hieronder randnummer 5) toelaatbaar verklaard. Namens de opgeëiste persoon hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld. II. Het cassatiemiddel 3. Het cassatiemiddel valt uiteen in de volgende twee deelklachten:
rov 263: “The Court agrees with the Court of Appeal that the central issue in the present case is the real risk that evidence obtained by torture of third persons will be admitted at the applicant's retrial. Accordingly, it is appropriate to Consider at the outset whether the use at trial of evidence obtained by torture would amount to a flagrant denial of justice. In common with the Court of Appeal (see paragraph 51 above), the Court considers that it would.” (onderstrepingen van mij, raadsvrouw) Sterker nog, het EHRM overweegt dat het niet uitsluit dat zelfs het gebruik van bewijs dat is verkregen door “other forms of ill treatment which fall short of torture” kan worden aangemerkt als een “flagrant denial of justice”.
rov 267: For the foregoing reasons, the Court considers that the admission of torture evidence is manifestly contrary, not just to the provisions of Article 6, but to the most basic international standards of a fair trial. It would make the whole trial not only immoral and illegal, but also entirely unreliable in its outcome. It would, therefore, be a flagrant denial of justice if such evidence were admitted in a criminal trial. The Court does not exclude that, similar considerations may apply in respect of evidence obtained by other forms of ill-treatment which fall short of torture. Het lijkt er dus op ook wanneer sprake is van bewijs dat “slechts” is verkregen door middel van mishandeling of bedreiging van derden, al sprake is van een flagrante schending van art. 6 EVRM. Die dus aan u moet worden voorgelegd. U had dus nader onderzoek bevolen. Daaromtrent het volgende: [betrokkene 2] zelf is tot op heden niet als getuige gehoord. De verdediging meent dat het niet kunnen horen niet gecompenseerd kan worden door hetgeen de verbalisanten in hun processen-verbaal of als getuige bij de rechter-commissaris, noch met wat de tolk als getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard. Ook hetgeen de zuster van [betrokkene 2] , [betrokkene 4] , in een verhoor door de politie of als getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard, kan slechts als uitdrukkelijke onderbouwing voor de stellingen van de verdediging omtrent de onder druk van martelingen/mishandelingen en bedreigingen van [betrokkene 2] verkregen verklaringen worden beschouwd. Zij bevestigde bovendien, dat de twee door de verdediging aan ook uw rechtbank verstrekte brieven van haar broer afkomstig waren en haar eigen internet/facebook berichten over haar broer bevestigde zij als van haar afkomstig. Ook gaf zij aan, dat zij niet vrij was om openlijk over de bejegening in Marokko over haar broer te spreken. Zij bevestigde ook, dat zij door haar broer vanuit Marokko werd gebeld toen zijn op mijn kantoor was. Zij heeft in feite steeds hulp voor haar broers ellende willen instigeren. U
t die angst om te verklaren over die martelingen eigenlijk ook terug in de mail van de Nederlandse advocaat van [betrokkene 2] , de Leon, aan de rechter-commissaris, waarin deze ingaat op het feit, dat [betrokkene 2] in Marokko niet vrij, is de waarheid te verklaren en hij dus hopelijk dit in Nederland kan doen. Het openbaar ministerie heeft, zoals gezegd, tot op heden nimmer enig onderzoek naar de mishandelingen/martelingen in Marokko, van de medeverdachten in die berechting ondernomen. Niet door de officier van justitie, die nota bene naar Marokko is gereisd voor overleg en daar ook in oktober 2018 was toen [betrokkene 2] werd ondervraagd door de Nederlandse verbalisanten, niet vanuit het openbaar ministerie, niet door de verbalisanten, die [betrokkene 2] zagen en spraken en ook niet naar aanleiding van de internationaal bekende rapporten over de systematische onder druk verkregen bekentenissen en erbarmelijke detentie-omstandigheden. Een verhoor van [betrokkene 2] zal ook helaas niet meer in Marengo plaatsvinden, zo volgt uit de beslissingen van de rechtbank naar aanleiding van de op de regiezitting van 6 december 2022 gedane verzoeken van de verdediging. Uit de gang van zaken op de zitting van 3 juni 2021 leidt de verdediging in elk geval wel af dat [opgeëiste persoon] de verklaring van [betrokkene 2] betwist. Zoals u weet, heeft de verdediging meerdere malen sinds de start van het Marengo-proces om het horen van [betrokkene 2] als getuige gevraagd. De verdediging heeft op enig moment ingebracht een hoeveelheid brieven, die [betrokkene 2] heeft geschreven omtrent de wijze waarop hij is ondervraagd door de Marokkaanse politie, over het optreden van de Nederlandse politie en over de periode waarbij hij daar is gemarteld, feitelijkheden waarover hij slechts met grote moeite kan verklaren vanwege de mogelijke repercussies voor hem. Zoals u weet, zijn verbalisanten als getuige bevraagd (waarbij een deel van de vragen werd belet door de rechter-commissaris), die elkaar en [betrokkene 2] en de tolk op belangrijke punten hebben tegengesproken. Ook de zus van [betrokkene 2] is bevraagd (deel verschoond, deels belet en deels bevestigd over de ontvangst van de brieven en de door haar gepubliceerde internetberichten over de behandeling van [betrokkene 2] ). En ook de tolk is bevraagd (een deel van de vragen werd belet door de rechter-commissaris en ook deze heeft op belangrijke punten de andere getuigen tegengesproken). Opmerkelijk is tot op heden, dat het dossier geen enkel onderzoek van de kant van het openbaar ministerie of de verbalisanten toont omtrent de door de verdediging ingebrachte brieven van [betrokkene 2] of überhaupt ten aanzien van diens detentie en verhooromstandigheden in het licht van mogelijke mishandelingen of schending van de vrijheid van verklaren ex art 29 Sv en art 6 EVRM. De officier van justitie bleek in oktober 2018 ook in Marokko te zijn geweest, maar heeft daar geen inhoudelijke verslaglegging van in het dossier gevoegd. Van groot belang is uiteraard in het kader van de waarheidsvinding om [betrokkene 2] zelf te ondervragen over de betrouwbaarheid van door hem afgelegde verklaringen en zijn wetenschap omtrent cliënt inzake de tenlastegelegde feiten. Het gaat daarbij uiteraard niet alleen over Ster of Zeilboot, maar ook over de tenlastegelegde organisatie en de identificatie en wetenschap omtrent cliënt en de identificatie van cliënt in relatie tot die feiten. Het gaat daarbij dus ook over de integriteit van de waarheidsvinding. Bekend moet worden verondersteld, dat helaas in Marokko volgens erkende internationale rapportages dit soort schendingen systematisch voorkomen. De verdediging heeft u dergelijke rapporten al eerder in de loop van die proces overgelegd en zal naar de huidige stand van de rechtsstaat in Marokko daar nog nader op ingaan. Bovendien werd door de rechter-commissaris in Marengo aan de verdediging en de rechtbank in Marengo doorgestuurd het bericht, dat op 15 november jl door de rechter-commissaris werd ontvangen van mr De Leon, de Nederlandse advocaat van [betrokkene 2] : ‘Geachte rechter-commissaris, Inmiddels heb ik cliënt, [betrokkene 2] , uitvoerig kunnen spreken. Naar verwachting zal eind 2022 de beslissing in het hoger beroep van de lopende procedure in Marokko tegen o. [betrokkene 2] worden uitgesproken. Nadat dit is geschied, wenst [betrokkene 2] a.s.a.p. naar Nederland te worden overgedragen i.h.k.v. de WOTS. Zoals u weet is [betrokkene 2] bipatride en zijn er op dat vlak mogelijkheden. Eerst nadat hij terug zal zijn in Nederland is [betrokkene 2] bereid te verklaren, e.e.a. gelet op het feit dat hij zich – zolang hij in Marokko verblijft – niet vrij voelt om naar waarheid te verklaren. Kortom, de bereidheid te verklaren is er wel, maar eerst nadat hij gerepatrieerd is naar Nederland. Een verhoor in Marokko zal hoe dan ook geen “in vrijheid” afgelegde verklaring opleveren. In het vertrouwen u met vorenstaande vooralsnog voldoende te hebben geïnformeerd, verblijf ik.’ Verwezen wordt naar de mail van de rechter-commissaris aan de rechtbank in Marengo, u eveneens door mij gezonden, over het horen van [betrokkene 2] en de vele zelfs raadselachtige beperkingen, die aan die ondervraging zouden worden verbonden. Onbekend is of die daadwerkelijk door Marokko worden gevraagd of dat Nederland aan zelfcensuur doet in het licht van de tot voor kort geheime overeenkomst met Marokko. De rechter-commissaris in Marengo heeft voorts bericht: dat de eerder gesignaleerde problemen bij de uitvoering van een ‘normaal’ verhoor van getuige [betrokkene 2] in Marokko, met gelegenheid tot rechtstreekse ondervraging door de verdediging, ook nu nog bestaan. Het horen van [betrokkene 2] is niet mogelijk via videoverbinding met Marokko en een verzoek tot tijdelijke overbrenging van de getuige wordt niet gehonoreerd. Er is slechts de mogelijkheid, zoals ook al door de vorige rechter-commissaris was geconstateerd, vooraf opgestelde schriftelijke vragen aan getuige te laten stellen in een verhoor door een Marokkaanse rechter-commissaris. Het enige verschil ten opzichte van het verleden is dat AIRS nu de kans van slagen van een verzoek een gedetineerde getuige te horen in Marokko als ‘licht optimistisch’ inschat. Dan wordt wel bedoeld een eenvoudig verzoek met opgave van schriftelijke vragen, die diplomatiek zijn geformuleerd, waarbij geen aanvullende eisen en verzoeken worden geformuleerd die als ‘lastig’ kunnen worden ervaren. Deze factoren staan aan een voortvarende aanpak in de weg. De rechter-commissaris wijst er ook op dat, als het verzoek al in behandeling wordt genomen, de regie volledig in handen ligt van de Marokkaanse autoriteiten. Een Marokkaanse functionaris neemt het verhoor af en deze functionaris bepaalt ook of, en zo ja in welke mate, bijvoorbeeld aan de Nederlandse rechter-commissaris gelegenheid wordt gegeven om überhaupt aanvullende vragen te mogen stellen. De rechtbank in de zaak Marengo heeft op 6 december 2022, kort samengevat, geoordeeld, dat geen verdere pogingen dienen plaats te vinden om [betrokkene 2] als getuige te horen. Van enig effectief ondervragingsrecht is hier dus geen sprake. Een recht dat des te urgenter werd, met de aanwijzingen van feiten en omstandigheden omtrent de druk, die op [betrokkene 2] moet hebben gegolden tot het afleggen van belastend materiaal. Dat het openbaar ministerie, noch de politie ter plaatse enigerlei waarneembare inspanning hebben getroost om onderzoek te doen naar die aanwijzingen, wellicht in de politieke wil om de samenwerking met dat land bij het kunnen uitzetten van asielzoekers naar dat land, is in feite in strijd met de integriteit van een eerlijk proces ex art 6 EVRM en straalt nu door op de voorliggende uitleveringsprocedure. In de zaak Vidgen heeft het EHRM evenwel geoordeeld dat dit niet juist was. Na ‘Vidgen’ heeft het EHRM ten aanzien van de in Nederland gangbare praktijk in twee arresten het belang van het horen van getuigen en het bieden van compensatie, indien een getuige niet kan worden gehoord omdat de getuige zich op zijn verschoningsrecht beroept, herhaald. Zo heeft het EHRM in zijn uitspraak van 28 augustus 2018 een schending aangenomen van art. 6 EVRM in een zaak waarin het bewijs van betrokkenheid van een verdachte slechts beruste op de verklaring van een medeverdachte die zich – als getuige opgeroepen – ter zitting op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Ten aanzien van ‘general principles’ ten aanzien van ‘defence witnesses’ heeft het EHRM in de Keskin-uitspraak verwezen naar haar uitspraak uit 2018 in de zaak Murtazaliyeva tegen Rusland. Het EHRM heeft in die uitspraak onder meer overwogen: “The case-law of the Court reflects the fact that paragraph 3 (
n. Dat is gewoonweg een bedreiging waardoor [betrokkene 2] onder druk is gezet om te gaan verklaren. Dat komt ook overeen met wat de verbalisanten en de tolk hebben waargenomen, namelijk dat [betrokkene 2] niet wilde verklaren, de Marokkanen schreeuwden tegen hem, [betrokkene 2] is gaan huilen en toen is gaan verklaren. Wat er gezegd is, is niet door de tolk gek genoeg opgevangen, en kan dus niet worden uitgesloten dat inderdaad die dreigende woorden zijn geuit jegens [betrokkene 2] waardoor hij overstag is gegaan met verklaren. Brief
n of horen huilen. Ik heb hem
n huilen. Of ik de tranen uit zijn ogen heb
n biggelen? Ja. Hoe lang hij heeft gehuild? Het was in fasen. Niet continu. Huilen, stoppen, huilen, stoppen. Hoeveel keer weet ik echt niet meer. Waarom hij stopte met huilen weet ik niet meer, dat kan ik me niet meer herinneren. Of ik [betrokkene 2] nog iets heb horen zeggen tijdens het huilen? Ik sluit niet uit dat hij iets gezegd heeft, maar mij is het niet bij gebleven.” Het huilen is natuurlijk tegen het licht van 3 EVRM zeer belangwekkend en het is dus te toevallig dat de tolk niets heeft geregistreerd. “U vraagt mij of ik als tolk bekend ben met de bejegening van Marokkaanse verbalisanten naar verdachten toe tijdens verhoren in het algemeen. Ik lees het een en ander in de media en wat gezegd wordt, maar ik heb dat niet zelf waargenomen. Wat ik dan heb gelezen in de media? Dat het er in Marokko anders aan toegaat dan hier in Nederland. Wat ik bedoel met ‘anders’? Dat de regels niet worden uitgevoerd zoals het hoort.” De verklaring van de tolk spreekt boekdelen. Die tolk was duidelijk zeer zenuwachtig bij de rechter-commissaris. Ik twijfel over de oprechtheid van de tolk als hij spreekt over hoe het er aan toe gaat aldaar. Het enige wat hij als Marokkaan toegeeft, is dat het er daar anders aan toe gaat, zonder duidelijk uit te leggen hoe, los van dat de regels niet worden uitgevoerd zoals het hoort. Ik ga ervan uit dat hij wel degelijk weet dat je gemarteld wordt, zeker als men vast zit voor een zeer gevoelige zaak, maar dat hij dat niet durft te zeggen wegens angst voor represailles. De DST, geheime dienst van Marokko, is qua mensenrechten berucht. Het OM moet dat weten. Opvallend in dat kader is, dat hij als tolk niet heeft kunnen horen wat er nou gezegd werd tijdens het geschreeuw, terwijl juist dat het kantelpunt is geweest voor [betrokkene 2] om toch te gaan praten. Dat is zacht gezegd opmerkelijk. Verklaring [verbalisant 1] . Het moge duidelijk zijn dat de verdediging grote vraagtekens heeft bij het optreden van de verbalisanten, echter wel zijn bepaalde passages uit hun verhoor van belang om u op te wijzen. “U vraagt mij of er toen nog is gesproken met mijn leidinggevende of de officier van justitie over de mensenrechtensituatie in Marokko, specifiek met betrekking tot verdachten. Dat zal ongetwijfeld gebeurd zijn, maar ik kan me niet zo specifiek herinneren dat we het daarover hebben gehad.” “U vraagt mij of ik met leden van team Zeilboot heb besproken dat [betrokkene 2] voor een ernstige zaak in detentie zat in Marokko, een vergismoord, en wat voor gevolgen dat voor hem zou kunnen hebben. Ik begrijp niet wat u bedoelt. U vraagt mij of ik heb gesproken over de vraag hoe [betrokkene 2] mogelijk behandeld zou worden tijdens zijn detentie in Marokko. Nee.” “U vraagt mij of ik mij heb verdiept in de detentiesituatie in Marokko, voordat ik daarheen ging. Nee. U vraagt mij wat mijn idee was over de detentiesituatie daar. Ik had wel het idee dat de situatie erbarmelijk zou zijn en dat het anders zou zijn dan in Nederland. Daarover heb ik wel nagedacht en daarvan was ik me wel bewust.” “U vraagt mij of ik erover heb nagedacht dat gedetineerden of verdachten mogelijk gemarteld worden. Nee, dat is niet in mij opgekomen. U vraagt mij of ik heb nagedacht over het functioneren van de rechtspraak in Marokko, over de vraag of Marokko een onafhankelijke rechtstaat was. Nee, daar heb ik niet over nagedacht, dat is ook niet aan mij natuurlijk. Ik weet hoe ik me moet opstellen, je bent toch te gast in een ander land. Je zit erbij als toehoorder. Uiteindelijk zijn het de Marokkaanse collega's die het verhoor uitvoeren. Onze vragen hadden wij vooraf voor hen bij het rechtshulpverzoek gevoegd. U vraagt mij of ik mij heb verdiept in corruptie van overheidsfunctionarissen in Marokko. Nee, daarin heb ik mij niet verdiept. U vraagt mij of ik daar iets van afwist. Nou, in alle eerlijkheid niet, nee.” [verbalisant 1] lijkt aan de hand van zijn verklaring totaal ongeïnteresseerd of hij spreekt niet de waarheid. Ik kan mij niet voorstellen, dat als je als verbalisant naar een Afrikaans land gaat om een verdachte te horen die gedetineerd zit voor een vergismoord en je gaat hem horen over een ander moordonderzoek, waarbij de verdachte in dat onderzoek ook voor Marokko in een zeer gevoelige positie verkeert, het je totaal niet boeit hoe de detentiesituatie is in dat land. Terwijl zoals u weet er protocollen gelden en verdragen omtrent de zorgplicht juist voor rechtshulp in andere landen. Verwezen wordt hier naar het feit, dat van verdragstaten actief handelen kan worden verwacht teneinde het recht op leven te verzekeren.
bijvoorbeeld de zaken Sarihan v. Frankrijk. Uit de zaak Gongadze versus Oekraïne kan verder worden gedestilleerd, dat daarbij voorts van belang is de mate waarin een overheid mag worden aangenomen te zijn ingelicht over de gevaren, althans het risico van het verstrekken van informatie aan een ander land. Verwezen wordt voorts naar het rapport van de Nationale Ombudsman van 11 maart 2019, dus in welk rapport wordt beschreven de wijze waarop Nederland de mensenrechten en grondrechten van in dat geval Laarhoven met o.a. het verstrekken van überhaupt informatie aan Thailand verwijtbaar in gevaar heeft gebracht. In het verlengde van dit rapport is het Protocol bij internationale samenwerking opgesteld door o.a. de minister en het openbaar ministerie. Het protocol beoogt “meer checks and balances in de afwegingen rondom het vragen van internationale rechtshulp aan landen buiten de Europese Unie.” De vragen werden nota bene van te voren opgestuurd waardoor men weet waarom men dus [betrokkene 2] ging horen en hij dus ook in Nederland verdachte was in een zaak met [betrokkene 1] die eveneens verdachte is in het La Creme onderzoek aldaar. Elk weldenkend mens, zeker politieagenten, moeten weten dat het er in Afrikaanse landen, zoals Marokko wild toe kan gaan met verdachten. Maar blijkbaar interesseerde [verbalisant 1] hem dit niet. Verklaring [verbalisant 2] . “U vraagt mij, of ik met [verbalisant 1] heb besproken dat verdachten in Marokko gemarteld kunnen worden. Ik hoor de officier van justitie bezwaar maken tegen deze vraag vanwege het feit dat het een aanname bevat. De rechter-commissaris zegt dat de vraag zou kunnen zijn of is besproken of verdachten daar gemarteld zouden kunnen worden. Ik wil best zeggen dat, als ik maar enigszins het idee, het vermoeden of wetenschap had, dat er daar gemarteld zou worden, dat ik dan absoluut niet die kant op zou zijn gegaan. Dat kan ik voor mijzelf, [verbalisant 1] zit er ook zo in, in elk geval heel stellig zeggen. U vraagt mij of ik met mijn collega’s voorafgaand aan het afreizen naar Marokko heb gesproken over het functioneren van de rechtsstaat daar. Nee, waarom zou ik?” Dit geldt ook voor [verbalisant 2] . Alhoewel hij zegt niet die kant op te zijn gegaan als sprake zou zijn van wanpraktijken, hij eveneens geen enkel onderzoek heeft gedaan hiernaar. “U vraagt mij hoe vaak [betrokkene 2] heeft gehuild tijdens het verhoor. Een paar keer, ik denk twee of drie keer. Waarom [betrokkene 2] zo geëmotioneerd was? [betrokkene 2] zei in het Nederlands tegen ons dat hij verschrikkelijk bang was voor zijn familie. Hij was bang voor zijn ouders en familie in Nederland. Hij zei dat dat de reden was dat hij niets wilde zeggen. In het Nederlands maakte [betrokkene 2] op enig moment nog een opmerking. Hij zei tegen ons: Jullie begrijpen het niet, want [betrokkene 1] en [betrokkene 5] zijn helemaal gek.” “Er was eerst stemverheffing en toen werd [betrokkene 2] geëmotioneerd. [betrokkene 2] begon toen over de veiligheid van zijn familie. De Marokkaanse agent had tegen [betrokkene 2] gezegd: ‘zeg het anders, in het Nederlands tegen hun’, doelend op ons. [betrokkene 2] wilde geen antwoord geven uit angst voor de gevolgen. Dat is inderdaad mijn conclusie.” “U vraagt mij of ik na het toiletbezoek nog aan [betrokkene 2] heb gevraagd wat er tijdens dat toiletbezoek was gebeurd. Nee, ik kan wel raden wat hij op een toilet doet. U zegt dat u de vraag los daarvan bedoelt. Nee. Of ik heb gevraagd waarom hij huilde? Nee. Hij huilde al voordat hij naar de toilet ging. Ik nam aan dat hij huilde vanwege de situatie waarin hij zat, dat was wel duidelijk voor mij. Er werden [betrokkene 2] vragen gesteld waarop hij niet wilde antwoorden, omdat hij bang was voor de veiligheid van zijn familie. [betrokkene 2] gaf dat zelf aan, dat hij bang was voor de veiligheid van zijn familie. Hij zat met een dilemma. In mijn beleving was hij bij zichzelf aan het afwegen of hij wel of geen antwoord moest geven op vragen, vanwege zijn zorgen over de veiligheid van zijn familie.” [verbalisant 2] doet hier aannames waarom [betrokkene 2] niet wilde gaan verklaren en uiteindelijk dat wel heeft gedaan, maar in feite weet niemand behalve [betrokkene 2] waarom hij is gaan praten. Dat sprake was van een zeer chaotische situatie en [betrokkene 2] langdurig aan het huilen was, staat wel vast. Überhaupt hadden de alarmbellen moeten zijn afgegaan in een dergelijke situatie. Het is niet normaal dat een verdachte zeer langdurig huilt, tegen wordt geschreeuwd en wordt omhelsd/geknuffeld door verbalisanten. “U zegt dat als u de verklaring van [betrokkene 2] bekijkt het lijkt alsof hij op alle vragen antwoorden heeft gegeven. U zegt dat u niet in het Marokkaanse proces-verbaal terugziet dat hij aanvankelijk niets wilde zeggen. Dat kan goed kloppen, ik wil niets zeggen over de werkwijze van de Marokkaanse rechercheurs, maar het wordt op een andere manier vastgelegd in Marokko dan bij ons. Wij bouwen een verhoor op en in een proces-verbaal dat wij opmaken kan je dat ook goed
n, ook hoe een antwoord tot stand komt.” “U zegt dat u in het Marokkaanse proces-verbaal niet terugleest dat [betrokkene 2] eerst niets wilde zeggen. U houdt mij voor dat ik vandaag heb verklaard dat de Marokkaanse collega’s [betrokkene 2] moesten overhalen om te verklaren. U vraagt mij wat ik daarmee bedoel. Zoals ik al zei: aanvankelijk wilde [betrokkene 2] niet antwoorden. Met stemverheffing probeerden de Marokkaanse collega's [betrokkene 2] over te halen. Hij ging huilen. Vervolgens troostten zij hem. Toen ging hij wel antwoord geven. [betrokkene 2] verklaarde daarna wel.” Het is maar goed dat wij de verbalisanten hebben gehoord omdat blijkbaar de uitvoeringsstukken van het rechtshulpverzoek niet een juiste weergave toonden van die verhoren. De verdediging had voorafgaand aan deze verhoren al de brieven gehad en op basis daarvan al haar twijfels omtrent die uitvoeringsstukken. Pas naar aanleiding van de verhoren bleek dus dat het schakelmoment kort voordat [betrokkene 2] overstag is gegaan met verklaren, nimmer is vastgelegd in die stukken en bovendien niemand weet wat daar op dat moment zich voltrok. Slechts [betrokkene 2] en de toen aanwezige Marokkaanse verbalisten weten dat, waardoor de verdediging hierbij het voorwaardelijke verzoek doet die Marokkaanse verbalisanten te horen als getuigen indien u bij dit uitleveringsverzoek zou neigen naar uitlevering. “U vraagt over het toiletbezoek van [betrokkene 2] en wanneer tijdens het verhoor dat nu plaatsvond. Het toiletbezoek was meen ik ergens middenin het verhoor. U vraagt of er voorafgaand aan het toiletbezoek al veel vragen waren beantwoord. Ik weet het niet precies meer. Wat ik me wel herinner is dat [betrokkene 2] na het toiletbezoek nog steeds geen antwoord wilde geven, maar opeens sloeg het alsnog, om, na weer een emotionele toestand, en wilde hij wel verklaren. Of [betrokkene 2] naar de toilet ging voor- of nadat hij de namen had genoemd? Dat kan ik niet met zekerheid zeggen. Wij hebben het als een chaotisch verhoor ervaren. Ik durf het nu eigenlijk echt niet meer te zeggen of het ervoor of erna was.” Deze laatste passage is van belang omdat het te meer aanduidt dat het chaotisch was en [betrokkene 2] is gaan praten op enig moment, mogelijk nadat hij van de WC terug kwam waar op zijn minst iets kwalijks jegens [betrokkene 2] is voorgevallen, maar de verdediging juist dat moment niet kan toetsen omdat de enige die daar wat over kunnen verklaren, die Marokkaanse verbalisanten zijn en [betrokkene 2] . Verklaring [betrokkene 4] . Uiteindelijk heeft de rechtbank bepaald dat [betrokkene 4] , de zus van [betrokkene 2] ook in de zaak van client diende te worden gehoord als getuige. Het moet worden gezegd dat verklaring van [betrokkene 4] zeer warrig verliep, wel wijst de verdediging u op de navolgende passages: “Dus uw broer zei tegen u: weet je wel, ik ga zeggen dat ik gemarteld ben? Het was ook echt geestelijk martelen, dat was het ook. Ik weet niet of [betrokkene 2] wel een keuze had. Diep van binnen wilde [betrokkene 2] het niet verklaren, maar hij voelde dat hij moest. Er was niemand bij, geen advocaat, en dat stukje gaat dan weer voorbij. Dan hoor je [betrokkene 2] weer praten en dan zegt hij: ja, het is toch de waarheid. Dan denk ik, ja.. het staat ook op papier.” Ondanks dat [betrokkene 2] zelf zegt de waarheid te hebben gezegd, geeft hij aan in ieder geval geestelijk te zijn gemarteld wat al voldoet aan de criteria van art. 3 EVRM. “Dus de verhoren waren wel rustig verlopen? Stress was er wel? Ja, rustig, stress sowieso, geschrokken sowieso. Het momentje van de wc, met die Marokkaanse rechercheur, dat was ook wel een dingetje. Dat hij was geduwd en er iets was gezegd, over dat vel van het lichaam trekken. Na het verhoor was [betrokkene 2] echt in paniek geraakt, in de zin van: ik heb denk ik te veel gezegd, wat ik niet hoorde of hoefde te zeggen.” Wederom een bevestiging dat [betrokkene 2] onmenselijk is behandeld en bedreigd tijdens het berichte wc-bezoek. “Wat bedoelde jij dan precies met ‘martelen’ in dat Facebookberichtje? Ik heb het dan niet over slaan. Hij was uitgeput, hij had geen eten en water, hij had geen advocaat. Het heeft niets met geweld te maken.” Er lijkt een semantische discussie te zijn ontstaan wat met martelen wordt bedoeld. Zoals eerder uitvoerig aangegeven, hoeft martelen niet plaats te vinden enkel door mishandeling, maar kan ook ontstaan bij onmenselijke behandelen en vernedering. Wat de getuige beschrijft, valt dan ook onder het non-folteringsgebod. Duidelijk is vooral, dat zij in feite niet durft te verklaren om haar broer en zichzelf niet in gevaar te brengen. Haar broer werd immers eerder na het noemen van de martelingen en de brieven ter zitting weer gemarteld en was weken voor zijn familie verdwenen in detentie. “De verdediging heeft u net gevraagd of u nog achter de hulproep stond waarop ik ‘nee’ antwoordde. Ik wilde u vragen of ik het kunt uitleggen, maar ik begrijp inmiddels dat het te maken heeft met wat uw moeder tegen u heeft gezegd of is er nog iets anders? Ik sta er niet meer achter. Het was ook een beetje actie reactie. Ik had er niet over nagedacht. Ik was ook uitgeput over alles, mijn broertje en hier wat er aan de hand was allemaal. Ik heb het ook aangedikt. Ik wilde weten: is er iemand op Facebook die wel weet waar ik naartoe moet, als er wel iets gebeurt. Het was geen marteling in de zin van slaan. Ik zag het als marteling. Mijn broertje ervaarde dat natuurlijk weer heel anders. Ik sta er sowieso niet meer achter. Ook om wat mama heeft gezegd. We hebben daar ook belangen. Marokko is een land waar je dit soort dingen niet kunt zeggen.” Inmiddels leek [betrokkene 4] gaandeweg het verhoor haar martelingsaanklacht af te zwakken, maar behoudt nog wel een basis uitgangspunt dat er wat was voorgevallen, niet in de zin van slaan, maar blijkbaar zag zij het als marteling. Bovendien bevestigt zij het standpunt van de verdediging dat je in Marokko over dit punt niets kan zeggen wegens angst voor het regime. “Kunt u zich herinneren wat u aan mij en mijn zoon heeft verteld over wat er met [betrokkene 2] was gebeurd? Lichamelijk fysiek aan martelingen, en dat er ook gesproken is over het naar buiten brengen, en wat de gevolgen zouden kunnen zijn als dit op de zitting zou worden besproken, en dat wij dat daarom niet deden, en of zeker niet zouden noemen?” “Kunt u zich zoiets herinneren? Ja, heeft hij dat allemaal gelogen tegen ons, over alles wat er met hem gebeurd fysiek gemarteld, geslagen enzovoort? Nee. Ik heb niet gelogen. Dat was in het begin allemaal. Dat is nu niet meer aan de orde. Ik heb niet gelogen toen ik naar u kwam, om te vertellen. Het was toen echt waar. Ik vind het alleen nu lastig, het gaat goed met [betrokkene 2] . Dat willen we als ouders en zus graag zo houden. Ik ben altijd nog steeds bang dat, als ik dit zo naar buiten breng, over toen, dat Marokko daar misschien niet blij mee zal zijn. Dat zij denken: je hebt het er nog steeds over, laten we je broertje maar weer terugzetten in isolatie.” Wederom neemt zij geen afstand van wat zij zegt wat er met [betrokkene 2] was gebeurd aan het begin, maar nu terug krabbelt wegens angst voor de Marokkaanse autoriteiten en represailles voor [betrokkene 2] in detentie zelfs. Blijkbaar had [betrokkene 2] al in de isolatie gezeten en is zij door haar verklaring daar weer bang voor. Duidelijk een illustratie van de vrees in het kader van schending van het klachtrecht in Marokko. “Is hij geslagen? Ja, maar ja, hoe moet ik dat nou zeggen? Hij is wel geslagen, maar niet in de zin van gemarteld. U zegt dat hij was geslagen? Ja, maar wat is slaan? [betrokkene 2] vertelde mij dat hij weleens een platte hand had gekregen tijdens een verhoor. Dat vond ik al best wel heftig.” Ook hier lijkt zij te willen afzwakken wat met [betrokkene 2] zou zijn gebeurd, maar hoe men het wendt of keert; [betrokkene 2] blijkt gewoon te zijn geslagen tijdens een verhoor. Welk verhoor is niet duidelijk, maar ook dat behoeft niet een obstakel te zijn om schending art. 3 EVRM aan te nemen. De Marokkaanse advocaat blijkt echter, zoals ook al in het verleden is gebleken, niet te durven ageren gelet op de ook voor advocaten geldende beperkingen en zelfcensuur en dat ook de zuster inmiddels heel erg bang was, dat als zij verder zou ageren, dat haar broertje daar dan nog meer de gevolgen van zou voelen. Men wordt in feite gegijzeld, als verdediging vanwege het voortdurende gevaar dat cliënten en getuigen voorwerp worden van martelingen als verweer wordt gevoerd over onder dwang afgelegde verklaringen. Het is algemeen bekend, ook bij onderzoeksjournalisten en advocaten rond dit Marokkaanse proces, dat alle verdachten extensief zijn gemarteld, wellicht omdat het slachtoffer een zoon van een hoge rechter betrof en een voorbeeld moest worden gesteld. Een proces als wraakoefening en gelijk in dit geval aan een proces als bedoeld in art 10 en 11 Uw. Ik kom daar nog op terug. In hoger beroep werden onlangs de straffen in hoger beroep uitgedeeld. De hoogste rechter kwam daartoe naar de zitting in de avond en zei tegen alle verzamelde verdachten, dat zij dezelfde straffen als bij de rechtbank kregen zonder nadere motivering, waaronder twee doodstraffen. [betrokkene 2] is in maart 2018 nog gehoord door Nederlandse verbalisanten in een Nederlands onderzoek. Het betreft oorspronkelijk slechts een proces-verbaal van bevindingen met een “zakelijke” samenvatting van Nederlandse verbalisanten, dat blijkbaar volstrekt onvolledig en kennelijk onbetrouwbaar moest worden geacht. De advocaat van [betrokkene 2] was kennelijk niet aanwezig. [betrokkene 2] bleek aantoonbaar onware verklaringen tegenover de Marokkaanse en Nederlandse verbalisanten te hebben afgelegd. De Nederlandse verbalisanten waren naar Marokko gereisd nadat eerst een lijstje vragen naar Marokko vooruit was gestuurd, terwijl het openbaar ministerie met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet hebben geweten, dat Marokko helaas meerdere malen is veroordeeld voor het systematisch schenden van mensenrechten, er vele onderzoeksrapportages bestaan van internationale organisaties als van de VN en de EU, HRW en Amnesty International, alsmede uitspraken van het EHRM en van nationale rechtbanken, zoals Nederland, België en Duitsland over de flagrante aard van die schendingen ex art 2, 3 en 6 EVRM en het VN folterverdrag, en dat die schendingen zodanig systematisch bestaan, dat überhaupt uitlevering naar dat land dient te worden geweigerd. Die schendingen hebben ook van doen met het feit, dat systematisch verdachten worden gemarteld en onder marteling bekentenissen en verklaringen tegen derden moeten afleggen, dat het klachtrecht tegen martelingen verregaand onvoldoende/nauwelijks bestaat dat personen vaak eerst worden gemarteld en zonder rechtsbijstand worden bejegend en pas na lange tijd een rechter of advocaat
n dat rechters systematisch met martelingen verkregen onderzoeksresultaten zonder nader onderzoek als bewijs gebruiken voor een veroordeling. Het is dan ook zonder meer aannemelijk, dat de medeverdachten in de Marokkaanse zaak zijn gefolterd, of minimaal mishandeld en/of bedreigd. Daarbij is relevant dat het EHRM in Othman v UK heeft uitgemaakt dat de bewijsstandaard voor het aannemelijk maken dat bewijs is verkregen door middel van foltering, mede afhankelijk is van het rechtssysteem dat centraal staat. Wanneer het een rechtssysteem betreft dat zich vaak lijkt te bedienen van door foltering verkregen bewijs, ligt de bewijslat ten aanzien van het aannemelijk maken van foltering lager. En dat de Marokkaanse autoriteiten zich – ook nu nog steeds – bedienen van foltering staat, helaas, als een paal boven water. Ik kom nog terug op de meest recente stand van de rechtsstaat in Marokko. De rechtbank Zeeland West Brabant heeft op 22 februari 201819 een uitlevering aan Marokko ontoelaatbaar verklaard, en daarbij overwogen dat sprake is van een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM nu (onder meer) een reëel gevaar bestaat dat verklaringen van derden zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met art. 3 EVRM, en dat deze verklaringen als bewijsmiddel zullen worden gebruikt. De Hoge Raad heeft dat vonnis bevestigd. Het toetsingskader is dus o.a. het arrest van het EHRM 17 januari 2012, appl. 8139/09 (Othman/UK). Uit deze uitspraak volgt dat van schending van art. 6 EVRM in geval sprake is van een ‘real risk of admission at the applicants (re)trial of evidence obtained by torture of third persons’. Uit deze uitspraak blijkt dat het HRM (Human Rights Watch) in die zaak uitvoerig rapporten van bijvoorbeeld internationale instanties en organisaties zoals The Human Rights Council (overweging 10.6), The Committee Against Torture (overweging 107), The Human Rights Committee (overweging 108), The Special Rapporteur (overweging 109), Amnesty International (overweging 112), Human Rights Watch (overweging 116), United States Department of State (overweging 123), in de beoordeling heeft betrokken (
ook overweging 190 en 277). Met andere woorden de aanwezigheid van al die rapporten van onafhankelijke organisaties maakten het real risk aannemelijk en legde de bewijslast dat het in het geval van de specifieke persoon anders zou liggen een zorgplicht van de staat en niet meer van de opgeëiste persoon. Datzelfde real risk van schending van art
n deze vaststellingen nog steeds terug in rapporten over bijvoorbeeld 2019 van HRW en Amnesty of het US state report over 2018. Gewezen wordt voorts op het Country report Morocco/Western Sahara 2017/2018van Amnesty International. Het Europees hof heeft een deportatie vanuit Zweden naar Marokko verboden van iemand die eventueel beschouwd zou kunnen worden als een risico voor de staatsveiligheid in Marokko (X v Zweden, EHRM 9-12018, app.nr. 36417/16). Reden voor de weigering was de vrees dat de persoon eenmaal in Marokko zou worden onderworpen aan een behandeling die strijdig is, met art. 3 EVRM. Waarmee is vastgesteld dat het mishandelen en zelfs folteren van verdachten in Marokko, in ieder geval volgens het EHRM, ook nu nog steeds voorkomt. Net zoals het onthouden van consulaire bijstand, het op onbekende locaties detineren van personen ha aanhouding en het onthouden van rechtsbijstand. Ik vat samen mbt de dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM: - uit Europese jurisprudentie volgt dat het gebruik van bewijs dat is verkregen door foltering van derden, een flagrante schending oplevert van art. 6 EVRM; - verschillende medeverdachten in de Marokkaanse strafzaak van client, stellen dat de verdachten zijn gemarteld in de Marokkaanse strafzaak van client, ook de verdachte wiens verklaringen primair ten grondslag liggen aan het onderhavige uitleveringsverzoek verklaren dat - en dat de resultaten van dat martelen in dit Marokkaanse proces ten grondslag ligt aan het bewijs. [betrokkene 2] is inmiddels door de rechtbank en in hoger beroep veroordeeld tot 20 jaar. - uit diezelfde jurisprudentie volgt eveneens dat de lat om foltering aannemelijk te maken, lager ligt naarmate het land een slechtere reputatie heeft op dat gebied; - Marokko heeft blijkens rapporten van verschillende gerenommeerde NGO’s, en internationale organisaties als de VN, de EU rekenkamer en de EU foltercommissie ook nu nog een slechte reputatie op het gebied van het folteren van verdachten en o.a. het gebrek aan adequaat klachtrecht; Meer recent kunnen de volgende feiten in dit kader worden genoemd ter onderbouwing. Gewezen wordt op de rapporten van Amnesty van meer recente datum, zoals https://www.amnesty.org.uk/morocco-getting-away-torture, waarin wordt aangegeven hoe Marokko allerlei schendingen afdekt, ook internationaal. Zoals u weet is het onthouden van consulaire bijstand, net als incommunicado arrest in strijd met art 2 en 3 EVRM. Het feit dat de consul noch raadslieden toegang tot de verdachten hebben gekregen en er geen informatie bestond over waar en onder welke omstandigheden men werd gedetineerd betekent, dat de verdachten feitelijk in “incommunicado detention” verkeerden. In de woorden van de Verenigde Naties Working Group against Arbitrary Detention: “Secret and/or incommunicado detention constitutes the most heinous violation of the norm protecting the right to liberty of a human being under customary international law. The arbitrariness is inherent in these forms of deprivation of liberty as the individual is left outside the cloak of any legal protection”. Het VN-Mensenrechtencomité, belast met het toezicht op de uitvoering van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna “IBPR”), heeft een gezaghebbende verklaring afgegeven over de interpretatie van artikel 7 van het IVBPR over het verbod op foltering. In General Comment nr. 20, aangenomen in 1992, beveelt het Comité aan om maatregelen te nemen tegen incommunicado-detentie. Eén daarvan luidt: “To guarantee the effective protection of detained persons, provisions should be made for detainees to be held in places officially recognized as places of detention and for their names and places of detention, as well as for the names of persons responsible for their detention, to be kept in registers readily available and accessible to those concerned, including relatives and friends. To the same effect, the time and place of all interrogations should be recorded, together with the names of all those present and this information should also be available for purposes of judicial or administrative proceedings. Provisions should also be made, against incommunicado detention.” De VN-Commissie voor de Rechten van de Mens heeft dit standpunt herhaaldelijk bekrachtigd, zoals in een resolutie van 2003, met de opvatting dat incommunicado-detentie het plegen van foltering kan vergemakkelijken en op zichzelf een vorm van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of zelfs foltering kan zijn. Consulaire bijstand overeenkomstig het Verdrag van Wenen inzake Consulair Verkeer van 24 april 1963, is cliënt dus eveneens onthouden. Zowel Nederland als Marokko zijn partij bij dat verdrag. Nederland had een zelfstandige plicht op die bijstand toe te
n. In een rechtsgeschil tussen Duitsland en de Verenigde Staten heeft het Internationale Gerechtshof een uitleg gegeven aan artikel 36, eerste lid, van het Weens Verdrag aangaande consulaire bijstand: “Article 36, paragraph 1, establishes an interrelated regime designed to facilitate the implementation of the system of consular protection. It begins with the basic principle governing consular protection: the right of communication and access (Art. 36, para. 1 (u j). This clause is followed by the provision which spells out the modalities of consular notification (Art. 36, para. I
n dat artikel 36 van het Weens Verdrag geschonden wordt jegens cliënt. Gewezen wordt op de uitspraak EHRM Aarrass v België 30 september 2021 Belgisch/Marokkaanse klager over gebrek aan bescherming door België tijdens verblijf in Marokkaanse gevangenis (na uitlevering door Spanje aan Marokko). Geen schending van artikel 1 en 3 EVRM want België zou niet passief of onverschillig zijn gebleven, maar wel werd vastgesteld, de onwilligheid van Marokko om mee te werken aan onderzoek en consulaire bijstand te verlenen. “Decision of the Court The issue in the present case, was whether the Belgian State was under a positive obligation to afford consular assistance to the applicant during his imprisonment in Morocco, in order to avoid the risk of ill-treatment from materialising. The Court noted that the Belgian authorities had not remained passive or indifferent. On the contrary, they had, on several occasions and especially following the order by the President of the Brussels First-Instance Court, taken steps to intercede with the Moroccan authorities, either on a diplomatic basic or on humanitarian grounds, in order to improve the applicant’s situation. It was true that those efforts had hot been successful and appeared to, have had no impact on the applicant’s conditions of detention. However, this situation did not arise from inertia on the part of the Belgian consular officials working in Morocco, but from the systematic refusal of the Moroccan authorities, who exercised exclusive control over the applicant, to create a precedent that would be contrary to Morocco’s practice of not authorising consular assistance to Moroccan nationals where they were detained in the State of their other nationality. In consequence, the Court considered that assuming that a positive obligation to intervene could be inferred from Article 1 taken together with Article 3 of the Convention, the application was manifestly ill-founded and had to be rejected pursuant to Article 35 §§ 3 (a) and 4 of the Convention.” Gewezen wordt op de rol van Marokko bij corruptie Europarlementariërs Marokko blijkt zich ook nog internationaal in een soort lobby van positieve of afgezwakte rapporten over de eigen rechtsstaat te hebben kunnen voorzien. In dat kader zijn verschillende leden van het EU Parlement aangehouden en loopt een (strafrechtelijk) onderzoek naar de betrokkenen. In dit kader bijvoorbeeld een artikel uit Der Spiegel van 20 januari 2023: Inside the European Parliament Corruption Scandal: “Early on in the investigation, the Moroccan foreign intelligence service DGED popped up on the radar: Indeed, DGED head Yassine Mansouri himself is thought to have been directly involved in the attempt to influence EU parliamentarians. According to evidence gathered by investigators, Mansouri met with MEP Andrea Cozzolino, who is also thought to be part of Panzeri's network, and possibly with Panzeri himself. The potential involvement of the DGED is a politically sensitive detail. Should it be substantiated, it would mean the scandal’s tentacles extend to the highest levels of the Moroccan state. Mansouri was one of the handpicked children chosen to attend the College Royal together with present-day Moroccan King Mohammed VI. The College Royal is a school in the royal palace that only opens up a new class when the child of a king reaches school age. Later, the prince and Mansouri studied law. When Mohammed ascended to the throne, he appointed Mansouri to head up the country's foreign intelligence service. In a kind of organigram of the Moroccan connection that can be found in the files of the Belgian investigators, Mansouri is at the very top. Immediately below him, is Abderrahim Atmoun, Morocco's ambassador to Poland, who has excellent connections in Brussels and Paris. Investigators believe that he steered the Panzeri group's activities on the ground. In 2014, he posted a photo on Facebook showing him together with his “dear friend” Panzeri. The friendship was apparently a profitable one. When travelling to Paris via Brussels, Atmoun would frequently bring along money, Giorgi said during questioning on December 10, according to minutes of the interrogation. “Smaller amounts, but still a few tens of thousands of euros.” Those involved appear to have been fully aware, that their actions were illegal, which explains their use of codewords. “When you picked up money, you spoke of picking up suits or ties,” Giorgi told the investigators. The Moroccan government and Atmoun declined to respond to numerous requests for comment. The fact that the government in Rabat was apparently prepared to deploy underhandedness in pursuit of their interests in Brussels is not without reason. Two-thirds of Morocco’s foreign trade is with the European Union, as EU High Representative for Foreign Affairs Josep Borrell recently emphasized during a trip to the Moroccan capital. He also noted that more than half of all foreign investment in Morocco comes from the EU, which is, he said, “hard to surpass.” Furthermore, Borrell said, Morocco is the largest recipient of EU cooperation funding in the region – with an expected total of 1,6 billion euros from 2021 to 2027. The European Commission is responsible for deciding how that money is to be used. Morocco is also eager for political support from the EU in the ongoing conflict over Western Sahara. Rabat has occupied large swaths of the region for decades and continues to resist demands from the Sahrawi people for independence. For its part, the EU is counting on the Moroccan government to prevent African migrants from reaching Europe.” Ook dat geen klachtrecht. Zelfs strafbaar om te klagen over bejegening. Gewezen wordt bijvoorbeeld op het US state report Morocco 2021 The government took steps to investigate officials who allegedly committed human rights abuses and acts of corruption, but investigations into police, security force, and detention center abuses lacked transparency and frequently encountered long delays and procedural obstacles, that contributed to impunity. There were reports that the government or its agents committed arbitrary or unlawful killings. In, the event of an accusation of torture, the law requires judges to refer a detainee to a forensic medical expert when the detainee or lawyer requests it, or if judges notice suspicious physical marks on a detainee. In some cases judges refused to order a medical assessment when a detainee made an allegation of abuse. The UN Working Group on Arbitrary Detention, human rights NGOs, and media documented cases of authorities' failure to implement provisions of the antitorture law, including failure to conduct medical examinations when detainees alleged torture. On September 26, authorities released journalist and Sahrawi activist Mohamed, al-Bambary after six years in detention. According to the Robert F. Kennedy Human Rights Center, he had been detained with 45 other prisoners in a cell that was 25 feet by 18.5 feet. The law prohibits arbitrary arrest and detention and provides for the right of any person to challenge in court the lawfulness of his or her arrest or detention. Observers indicated that police did not always respect these provisions or consistently observe due process, particularly during or in the wake of protests. According to local NGOs and associations, police sometimes arrested persons, without warrants or while wearing civilian clothing. No official from the DGSN has been investigated for arbitrary detention related to the application of measures pertaining to the state of health emergency. In ordinary criminal cases, the law requires police to notify a detainee’s next of kin of an arrest immediately after the above-mentioned period of incommunicado detention, unless arresting authorities applied for and received an extension from a magistrate. Police did not consistently respect this requirement. Authorities sometimes delayed notifying the family or did not inform lawyers promptly of the date of arrest, and the families and lawyers were not able to monitor compliance with detention limits and treatment of the detainee. The law states, “in the case of a flagrant offense, the Judicial Police Officer has the right to keep the suspect in detention for 48 hours. NGO's worden steeds aan banden gelegd (
afdeling 5 van rapport). The law permits defense attorneys to question witnesses. Despite the provisions of the law, some judges reportedly denied defense requests to question witnesses or to present mitigating witnesses or evidence. Several NGOs noted arbitrary access to case files for the defense teams presented a significant challenge to representing their clients. NGOs also noted sometimes multiple hearings using the same defense team were scheduled at the same time, impeding the ability of defense teams to provide fair representation. The law forbids judges from admitting confessions made under duress without additional corroborating evidence, government officials stated. NGOs reported that the judicial system often relied on confessions for the prosecution of criminal cases, and authorities pressured investigators to obtain a confession from suspects to expedite prosecution. HRW and local NGOs charged that judges, at their Page 14 discretion, sometimes decided cases based on forced confessions. As in previous years, NGOs asserted that corruption and extrajudicial influence weakened judicial independence. The Supreme Judicial Council, mandated by the constitution, manages the courts and day-to-day judicial affairs in place of the Ministry of Justice. The king appoints the president of the Court of Cassation (the highest court of appeals), who chairs the 20-member council. Additional members include the president, of the First Chamber of the Court of Cassation; the prosecutor general; the mediator (national ombudsman); the president of the CNDH; 10 members elected by the country’s judges; and five members appointed by the king.
ook de rapporten daaromtrent van (Nederlandse) Amnesty International website van 6 juli 2020 “Dit is niet de eerste keer dat de autoriteiten het werk van Amnesty ondermijnen. De onderdrukking neem toe in Marokko. Tientallen mensenrechtenactivisten, onafhankelijke journalisten en demonstranten zitten momenteel in de gevangenis en de autoriteiten hebben de afgelopen maanden geprofiteerd van de coronapandemie om meer critici te vervolgen.” “Ook werd een Amnesty-medewerker die in 2014 een rapport over marteling in het land had geschreven op een zwarte lijst gezet. De onderzoeker mocht daarna Marokko niet meer in. In september van datzelfde jaar verboden de Marokkaanse autoriteiten ook een jeugdkamp van Amnesty International.” Of uit het Rapport uit 2015 over martelingen Marokko Of van de NOS (2012 en 2015) Of van Engelse Amnesty International website van 12 januari 2018 Following the uprisings in 2011, Morocco's leaders promised to pursue new, progressive legal reforms, including prohibiting torture. But behind the liberal image of a human rights-friendly country, there is a much darker reality. Beatings, asphyxiation, simulated drowning, psychological and sexual violence are among on array of torture techniques favoured by Moroccan security forces to extract ‘confessions’ and silence dissent. Torture can happen anywhere, any time – from the moment of arrest, in broad daylight or behind the tinted windows of security vehicles. Anyone can be tortured – protesters, political or student activists, as well as people suspected of terrorism offences or ordinary crimes. Gewezen wordt voorts op de Website International Services for Human Rights van 10 juni 2022 Daarbij wordt ingegaan op nog steeds het feit, dat in Marokkaanse gevangenissen het geen uitzondering is dat mensen middels marteling gedwongen worden te bekennen. Gewezen wordt op het rapport van Human Rights Watch uit 2022. Wederom over het onder dwang buiten aanwezigheid van een raadsman dwingen tot het tekenen van een bekentenis of belastende, verklaringen. “Criminal Justice System The Code of Penal Procedure gives a defendant the right to contact a lawyer after 24 hours in police custody, extendable to 36 hours. But detainees do not have the right to have a lawyer present when police interrogate or present them with their statements for signature. In recent years, police agents often coerced or tricked detainees into signing self-incriminating statements, which judges later relied on to convict even when the defendants repudiated those statements in court.” Tot zover de dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM, die de uitlevering ontoelaatbaar al zou moeten maken. Zoals op de eerdere zitting al naar voren gebracht, kunnen nog enkele specifieke aspecten werden benoemd daarbij. dreigende flagrante schending art. 6EVRM ondervangen door garanties? Het openbaar ministerie lijkt te willen stellen dat een eventuele dreigende schending van art. 6 EVRM voldoende ondervangen wordt door de garanties die zijn verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten, maar die blijken niet te zijn verstrekt en die zijn ook niet, ondanks vragen daartoe door de verdediging aan het openbaar ministerie en de Minister van Justitie, überhaupt gevraagd aan Marokko. De verdediging betwist dat die dreigende flagrante schending van art 6 EVRM door enigerlei laat staan genoegzame garanties wordt ondervangen. En dat is met name omdat geen garanties uitsluiten dat gebruik zal worden gemaakt van de verklaringen die verkregen zijn door foltering, oa die van [betrokkene 2] . (Sterker nog, het uitleveringsverzoek lijkt erop te duiden dat men juist wel voornemens is om die verklaringen te gaan gebruiken. Het uitleveringsverzoek is immers, zoals gezegd, in belangrijke mate gebaseerd op zijn verklaringen,
de eerder aangehaalde “samenvatting van de feiten” behorende bij het ingediende uitleveringsverzoek. Maar de huidige niet bestaande garanties zijn met name ook onvoldoende omdat Marokko zo’n slechte reputatie heeft op het gebied van mensenrechten, ook in gevallen waarin het verbetering heeft beloofd. Ik wijs op de volgende tekenen aanvullend op hetgeen ik al opmerkte over de meest recente rapporten, zoals van de EU rekenkamer over Marokko over 2019. Veelzeggend is in dat kader de al genoemde zaak van Aarrass. Meneer Aarrass werd enkele jaren geleden vanuit Spanje met de nodige garanties uitgeleverd aan Marokko, en werd desondanks na die uitlevering gefolterd. Die foltering heeft geleid tot een bekentenis. En vervolgens is Aarras op grond van die bekentenis veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf.
in dit verband: UN Human rights council: Report of the Working Group on Arbitrary Detention, mission to Morocco (A/HRC/27/48/Add.5) 4 augustus
van de X v Zweden uitspraak (§ 30 van United Nations Working, Group on Arbitrary Detention in its report on Morocco, UN doc. A/HRC/27/48/Add.5, dated. 4 August 2014): “Through interviews with detainees serving long sentences, the Working Group found that confessions had often been obtained as a result of torture. Such confessions were set out in the police records and served almost exclusively as evidence for prosecution and conviction.”
Human Rights Committee, in its concluding observations on the sixth periodic report of Morocco (UN doc. CCPR/C/MAR/CO/6, adopted on 2 November 2016): “It is nonetheless concerned by continued reports of torture and cruel, inhuman or degrading treatment being perpetrated by agents of the State in Morocco and Western Sahara, particularly in the case of persons suspected of terrorism or of endangering State security or posing a threat to the territorial integrity of the State. The Committee notes with particular concern that: (
van de X v Zweden uitspraak (§ 33 van The United Nations Human Rights Committee, in its concluding observations on the sixth periodic report of Morocco (UN döc.CCPR/C/MAR/CO/6, adopted, on 2 November 2016): “The Committee is concerned about cases in which irregularities appear to have occurred in court proceedings, including the admission of confessions obtained under duress and, refusals to hear witnesses, or to consider evidence.”
van de X v Zweden uitspraak: The US Department of State, in its Country Reports on Human Rights Practices for 2016, Morocco (released on 3 March 2017), noted that: […] In the event of an accusation of torture, the law requires judges to refer a detainee to a forensic medical expert when the detainee or lawyer requests it or if judges notice suspicious physical marks on a detainee. The UN Working Group on Arbitrary Detention, human rights NGOs, and media documented cases of authorities’ failure to implement provisions of the antitorture law, including failure to conduct medical examinations when detainees allege torture. Garanties in casu onvoldoende concreet Garanties, die in de voorliggende zaak dus niet zijn gegeven door de Marokkaanse autoriteiten en dus niet concreet genoeg zijn om de vrees voor een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM weg te nemen. Ik wijs op de uitspraak van de Hoge Raad in de uitleveringszaak van een vrouwelijk PKK lid uit 2006 (zaak Kesbir, HR, 16-9-2006, ECLI:NL:HR:2006;AV7387). In die zaak heeft de HR uitgemaakt dat gelet op de reële risico's die de opgeëiste persoon liep om na uitlevering te worden gefolterd, de – nogal algemene – garanties die waren gegeven (met name dat de opgeëiste persoon een eerlijk proces zou krijgen en zou worden behandeld in overeenstemming met de bepalingen van het EVRM), onvoldoende concreet waren. Die uitspraak
t strikt genomen op een dreigende schending van art. 3 EVRM. Maar er valt niet in te
n waarom dezelfde redenering niet, mutatis mutandis, zou gelden voor een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM zoals in de zaak van cliënt. Bij hem is immers sprake van concrete aanwijzingen voor een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM (namelijk het reële risico dat in zijn strafzaak gebruik zal worden gemaakt van verklaringen van derden die door foltering zijn verkregen). Wanneer sprake is van dergelijke concrete aanwijzingen dat het recht op een eerlijk proces zal worden geschonden, moet de verzoekende Staat concrete garanties geven. Ik verzoek u dan ook de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.”
t thans zich (alleen) nog gesteld voor de beoordeling van het verweer namens de opgeëiste persoon dat sprake is een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw – kort gezegd – het volgende aangevoerd: - medeverdachten in de Marokkaanse strafzaak tegen de opgeëiste persoon, waaronder [betrokkene 2] , (stellen dat zij) zijn gemarteld. De door hen afgelegde verklaringen, welke belastend zijn voor de opgeëiste persoon, zijn verkregen onder druk van bedreiging, mishandeling en marteling; - er bestaan grote zorgen over de (slechte) detentiesituatie en over het functioneren van de rechtsstaat in Marokko. Daartoe is gewezen op rapportages van internationale organisaties en non-gouvernementele mensenrechtenorganisaties (NGO’s). De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM die moet leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van de uitlevering ter strafvervolging. In de uitspraak van het EHRM van 17 januari 2012 (Othman / Verenigd Koninkrijk, 8139/09) zijn situaties opgesomd waarin sprake is van een ‘flagrant denial of justice’. Onder meer het gebruik van bewijs verkregen door marteling (van derden) levert naar het oordeel van het EHRM een flagrant oneerlijk proces op (rechtsoverwegingen 263 en verder). De raadsvrouw heeft een tweetal door [betrokkene 2] handgeschreven briefjes overgelegd (niet gedateerd), welke door zijn zus [betrokkene 4] uit de gevangenis zouden zijn gesmokkeld. In deze briefjes schrijft [betrokkene 2] onder meer dat hij is bedreigd, mishandeld en gemarteld. De rechtbank heeft mede naar aanleiding van deze door de raadsvrouw overgelegde briefjes in haar tussenbeslissing van 22 juli 2020 beslist dat nader onderzoek diende plaats te vinden naar de vraag of sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM die zou moeten leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van de uitlevering ter strafvervolging. Aan de officier van justitie is opdracht gegeven tot het overleggen, voor zover beschikbaar, van een aantal in de tussenbeslissing omschreven processen-verbaal. Deze processen-verbaal, hiervoor omschreven onder 1.3, zijn nadien overgelegd en in het uitleveringsdossier gevoegd. [betrokkene 4] , de zus van [betrokkene 2] , is tweemaal als getuige gehoord: op 17 februari 2022 door twee verbalisanten en op 31 mei 2022 door de rechter-commissaris van de Rechtbank Amsterdam. De getuige heeft verklaard dat haar broer [betrokkene 2] enkele maanden aan zijn bed vastgeketend heeft gezeten. Zij heeft voorts verklaard dat haar broer bij zijn verhoren in maart 2018 de waarheid heeft verklaard over de opgeëiste persoon, dat hij daar spijt van had en vervolgens, om dit te corrigeren en zijn eigen hachje te redden, heeft gezegd “weet je wat, ik ga gewoon zeggen dat ik gemarteld ben” (p. 10 van het verhoor bij de rechter-commissaris). De getuige heeft voorts verklaard dat haar broer niet is geslagen en dat de verhoren rustig zijn verlopen. Haar broer heeft verteld dat tijdens een van de verhoren in maart 2018 een incident heeft plaatsgevonden waarbij verbalisanten bij een bezoek van [betrokkene 2] aan het toilet tegen hem hebben gezegd “als je niet gaat praten, trekken wij het vel van je lichaam af” (p. 10 van het verhoor bij de rechter-commissaris). De Nederlandse verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben ieder afzonderlijk een proces-verbaal opgemaakt waarin is gerelateerd wat zij als toehoorders bij verhoren van [betrokkene 2] (als verdachte) door Marokkaanse opsporingsambtenaren op 21 en 22 maart 2018 in gevangenis Loudaya nabij Marrakesh in Marokko hebben waargenomen en welke indruk zij hebben gekregen met betrekking tot de vraag of de verklaringen van [betrokkene 2] wel of niet in vrijheid zijn afgelegd. Beide verbalisanten zijn nadien door de rechter-commissaris van de Rechtbank Amsterdam hierover gehoord. Ook de bij voornoemde verhoren op 21 en 22 maart 2018 aanwezige tolk is door de rechter-commissaris gehoord. Twee andere Nederlandse verbalisanten, rechercheurs 427 en TO030134, zijn als toehoorders aanwezig geweest bij een verhoor van [betrokkene 2] (als verdachte) door Marokkaanse opsporingsambtenaren op 10 oktober 2018 in gevangenis Loudaya en hebben een soortgelijk proces-verbaal als van hun collega’s [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opgemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de briefjes van [betrokkene 2] en de door zijn zus [betrokkene 4] als getuige afgelegde verklaringen niet kan worden geconcludeerd dat sprake zou zijn van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. De inhoud van de briefjes is niet nader onderbouwd en wordt door de getuige op essentiële punten weersproken. Uit de verklaringen van deze getuige blijkt dat [betrokkene 2] mogelijk om andere redenen (onjuist) heeft verklaard over (vermeende) schendingen van fundamentele mensenrechten. De inhoud van de briefjes is derhalve onvoldoende betrouwbaar. Ook de verklaring van de getuige betreffende het ‘wc-incident’ is onvoldoende om te concluderen dat sprake zou zijn van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. Dat [betrokkene 2] na het bezoek aan het toilet hevig geëmotioneerd was maakt dit niet anders, aangezien hij dit vóór het toiletbezoek ook reeds was. Uit de verklaringen van de bij het verhoor aanwezige Nederlandse verbalisanten en de tolk is niet gebleken van bedreiging, mishandeling of marteling van [betrokkene 2] en ook niet van zichtbare sporen van fysiek geweld. De rechtbank is voorts van oordeel dat de verklaringen van voornoemde (vier) Nederlandse verbalisanten en de tolk geen enkel aanknopingspunt bieden voor het standpunt dat sprake is (geweest) van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. Weliswaar i
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.