PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN 24/00723 28 maart 2024 VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET F.W. Bleichrodt In de zaak [betrokkene] (hierna: de betrokkene) tegen HET LAND CURAÇAO (hierna: het Land) Aanleiding tot en inzet van de vordering 1. Deze vordering heeft betrekking op de definitie en reikwijdte van de term ‘veroordeeld wegens misdrijf’ als bedoeld in art. 7 lid 1, onder a, van de Landsverordening integriteit (kandidaat-)ministers van het land Curaçao (hierna: Lvim). 2. De vordering betreft een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) van 4 juli 2023. Tegen dit vonnis is door de partijen geen beroep in cassatie ingesteld. Daarmee is het vonnis onherroepelijk geworden. Ingevolge het bepaalde in art. 1 lid 1 Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verbinding met art. 78 Wet op de rechterlijke organisatie (RO) is een vordering tot cassatie in het belang der wet wel mogelijk. 3. Het Hof heeft het volgende vastgesteld. 4. De betrokkene is na de verkiezingen voor de Staten van Curaçao door een politieke partij bij de formateur voorgesteld voor het ambt van minister van Justitie. 5. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 mei 2002 is ten laste van de betrokkene bewezen verklaard dat hij op 8 april 2000 te Amsterdam, terwijl hij als arts werkzaam was in de gezondheidszorg, ontucht heeft gepleegd met een zestienjarige die zich als patiënt aan de hulp en zorg van de betrokkene had toevertrouwd. Het hof Amsterdam heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd als ‘als degene werkzaam in de gezondheidszorg met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en/of zorg heeft toevertrouwd ontucht plegen’ (art. 249 lid 2, onder 3, Sr). Het gerechtshof heeft de betrokkene op de voet van art. 9a Sr schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. 6. De betrokkene heeft zich na justitieel onderzoek door de procureur-generaal van Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de procureur-generaal) teruggetrokken als kandidaat-minister. 7. De betrokkene heeft bij verzoekschrift (onder meer) een verklaring voor recht gevorderd dat hij niet is veroordeeld in de zin van art. 7 Lvim. Aan de vordering is de rechtsopvatting ten grondslag gelegd dat een schuldigverklaring wegens misdrijf zonder dat daarbij een straf of maatregel wordt opgelegd, als bedoeld in art. 9a Sr, niet is aan te merken als een veroordeling wegens misdrijf. Deze vordering is door het Gerecht afgewezen. Het Gerecht verstond onder ‘veroordeeld’ in de zin van art. 7 lid 1, onder a, Lvim de situatie waarin een verdachte bij een uitspraak van een rechter schuldig wordt bevonden aan het plegen van een strafbaar feit, ongeacht of daarbij een straf of maatregel wordt opgelegd. 8. Tegen het vonnis in eerste aanleg heeft de betrokkene hoger beroep ingesteld. Bij vonnis van 4 juli 2023 heeft het Hof voor recht verklaard dat de betrokkene ‘niet is veroordeeld in de zin van art. 7 van de [Lvim]’. 9. Aan dit oordeel van het Hof ligt de volgende rechtsopvatting ten grondslag. In de ‘terminologie’ die wordt gehanteerd in het Wetboek van Strafvordering en de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad wordt een verdachte pas veroordeeld ingeval de rechter een straf oplegt. Dientengevolge valt een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel als bedoeld in art. 9a Sr niet onder de reikwijdte van de term ‘veroordeeld’ in strafvorderlijke zin, aldus het Hof. 10. De vonnissen van het Gerecht en het Hof geven aldus blijk van een verschillende uitleg van de term ‘veroordeeld’ in de zin van de Lvim. Een van de relevante factoren in de afweging om een vordering tot cassatie in het belang der wet in te stellen is dat in de feitenrechtspraak tegenstrijdige antwoorden worden gegeven op een rechtsvraag. Weliswaar gaat het in dezen om niet meer dan twee rechterlijke uitspraken, waarvan één in hoger beroep, maar in dit verband dient de Caribische context in de afweging te worden betrokken. Er is nu eenmaal slechts één Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en één Gemeenschappelijk Hof van Justitie (art. 1 Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie). Mij is ambtshalve bekend geworden dat de uitleg die het Hof aan art. 7 Lvim heeft gegeven voor de rechtspleging en het openbaar bestuur van Curaçao niet de noodzakelijke rust en duidelijkheid heeft gebracht. Zowel door de procureur-generaal als door een advocaat is het vonnis onder mijn aandacht gebracht met het oog op een mogelijke vordering tot cassatie in het belang der wet. 11. Met beantwoording van de voorliggende vraag door de Hoge Raad is een zaaksoverstijgend belang gemoeid. Het belang van duidelijkheid is in het belang van het openbaar bestuur in verband met toekomstige benoemingsprocedures. Daaraan voeg ik toe dat ook voor anderen dan kandidaat-ministers veel op het spel kan staan. Zo bepaalt art. 23 in verbinding met art. 27 Lvim dat het handelen in strijd met (voor zover relevant) art. 7 Lvim door de kabinetsformateur geldt als een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren is gesteld. 12. Het Hof heeft aan zijn uitleg van art. 7 lid 1, onder a, Lvim onder meer de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad ten grondslag gelegd. Het is met het oog op de rechtseenheid en rechtsontwikkeling aangewezen dat de Hoge Raad deze uitleg op juistheid beoordeelt. Daartoe strekt deze vordering. 13. In het onderstaande worden eerst de relevante overwegingen van het Gerecht en het Hof weergegeven. Na een bespreking van het juridisch kader, zal ik nader ingaan op de term ‘veroordeeld’ in de zin van art. 7 lid 1, onder a, Lvim. Ik zal daarbij tot de conclusie komen dat het Hof ten aanzien van de uitleg van deze term blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Tot slot formuleer ik een cassatiemiddel. De relevante overwegingen in de vonnissen van het Gerecht en het Hof 14. Het Gerecht heeft bij vonnis van 7 februari 2022, voor zover voor deze vordering relevant, het volgende overwogen: “(…) 3 De beoordeling (…) Is sprake van een veroordeling in de zin van artikel 7 lid 1 a Lvim? 3.8. Voor de vraag of de vordering om te verklaren voor recht dat eiser niet is veroordeeld in de zin van artikel 7 lid 1 a Lvim kan worden toegewezen, is van belang het antwoord op de vraag of onder veroordeling ook dient te worden verstaan een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel. Volgens eiser is dat niet het geval, omdat van veroordeling als bedoeld in artikel 7 lid 1 a Lvim slechts sprake kan zijn indien een verdachte ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld tot een bepaalde straf of maatregel. Ook het Land verlangt een uitspraak van het gerecht over deze vraag. 3.9. Onder veroordeling wordt verstaan een uitspraak (oordeel) van een rechter waarin een verdachte schuldig wordt bevonden aan het plegen van een strafbaar feit (een overtreding of misdrijf). Het opleggen van een straf of maatregel is niet bepalend voor de vraag of sprake is van een veroordeling. Een van de doelen van het opleggen een straf na een veroordeling is vergelding. Voorts moet een straf voorkomen dat de dader nog een keer in de fout gaat. Welke straf dat doel dient, hangt onder meer af van de persoonlijke omstandigheden van de dader. Uit niets blijkt dat niet van veroordeling in de zin van de Lvim kan worden gesproken, indien geen straf of maatregel is opgelegd. Het betoog van eiser op dit punt vindt geen steun in de wet, noch in de literatuur. 3.10. Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen uit het strafarrest blijkt dat het Hof eiser schuldig heeft bevonden aan het plegen van een misdrijf, waarvoor hij ook strafbaar is bevonden. Er is dus sprake van een veroordeling. De omstandigheid dat het Hof, anders dan de eerste rechter, geen straf heeft opgelegd was blijkens de overwegingen van het Hof niet ingegeven door de geringe strafwaardigheid van de bewezenverklaarde gedraging. Integendeel, het Hof benadrukt de ernst van die gedraging en ziet enkel af van het opleggen van een straf vanwege de omstandigheid dat eiser volgens het Hof zich al met vergaande nadelige consequenties van zijn misdrijf geconfronteerd heeft gezien. (…) 3.16. Het voorgaande betekent dat niet voor recht kan worden verklaard dat eiser niet is veroordeeld in de zin van artikel 7 Lvim. De vordering ter zake zal dan ook worden afgewezen.” 15. Het vonnis van het Gerecht is niet in stand gebleven. Het Hof heeft bij vonnis van 4 juli 2023 het vonnis van het Gerecht vernietigd en, voor zover voor de vordering relevant, het volgende overwogen: “(…) 2 De beoordeling (…) 2.5 In de terminologie van het Wetboek van Strafvordering en de strafkamer van de Hoge Raad wordt een verdachte pas veroordeeld als de strafrechter in een uitspraak een straf aan de verdachte oplegt. In overeenstemming daarmee pleegt een dictum waarbij straf wordt opgelegd te luiden: “Veroordeelt de verdachte tot (…)” en pleegt de strafrechter in de dicta die aan dat dictum voorafgaan, niet te spreken van “veroordeelde”, maar van “verdachte” en in de dicta die op het dictum van de strafoplegging volgen niet langer te spreken van “verdachte”, maar van “veroordeelde”. Vanaf het moment dat de strafrechter de veroordeling tot straf uitspreekt, geldt de verdachte dus als veroordeelde. In dit geval is aan [de betrokkene] geen straf opgelegd. In de terminologie van het Wetboek van Strafvordering en de strafkamer van de Hoge Raad is hij dus niet veroordeeld, ook al is er een bewezenverklaring uitgesproken, is het bewezenverklaarde strafbaar verklaard en is [betrokkene] (aangeduid als verdachte) daarvoor strafbaar verklaard. 2.6 Er is geen reden om art. 7 lid 1 sub a Lvim anders uit te leggen dan overeenkomstig de terminologie van het Wetboek van Strafvordering en de strafkamer van de Hoge Raad. Indien de wetgever ook een arrest als dat van 30 maart 2002 onder de werking van art. 7 lid 1 sub a Lvim had willen brengen, had hij dat voldoende duidelijk tot uitdrukking moeten brengen in de wettekst of in de toelichting daarbij. Vordering a dient daarom alsnog te worden toegewezen. (…) B E S L I S S I N G Het Hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep; en opnieuw rechtdoende: verklaart voor recht dat [betrokkene] niet is veroordeeld in de zin van art. 7 van de Landsverordening houdende regels betreffende de integriteit van (kandidaat-)ministers (PB 2012 no. 66, hierna: Lvim); (…)” Het juridisch kader 16. De volgende bepalingen van de Lvim zijn van belang: - Artikel 1 “In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) c. kabinetsformateur: degene die door de Gouverneur is belast met onderzoek dat verwacht wordt te leiden tot de voordracht tot benoeming van ministers, dan wel de minister-president indien het de tussentijdse vervanging van een minister betreft; d. kandidaat: degene ten aanzien van wie het voornemen bestaat tot de voordracht tot benoeming als minister (…)” - Artikel 2 “1. Voordat een kandidaat voor het ambt van minister wordt voorgedragen voor benoeming worden ten aanzien van de betrokkene met diens schriftelijke toestemming in elk geval de volgende onderzoeken verricht: a. een justitieel onderzoek; b. een staatsveiligheidsonderzoek; (…) f. een onderzoek door de kabinetsformateur naar aanleiding van de aan hem verstrekte gegevens, bedoeld in artikel 9, alsmede naar andere, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen gegevens; 2. Het verzoek tot de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde onderzoeken wordt gedaan door de kabinetsformateur. De uitkomst van de onderzoeken wordt aan hem en aan de Gouverneur medegedeeld. (…) 4. Voordat een persoon voor de functie van kabinetsformateur wordt aangewezen, wordt ten aanzien van de betrokkene met diens schriftelijke toestemming een justitieel onderzoek en een staatsveiligheidsonderzoek verricht. 5. Het verzoek tot de in het vierde lid genoemde onderzoeken wordt gedaan door de onder-voorzitter van de Raad van Advies; de uitkomst van de onderzoeken wordt aan de ondervoorzitter van de Raad van Advies en aan de Gouverneur meegedeeld.” - Artikel 3 “Het justitieel onderzoek wordt verricht door de procureur-generaal. Hij verstrekt de informatie, voor zover aanwezig, uit het strafregister en het strafkaartensysteem van de justitiële documentatiedienst die op de desbetreffende kandidaat betrekking heeft. Tevens verstrekt de procureur-generaal een verklaring waaruit blijkt of de kandidaat al dan niet verdachte is of is geweest in een lopend of afgesloten strafrechtelijk onderzoek terzake van een misdrijf, tenzij het belang van dat onderzoek zich daartegen verzet” - Artikel 7 “1. De kabinetsformateur doet of bevordert geen voordracht tot de benoeming van een kandidaat, indien die zich niet verdraagt met de uitkomst van enig in artikel 2, eerste lid, bedoeld onderzoek en voorts indien de kandidaat: a. is veroordeeld wegens misdrijf; b. verdachte is in een lopend strafrechtelijk onderzoek terzake van een misdrijf; (…) 2. Indien een kandidaat niet wordt voorgedragen tot benoeming als minister, deelt de kabinetsformateur hem dit zo spoedig mogelijk schriftelijk mee onder vermelding van de reden daarvan.” - Artikel 8 “1. De resultaten van de onderzoeken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, en de inhoud van gesprekken en correspondentie tussen de kabinetsformateur en de kandidaat, zijn vertrouwelijk. Over de inhoud daarvan worden, behalve aan de Gouverneur, geen mededelingen gedaan. (…)” - Artikel 23 “De kabinetsformateur die handelt in strijd met de artikelen 7, eerste lid, of artikel 12 wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.” - Artikel 27 “De in de artikelen 23 tot en met 26 bedoelde strafbare feiten zijn misdrijven.” 17. In de bij deze Landsverordening behorende toelichting is onder meer het volgende opgemerkt: “De regering beoogt met het ontwerp bestaande regelingen met betrekking tot de integriteitsbescherming van ministers en de gevolmachtigde minister in één regeling, bijeen te brengen, waar nodig gewijzigd, dan wel aangevuld. (…) Binnen het Koninkrijk bestaan buiten het bovenstaande geen wettelijke regelingen met betrekking tot het onderhavige onderwerp. In Nederland is het onderwerp voor de kabinetsformatie laatstelijk beschreven in een brief van de minister-president, minister van Algemene Zaken aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 20 december 2002, kamerstuk nr. 28 754. Zowel in het onderhavige ontwerp als in deze toelichting is daarbij zoveel mogelijk – vaak woordelijk – aansluiting gezocht. Voor de democratische verantwoording en de zorgvuldigheid van het benoemingsproces voor ministers is het van belang om zo groot mogelijke transparantie te bieden ten aanzien van de procedures die worden gevolgd bij de beoordeling van kandidaat-ministers, alvorens een voordracht tot benoeming wordt gedaan. (…) De afzonderlijk geregelde onderzoeken ten aanzien van kandidaat-ministers betreffen hun justitiële en fiscale integriteit, alsmede een onderzoek naar ongebruikelijke transacties, het staatsveiligheidsonderzoek, een medisch onderzoek en het onderzoek door de kabinetsformateur naar aanleiding van de door de kandidaat-ministers en zijn eventuele gezinsleden te verstrekken informatie. De regeling komt in grote lijnen overeen met de praktijk binnen de landen van het Koninkrijk, zoals die bijvoorbeeld beschreven is in de hiervoor genoemde brief van de Nederlandse minister-president aan de Tweede Kamer de[r] Staten-Generaal. Ook hier geldt ten aanzien van de benoembaarheid van kandidaten het uiteindelijke oordeel van de kabinetsformateur, dan wel de minister-president, met dien verstande dat in het ontwerp duidelijke criteria zijn vermeld op grond waarvan een kandidaat wel of niet als minister kan worden voorgedragen voor benoeming. (…) Artikel 3 “Voor het justitieel onderzoek wordt in het justitieel documentatieregister nagegaan of er ten aanzien van de kandidaat strafrechtelijk relevante gegevens zijn. Het onderzoek betreft zaken die tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. Het justitieel onderzoek geschiedt door de procureur-generaal. Hij is belast met de dagelijkse leiding van de justitiële documentatiedienst, zoals die is geregeld in de Landsverordening op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. De procureur-generaal verstrekt aan de kabinetsformateur de informatie, voor zover aanwezig, uit het strafregister en het strafkaartensysteem die op de desbetreffende kandidaat betrekking heeft. Voorts informeert de procureur-generaal de kabinetsformateur over de vraag of de kandidaat al dan niet verdachte is in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek; daarbij is vermeld dat de procureur-generaal geen informatie hieromtrent behoeft te verstrekken indien dit het strafrechtelijk onderzoek zou kunnen belemmeren. (…) Artikel 7 Artikel 7 bepaalt uitdrukkelijk in welke gevallen een voordracht niet bevorder[d] of gedaan kan worden. De beoordeling van deze vraag ligt naar aanleiding van de uitkomsten van de in artikel 2 genoemde onderzoeken ligt bij de kabinetsformateur. In het verlengde hiervan geldt dat hij op grond van artikel 23 strafrechtelijk aansprakelijk is indien hij in strijd met artikel 7 of artikel 12 een voordracht doet of een voordracht bevordert van een kandidaat die niet aan de voorwaarden voldoet. (…) In het tweede lid is voorgeschreven dat de kabinetsformateur het eventueel achterwege laten van een voordracht tot benoeming schriftelijk en gemotiveerd meedeelt aan de kandidaat. Er wordt op gewezen dat tegen een dergelijke beslissing geen beroep openstaat ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak aangezien de kabinetsformateur geen bestuursorgaan is en de bedoelde mededeling aan de kandidaat geen beschikking is. Uiteraard kan de kandidaat zich desgewenst richten tot de gewone burgerlijke rechter.” 18. In de toelichting wordt verwezen naar de brief van de Nederlandse minister-president aan de Tweede Kamer van 20 december 2002. Deze strekt ertoe ‘maximale transparantie te bieden over de procedure ten aanzien van de beoordeling van kandidaat-ministers en -staatssecretarissen’. Daarmee zou de brief een verdere basis kunnen bieden voor de werkzaamheden van komende formateurs. In het Europese deel van het Koninkrijk is, anders dan in de landen Curaçao, Aruba en Sint Maarten, geen wettelijke regeling voorhanden ten aanzien van de procedure en de criteria voor de beoordeling van kandidaat-bewindspersonen. 19. Hoewel de stand van de wetgeving op dit onderdeel in Curaçao dus verder is dan in het Europese deel van het Koninkrijk, blijkt uit de toelichting bij de Lvim dat voor de invulling van de wetgeving zoveel mogelijk is aangesloten bij de brief van de Nederlandse minister-president van 20 december 2002. Deze brief bevat onder meer de volgende passages: “Tijdens de kabinetsformatie wordt in de gesprekken van de formateur met kandidaat-bewindspersonen nagegaan of er enig beletsel is in het heden of verleden van de kandidaat om de functie in kwestie te aanvaarden. Indien dat het geval is wordt vervolgens aan de orde gesteld of, en zo ja op welke wijze dat beletsel kan worden weggenomen. Basis voor deze gesprekken vormen tot nu toe de brieven d.d. 13 oktober 1978 en 30 maart 1983 (respectievelijk Kamerstukken II 1978–1979, 15 300, nr. 9 en Kamerstukken II, 1982–1983, 17 555 nr. 52). In de loop der jaren heeft bij iedere volgende formatie de praktijk zich verder ontwikkeld. (…) Tijdens de afgelopen formatie en het debat naar aanleiding van de regeringsverklaring is mij gebleken dat de praktijk inmiddels zover is voortgeschreden dat een hernieuwde vastlegging daarvan wenselijk is ten aanzien van de aard van de gesprekken met kandidaten, de eisen die daarin worden gesteld en de onderzoeken die ter voorbereiding daarvan worden uitgevoerd. (…) Deze brief vervangt daarmee de regelingen in de eerder genoemde brieven d.d. 13 oktober 1978 en 30 maart 1983. Met deze brief wordt tevens uitvoering gegeven aan de toezegging om te onderzoeken in hoeverre het wenselijk is om te komen tot een aanpassing van het wettelijk kader teneinde over ruimere mogelijkheden te beschikken voor het doen van onderzoek naar kandidaat-bewindspersonen (Kamerstukken II, 2001–2002, aanhangsel 1465) (…) Voorafgaand aan het gesprek van een kandidaat-bewindspersoon met de formateur vinden op verzoek van de formateur drie feitenonderzoeken plaats. De kandidaat wordt geacht met zijn kandidaatstelling hiervoor toestemming te hebben verleend. (…) Justitiële antecedenten Zoals reeds in de eerder genoemde brief d.d. 30 maart 1983 is gemeld, wordt in het justitieel documentatieregister nagegaan of er ten aanzien van de kandidaat strafrechtelijk relevante gegevens zijn. Het onderzoek beperkt zich tot afgeronde zaken die tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. (…) Overige relevante aspecten Ter afsluiting van het gesprek stelt de formateur de vraag of er overigens nog feiten zijn uit heden of verleden van de kandidaat die hij moet kennen omdat ze op enig moment van negatieve invloed kunnen worden op het functioneren van de kandidaat als bewindspersoon, dan wel het kabinet in een moeilijke situatie zouden kunnen brengen. Daarbij gaat het ten eerste om zaken die eerder bekend zijn geworden, maar die in het licht van de nieuwe verantwoordelijkheid als bewindspersoon een andere lading zouden kunnen krijgen. Ten tweede gaat het om zaken die tot nu toe onbekend zijn gebleven, niet uit de onderzoeken en het gesprek naar voren zijn gekomen, en negatieve gevolgen kunnen hebben indien ze op enig moment wel bekend worden. (…)” 20. In het zogenaamde ‘Handboek voor bewindspersonen’ is ten aanzien van de benoemingsprocedure van een bewindspersoon onder meer het volgende opgenomen: “(…) In dit handboek, in de wandelgangen ook wel ‘blauwe boek’ genoemd, is zo veel mogelijk informatie opgenomen die voor een bewindspersoon en de ambtelijke ondersteuning van belang is. (…) Voorafgaand aan het gesprek tussen de formateur en de kandidaat-bewindspersoon vinden op verzoek van de formateur drie feitenonderzoeken plaats. De kandidaat wordt geacht met zijn kandidaatstelling hiervoor toestemming te hebben verleend. Het betreft een naslag in het justitieel documentatieregister, een naslag van de algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst (AIVD) naar relevante beschikbare gegevens, en naslag in het fiscale dossier van betrokkene. Deze onderzoeken doen niets af aan de verantwoordelijkheid van de kandidaat om op eigen initiatief alle relevante feiten en omstandigheden ter sprake te brengen in het gesprek tussen kandidaat en formateur. De formateur gaat in het gesprek na of er enig beletsel is in het heden of verleden van de kandidaat om de functie te aanvaarden. Blijkt er een beletsel te zijn, dan bezien de formateur en de kandidaat of en zo ja hoe het beletsel kan worden weggenomen. (…)” 21. Een verkenning van de wet- en regelgeving op het gebied van de justitiële documentatie kan in deze vordering achterwege blijven. Ik wijs daartoe op het volgende. 22. Het justitieel onderzoek als bedoeld in art. 2 lid 1, onder a, Lvim hoeft niet beperkt te zijn tot gegevens uit het strafregister en het strafkaartensysteem van de justitiële documentatiedienst die op de desbetreffende kandidaat betrekking hebben. Weliswaar wordt in art. 3 Lvim bepaald dat de procureur-generaal informatie verstrekt ‘uit het strafregister en het strafkaartensysteem van de justitiële documentatiedienst’, maar daaraan wordt in algemene termen toegevoegd dat hij ‘[t]evens een verklaring verstrekt waaruit blijkt of de kandidaat al dan niet verdachte is of is geweest in een lopend of afgesloten strafrechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf, tenzij het belang van dat onderzoek zich daartegen verzet’. Daarbij komt dat art. 7 lid 1, onder a, Lvim bepaalt dat de kabinetsformateur geen voordracht tot de benoeming van een kandidaat doet indien die zich niet verdraagt met de uitkomst van enig in artikel 2, eerste lid, bedoeld onderzoek en voorts indien de kandidaat is veroordeeld wegens misdrijf. Die formulering laat de mogelijkheid open dat de formateur op andere wijze dan uit enig in art. 2 Lvim bedoeld onderzoek op de hoogte raakt van de veroordeling wegens misdrijf, bijvoorbeeld doordat de kandidaat daarover zelf verklaart. Uit de formulering van de bepaling volgt dat de toepasselijkheid van de grond van art. 7 lid 1, onder a, Lvim niet is beperkt tot de situatie waarin uit gegevens uit het strafregister en het strafkaartensysteem van de justitiële documentatiedienst in het kader van het justitiële onderzoek door de procureur-generaal is gebleken dat de kandidaat is veroordeeld wegens misdrijf. Alleen al daarom laat ik een bespreking van de wet- en regelgeving op het gebied van de justitiële documentatie in deze vordering achterwege. 23. Het Hof heeft vastgesteld dat het hof Amsterdam de betrokkene bij arrest van 30 mei 2002 strafbaar heeft geacht wegens het ‘als degene werkzaam in de gezondheidszorg met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en/of zorg heeft toevertrouwd ontucht plegen’ en hem geen straf of maatregel heeft opgelegd. Daarvan moet in cassatie worden uitgegaan. 24. Wel staat ter discussie of de desbetreffende uitspraak van het hof Amsterdam, waarbij de betrokkene schuldig is verklaard aan een misdrijf zonder oplegging van straf of maatregel als bedoeld in art. 9a Sr, betekent dat de betrokkene is veroordeeld wegens misdrijf als bedoeld in art. 7 lid 1, onder a, Lvim. Op de beantwoording van die rechtsvraag concentreer ik mij in het vervolg. De uitleg van de term ‘veroordeeld’ als bedoeld in art. 7 Lvim 25. Het Hof heeft aan zijn oordeel dat de betrokkene niet is veroordeeld in de zin van art. 7 Lvim ten grondslag gelegd dat een verdachte in ‘de terminologie van het Wetboek van Strafvordering en de strafkamer van de Hoge Raad’ pas wordt veroordeeld als de strafrechter in een uitspraak aan de verdachte een straf oplegt. Het Hof overweegt verder dat een dictum waarbij straf wordt opgelegd pleegt te luiden: ‘Veroordeelt de verdachte tot (…)’ en dat de strafrechter in de dicta die aan dat dictum voorafgaan niet pleegt te spreken van ‘veroordeelde’, maar van ‘verdachte’ en in de dicta die op het dictum van de strafoplegging volgen niet langer spreekt van ‘verdachte’, maar van ‘veroordeelde’. 26. Uit de overwegingen in het vonnis wordt niet duidelijk op welke bepaling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.