaarden gesteld in artikel 9c UBLB (zowel in de tweede volzin als in het tweede lid) uitsluitend beogen een nadere invulling te geven aan de elementen ‘schaarste’ en ‘specifieke deskundigheid’. Het uit-het-buitenland-aangeworven-zijn van de werknemer wordt dan als een gegeven beschouwd: eenmaal aangeworven blijft aangeworven (althans voor de resterende looptijd). Anders gezegd: de in de arresten genoemde criteria zien alleen op de eerste tewerkstelling. 4.
- Ondersteuning voor deze opvatting vindt het Hof in de Toelichting bij het UBLB (NvT, besluit van 20 december 2000 tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten, Stb. 2000, 640, p. 23). [volgt onder meer de in 6.4 aangehaalde passage; MP] 4.
- Voorts vindt het Hof steun in de navolgende overwegingen van de Hoge Raad in het arrest van 28 april 2006, nr. 40.217, LJN AW4057, r.o. 3.4, tweede alinea: ‘Blijkens deze toelichting heeft de besluitgever met het slot van lid 1 tot uitdrukking gebracht dat de werknemer niet meer voor toepassing van de bewijsregel in aanmerking komt “indien [hij] er langer dan drie maanden over heeft gedaan een nieuwe dienstbetrekking te vinden”, omdat in zo’n geval aangenomen moet worden dat zijn deskundigheid minder schaars is. Aldus strekt het slot van lid 1 ertoe buiten discussie te stellen dat de (ingevolge artikel 9c, lid 2, van het Besluit nog steeds vereiste) schaarse specifieke deskundigheid van de werknemer in ieder geval niet meer aanwezig is bij overschrijding van de termijn van drie maanden. Het zwaartepunt van deze bepaling is derhalve niet gelegen in de omstandigheid dat er een tewerkstelling door een nieuwe inhoudingsplichtige moet zijn (dat ligt reeds besloten in de aard van de bewijsregel, die immers op de loonbelasting betrekking heeft), maar in de termijn van drie maanden als toetssteen voor het afwezig zijn van de vereiste specifieke deskundigheid. 4.
- Het gaat bij de driemaandseis dus om de elementen ‘schaars’ en ‘specifiek deskundig’. Het element van ‘aanwerving’ is gegeven.” Inmiddels is het criterium van schaarse en specifieke deskundigheid ook gekoppeld aan de doorlopende salaristoets (art. 10ee UBLB). 6.6 Blijkens V&A 35 van het Vraag- en antwoordbesluit 2013 wordt ook betreffende het 150 kilometer-criterium een ex tunc-benadering gehanteerd bij wisseling van inhoudingsplichtige: “Vraag 35 Een ingekomen werknemer krijgt tijdens de looptijd van de regeling een andere inhoudingsplichtige. De nieuwe arbeidsovereenkomst komt tot stand binnen drie maanden na het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige. De werknemer woont in Nederland respectievelijk in meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de nieuwe tewerkstelling binnen een straal van 150 kilometer van de grens van Nederland. Kan deze werknemer de regeling continueren als overigens aan de voorwaarden van ingekomen werknemer wordt voldaan? Antwoord Ja, op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige blijft de bewijsregel gedurende de resterende looptijd van toepassing.” 6.7 Mertens deelt die mening in een BNB-noot bij een arrest: “
- (…) Weliswaar moet volgens de Hoge Raad aan de hand van de feiten en de regelgeving zoals deze golden ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst worden getoetst of sprake is van ‘specifieke deskundigheid’, maar in het geval dat de dienstbetrekking bij een andere inhoudingsplichtige wordt voortgezet moet blijkens art. 10ed lid 2 Uitv.besl. LB 1965 ‘opnieuw’ aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer behoort te worden aangemerkt als ‘ingekomen werknemer’. Zonder specifieke overgangsregeling op dit punt geldt naar mijn mening de deskundigheidstoets naar het recht van het jaar waarin de werknemer van werkgever wisselt. Gelet op de strekking van art. 10ed lid 2 Uitv.besl. LB 1965 meen ik dat de deskundigheid moet worden getoetst aan de hand van de relevante feiten van het jaar waarin van werkgever wordt gewisseld. Echter, om van een ‘ingekomen werknemer’ te kunnen spreken moet naar het huidig recht bijvoorbeeld ook aan de 150-kilometereis worden voldaan (art. 10e lid 2 onderdeel b onder 2° Uitv.besl. LB 1965). De vraag is dan welke feiten daarvoor doorslaggevend zijn. Nu bij de overgang naar een andere werkgever de werknemer uit de aard van de zaak niet uit een ander land wordt aangeworven meen ik dat de 150-kilometertoets moet worden uitgevoerd aan de hand van de feiten van het jaar van ‘binnenkomst’.” 6.8 Overigens geldt bij wisseling van werkgever ook het uitgangspunt dat het verzoek tot voortzetting later dan de aanvang van de tewerkstelling kan worden gedaan, zolang de nieuwe arbeidsovereenkomst maar binnen 3 maanden na het einde van de vorige arbeidsovereenkomst tot stand komt. Wel is het zo – net zoals bij de tewerkstelling bij de eerste werkgever – dat de in 4.24 uiteengezette ‘aanvraagtermijn’ van vier maanden geldt. Die termijn is – zoals in 4.24 uiteengezet – echter geen harde vervaltermijn maar alleen relevant voor het ingangsmoment van de beschikking en voor de looptijd. Van belang hier is de constatering dat het moment waarop het verzoek tot voorzetting wordt gedaan, als zodanig niet van belang is voor het moment waarnaar getoetst wordt of aan de inhoudelijke voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling wordt voldaan. 6.9 Van Werkneemster staat vast dat zij ingekomen werknemer is op het moment dat zij door haar vorige werkgever werd aangeworven. Ook staat vast dat zij ingekomen werknemer is op het moment dat de tewerkstelling bij Werkgever 2 aanvangt, in die zin dat voor de 150 kilometer-toets en voor de aanwerving uit het buitenland terug wordt gekeken naar de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met haar vorige werkgever. Die kwalificatie geldt ten aanzien van de tewerkstelling bij Werkgever 2 en voor de duur van die tewerkstelling. Het derde verzoek heeft betrekking op diezelfde tewerkstelling. 6.10 Ervan uitgaande dat Werkneemster sinds het begin van de tewerkstelling bij Werkgever 2 steeds aan de salarisnorm voor schaarse specifieke deskundigheid heeft voldaan, zie ik niet in op welke grond zij haar status van ingekomen werknemer verliest ten aanzien van die tewerkstelling. 6.11 Ik wijs er bovendien op dat indien het derde verzoek het eerste verzoek na de wisseling van werkgever zou zijn – dus het tweede verzoek zou niet zijn gedaan –, dan zou Werkneemster evident ingekomen werknemer zijn, zij het dat zij zou worden gekort op de looptijd (zie ook 4.44). Het enige verschil tussen die situatie en de daadwerkelijke situatie is dat dat tweede verzoek wel is gedaan. Dat lijkt mij niet relevant voor de beoordeling van de status van ingekomen werknemer. 6.12 Ik wijs er verder op dat het UBLB aan ingekomen werknemers de mogelijkheid tot het toepassen van een bewijsregel toekent, voor een maximale looptijd van vijf jaren. Die looptijd staat in art. 10e
(2)(d) UBLB gedefinieerd als “de periode gedurende welke dit hoofdstuk voor een werknemer van toepassing is”. Na het verstrijken van de looptijd kan een werknemer dus geen ingekomen werknemer meer zijn, want dan is Hoofdstuk 4a van het UBLB (dat de regels voor de 30%-regeling bevat) niet langer van toepassing. En partijen zijn het erover eens dat voor Werkneemster materieel gezien – dus in feite binnen de definitie van art. 10e
(2)(d) UBLB – nog looptijd resteert. Ook in dat opzicht is Werkneemster dus nog ingekomen werknemer. 6.13 Hoe dan ook, het Hof heeft naar mijn mening op onjuiste gronden geoordeeld dat Werkneemster niet kan worden aangemerkt als ‘ingekomen werknemer’ van Werkgever
- Het gaat uit van een onjuist toetsmoment waar het beslissend acht dat Werkneemster “ten tijde van de indiening van het nieuwe verzoek (…) niet meer [kon] worden aangemerkt als ingekomen werknemer van [Werkgever 2; MP] in de zin van hoofdstuk 4A van het UBLB.” De daaropvolgende motivering van het Hof (“[Werkneemster] werkte immers al in Nederland; zij is door [Werkgever 2] dan ook niet vanuit het buitenland aangeworven”) gaat bovendien eraan voorbij dat bij een wisseling van werkgever de toets niet is of de nieuwe werkgever de werknemer vanuit het buitenland heeft geworven, maar of de eerdere werkgever dat heeft gedaan, zoals hier – naar niet in geschil is – het geval is. In dat geval moet bij wisseling van werkgever “de werknemer vanzelfsprekend nog steeds worden beschouwd als uit een ander land te zijn aangeworven of gezonden” (6.4). Omdat die vanzelfsprekendheid geldt voor de gehele tewerkstelling bij Werkgever 2, en het derde verzoek is gedaan ten aanzien van diezelfde tewerkstelling, staat deze materiële voorwaarde niet aan het derde verzoek in de weg. 6.14 Ik meen aldus dat als er geen procedurele belemmering is om voor dezelfde tewerkstelling meer dan één keer met vrucht een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling te doen, de materiële voorwaarde dat Werkneemster ingekomen werknemer is (hier specifiek: aangeworven uit het buitenland) geen knelpunt is. De crux in deze zaak is daarom naar mijn mening of meer dan één keer met vrucht een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord en daartegen is middelonderdeel 1b (en – naar mij voorkomt (vgl. 3.9) – ook middelonderdeel 2a) gericht. Ik vervolg met die kwestie.
- Kan meer dan één keer met vrucht een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling worden gedaan voor dezelfde tewerkstelling? (middelonderdeel 1b en 2a) Eerste analyse en duiding van de uitspraak van het Hof 7.1 Het Hof overweegt in rov. 5.8.1: “(…) in het wettelijke systeem [ligt] besloten dat ten aanzien van een ingekomen werknemer in beginsel één keer – met vrucht – een verzoek tot toepassing van de bewijsregel kan worden gedaan. Dit lijdt slechts uitzondering wanneer de ingekomen werknemer voor het verstrijken van de looptijd van de 30%-bewijsregeling van werkgever (inhoudingsplichtige) wisselt. Bij een dergelijke wisseling kan eenmalig een verzoek tot voortgezette toepassing van de bewijsregel worden gedaan (artikel 10ed UBLB). In het UBLB is niet voorzien in een mogelijkheid tot heroverweging of wijzing van een beschikking over toepassing van de 30%-bewijsregeling althans van de daarin vermelde looptijd voor toepassing van de 30%-bewijsregeling. In beginsel moet daarom de formele rechtskracht van de oorspronkelijke beschikking over toepassing van de 30%-bewijsregeling en de daarin vermelde looptijd worden gerespecteerd.” 7.2 Op het eerste gezicht lijkt de overweging in de eerste zin op gespannen voet te staan met rov. 5.6 van het Hof. Het Hof overweegt daarin namelijk dat het de Rechtbank volgt in haar oordeel in rov. 17 dat de belanghebbende “een nieuw verzoek in de zin van artikel 10ei UBLB kan indienen om toepassing van de 30%-bewijsregeling voor de periode 1 maart 2019 tot en met 29 februari 2020”. Dat oordeel heeft de Rechtbank gegeven naar aanleiding van een andersluidend standpunt van de Inspecteur. De Rechtbank oordeelt: “
- Verweerder stelt zich op het standpunt dat een wettelijke grondslag voor het indienen van een nieuw verzoek ontbreekt. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Eiseres heeft verzocht om toepassing van de 30%-bewijsregeling op grond van artikel 10ei UBLB, waarin wordt bepaald dat een verzoek om toepassing of voortgezette toepassing gedaan wordt aan de inspecteur, die op het verzoek beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze bepaling vormt de wettelijke grondslag voor het door eiseres gedane verzoek. Er is geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat een nieuw verzoek wordt gedaan nadat reeds (onherroepelijk) op een eerder verzoek is beslist. Het feit dat een eerdere beschikking formele rechtskracht heeft, leidt niet tot het ontbreken van een wettelijke grondslag voor een nieuw verzoek of een verzoek om terug te komen op de eerdere beschikking. In het onderhavige geval verzoekt eiseres aan verweerder om een 30%-bewijsregelbeschikking af te geven voor de periode van 1 maart 2019 tot en met 29 februari 2020.” 7.3 Omdat ervan kan worden uitgegaan dat het Hof zijn rov. 5.8.1 verenigbaar acht met zijn rov. 5.6, begrijp ik de eerste zin van rov. 5.8.1 zo dat de kern is gelegen in wat tussen gedachtestrepen staat, namelijk ‘met vrucht’. Met andere woorden: een ‘nieuw’ verzoek is mogelijk (rov. 5.6), maar niet met vrucht (rov. 5.8.1). 7.4 Toch roept dit laatste nog steeds de vraag op waarom dat volgens het Hof in het wettelijke systeem besloten ligt. De reden lijkt niet te zijn – gelet op rov. 5.6 – dat de wet niet erin voorziet, althans eraan in de weg staat, dat een belanghebbende een ‘nieuw’ verzoek kan doen. De reden lijkt te staan in de laatste twee zinnen van rov. 5.8.
- 7.5 De redengeving dat “in het UBLB (…) niet [is] voorzien in een mogelijkheid tot heroverweging of wijzing van een beschikking over toepassing van de 30%-bewijsregeling althans van de daarin vermelde looptijd voor toepassing van de 30%-bewijsregeling” bevreemdt echter in die zin dat zij voorbijgaat aan wat belanghebbenden betoogden, namelijk – zie Hof, rov. 5.3.2 – dat het gaat om een nieuw verzoek voor de periode 1 maart 2019 tot en met 29 februari 2020, omdat de Inspecteur niet eerder een verzoek met deze looptijd heeft beoordeeld. Volgens belanghebbenden gaat het bij het bedoelde nieuwe verzoek dus niet om een verzoek tot heroverweging of wijziging van de eerdere beschikking, maar om een verzoek om een nieuwe beschikking voor een periode waarop het eerdere verzoek en daarmee de eerdere beschikking niet zag. Dat is ook een kernpunt van middelonderdeel 2a: het gaat om een verzoek voor een andere periode dan die waarop de eerder gehonoreerde verzoeken betrekking hadden. 7.6 Het voorgaande neemt niet weg dat de vraag rijst of indien eerder een toewijzende beschikking is genomen voor een bepaalde periode, dit er in beginsel aan in de weg staat dat een verzoek om een nieuwe beschikking 30%-regeling voor een periode nadien wordt gehonoreerd. Mogelijk moet de uitspraak van het Hof in dat licht begrepen worden, namelijk dat een dergelijke nieuwe beschikking materieel zou neerkomen op een wijziging van de eerdere beschikking en daarmee een inbreuk zou maken op de formele rechtskracht van die eerdere beschikking. 7.7 Hierna ga ik op de zojuist opgeworpen vraag in. Ik merk daarbij op dat ik me in eerste instantie niet specifiek richt op de situatie van Werkneemster waarin sprake is van een derde verzoek. Het antwoord op de vraag zou naar mijn mening als uitgangspunt voor die situatie niet anders moeten zijn dan voor de situatie waarin Werkneemster niet van werkgever zou zijn gewisseld en samen met haar eerste werkgever een nieuw verzoek zou hebben gedaan voor de periode 1 maart 2019 tot en met 29 februari
- Er zijn geen aanknopingspunten in het wettelijk systeem dat de situaties op dit punt verschillend behandeld moeten worden. Wel ga ik afzonderlijk (7.26-7.33) in op de vraag of bij wisseling van werkgever de beschikking tot voortgezette toepassing van de 30%-regeling kan uitgaan van een andere looptijd dan de vastgestelde looptijd in de (eventuele) beschikking 30%-regeling voor de eerste tewerkstelling. 7.8 Eerst ga ik nog in op twee andere vragen. De eerste heeft betrekking op de betekenis van ‘een verzoek om voortgezette toepassing’ als bedoeld in art. 10ei UBLB. De tweede vraag is of het mogelijk is een tweede verzoek te doen na een eerder verzoek waarop is beslist. Betekenis van ‘een verzoek om voortgezette toepassing’ als bedoeld in art. 10ei UBLB 7.9 Zonder context zou wellicht de gedachte kunnen opkomen dat onder ‘een verzoek om voortgezette toepassing’ (mede) zou kunnen worden begrepen een verzoek om toepassing van de 30%-regeling voor een periode die volgt op de periode die bij een eerdere beschikking is vastgesteld en die korter is dan de periode die mogelijk is. Ik meen dat dit niet het geval is. Het bedoelde verzoek om voortgezette toepassing in art. 10ei UBLB heeft betrekking op het gezamenlijke verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige als bedoeld in art. 10ed UBLB om de 30%-regeling te blijven toepassen gedurende de resterende looptijd. Weliswaar wordt in art. 10ei UBLB voor het verzoek om voorgezette toepassing niet specifiek verwezen naar het verzoek in art. 10ed UBLB, maar het ziet wel enkel daarop. De systematiek duidt daarop: het verzoek om toepassing als bedoeld in art. 10ei UBLB heeft betrekking op het gezamenlijke verzoek genoemd in art. 10ea UBLB en het verzoek om voortgezette toepassing heeft betrekking op het gezamenlijke verzoek genoemd in art. 10ed UBLB. Verder leid ik uit de geschiedenis van art. 10ei
(1)UBLB af dat de categorieën van verzoeken die kunnen worden gedaan scherp zijn afgebakend. Vroeger kende de toenmalige 35%-regeling nog het verzoek tot verlenging na de tussentijdse toetsing (4.39), dat afzonderlijk werd genoemd als categorie verzoek. Toen de bewijsregeling werd opgenomen in het UBLB is dat veranderd naar een regeling waarbij als uitgangspunt op verzoek van de inspecteur toetsing plaatsvond; het toenmalige art. 9h (oud) UBLB kende dan ook niet meer een verzoek bij tussentijdse toetsing. Een andere aanwijzing is dat in de toelichting op het UBLB de term ‘voortzetting’ wordt gebruikt in het kader van wisseling van inhoudingsplichtige (4.43). Een tweede (‘nieuw’) verzoek mogelijk? 7.10 De grondslag voor het verzoek tot toepassing van de 30%-regeling is art. 10ei
(1)UBLB. Met het Hof meen ik dat het doen van een dergelijk verzoek een aanvraag in de zin van art. 1:3
(3)Awb is, namelijk een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. 7.11 Ik meen net zoals de Rechtbank (rov. 17; hier aangehaald in 7.2) en het Hof, althans in rov. 5.6, dat een tweede (‘nieuw’) verzoek om toepassing van de 30%-regeling mogelijk is. Art. 10ei
(1)UBLB sluit dat niet uit. Indien de UBLB-gever dat niet zou hebben gewild, had het voor de hand gelegen dit specifiek te regelen. Algemeen uitgangspunt, waarvan art. 4:6 Awb ook uitgaat, is immers dat (een beslissing op) een eerder verzoek niet eraan in de weg staat dat een tweede verzoek wordt gedaan. Dat dit bij de 30%-regeling ook mogelijk is, is in een beleidsstandpunt ook expliciet erkend; zie V&A 40 aangehaald in 4.45 en 4.
- Weliswaar gaat het daarbij om de situatie van een afwijzing van een verzoek, maar niet valt in te zien waarom dat anders zou zijn in een situatie van een gedeeltelijke afwijzing of een volledige honorering van het verzoek. 7.12 Opmerking verdient bij dit een en ander dat art. 4:6 Awb niet moet worden misverstaan: dit artikel creëert de bevoegdheid voor het bestuursorgaan om – kort gezegd – een nieuwe aanvraag ‘verkort’ af te handelen indien die aanvraag is gedaan na een (gedeeltelijk) afwijzende beschikking en indien nova ontbreken. Het artikel creëert niet de mogelijkheid om een nieuwe c.q. herhaalde aanvraag te doen. Dat die mogelijkheid bestaat is uitgangspunt. Het artikel houdt dus ook niet in dat een nieuwe aanvraag alleen kan worden gedaan indien eerder een (gedeeltelijk) afwijzende beschikking is genomen. Het is bovendien dus niet zo dat het artikel de bevoegdheid creëert voor een bestuursorgaan om op een herhaalde aanvraag te beslissen; die bevoegdheid bestaat in het algemeen en art. 4:6 Awb biedt slechts de mogelijkheid om een herhaalde aanvraag zonder nova af te wijzen onder verwijzing naar de eerdere beschikking. Vgl. voor dit laatste ook de standaarduitspraak van de ABRvS over art. 4:6 Awb: “3.
- Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit.” 7.13 Hiervoor (in 7.3) ben ik ervan uitgegaan dat in de eerste zin van rov. 5.8.1 van het Hof de nadruk ligt op “met vrucht”. Wellicht echter dat dit niet het geval is en dat die eerste zin van rov. 5.8.1 toch zo moet worden begrepen dat een tweede verzoek als zodanig niet mogelijk is, omdat “in het wettelijke systeem besloten [ligt] dat ten aanzien van een ingekomen werknemer in beginsel één keer (…) een verzoek tot toepassing van de bewijsregel kan worden gedaan.” Ik zie echter geen duidelijke aanknopingspunten waarom dat in het wettelijk systeem besloten zou liggen. 7.14 Zo het Hof als aanknopingspunt ziet dat “[in] het UBLB (…) niet [is] voorzien in een mogelijkheid tot heroverweging of wijzing van een beschikking over toepassing van de 30%-bewijsregeling” (vierde zin van rov. 5.8.1), trek ik dat aanknopingspunt in twijfel. Het is zonder meer juist dat het UBLB (tot 1 januari 2024) niet voorziet in een expliciete herzieningsmogelijkheid. Verder is art. 65 AWR niet van toepassing. Het een noch het ander brengt echter mee dat de inspecteur niet bevoegd zou zijn ten voordele van een belastingplichtige en zijn werkgever een beschikking 30%-regeling te herzien. Uitgangspunt in het bestuursrecht is immers dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een besluit te heroverwegen. Ik zie niet in waarom voor het belastingrecht een uitzondering zou moeten gelden, althans niet voor herziening ten voordele van een belastingplichtige. Het is bovendien in het fiscale bestuursrecht niet zonder precedent dat aanvaard wordt dat het bestuursorgaan, zonder expliciete wettelijke grondslag, bevoegd is een door hem genomen beschikking te herzien ten voordele van de betrokkene. Betekenis eerdere beschikking? Hoe stelt de inspecteur de looptijd vast? 7.15 In verband met de kwestie wat de betekenis van een eerdere beschikking 30%-regeling is voor de beoordeling van een verzoek om een nieuwe beschikking voor een andere periode, ga ik eerst erop in hoe de inspecteur de looptijd vaststelt. 7.16 Op een beschikking zelf – zie 5.5 – staat dat de bewijsregel voor de tewerkstelling door de inhoudingsplichtige in kwestie geldt van datum 1 tot datum
- Op zichzelf bezien is uit de tekst van de beschikking niet op te maken hoe die looptijd is vastgesteld, of hoe deze zich verhoudt tot het gedane verzoek. Het woord ‘looptijd’ wordt niet eens genoemd. De Belastingdienst communiceert op zijn website en in het Handboek Loonheffingen wel dat het gaat om een uiterlijke einddatum (zie 5.6), waarbij – anders dan in de beschikking – wel het woord ‘looptijd’ wordt gehanteerd. Deze uiterlijke einddatum berekent de Belastingdienst blijkens die uitlatingen door uit te gaan van de maximale looptijd, en daarvan de perioden af te trekken waarvoor een korting geldt. De Belastingdienst bepaalt de einddatum dus op basis van de maximaal beschikbare looptijd. 7.17 In 4.26 ging ik reeds in op het verzoek via het formulier. Zoals ik daar beschrijf, vraagt de Belastingdienst in dat formulier om informatie over enige looptijdaspecten. Het formulier bevat geen onderdeel waarin kan worden verzocht om een beschikking voor een kortere periode dan de maximaal beschikbare looptijd. Op het formulier staat ook niet dat de beschikking voor de maximaal beschikbare looptijd wordt afgegeven; om daar achter te komen moet de gebruiker van het formulier het Handboek Loonheffingen raadplegen, waar op de eerste pagina onder het kopje ‘Meer informatie’ naar wordt verwezen. 7.18 Gelet op het formulier en de uitlatingen van de Belastingdienst, kan er naar mijn inzicht weinig twijfel over bestaan dat de Belastingdienst op het oog heeft steeds de maximale voor een werknemer beschikbare looptijd op de beschikking op te nemen. 7.19 In 4.27-4.29 nam ik informatie op over de aanvraag via een zogenoemde werkafspraakhouder, en de werkafspraken die de onderhavige gemachtigde met de Belastingdienst heeft gemaakt. In die werkafspraak staat dat de gemachtigde moet onderzoeken met hoeveel maanden de looptijd moet worden gekort, dat de looptijd moet worden doorgegeven in een lijst per e-mail, en dat de Belastingdienst contact opneemt als hij over aanwijzingen beschikt dat een andere looptijd van toepassing is. Uit de literatuur maak ik op dat de vragenlijst tevens door de Belastingdienst is goedgekeurd (4.28). Het staat er niet met zoveel woorden, maar het ligt gezien het voorgaande voor de hand dat als de bedoeling is dat de werkafspraakhouder als ‘onbezoldigd verlengstuk van de Belastingdienst’ functioneert (4.37), de Belastingdienst ervan uitgaat dat de looptijd wordt vastgesteld zoals hij die zelf vaststelt (maximum minus korting). Feitenrechtspraak 7.20 In de feitenrechtspraak wordt verschillend geoordeeld over de betekenis van (de formele rechtskracht van) een eerdere beschikking voor de beoordeling van een nieuw verzoek. Naast de onderhavige uitspraken van Rechtbank en Hof noem ik de volgende. 7.21 Bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant was een zaak aan de orde waarin een gemachtigde via de werkafspraak (abusievelijk) een verzoek deed voor een kortere periode dan de maximale beschikbare looptijd, welk verzoek voor die periode is toegewezen. Tegen die beschikking is geen bezwaar gemaakt. De belanghebbende in die zaak deed vervolgens een nieuw verzoek. Hoewel geen sprake was van wisseling van inhoudingsplichtige, merkt de inspecteur dat verzoek aan als een verzoek tot voortzetting. De inspecteur wijst het verzoek af. De rechtbank is het daarmee eens en gaat daarbij ook in op de verhouding tot de uitspraak van de Rechtbank in de onderhavige zaak: “3.6 De rechtbank stelt voorop dat de bewijsregel op verzoek wordt vastgesteld waarbij de looptijd van de bewijsregel afhankelijk is van meerdere factoren die vooraf door de werkafspraakhouder worden getoetst. Dit brengt mee dat de looptijd van een beschikking niet altijd gelijk is aan de maximale looptijd. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van belanghebbende dat de looptijd van de bewijsregel door voortzetting verlengd kan worden in afwijking van de beschikking van 28 september
- Vast staat dat ten tijde van het verzoek van 20 september 2019 de looptijd van de bewijsregel reeds was verlopen en dat in de wet geen regeling is getroffen voor de aanpassing van een bewijsregel, afgezien van de mogelijkheid om bezwaar en beroep aan te tekenen tegen de betreffende beschikking. De gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat geen bezwaar is gemaakt tegen de beschikking van 28 september 2018 omdat de beschikking overeenkomstig hun aanvraag was toegekend. Dit kan echter niet leiden tot een ander oordeel nu een in een rechte toetsbare ambtshalve regeling voor de reeds toegekende bewijsregel niet bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank kan belanghebbendes beroep op [de uitspraak van de Rechtbank in deze procedure; MP] hem evenmin baten. De rechtbank acht daarbij mede van belang dat in de onderhavige zaak, anders dan in [die uitspraak; MP], de beschikking ten tijde van het verzoek van 20 september 2019 reeds verlopen was zodat van een voortzetting geen sprake kan zijn. In zoverre faalt het primaire standpunt van belanghebbende.” 7.22 Noordenbos is kritisch op deze uitspraak, onder verwijzing naar de uitspraak van d