PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/02308 Zitting 2 april 2024 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, hierna: de verdachte. Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 13 juni 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens onder 1 primair en 2 primair “feitelijke aanranding van de eerbaarheid” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in het arrest bepaald. 2. Namens de verdachte heeft R.P. Snorn, advocaat in Heerenveen, twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel 3. Het middel bevat klachten over de bewezenverklaring onder 1 primair. Voordat ik de klachten bespreek, geef ik de bewezenverklaring en een deel van de bewijsvoering weer. 4. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat: “hij op 6 november 2018 te Groningen, door een feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het masseren/betasten, van de schaamlippen van die [slachtoffer 1], en bestaande die feitelijkheid hieruit dat verdachte opzettelijk als sportmasseur/verzorger in het kader van een behandeling/massage plotseling en onverhoeds, van die [slachtoffer 1] haar schaamlippen heeft gemasseerd/betast”. 5. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de als bewijsmiddel 2 opgenomen verklaring van de aangeefster. Dit bewijsmiddel houdt onder meer in: “V: Goed, je had je bh en T-shirt weer aan. Wat gebeurde er toen? A: Toen kwam het gesprek op de lymfdrainage. [verdachte] zei dat, als ik nog last had, we dat nu ook konden doen. Ik had eigenlijk geen last, maar dacht dat het wel kon. Ik wist dat ik alles onder uit moest doen. Dit had [verdachte] al eens eerder verteld. V: Wat was het verschil met de drainage boven of onder? A: Hij gaf dat aan. Dat de slip uit moest. Hij wilde de onderkant wel even aanpakken. Hij had al eerder verteld dat hij mogelijk mijn geslachtsdeel zou aanraken tijdens de drainage. V: Wat had hij precies aan jou verteld wat hij zou gaan doen? A: Bij mijn dijen daar, de liezen en aan de binnenkant van mijn been. Hij zou daar de lymfe masseren, de drainage. Dit was voor het vocht daaronder. V: Wat vond jij daarvan? A: Als het zou helpen, dan zou ik het doen. Als het moest, dan moest het. V: Dus je deed je broek en je slip uit. En toen? A: Ik ben op de tafel gaan zitten. Dit deed ik uit mijzelf. Ik moest van [verdachte] op een bepaalde manier gaan liggen. Ik lag op de rug. Mijn armen lagen langs mijn lichaam en ik hield mijn benen gestrekt naast elkaar. V: Wat zei [verdachte] verder? A: Hij zei eigenlijk niks, maar hij begon gewoon. V: Wat deed hij? A: Hij begon gelijk bij de dijen en in de liezen en vervolgens voelde ik dat hij zelfs aan mijn schaamlip kwam. V: Wat zei hij toen hij aan je schaamlip kwam? A: Hij zei niks en ik ook niet. V: Wat deed hij precies? A: Hij maakte met 2 vingers kleine rondjes op mijn lichaam. Dit deed hij met de wijsvinger en middelvinger. V: Op welke plaatsen kwam hij nog meer? A: Hij heeft kort in de liezen nog wat gedaan. Toen is hij naar de knie gegaan, waarom weet ik niet, en vervolgens drukte hij weer in de liezen. Toen zat hij plotseling hier, zowat op mijn clitoris. Daar maakte hij dezelfde beweging. Het was er vlak boven. (Aangeefster wijst op de onderbuik, ter hoogte van venusheuvel aan) V: Wat voelde jij toen? A: Hij maakte diezelfde draaiende bewegingen. Ik vond het helemaal niet leuk. Dat was toch niet per ongeluk? V: Hoe lang maakte hij die beweging? A: Ik denk een minuut? Ik vond hem onnodig lang daar zitten. V: Wat maakt dat zijn handelen stopte? A: Het laatste was boven mijn clitoris en toen stopte hij. V: Wat gebeurde er toen? A: Hij zei dat het klaar was. Ik ben gaan zitten. Ik mocht me aankleden dus ik had snel mijn slip en broek weer aan.” 6. Het hof heeft over de bewezenverklaring onder meer overwogen: “Voorop moet worden gesteld dat van een ontuchtige handeling sprake is bij een handeling van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm. Of een handeling als zodanig kan worden aangemerkt, hangt onder meer af van de omstandigheden van het geval, zoals de context en de verhouding tussen betrokkenen en de wijze van aanraking. Bij handelingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm wegens strijd met de sociaal-ethische norm als ontuchtig worden gekwalificeerd, kan het ontuchtige karakter hieraan komen te ontvallen op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval. Anderzijds is denkbaar dat een handeling die niet direct een ontuchtig karakter draagt, toch als zodanig wordt aangemerkt door de omstandigheden van het geval, waarbij de intentie van de dader gewicht in de schaal kan leggen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide aangeefsters heeft aangeraakt bij de schaamlippen. Deze handelingen, te weten het met de vinger draaiende bewegingen maken bij het ‘vaginale gat’ en het maken van draaiende bewegingen tussen de schaamlippen ‘in de buurt van de clitoris’, hebben naar het oordeel van het hof naar de uiterlijke verschijningsvorm een seksueel karakter en zijn in de setting van een sportmassage objectief gezien zozeer in strijd met de sociaal-ethische norm dat sprake is van ontuchtige handelingen. Gelet op de verklaringen van aangeefsters dat de bedoelde aanrakingen secondenlang duurden, (van 30 tot 40 seconden volgens [slachtoffer 2] en tot 1 minuut volgens [slachtoffer 1]) is het hof van oordeel dat er geen sprake is geweest van een toevallige aanraking, maar van bewust verrichte ontuchtige handelingen. Indien de aanrakingen per ongeluk gebeurd zouden zijn en verdachte deze aanrakingen niet zo had bedoeld en had gewild, dan had het in de rede gelegen dat verdachte meteen zijn handen had weggetrokken. Voor een dergelijke lezing bieden de verklaringen van beide aangeefsters geen enkele steun. Het tegendeel is het geval. Verdachte heeft derhalve opzet gehad op het plegen van de ontuchtige handelingen.” 7. Het middel bestaat uit twee klachten. Ik bespreek ze na elkaar. Een ontuchtige handeling? 8. De eerste klacht houdt in dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte de aangeefster door een feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van een ontuchtige handeling. 9. De steller van het middel neemt tot uitgangspunt dat uit bewijsmiddel 2 volgt dat de verdachte één keer aan de schaamlip van de aangeefster is gekomen en dat de verdachte haar heeft aangeraakt boven de clitoris, op de onderbuik of ter hoogte van de venusheuvel. Dit zou niet het aanraken of betasten van de schaamlippen zijn, en deze aanrakingen zouden in het kader van een massage of lymfedrainage niet zonder meer ontuchtig zijn. 10. Uit bewijsmiddel 2 blijkt dat de aangeefster heeft verklaard: “Hij begon gelijk bij de dijen en in de liezen en vervolgens voelde ik dat hij zelfs aan mijn schaamlip kwam.” Voor zover wordt geklaagd dat het gaat over één schaamlip en niet over de bewezenverklaarde ‘schaamlippen’ faalt de klacht bij gebrek aan belang. Voor de strafmaat maakt dat niet uit, omdat de ernst van de bewezenverklaring niet verandert. 11. Verder wordt door de steller van het middel aangevoerd dat het hof de verklaring van de aangeefster van het andere tenlastegelegde feit zou hebben betrokken bij de beantwoording van de vraag of de handelingen ontuchtig zijn, terwijl die aangifte niet iets kan zeggen over het ontuchtige karakter van de handelingen uit een andere aangifte. 12. Dit argument getuigt van een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Uit de hiervoor geciteerde bewijsoverweging in het bestreden arrest volgt dat het hof ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten van oordeel is dat sprake was van ontuchtig handelen, maar niet dat het ontuchtig handelen ten aanzien van de andere aangeefster is betrokken bij de beantwoording van de vraag of de handelingen ten aanzien van aangeefster een ontuchtig karakter hadden. 13. Voor zover verder nog wordt geklaagd over het vastgestelde ontuchtige karakter, meen ik dat uit de bewijsoverweging van het hof blijkt waarom het hof de handeling wel als ontuchtig heeft aangemerkt. Die overwegingen zijn niet onbegrijpelijk, zodat ook dit deel van de klacht faalt. Opzet? 14. De tweede klacht houdt in dat uit de bewijsvoering niet zonder meer blijkt dat de aanraking van de schaamlippen van de aangeefster ‘opzettelijk’ is begaan. Uit bewijsmiddel 2 zou volgen dat de aanraking kortstondig is geweest en dat zowel de verdachte als de aangeefster daarop niet hebben gereageerd. 15. Uit bewijsmiddel 2 blijkt over het onder 1 primair bewezenverklaarde dat de verdachte met zijn vinger draaiende bewegingen heeft gemaakt in de buurt van de clitoris en dat deze aanrakingen bijna een minuut of in ieder geval “onnodig lang” duurden. Dat het hof op basis daarvan heeft geoordeeld dat het om bewuste ontuchtige handelingen moet gaan en dat sprake is van opzet bij de verdachte, is niet onbegrijpelijk. Daarom faalt ook deze klacht. Slotsom 16. Het middel faalt. Het tweede middel 17. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 2 primair slechts steunt op de verklaring van één getuige. 18. Ten laste van de verdachte is onder 2 primair bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 1 april 2018 tot en met 31 augustus 2018 te Groningen, door een feitelijkheid, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden een ontuchtige handeling, bestaande uit het masseren/betasten van de schaamlippen van die [slachtoffer 2], en bestaande die feitelijkheid hieruit dat verdachte opzettelijk als sportmasseur/verzorger in het kader van een behandeling/massage plotseling en onverhoeds, van die [slachtoffer 2] haar schaamlippen heeft gemasseerd/betast.” 19. Het hof heeft over de bewezenverklaring onder meer overwogen: “Ten aanzien van de vraag of het wettelijk bewijsminimum is behaald, overweegt het hof als volgt. In deze zaak hebben aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten aanzien van de feiten en omstandigheden waaronder de ontuchtige handelingen plaatsvonden verklaard dat deze plaatsvonden tijdens een lymfedrainagebehandeling door verdachte. Verdachte masseerde de benen en de lies van aangeefsters en raakte hen op een gegeven moment aan in de schaamstreek. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat dit ‘zowat op de clitoris’ was en aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte haar heeft aangeraakt bij haar ‘vaginale gat’. De beide – betrouwbaar geachte – aangiftes tegen dezelfde verdachte, van ontuchtige handelingen die in een vergelijkbare context en met eenzelfde wijze van handelen van verdachte hebben plaatsgevonden, ondersteunen elkaar over en weer in bewijstechnische zin. De verklaring van [slachtoffer 1] wordt voorts nog ondersteund door de verklaring van [getuige 1]. [getuige 1] heeft verklaard dat aangeefster haar meteen na het voorval emotioneel opbelde en haar vertelde dat verdachte aan haar ‘prutje’ had gezeten. De getuige heeft verklaard: ‘Ze ([slachtoffer 1]) was van slag. Ze huilde. Ze was verdrietig. Ik had echt een hele andere [slachtoffer 1] aan de telefoon dan ik anders altijd heb.’ Belangrijk bij de betrouwbaarheid van deze getuige acht het hof ook dat zij een duidelijke herinnering heeft over wanneer zij van [slachtoffer 1] over het voorval hoorde. Het door haar beschreven moment komt overeen met wat aangeefster [slachtoffer 1] daarover heeft verklaard. Ook [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] emotioneel was toen ze hem vertelde wat haar was overkomen. [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat ze ‘gebroken’ was. De verklaring van [slachtoffer 1] vindt bovendien op onderdelen ook bevestiging in de verklaring van verdachte zelf. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte haar na de behandeling vertelde over zijn geheime vriendin en over het feit dat hij deze vriendin ‘explosieve orgasmes’ kon geven omdat hij de juiste plekken wist te vinden. Tevens heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar, op het moment dat ze weg zou gaan, vroeg of hij haar een knuffel mocht geven. Verdachte heeft deze beide voorvallen erkend. Ook heeft hij verklaard dat hij aangeefster in haar lies heeft gemasseerd terwijl zij naakt op de behandeltafel lag. Ter ondersteuning van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] bevindt zich in het dossier de verklaring van haar vriend [getuige 2]. [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] moest huilen toen ze hem vertelde over de ontuchtige handeling gepleegd door verdachte. Ook heeft [getuige 2] verklaard dat hij, vóórdat [slachtoffer 2] hem vertelde over het grensoverschrijdende gedrag van verdachte, al een verandering bij [slachtoffer 2] had geconstateerd in hun seksuele omgang, in die zin dat [slachtoffer 2] minder behoefte had. Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] en aangeefster [slachtoffer 2] in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.” 20. Het hof heeft volgens zijn bewijsoverweging het onder 2 bewezenverklaarde aangenomen op basis van de verklaringen van de aangeefster met als steunbewijs (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.