← Nederland

ECLI:NL:PHR:2024:377

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/03380 Zitting 5 april 2024 CONCLUSIE B.J. Drijber In de zaak van 1International Air Transport Association 2. Air Transport Association of America, Inc. 3. Air Canada 4. British Airways, Plc. 5. Vueling Airlines S.A. 6. En 15 anderen, eiseressen in het principaal cassatieberoep, verweersters in het incidenteel beroep, advocaten: mr. B.T.M. van der Wiel en mr. L.V. van Gardingen, tegen 1De Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat), verweerder in het principaal cassatieberoep, advocaat: mr. S.M. Kingma, 2Stichting Recht op Bescherming tegen Vliegtuighinder, verweerster in het principaal cassatieberoep, advocaat: mr. P.A. Fruytier, 3Royal Schiphol Groep N.V., verweerster in het principaal cassatieberoep, eiseres in het incidenteel beroep, advocaten: mr. J.W.M.K. Meijer en mr. F.J.L. Kaptein. INHOUDSOPGAVE Randnummers 1Inleiding en samenvatting 1.1 - 1.6 2Feiten en achtergronden 2.1 Partijen in het geding 2.2 - 2.6 Wet- en regelgeving met betrekking tot Schiphol 2.7 - 2.10 Opeenvolgende handhavingsstelsels geluidsoverlast 2.11 - 2.18 Ontwikkelingen na vaststelling van de Wijzigingswet Wlv 2.19 - 2.23 De voorgenomen Experimenteerregeling 2.24 - 2.27 3Het procesverloop Eerste aanleg 3.1 - 3.5 Hoger beroep 3.6 - 3.7 Cassatie 3.8 - 3.10 Ontwikkelingen tijdens cassatieprocedure 3.11 - 3.20 4Bespreking van het middel in het principaal beroep 4.1 - 4.3 Onderdeel 1 (toetsingsmaatstaf en doeltreffendheidsbeginsel) 4.4 - 4.21 Onderdeel 2 (strijd met art. 8.23a Wlv) 4.22 2.1 Juridisch kader art. 8.23a Wlv 4.23 - 4.29 2.2 Bespreking van de klachten 4.30 - 4.64 2.3 Slotsom onderdeel 2 4.65 Onderdeel 3 (de Geluidsverordening inclusief de aanvullende klachten) 4.66 - 4.67 3.1 Juridisch kader Geluidsverordening 4.68 - 4.77 3.2 Lezing van het bestreden arrest en belang bij de klachten 4.78 - 4.81 3.3 Bespreking van de klachten tegen rov. 4.19 4.82 - 4.102 3.4 Bespreking van de klachten tegen rov. 4.20 4.103 - 4.114 3.5 Bespreking van de klachten tegen rov. 4.21 4.115 - 4.119 3.6 Bespreking van procedurele klachten 4.120 - 4.127 3.7 Slotsom onderdeel 3 4.128 Onderdeel 4 (Verdrag van Chicago en EU-VS Open Skies Verdrag) 4.1 Inleiding 4.129 - 4.131 4.2 Juridisch kader internationale luchtvaartverdragen 4.132 - 4.146 4.3 Bespreking van de klachten 4.147 - 4.167 4.4 Slotsom onderdeel 4 4.168 Onderdeel 5 (algemene beginselen van behoorlijk bestuur) 5.1 De aangevallen overwegingen 4.169 - 4.170 5.2 Bespreking van de klachten 4.171 - 4.184 5.3 Slotsom onderdeel 5 4.185 Onderdeel 6 (de vorderingen jegens RSG) 6.1 Inleiding 4.186 - 4.187 6.2 Bespreking van de klachten 4.188 - 4.198 6.3 Slotsom onderdeel 6 4.199 - 4.200 Onderdeel 7 (belangenafweging) 7.1 Aangevallen overwegingen 4.201 - 4.202 7.2 Juridisch kader belangenafweging kort geding 4.203 - 4.207 7.3 Bespreking van de klachten 4.208 - 4.218 7.4 Slotsom onderdeel 7 4.119 - 4.220 5Bespreking van het middel in het incidenteel cassatieberoep Inleiding 5.1 - 5.2 Bespreking van de klachten 5.3 - 5.11 Slotsom incidenteel cassatieberoep 5.12 6Conclusie Partijen worden hierna gezamenlijk aangeduid als IATA c.s. respectievelijk Staat c.s. en de afzonderlijke verweerders respectievelijk als de Staat, de Stichting en RSG. Verder wordt eiseres onder 1 individueel aangeduid als IATA en eiseres onder 2 als A4A. 1Inleiding en samenvatting 1.1 Dit kort geding gaat over ‘de krimp’ van Schiphol. De Staat wil met het oog op de belangen van omwonenden de geluidbelasting van de luchthaven terugbrengen. De Staat wil daartoe (

  1. i)met een experiment tijdelijk afwijken van de huidige regelgeving, ter voorbereiding van nieuwe regelgeving, en (
  2. ii)het gedogen van overschrijdingen van de wettelijk vastgelegde normen beëindigen. Partijen uit de luchtvaart, IATA c.s., zijn daartegen opgekomen. 1.2 In geschil is of een verbod moet worden opgelegd aan de Staat (en RSG) om de twee voorgenomen maatregelen door te voeren. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland wees de door IATA c.s. gevorderde voorzieningen toe. Het experiment kan niet worden ingevoerd zonder dat de in de Europese Verordening 598/2014 voorgeschreven procedure (‘evenwichtige benadering’ of ‘balanced approach’) is gevolgd. De voorzieningenrechter verbood ook het beëindigen van het gedogen. Aan RSG werd het verbod opgelegd om gevolg te geven aan de twee voorgenomen maatregelen van de Staat. 1.3 In een door de Staat geïnitieerd spoedappel heeft het hof Amsterdam de vorderingen van IATA c.s. alsnog afgewezen. De balanced approach hoeft volgens het hof bij een experiment als hier aan de orde niet te worden gevolgd. Er doet zich geen strijd voor met nationale, Europese of internationale wet- en regelgeving. Het hof heeft daarom het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd. Die vernietiging gold ook voor zover dat vonnis was gewezen in de verhouding tussen IATA c.s. en RSG, terwijl alleen de Staat appel had ingesteld. Er is volgens het hof niet een processueel ondeelbare rechtsverhouding. 1.4 IATA c.s. hebben cassatieberoep ingesteld. De kern van hun betoog is dat zich wel degelijk een inbreuk op nationale, Europese en internationale regels voordoet. Voor de Europese regels beroepen zij zich onder andere op een brief van de Europees Commissaris voor Transport, die dateert van na het arrest van het hof. RSG betoogt in een (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep dat wél sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. 1.5 Het principaal cassatieberoep van IATA c.s. slaagt. De voorgenomen Experimenteerregeling kan niet worden gerealiseerd omdat daarvoor een toereikende wettelijke grondslag ontbreekt (onderdeel 2). Ook moet de balanced approach worden gevolgd. De Europese verordening waarin de balanced approach is vastgelegd biedt geen aanknopingspunt om een tijdelijke maatregel zoals de voorgenomen Experimenteerregeling daarvan uit te zonderen (subonderdeel 3.2). De balanced approach is van toepassing op exploitatiebeperkingen als gevolg van geluidsgerelateerde ‘acties’, zodat ook andere maatregelen dan wettelijke maatregelen daaronder kunnen vallen. Het stoppen met gedogen is als een dergelijke ‘actie’ aan te merken omdat al geruime tijd wordt uitgegaan van andere normen dan de wettelijke normen waarvan de overtreding wordt gedoogd (subonderdeel 3.7). Om die redenen stel ik voor het bestreden arrest te vernietigen. 1.6 Het incidenteel cassatieberoep van RSG faalt wegens gebrek aan belang. 2Feiten en achtergronden 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Partijen in dit geding 2.2 IATA (eiseres in het principaal cassatieberoep, sub 1) is een door luchtvaartmaatschappijen opgerichte niet-gouvernementele internationale handelsorganisatie. Haar activiteiten bestaan onder meer uit het behartigen van de belangen van luchtvaartmaatschappijen en het ontwikkelen van wereldwijde commerciële normen voor de luchtvaartindustrie. 2.3 A4A (eiseres in het principaal cassatieberoep, sub 2) is een non-profit organisatie die de belangen van de (Noord-Amerikaanse) luchtvaartindustrie behartigt. 2.4 Eiseressen in het principaal cassatieberoep sub 3 t/m sub 20 zijn luchtvaartmaatschappijen. Eiseres sub 8 (Federal Express Corporation) doet ook aan vrachtvervoer. 2.5 De Stichting komt op voor de belangen van omwonenden van de luchthaven Schiphol die negatieve effecten van het vliegverkeer ondervinden. 2.6 RSG is de exploitant van de luchthaven Schiphol. Wet- en regelgeving met betrekking tot Schiphol 2.7 Schiphol is een zogenoemde slotgecoördineerde luchthaven. Luchtvaartmaatschappijen mogen alleen van of naar Schiphol vliegen indien zij een ‘slot’ toegewezen hebben gekregen. Airport Coordination Netherlands (hierna: ACNL) is een zelfstandig bestuursorgaan belast met de allocatie en monitoring van slots volgens de systematiek van Verordening EEG/95/93 (hierna: de Slotverordening). 2.8 Art. 6 lid 1 Slotverordening verplicht de lidstaten ervoor te zorgen dat de parameters voor de toewijzing van slots tweemaal per jaar worden vastgesteld. Deze verantwoordelijkheid is geattribueerd aan RSG, die in een capaciteitsdeclaratie de beschikbare capaciteit vaststelt. RSG stelt in maart van een kalenderjaar de beschikbare capaciteit vast voor het eerstvolgende winterseizoen (van 1 november t/m 30 april) en in september voor het eerstvolgende zomerseizoen (van 1 mei t/m 31 oktober). Beide seizoenen samen worden aangeduid als het ‘gebruiksjaar’, dat loopt van 1 november t/m 31 oktober. RSG stelt de capaciteitsdeclaratie vast ná consulatie van de luchtvaartmaatschappijen en van Luchtverkeersleiding Nederland. Die consultatie vindt plaats in het Coordination Committee Netherlands (hierna: CCN). Na de capaciteitsdeclaratie kan ACNL slots toewijzen aan luchtvaartmaatschappijen. 2.9 De Wet Luchtvaart (hierna: Wlv) reguleert het luchtverkeer van en naar Schiphol. Op grond van art. 8.15 Wlv is het Luchthavenverkeersbesluit Schiphol (hierna: LVB 2008) vastgesteld. Het LVB bevat onder meer: beperkingen voor het gebruik van het stelsel van (vijf) banen voor opstijgen en landen (art. 3.1.5), de grenswaarden voor de geluidbelasting in bepaalde ‘handhavingspunten’ (§ 4.2) en een beperking van het aantal vliegtuigbewegingen in de nacht (art. 4.2.3a). Het LVB bevat niet een expliciete beperking van het aantal toegestane vliegtuigbewegingen (afgekort: vtb’
  3. s)van en naar Schiphol. 2.10 Het stelsel voor geluidbelasting is in hoge mate bepalend voor het maximale aantal vliegtuigbewegingen waarvan RSG kan uitgaan bij het vaststellen van de beschikbare capaciteit, en daarmee voor het aantal vluchten waarvan ACNL kan uitgaan voor de slots. Opeenvolgende handhavingsstelsels geluidsoverlast 2.11 Het in het LVB 2008 neergelegde stelsel werd als inflexibel ervaren en leidde in de praktijk tot ongewenste effecten, met name omdat in sommige handhavingspunten de geldende grenswaarden snel werden overschreden, terwijl in andere handhavingspunten nog (veel) 'geluidsruimte' beschikbaar bleef en ook omdat vanwege dreigende overschrijdingen bij de voorkeursbaan moest worden uitgeweken naar een baan met meer ‘geluidgehinderden’. Tegen deze achtergrond is in 2007 aan de zogeheten 'Alderstafel' gevraagd om advies uit te brengen over door te voeren verbeteringen van het normen- en handhavingsstelsel ten aanzien van geluidhinder rond Schiphol. De Alderstafel is een overlegorgaan waarin vertegenwoordigers van de luchtvaartsector, lokale bestuurders en bewoners uit de omgeving van Schiphol zitting hebben. Dit overlegorgaan besprak de geluidshinder, luchtverontreiniging en de veiligheid rond Schiphol. Het was een mooi voorbeeld van ‘polderen’ om tot compromissen te komen die op breed draagvlak kunnen rekenen. 2.12 Aan de Alderstafel is het zogenoemde Nieuw Normen- en Handhavingsstelsel (hierna: NNHS) ontwikkeld. NNHS bestaat uit vier kernelementen: 1) een maximum aantal vliegtuigbewegingen van (aanvankelijk) 510.000 per jaar; 2) regels voor 'strikt preferentieel baangebruik’, wat betekent dat de geluidspreferente baancombinaties zoveel mogelijk gebruikt worden en daarbinnen het verkeer zoveel mogelijk op de meest preferente baan wordt afgehandeld zodat per saldo de minste geluidsoverlast ontstaat; 3) de gelijkwaardigheidscriteria als handhaafbare grenswaarden voor onder meer de geluidbelasting; en 4) de introductie van een Maximale Hoeveelheid Geluid als grenswaarde. Voor deze zaak zijn met name de elementen 1) en 2) van belang. 2.13 Nadat van 1 november 2010 tot 1 november 2012 is geëxperimenteerd met het NNHS heeft de Alderstafel op 1 oktober 2013 daarover een positief eindadvies uitgebracht. Vervolgens is de wettelijke verankering van het NNHS ter hand genomen. Daarvoor dienden de Wlv en het LVB 2008 te worden gewijzigd dan wel vervangen. In onder meer de Memorie van Toelichting van het in december 2014 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Wlv wordt een plafond van 510.000 vliegtuigbewegingen per gebruiksjaar genoemd. Bij de Memorie van Toelichting was – ter informatie – een ontwerp LVB gevoegd waarin, een maximum aantal werd vastgelegd op 510.000, terwijl dat aantal in het LVB 2008 op 410.000 lag. 2.14 Vanaf 2013 is RSG in de halfjaarlijkse capaciteitsdeclaraties uitgegaan van de uitkomst van de Alderstafel en dus niet langer van het LVB 2008. 2.15 In 2015 heeft de Alderstafel wederom advies uitgebracht. Hierin is onder meer de dagnorm voor de vierde baan verhoogd van 60 naar 80 vliegtuigbewegingen. Ter compensatie is de limiet van 510.000 vliegtuigbewegingen per jaar iets teruggebracht naar 500.000. Naar aanleiding hiervan werd aan de Tweede Kamer meegedeeld dat ook in het ontwerp voor het nieuwe LVB de beschikbare capaciteit zou worden gewijzigd in maximaal 500.000 vliegtuigbewegingen tot en met 2020. 2.16 In 2015 is ook het zogenoemde anticiperend handhaven ingegaan. Dit houdt in dat de toezichthouder op de luchtvaart, de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) geen sancties oplegt bij overschrijding van de geluidsgrenswaarden op vaste handhavingspunten, zoals opgenomen in het LVB 2008, als die overschrijding het gevolg is van strikt preferentieel baangebruik overeenkomstig het NNHS. Daarmee werd geanticipeerd op een wettelijke verankering van de normen van het NNHS. Tot die tijd zouden de wettelijke grensnormen uit het LVB 2008 niet worden gehandhaafd. In september 2015 heeft de staatssecretaris aan de Tweede Kamer hierover het volgende bericht: “Tot het moment waarop het nieuwe normen- en handhavingsstelsel in de Wet Luchtvaart en onderliggende regelgeving definitief van kracht is, zal – uitgaande van een voorspoedige wetsbehandeling – bij overschrijding van de grenswaarden in de handhavingspunten anticiperend gehandhaafd worden. […]” 2.17 Feitelijk komt anticiperend handhaven neer op het gedogen van de niet-naleving van de geldende normen in het zicht van legalisatie. Zoals we zullen zien, laat ‘legalisatie’ echter bijzonder lang op zich wachten. Zo lang een norm van het NNHS niet is opgenomen in geldende wetgeving, kan die norm niet door de ILT worden gehandhaafd omdat niet-naleving van een niet in de wet opgenomen norm geen overtreding oplevert. Gevolg is dat een belanghebbende niet een aanvraag tot handhaving van het NNHS kan indienen bij de ILT. De rechtspositie van de omwonenden is daarom gebrekkig te noemen. 2.18 In haar in 2.16 geciteerde brief ging de staatssecretaris uit “van een voorspoedige wetsbehandeling”. Dat is ook gelukt: het voorstel tot wijziging van de Wlv is namelijk in 2016 aangenomen en in het Staatsblad gepubliceerd, met in art. V de standaardbepaling dat inwerkingtreding zal plaatsvinden op een bij KB te bepalen datum. De inwerkingtreding van deze wetswijziging zou echter een heel ander verhaal worden. Op dit moment, acht jaar na vaststelling van genoemde wet, is er nog steeds geen datum voor inwerkingtreding bepaald omdat het om diverse redenen niet mogelijk is gebleken een nieuw LVB vast te stellen. Ontwikkelingen na de vaststelling van de Wijzigingswet Wlv 2.19 In 2016 en 2020 zijn milieu effect rapportages (MER) uitgebracht ten behoeve van een ontwerp LVB ter uitvoering van het NNHS (hierna: LVB-NNHS) en in 2021 is de voorhangprocedure voor het LVB-NNHS gestart. Het ontwerp bepaalt in art. 4.1.1: “Op de luchthaven Schiphol vinden maximaal 500.000 vliegtuigbewegingen met handelsverkeer per gebruiksjaar plaats.” 2.20 In het regeerakkoord van 10 oktober 2017 (kabinet-Rutte III) was vastgelegd dat het beleid ter zake van Schiphol wordt gewijzigd en de focus zal worden gelegd op hinderbeperking en kwaliteit van de leefomgeving en luchtkwaliteit in plaats van op aantallen vliegtuigbewegingen. In het Actieplan Schiphol 2018-2023 van 28 augustus 2018 staat dat na 2020 het 50/50-beginsel – milieuwinst komt voor 50% ten goede aan de omgeving en voor 50% aan groei van het luchtvaartverkeer – wordt geëvalueerd en dat de focus wordt gelegd op hinderbeperking in plaats van het aantal vliegtuigbewegingen. Ter uitwerking van het regeerakkoord is in november 2020 de Luchtvaartnota 2020-2050 gepubliceerd. Daarin is onder meer vastgelegd dat gaat worden gewerkt aan de herziening van het luchtruim met als doel een nauwkeuriger gebruik van vliegroutes en van preferente minimale vlieghoogten zodat geluidoverlast wordt beperkt. 2.21 In april en november 2021 liet de minister aan de Tweede Kamer weten dat het nog steeds het doel is om het LVB NNHS op zo kort mogelijke termijn wettelijk te verankeren, maar dat dit door de samenloop met de procedure voor het verkrijgen van een natuurvergunning voor Schiphol nog enige tijd kan duren. In een brief van 19 april 2021 aan de Tweede Kamer wordt onder meer het volgende vermeld: “[…] Dit [invoering LVB NNHS, A-G] is belangrijk omdat er anders sprake blijft van een rechtsvacuüm waarbij wel volgens de regels van het NNHS inclusief de maximale capaciteit van 500.000 vliegtuigbewegingen wordt gevlogen, maar dit niet formeel in wet- en regelgeving is verankerd. Het beëindigen van het anticiperend handhaven is dus noodzakelijk om de rechtspositie van de omwonenden te verbeteren en vanwege rechterlijke uitspraken hierover.” 2.22 In het Coalitieakkoord van december 2021 (kabinet-Rutte IV) werd aangekondigd te gaan zoeken naar een betere balans tussen de diverse betrokken belangen bij Schiphol. Per brief van 24 juni 2022 (hierna: de hoofdlijnenbrief) heeft de minister aan de Tweede Kamer onder meer het volgende medegedeeld (onderstreping hier en hierna in deze conclusie steeds door mij toegevoegd, tenzij anders staat vermeld): “Om een nieuwe balans te kunnen vinden tussen het belang van een internationale luchthaven voor Nederland en de kwaliteit van de leefomgeving, specifiek voor omwonenden, heeft het kabinet de afgelopen maanden een brede afweging van verschillende publieke belangen gemaakt (…) In het kader van het belang van omwonenden heeft het kabinet met voorrang gekeken naar de geluidshinder rond de luchthaven. Voor het brede publieke belang van Schiphol is gekeken naar het aantal vluchten dat nodig is om het hoogwaardige netwerk aan bestemmingen wereldwijd te behouden, waarmee de luchthaven van waarde is voor de economie en bedrijvigheid in Nederland. Het kabinet kiest op basis van de belangenafweging voor het terugdringen van overlast ten opzichte van de periode voor het begin van de COVID-19 pandemie, het beëindigen van het anticiperend handhaven en een adequate verbondenheid van Nederland met de rest van de wereld. Dit resulteert in een reductie van het maximum aantal toegestane vliegtuigbewegingen van en naar Schiphol tot 440.000 per jaar, in plaats van de 500.000 vliegtuigbewegingen die in het ontwerp-Luchthavenverkeerbesluit (LVB) waren opgenomen en die in de praktijk al werden gerealiseerd voordat de COVID-19 pandemie uitbrak. Een vermindering van het aantal vliegtuigbewegingen leidt tot minder geluidbelasting en minder emissies van CO2, stikstof, (ultra)fijnstof en andere schadelijke stoffen. (…) Hoewel de reductie van geluidsoverlast het uitgangspunt (en voor de meeste omwonenden ook het gevolg) is van het NNHS, leidt anticiperend handhaven ertoe dat de rechtspositie van omwonenden op het gebied van geluidshinder al geruime tijd niet goed is gereguleerd. Omwonenden kunnen zich niet beroepen op geluidsnormen die juridisch correct zijn vastgesteld en ook worden gehandhaafd. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft hier eerder aandacht voor gevraagd. Het raakt met name een aantal omwonenden die, in afwijking van de meerderheid, is geconfronteerd met extra geluidsoverlast. Het kabinet streeft daarom al jaren naar het vastleggen van het NNHS in het LVB, zodat het anticiperend handhaven op Schiphol kan worden beëindigd. Vastlegging in een te wijzigen LVB laat echter, als gevolg van het ontbreken van een natuurvergunning voor Schiphol, in de tijd nog steeds op zich wachten. Het kabinet is daarom van mening dat het belangrijk is om – vooruitlopend op een gewijzigd LVB – een einde te maken aan de gebrekkige rechtspositie van omwonenden. Dat betekent dat het kabinet zal stoppen met anticiperend handhaven in combinatie met het voortzetten van het strikt preferentieel baangebruik. (…) Uit het oogpunt van zorgvuldigheid, is het streven het anticiperend handhaven met ingang van het IATA-winterseizoen 2023/2024 te beëindigen. (…) - Vooruitlopend op het te wijzigen LVB en de natuurvergunning wil ik via een ministeriële regeling, het nieuwe maximum van 440.000 vliegtuigbewegingen, de strikte regels voor preferentieel baangebruik en de slotreductie vastleggen, met het doel dat de ILT hierop kan handhaven. (…) Het proces dat conform de EU-regelgeving voor capaciteitsbeperkingen moet worden doorlopen voor zowel de wijziging van het LVB als voor tussentijdse stappen, betreft de hierboven genoemde Balanced Approach. Deze Europees vastgestelde procedure voorziet in een consultatie- en kennisgevingsproces ten aanzien van een exploitatiebeperkende maatregel die een effect heeft op het omgevingsgeluid. Het kabinet vindt het van groot belang dat alle belanghebbenden, waaronder de luchtvaartsector, worden geconsulteerd en zal dit proces daarvoor aangrijpen. (…) In plaats van de situatie waarin Schiphol kon groeien tot boven de 500.000 vluchten, zal de luchthaven daar nu ruim onder blijven. Hiermee wordt invulling gegeven aan de afspraak uit het regeerakkoord en aan de motie Kröger e.a.” 2.23 Samengevat omvat het in de hoofdlijnenbrief voorgestelde beleid drie sporen: 1. Het beëindigen van het anticiperend handhaven in combinatie met het voorstellen van strikt preferentieel baangebruik; 2. Het vastleggen van een lager maximum aantal vliegtuigbewegingen in een gewijzigd LVB; en 3. De ontwikkeling van een nieuw normenstelsel voor de ‘milieugebruiksruimte’. Voor deze zaak is spoor 1 relevant. Het beëindigen van het anticiperend handhaven en de vaststelling van de Experimenteerregeling vormen samen spoor 1. De voorgenomen Experimenteerregeling 2.24 Van 26 januari 2023 tot 23 februari 2023 heeft de minister ter consultatie voorgelegd een ontwerp van de 'Tijdelijke regeling strikt preferentieel baangebruik Schiphol’ (hierna: de voorgenomen Experimenteerregeling). 2.24.1 De voorgenomen Experimenteerregeling zou gaan gelden voor het gebruiksjaar 2024 (dat loopt van 1 november 2023 tot 1 november 2024) en bevat (in artikel 2) ten opzichte van het LVB 2008 nieuwe grenswaarden voor de geluidbelasting. In artikel 4 en bijlage 1 zijn regels opgenomen voor het strikt preferentieel baangebruik door handelsverkeer, met de toevoeging dat van die regels kan worden afgeweken indien door de toepassing daarvan de geluidgrenswaarden zouden worden overschreden. 2.24.2 Artikel 3 ('Doel') bepaalt: “Deze regeling heeft tot doel om voor het gebruiksjaar 2024 tijdelijk de regels voor strikt preferentieel baangebruik van het nieuwe normen- en handhavingstelsel voor Schiphol vast te leggen, uit te voeren met inachtneming van de vervangende grenswaarden voor de geluidbelasting in de handhavingspunten, bedoeld in artikel 2, binnen de criteria voor gelijkwaardige bescherming van de omgeving, op grond van artikel 8.17, zevende lid, van de wet, zodat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de parameters overeenkomstig artikel 6 van de Slotverordening vanaf het winterseizoen 2023/2024 en uitvoeringstechnische problemen kunnen worden gesignaleerd.” 2.24.3 Artikel 6 ('Gevolgen') luidt: “De combinatie van de grenswaarden voor de geluidbelasting in de handhavingspunten, bedoeld in artikel 2, en de regels voor strikt preferentieel baangebruik door handelsverkeer, bedoeld in artikel 4, geeft ruimte voor maximaal 460.000 vliegtuigbewegingen handelsverkeer waarvan 32.000 in de nacht, en een opslag van 2,5 procent geluidbelasting voor general aviation. Bij het vaststellen van de parameters, bedoeld in artikel 3, wordt rekening gehouden met die grenswaarden en regels.” 2.25 Per sommatiebrieven van 1 maart 2023 hebben IATA c.s. aan de minister gevraagd te bevestigen dat hij niet zal overgaan tot vaststelling van de voorgenomen regeling en aan RSG gevraagd te bevestigen dat zij geen rekening zal houden met de voorgenomen regeling bij het opstellen van haar capaciteitsdeclaratie voor het winterseizoen 2023-2024. 2.26 Op 3 maart 2023 hebben de minister en RSG bericht geen gehoor te zullen geven aan de sommaties. 2.27 In maart 2023 is het 'Consultatiedocument van belanghebbenden balanced approach-procedure Schiphol' gepubliceerd. Dat document vormt een onderdeel van ‘spoor 2’. Er worden daarin voor de periode na het aflopen van de Experimenteerregeling verschillende scenario’s genoemd. Eén daarvan houdt in dat 500.000 vliegtuigbewegingen per jaar mogelijk zijn, met een vermindering van het aantal nachtvluchten. De twee andere scenario’s gaan uit van een maximaal aantal vliegtuigbewegingen van 440.000 per jaar. 3Het procesverloop Eerste aanleg 3.1 Bij dagvaardingen van 6 maart 2023 zijn eiseressen in cassatie sub 1 t/m 8 respectievelijk eiseressen in cassatie sub 10 t/m 14 (hierna: KLM c.s.) kortgedingprocedures gestart bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de voorzieningenrechter) tegen de Staat en tegen RSG. De vorderingen strekken – samengevat – ertoe dat op straffe van een dwangsom (
  4. i)de Staat wordt verboden om de voorgenomen Experimenteerregeling dan wel een gelijksoortige experimenteerregeling vast te stellen en om het ‘anticiperend handhaven' te (doen) beëindigen en dat (
  5. ii)RSG wordt verboden om voor Schiphol enige capaciteitsdeclaratie in te dienen met een capaciteit van minder dan 500.000 vliegtuigbewegingen, waarvan 32.000 in de nacht. 3.2 Diverse partijen hebben voeging dan wel tussenkomst gevorderd. Bij vonnis van 14 maart 2023 zijn deze incidentele vorderingen toegewezen. 3.3 Bij vonnis van 5 april 2023 (hierna: het vonnis) heeft de voorzieningenrechter de vorderingen (in beide zaken) grotendeels toegewezen. De getroffen voorzieningen komen erop neer dat het de Staat is verboden om voor het gebruiksjaar november 2023 tot en met oktober 2024: - de voorgenomen Experimenteerregeling dan wel een regeling die daar substantieel op lijkt vast te stellen en te (doen) handhaven; - het 'anticiperend handhaven' te (doen) stoppen dan wel te gaan handhaven op basis van de geluidsnormen onder het LVB 2008 zonder dat eerst de balanced approach als bedoeld in Verordening (EU) 598/2014 (de Geluidsverordening) is gevolgd; - (in de zaak van KLM c.s.) een regeling vast te stellen op grond van art. 8.23a Wlv die direct of indirect tot gevolg heeft, of waarmee wordt beoogd, dat de capaciteit van de luchthaven (in de zin van het aantal toegestane vliegtuigbewegingen en/of het aantal te alloceren slots) wordt beperkt tot onder 500.000 vliegtuigbewegingen; en - andere handelingen te verrichten die direct of indirect tot gevolg hebben, of waarmee wordt beoogd, dat de capaciteit van de luchthaven Schiphol voor het winterseizoen 2023-2024 wordt beperkt zonder dat eerst de balanced approach is gevolgd. De jegens RSG toegewezen vorderingen komen erop neer dat het RSG is verboden om bij enige capaciteitsdeclaratie voor het gebruiksjaar november 2023 tot en met oktober 2024 gevolg te geven aan enige door de voorzieningenrechter verboden handeling of maatregel vanwege de Staat en/of een aantal lager dan 500.000 toegestane vliegtuigbewegingen en/of te alloceren slots te declareren. 3.4 Aan deze beslissingen heeft de voorzieningenrechter, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat de voorgenomen Experimenteerregeling een capaciteitsbeperking zal inhouden en dat invoering ervan zonder dat een balanced approach-procedure is doorlopen in strijd is met de Geluidsverordening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de voorgenomen Experimenteerregeling daarom, indien zij wordt vastgesteld, onmiskenbaar onverbindend. Dit geldt ook voor het voornemen van de Staat om te stoppen met het anticiperend handhaven. 3.5 Na het vonnis heeft RSG de capaciteitsdeclaraties voor het winterseizoen 2023-2024 afgegeven (op 189.550 vliegtuigbewegingen). Zij is daarbij uitgegaan van een maximum van 483.000 vliegtuigbewegingen voor het hele gebruiksjaar 2023-2024. Hoger beroep 3.6 Bij spoedappeldagvaarding (met grieven) van 1 mei 2023 is de Staat bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen van het eindvonnis. De Staat heeft RSG als partij in het geding opgeroepen (art. 118 lid 1 Rv jo. art. 353 lid 1 Rv). De Stichting heeft voeging aan de zijde van de Staat gevorderd (art. 217 lid 1 Rv jo. art. 353 lid 1 Rv). Deze incidentele vordering is toegewezen bij incidenteel arrest van 23 mei 2023. 3.7 Bij arrest van 7 juli 2023 (hierna: het bestreden arrest) heeft het hof het eindvonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende de tegen de Staat en tegen RSG ingestelde vorderingen afgewezen. Samengevat heeft het hof het volgende geoordeeld. 3.7.1 Het hof stelt het volgende voorop. Het is bevoegd van de vorderingen kennis te nemen. IATA c.s. zijn voor deze vorderingen aangewezen op de civiele rechter in kort geding. Er is ook in hoger beroep voldoende spoedeisend belang. Anders dan IATA c.s. betogen heeft de Staat belang bij vernietiging van het eindvonnis. (rov. 4.5 t/m 4.8) 3.7.2 Het hof formuleert vervolgens de aan te leggen toetsingsmaatstaf. De voorgenomen Experimenteerregeling en het voornemens te stoppen met anticiperend handhaven zijn beleidsmatige beslissingen van de Staat of zij vloeien daaruit voort. Alleen als evident is dat de Staat onjuiste keuzes heeft gemaakt en de Staat dus in redelijkheid niet voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen, of wanneer de Staat een bevoegdheid aanwendt zonder dat daarvoor in de gegeven omstandigheden een wettelijke grondslag bestaat of waarmee in strijd wordt gehandeld met het Unierecht, is plaats voor rechterlijk ingrijpen. De rechter in kort geding heeft slechts bij een onmiskenbaar onverbindende regeling de bevoegdheid om de betreffende bepalingen buiten werking te stellen dan wel het uitvaardigen daarvan (op voorhand) te verbieden. (rov. 4.11) 3.7.3 Het hof overweegt daarna dat de voorgenomen Experimenteerregeling die toetsing doorstaat. De beoogde regeling is niet onmiskenbaar in strijd met art. 8.23a Wlv. Het gaat in beginsel om een experiment in de zin van dit artikel waarvan de duur vooralsnog beperkt tot één jaar. Voorshands wordt geen misbruik gemaakt van art. 8.23a Wlv. Daarbij sluit het hof niet de ogen voor de toelichting die de minister aan de Tweede Kamer heeft gegeven, die inderdaad grond geeft voor zorg aangaande de zuiverheid van de motieven, maar dat volstaat niet voor een onverbindendverklaring. Anders dan IATA c.s. betogen, legt de voorgenomen Experimenteerregeling geen aantallen vliegtuigbewegingen op, maar enkel grenswaarden voor de geluidbelasting, in combinatie met regels voor het strikt preferentieel baangebruik. (rov. 4.12 t/m 4.14) 3.7.4 Het hof beoordeelt vervolgens of de voorgenomen Experimenteerregeling kan worden aangemerkt als een ‘exploitatiebeperking’ in de zin van de Geluidsverordening. Het hof kan in dit kort geding geen antwoord geven op de vraag of de beoogde Experimenteerregeling per saldo en feitelijk de toegang tot de luchthaven beperkt dan wel de operationele capaciteit van vermindert in de zin van art. 2 sub 6 van de Geluidsverordening. Dit zou nader onderzoek vergen. Het antwoord op deze vraag is voor de beslissing echter niet bepalend, omdat het hier gaat om een tijdelijk en kortdurend experiment ter voorbereiding van eventuele aanpassingen van het op de nieuwe Wlv te baseren Luchtvaartbesluit waarvoor de Staat wél voornemens is om de balanced approach-procedure te volgen. De bewoordingen, de doelstellingen en de systematiek van de Geluidsverordening verzetten zich niet tegen de invoering van een Experimenteerregeling als de onderhavige zonder dat daarbij eerst de balanced approach-procedure wordt doorlopen. Er is op dit moment dus geen evidente strijd met de Geluidsverordening. (rov. 4.19) 3.7.5 Het hof gaat daarna in op de vraag of het stoppen met anticiperend handhaven en in plaats daarvan het voornemen om in de wetgeving vastgelegde grenswaarden voor de geluidbelasting te gaan handhaven, kan worden aangemerkt als een ‘exploitatiebeperking’ in de zin van de Geluidsverordening. Dat is niet het geval. Deze verordening houdt geen verplichting in om met betrekking tot voorgenomen handhavingsmaatregelen of -beleid de balanced approach-procedure te doorlopen. Bovendien voorziet art. 14 van de Geluidsverordening in het respecteren van reeds op 13 juni 2016 bestaande geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen. Het NNHS vormt niet het uitgangspunt om te kunnen bepalen of sprake is van een nieuwe exploitatiebeperking. Een gedoogsituatie is naar zijn aard tijdelijk en bovendien is deze situatie in strijd met verschillende Unierechtelijke voorschriften. (rov. 4.20 en 4.21) 3.7.6 Daarna toetst het hof nog andere gronden die voor de onverbindendheid van de voorlopige Experimenteerregeling waren aangevoerd. 3.7.7 Met betrekking tot de gestelde strijd met het Verdrag van Chicago inzake de burgerluchtvaart en het Open Skies Verdrag tussen de EU en de VS merkt het hof op dat het hier gaat om een experiment van een jaar. Het is algemeen geaccepteerd dat tijdelijke maatregelen zo nu en dan genomen moeten worden (zoals in tijden van pandemie, natuurverschijnselen, etc.) niet snel geïnterpreteerd dienen te worden als verdragsschendingen. Er is geen sprake van een evidente verdragsschending. (rov. 4.22), 3.7.8 De voorgenomen Experimenteerregeling en het stoppen met anticiperend handhaven komen voorts niet in strijd met de Slotverordening. Deze verordening regelt niet de beschikbare capaciteit, maar schrijft alleen een procedure voor met het oog op de verdeling van de beschikbare capaciteit. (rov. 4.23) 3.7.9 Er is tot slot ook geen strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Aan het onderhavige gedoogbeleid kan slechts in zeer bijzondere omstandigheden het vertrouwen worden ontleend dat dit voor onbepaalde tijd zal voortduren. Die zeer bijzondere omstandigheden ontbreken. De Staat heeft in dit kader terecht gewezen op het rechtsstatelijk beginsel dat hij gehouden is geldende rechtsregels te handhaven, zeker als belanghebbenden dat verzoeken. Dat neemt niet weg dat een behoorlijk handelende overheid niet zomaar kan stoppen met een reeds jaren gevoerd beleid. Dat IATA c.s. daar aanzienlijk nadeel van kunnen ondervinden is aannemelijk. Toch staat ook dat niet in de weg aan de voorgenomen Experimenteerregeling en het stoppen met het anticiperend handhaven. De Staat is immers, inmiddels, van plan deze maatregelen pas per 31 maart 2024 in te voeren. Tot dan wordt het huidige gedoogbeleid voortgezet. Die overgangsperiode maakt de beëindiging voldoende evenwichtig en dit brengt ook mee dat de luchtvaartmaatschappijen niet onevenredig benadeeld worden. De Staat heeft de verplichting alle belangen tegen elkaar af te wegen en heeft daarin beleidsvrijheid. Tegenover de belangen van IATA c.s. staan onder andere de belangen van de omwonenden, waarbij zwaar weegt dat omwonenden nu geen beroep kunnen doen op rechtsbescherming via het bestuursrecht. (rov. 4.24 t/m 4.28) 3.7.10 Het vonnis is niet onherroepelijk geworden jegens RSG. Er is weliswaar geen sprake van een in processuele zin ondeelbare rechtsverhouding, maar RSG is door de Staat in het geding opgeroepen op grond van art. 118 Rv. Voormelde oordelen van het hof (jegens de Staat) dienen consequenties te hebben voor de veroordeling van RSG, omdat zij zich heeft te houden aan de door de Staat vast te stellen regelingen. Ook jegens RSG wordt het eindvonnis in beginsel vernietigd. Het is niet mogelijk om, voorshands, vast te stellen welke gevolgen de vernietiging heeft als het gaat om het aantal toegelaten vliegbewegingen. (rov. 4.30 t/m 4.32) 3.7.11 In de laatste plaats oordeelt het hof dat een belangenafweging niet tot een andere uitkomst leidt. Het hof gaat ervan uit dat de Staat daadwerkelijk haast zal maken met het afronden van de balanced approach-procedure zodat zo snel mogelijk een nieuw LVB kan worden vastgesteld. De vrees van een aantal luchtvaartmaatschappijen dat zij ernstige schade zullen ondervinden wordt vermoedelijk bewaarheid. Dat is echter niet voldoende voor een andere belangenafweging, ook niet in combinatie met andere belangen. Het gaat om een tijdelijke aanpak van een complex probleem en aan de belangen van de omwonenden komt aanzienlijk gewicht toe. (rov. 4.33 en 4.34) 3.7.12 De slotsom is dat de grieven slagen; bij verdere bespreking daarvan bestaat geen belang en voor bewijslevering is in dit kort geding geen plaats. (rov. 4.36) Cassatie 3.8 IATA c.s. hebben op 30 augustus 2023 (en dus tijdig) cassatieberoep ingesteld van het eindarrest. In de procesinleiding (par. 8) is een voorbehoud gemaakt wegens het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep. Het getekende proces-verbaal werd per e-mail van vrijdag 15 september 2023 ontvangen door de advocaten die partijen bijstonden in hoger beroep. De aanvullende procesinleiding is op 28 september 2023 ingediend. Dat is binnen de termijn van twee weken na verstrekking of verzending van het proces-verbaal. 3.9 Bij aanbieding van de procesinleiding is om verkorting van de oproepingstermijn en om spoedbehandeling verzocht, in die zin dat de termijn voor de schriftelijke toelichting zou worden verkort. De rolrechter in cassatie (rolraadsheer) heeft één en ander toegestaan respectievelijk toegewezen. 3.10 De Staat, de Stichting en RSG voeren verweer. RSG heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld, waartegen IATA c.s. verweer voeren. Alle partijen lieten hun zaak schriftelijk toelichten. Daarna volgde re- en dupliek. Ontwikkelingen tijdens de cassatieprocedure Vaststelling en opschorting inwerkingtreding Experimenteerregeling 3.11 Er zijn sinds het instellen van het cassatieberoep enkele ontwikkelingen geweest die vermelding behoeven. Deze feitelijke nova zijn niet (mede) bepalend voor de beoordeling van de beide cassatieberoepen. 3.12 Bij brief van 1 september 2023 heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: de minister) de Tweede Kamer geïnformeerd dat het anticiperend handhaven per 31 maart 2024 zal worden beëindigd, in combinatie met de invoering van een herziene experimenteerregeling voor 460.000 vliegtuigbewegingen. In die brief werd tevens de start van de notificatiefase in het kader van de balanced approach-procedure aangekondigd voor de periode na het vervallen van de Experimenteerregeling (spoor 2). Nog diezelfde dag is het notificatiedocument aan de Europese Commissie (hierna: de Commissie) verstuurd. 3.13 Op 11 september is de Experimenteerregeling in de Staatscourant gepubliceerd. 3.14 In een brief van 13 november 2023 aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft de Europees Commissaris voor Transport het standpunt ingenomen dat (ook) voor de Experimenteerregeling de in de Geluidsverordening opgenomen balanced approach-procedure moet worden doorlopen. Deze brief, die is aangehecht aan de schriftelijke toelichting van IATA c.s., luidt voor zover hier relevant als volgt: “[…] In parallel, I would like to reiterate my strongest concerns regarding the decision of the Netherlands Government to introduce a cap of 460,000 movements at Amsterdam Schiphol airport as early as 31 March 2024 based on an “experimental regulation” (so-called “Phase 1”), without following the process laid down in Regulation (EU) 598/2014. As already stressed previously, the position of my services is that any noise-related reductions (be it Phase 1 or 2) at Amsterdam Schiphol Airport must follow the Balanced Approach Regulation approach and that the Phase 1 measure is unlikely to be in compliance with EU law. […] In this context, I would like to call on the Dutch government to urgently consider all possible steps to ensure compliance with EU law.” 3.15 Onder meer naar aanleiding van deze brief heeft de minister op 14 november 2023 de Tweede Kamer geïnformeerd dat de inwerkingtreding van de Experimenteerregeling tot nader order is opgeschort. Die opschorting duurt in ieder geval tot de uitspraak van de Hoge Raad in de onderhavige zaak. 3.16 Op 6 december 2023 heeft de minister aan de ILT de aanwijzing gegeven om tot nader bericht het anticiperend handhaven voort te zetten. Dit betekent dat bij overschrijding van een grenswaarde voor geluid in een handhavingspunt geen handhaving plaatsvindt indien blijkt dat de overschrijding het gevolg is van de toepassing van de regels uit het NNHS behorende bij strikt preferentieel baangebruik, tot een maximum aantal van 500.000 vliegtuigbewegingen voor handelsverkeer per gebruiksjaar. 3.17 De Tweede Kamer is bij brief van 25 januari 2024 geïnformeerd over de stand van zaken van de balanced approach-procedure bij spoor 2. Daarin wordt onder meer opgemerkt: “[…] Het kabinet heeft de Kamer in november geïnformeerd dat spoor 1 opgeschort wordt, in ieder geval totdat er een uitspraak is van de Hoge Raad in het cassatieberoep van de luchtvaartmaatschappijen tegen de Staat. Daarna zal een nieuwe afweging worden gemaakt op basis van de feiten alsdan. Met betrekking tot spoor 2 buigt de Europese Commissie zich op dit moment over het pakket aan maatregelen dat op 1 september 2023 aan hen is voorgelegd ten behoeve van een advies. Dat advies is onderdeel van de zogenoemde balanced approach-procedure. […] Bij de invoering is daarnaast het internationale slotverdelingsproces van groot belang. Nederland moet zich aan de internationale processen en termijnen voor slotallocatie houden, die ruim een half jaar voor de ingangsdatum van het nieuwe seizoen afgerond worden. Het slotallocatieproces voor het winterseizoen van 2024/2025 start op ieder moment. De notificatieprocedure, die op 1 september 2023 is gestart, houdt een intensief proces in met de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft meerdere keren verdiepende vragen gesteld en er is ook doorlopend op diverse niveaus ambtelijk en politiek contact. Naar aanleiding van de gestelde vragen en de gesprekken is er op onderdelen van het door ons voorgestelde pakket aan maatregelen nog aanvullende onderbouwing gevraagd. Eind afgelopen week heeft het ministerie intern bekeken hoe lang ervoor nodig is om de aanvullende vragen van de Europese Commissie te beantwoorden en de onderbouwing aan te vullen. Daar is het beeld uit gekomen dat dat geen kwestie van enkele dagen of weken zou zijn, maar dat dat toch iets meer tijd in beslag zal nemen. Op basis hiervan is de inschatting gemaakt dat het onwaarschijnlijk is dat de balanced approach-procedure voor de start van het slotallocatieproces gericht op invoering per 1 november 2024 afgerond is. […]” Bodemvonnis rechtbank Den Haag 20 maart 2024 in zaak Stichting/Staat 3.18 Voor de volledigheid vermeld ik nog het vonnis van 20 maart 2024 van de rechtbank Den Haag in een geschil tussen de Stichting en de Staat. In het vonnis heeft de rechtbank op vordering van de Stichting het volgende beslist: “De rechtbank 7.1. verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt door: a. niet de juiste door artikel 8 EVRM vereiste belangenafweging te maken tussen de belangen van hen die gebaat zijn bij het luchtverkeer van en naar Schiphol, en de belangen van hen die daarvan ernstige hinder en slaapverstoring ondervinden, en door b. burgers geen praktische en effectieve rechtsbescherming te bieden tegen ernstige hinder en slaapverstoring, 7.2. beveelt de Staat om binnen twaalf

(12)kalendermaanden na betekening van dit vonnis: a. de geldende wet- en regelgeving te handhaven, b. een vorm van praktische en effectieve rechtsbescherming in het leven te roepen die toegankelijk is voor alle ernstig gehinderden en slaapverstoorden – dus ook voor hen die buiten de huidige vastgestelde geluidscontouren wonen – waarin bovendien de belangen van het individu voldoende geïndividualiseerd en gemotiveerd worden meegewogen, 7.5. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 7.2 tot en met 7.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, en 7.6 wijst het meer of anders gevorderde af.” 3.19 Hoewel dit vonnis geen relevantie heeft voor de beoordeling van het cassatieberoep, illustreert het de druk die wordt uitgeoefend op de Staat om omwonenden beter te beschermen tegen geluidsoverlast. In de complexe afweging van belangen die het dossier Schiphol al jaren kenmerkt, wordt aan de belangen van de omwonenden en meer in het algemeen aan de bescherming van de leefomgeving een duidelijker groter gewicht toegekend dan voorheen wel het geval was. 3.20 Hiermee kom ik toe aan de bespreking van het middel in het principaal beroep 4Bespreking van het middel in het principaal beroep 4.1 Het principaal cassatiemiddel bestaat uit zeven onderdelen waarmee nagenoeg elke inhoudelijke overweging in het eindarrest wordt aangevallen. De onderdelen laten zich als volgt samenvatten (vgl. procesinleiding onder 0.4): - Onderdeel 1: onjuiste maatstaf bij de beoordeling of de voorgenomen maatregelen in strijd zijn met het recht. - Onderdeel 2: de voorgenomen Experimenteerregeling is in strijd met art. 8.23a Wlv. - Onderdeel 3: onjuiste uitleg van de Geluidsverordening. - Onderdeel 4: onjuiste uitleg van het Verdrag van Chicago en van het EU-VS Open Skies Verdrag. - Onderdeel 5: onjuist en onbegrijpelijk oordeel over mogelijke strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. - Onderdeel 6: het eindvonnis van de rechtbank is jegens RSG onherroepelijk. - Onderdeel 7: de gemaakte belangenafweging is onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. 4.2 De aanvullende procesinleiding bestaat uit subonderdelen 3.10a.1 t/m 3.10a.3. Kort gezegd, staan deze in het teken van (een vermeende strijd met) de tweeconclusieregel, de goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor. 4.3 Voordat ik het principaal cassatiemiddel bespreek, herinner ik eraan dat de eisen die in kort geding worden gesteld aan de motivering minder streng zijn dan in een bodemprocedure. Dit geldt mogelijk nog sterker wanneer, zoals in dit geval, sprake is van een spoedappel in kort geding waarin op zo kort mogelijke termijn uitspraak wordt gedaan. Onderdeel 1 (toetsingsmaatstaf en doeltreffendheidsbeginsel) 4.4 De klachten in dit onderdeel zijn gericht tegen rov. 4.11 van het bestreden arrest. Deze overweging luidt als volgt: “De voorgenomen Experimenteerregeling en het voorgenomen stoppen met anticiperend handhaven zijn beleidsmatige beslissingen van de Staat of vloeien daaruit voort. Alleen als evident is dat de Staat onjuiste keuzes maakt en de Staat dus in redelijkheid niet voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen, of wanneer de Staat een bevoegdheid aanwendt zonder dat daarvoor in de gegeven omstandigheden een wettelijke grondslag bestaat of waarmee in strijd wordt gehandeld met het Unierecht, is plaats voor rechterlijk ingrijpen. De rechter in kort geding heeft slechts bij een onmiskenbaar onverbindende regeling de bevoegdheid om de betreffende bepalingen buiten werking te stellen dan wel het uitvaardigen daarvan (op voorhand) te verbieden.” 4.5 Subonderdeel 1.1 voert twee klachten aan. 4.5.1 De eerste klacht luidt dat het oordeel onjuist is voor zover het hof miskent dat steeds wanneer sprake is van strijd met het recht (inclusief internationale verdragen) plaats is voor rechterlijk ingrijpen. Dit is niet alleen zo indien een wettelijke grondslag ontbreekt of sprake is van strijd met het Unierecht. 4.5.2 De tweede klacht houdt in dat voor zover het hof oordeelt dat alleen plaats is voor rechterlijk ingrijpen indien er evidente strijd met het Unierecht is, het miskent dat (althans in beginsel) steeds wanneer sprake is van strijd met het recht, waaronder Unierecht, plaats is voor rechterlijk ingrijpen. 4.6 Ik lees het bestreden oordeel als volgt. Bij evident onjuiste keuzes, waardoor niet in redelijkheid tot het gevoerde beleid had kunnen worden gekomen, is plaats voor rechterlijk ingrijpen. Verder is plaats voor rechterlijk ingrijpen wanneer een bevoegdheid wordt aangewend zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. Wanneer het aanwenden van een bevoegdheid strijd oplevert met het Unierecht, is ook plaats voor rechterlijk ingrijpen. 4.7 IATA c.s. zien bij hun lezing van de aangevallen overweging eraan voorbij dat het hof met de eerste ‘of’ (voorafgegaan door een komma) aanduidt dat het gaat om twee categorieën: onjuiste keuzes die invloed hebben op het gevoerde beleid én het ten onrechte aanwenden van een bevoegdheid. De tweede ‘of’ (zonder komma, voor: “waarmee in strijd wordt gehandeld met het Unierecht”) betekent dat volgens het hof aanleiding kan zijn voor rechterlijk ingrijpen zowel indien een wettelijke grondslag ontbreekt als indien er strijd met het Unierecht bestaat. 4.8 Het hof miskent dus niet dat een rechter kan ingrijpen bij strijd met het recht. Het overweegt immers dat er bij evident onjuiste keuzes plaats is voor rechterlijk ingrijpen. De brede term ‘onjuiste keuzes’ omvat in mijn ogen ook strijd met het recht. Het hof overweegt ook niet dat alleen bij evidente strijd met het Unierecht er plaats is voor rechterlijk ingrijpen. De klachten van subonderdeel 1 kunnen daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag (art. 419 lid 2 Rv) niet tot cassatie leiden. 4.9 In subonderdeel 1.2 betogen IATA c.s. dat het oordeel onjuist is omdat het hof de publiekrechtelijke aard van de ter beoordeling voorliggende beleidsbeslissingen miskent. Het gaat om de voorgenomen Experimenteerregeling en het stoppen met anticiperend handhaven. De rechter (ook in kort geding) is gehouden om lagere regelgeving en feitelijk handelen vol te toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Indien er strijd is met één of meer van die beginselen, ontstaat een noodzaak tot rechterlijk ingrijpen. Uit de schriftelijke toelichting onder 1.2 volgt dat het hof volgens IATA ‘vol’ had moeten toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voorts stellen IATA c.s. dat de door het hof aangenomen drempel dat ‘alleen als evident is’ dat de Staat onjuiste keuzes maakt, geen grondslag vindt in het recht. 4.10 Het betoog van IATA c.s. faalt. Het gaat hier om een kort geding. De kortgedingrechter moet zich in de eerste plaats een voorlopig oordeel vormen over de rechtsverhouding van partijen aan de hand van de toepasselijke materiële rechtsregels en aan de hand daarvan over de aannemelijkheid van de vordering. Het hof geeft in de bestreden overweging een oordeel over de mate van aannemelijkheid die in dit geval is vereist om tot een toewijzing van de vorderingen te komen. Een algemene regel heeft het hof niet gegeven. De rechtspraak van de Hoge Raad laat wél zien dat indien er een rechtsvraag in geschil is waarop het antwoord niet evident is, een hogere lat voor aannemelijkheid voor de hand ligt. Verder mag een voorziening die strekt tot het buiten werking stellen van een algemeen verbindend voorschrift slechts gegeven worden indien dat voorschrift onmiskenbaar onverbindend is. Deze maatstaf ‘onmiskenbaar onverbindend’ wordt ook wel uitgedrukt als ‘evident’. Hierin klinkt de voorzichtigheid door die de kortgedingrechter bij een verstrekkende voorziening (zoals het buiten werking stellen van regelgeving) in acht hoort te nemen. Deze voorzichtigheid ligt temeer voor de hand wanneer belangen van derden in het geding zijn (zoals hier in het bijzonder de omwonenden van de luchthaven Schiphol) en het gaat om een vordering tot het verbieden van het tot stand brengen van bepaalde maatregelen door de uitvoerende macht (in dit geval: de minister namens de regering). Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt verder dat ook voor het buiten toepassing laten van een instructie van de Staat (in dit geval: van de minister aan de ILT in verband met anticiperend handhaven) de onmiskenbaarheidseis geldt. 4.11 Hieruit volgt dat de door het hof gehanteerde ‘drempel’ van evidentie wel degelijk steun vindt in het recht. Er is geen reden om de ratio van deze hogere drempel niet te laten gelden voor de toetsing aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 4.12 Subonderdeel 1.3 is gericht tegen de laatste zin van rov. 4.11: “De rechter in kort geding heeft slechts bij een onmiskenbaar onverbindende regeling de bevoegdheid om de betreffende bepalingen buiten werking te stellen dan wel het uitvaardigen daarvan (op voorhand) te verbieden.” Uit de procesinleiding destilleer ik drie klachten. De eerste twee klachten behandel ik gezamenlijk. 4.12.1 De eerste klacht luidt dat het hof met het criterium ‘onmiskenbaar onverbindende regeling’ miskent dat het beginsel van Unietrouw en de vereiste volle en effectieve werking van het Unierecht meebrengen dat de rechter, ook in kort geding, nationaal recht aan het Unierecht moet toetsen zonder de in de onmiskenbaarheidsmaatstaf gelegen terughoudendheid. Er is slechts plaats voor deze terughoudendheid indien de afronding van de bodemprocedure kan worden afgewacht zonder dat de volle en effectieve werking van het Unierecht daarmee wordt doorkruist. Van een effectieve bescherming van door Unierecht toegekende rechten is in ieder geval geen sprake indien wachten op de bodemprocedure leidt tot onomkeerbare gevolgen. 4.12.2 De tweede klacht houdt in dat het oordeel in het bijzonder onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is in het licht van het betoog van IATA c.s. dat – samengevat – afwijzing van de gevorderde voorzieningen zou betekenen dat de Staat zijn Unierechtelijke verplichting tot het volgen van de balanced approach-procedure niet nakomt, althans/en dat rechten van IATA c.s. onder de Geluidsverordening niet effectief worden beschermd. De door het hof toegepaste terughoudendheid doet daarom af aan de volle en effectieve werking van het Unierecht. 4.13 Deze klachten falen. Anders dan IATA c.s. (veronder)stellen, geldt de onmiskenbaarheidseis ook indien in kort geding wordt getoetst of een bepaalde nationale maatregel in strijd is met het Unierecht. 4.14 Het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming van de rechten die de justitiabelen aan het recht van de Unie ontlenen (art. 19, lid 1, tweede alinea, VEU), is een algemeen beginsel van Unierecht dat uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeit en dat is neergelegd in de art. 6 en 13 EVRM). Dit wordt bevestigd in art. 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. 4.15 Het komt, wanneer een Unieregeling ontbreekt, toe aan de nationale rechtsorde van elke lidstaat om de procesregels te geven voor de rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die een justitiabele aan het Unierecht ontleent. De onmiskenbaarheidseis is een nationaal (kortgeding)procesrecht. Het is een Nederlandse regel die de mate van aannemelijkheid voorschrijft bij bepaalde gevorderde voorzieningen. De Hoge Raad heeft een aantal keer aangenomen dat de onmiskenbaarheidseis ook geldt bij het in kort geding toetsen van een nationale maatregel aan een bepaling of een beginsel van Unierecht. 4.16 De onmiskenbaarheidseis geldt in kort geding bij toetsing aan nationale hogere regelingen, net als – en op een zelfde wijze – bij toetsing aan het Unierecht. Genoemde maatstaf voldoet daarmee aan de eerste van de twee bekende randvoorwaarden die het Unierecht stelt aan de ‘nationale procedurele autonomie’, het gelijkwaardigheidsbeginsel. Verder maakt de onmiskenbaarheidseis het niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk om een voorziening toegewezen te krijgen. Aan de tweede randvoorwaarde van de ‘nationale procedurele autonomie’, het doeltreffendheidsbeginsel, is daarom eveneens voldaan. Er zijn ook diverse voorbeelden van zaken waarin aan de onmiskenbaarheidseis was voldaan en voorzieningenrechters de gevraagde voorzieningen hebben toegewezen. 4.17 Bij evidente strijd met het Unierecht kan de Nederlandse rechter dus in kort geding een effectieve voorziening treffen. Dit maakt dat voldoende effectieve rechtsbescherming wordt geboden, omdat – indien noodzakelijk – voorlopige maatregelen kunnen worden gelast totdat de (bodem)rechter zich uitspreekt over de verenigbaarheid van nationale maatregelen met het Unierecht. Er is kortom geen reden om aan te nemen dat in geval van een op het Unierecht gebaseerde vordering in kort geding het onmiskenbaarheidsvereiste niet kan worden toegepast. Het Unierecht is bovendien onderdeel van de Nederlandse rechtsorde en neemt voor de toepassing van dat vereiste geen uitzonderingspositie in. 4.18 Uit het vorenstaande volgt dat de eerste en de tweede klacht falen. De volle en effectieve werking van het Unierecht vereisen niet dat de toepassing van de onmiskenbaarheidseis in dit geval achterwege wordt gelaten. De rechten van IATA c.s. worden bij toepassing van deze eis voldoende effectief beschermd. Het oordeel van het hof in rov. 4.11 (laatste zin) is daarom niet onjuist en, zeker in het kader van een (spoed)kortgeding, niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. 4.19 Overigens kán bij twijfel over de juiste uitleg van de toepasselijke Unierechtelijke bepalingen iedere Nederlandse rechter en móét de Hoge Raad op de voet van art. 267 VWEU een prejudiciële vraag van uitleg stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ of het Hof), indien hij van oordeel is dat een antwoord op die vraag noodzakelijk is voor de te nemen beslissing. Hierbij past de kanttekening dat de verplichting voor de Hoge Raad om bij twijfel een prejudiciële vraag te stellen niet geldt in kort geding, in welk geval de uitspraak van de voorzieningenrechter de bodemrechter niet bindt (art. 257 Rv) en elke partij een bodemprocedure aanhangig kan maken waarin (alsnog) prejudiciële vragen aan het Hof kunnen worden gesteld over de rechtsvraag die in kort geding aan de orde is. Dit wil uiteraard niet zeggen dat de Hoge Raad in een kort geding geen prejudiciële vragen zou kunnen stellen. 4.20 Met de derde klacht betogen IATA c.s. dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat de onmiskenbaarheidstoets ook geldt voor feitelijk handelen (in dit geval: het stoppen met anticiperend handhaven), het hof miskent dat die maatstaf louter geldt voor het toetsen van wetgeving en niet voor het toetsen van feitelijk handelen. 4.21 Ik lees dit oordeel niet terug in de hier aangevallen laatste zin van rov. 4.11 van het bestreden arrest. De klacht mist dus feitelijke grondslag en kan reeds daarom niet tot cassatie leiden. Verder wijs ik erop dat het stoppen van anticiperend handhaven een feitelijke handeling is, aangezien dit neerkomt op een regel/opdracht die door de verantwoordelijk minister wordt uitgevaardigd en waaraan de ILT zich moet houden (zie rov. 4.10). Zoals ik constateerde (zie 4.10, laatste zin), geldt de onmiskenbaarheidstoets ook voor een dergelijke instructie. Onderdeel 2 (strijd met art. 8.23a Wlv) 4.22 Met dit onderdeel bestrijden IATA c.s. rov. 4.12-4.14 van het bestreden arrest. Hierin oordeelt het hof – samengevat – dat de stellingen van IATA c.s. dat de voorgenomen Experimenteerregeling in strijd is met art. 8.23a Wlv althans dat de daarin neergelegde bevoegdheid voor een oneigenlijk doel zou worden gebruikt, niet opgaan. Dit oordeel wordt met een groot aantal rechts- en motiveringsklachten bestreden. Deze komen er in de kern op neer dat de voorgenomen Experimenteerregeling niet voldoet aan art. 8.23a Wlv (subonderdeel 2.1), dat de voorgenomen Experimenteerregeling een oneigenlijk doel heeft (subonderdeel 2.2), en dat de voorgenomen Experimenteerregeling in strijd is met de wijziging van de Wlv uit 2016 (subonderdeel 2.3). Dit onderdeel ziet niet op het voornemen de anticiperende handhaving te beëindigen. 2.1 Juridisch kader art. 8.23a Wlv 4.23 Bij experimenteerregelgeving gaat het in het algemeen om regels die het mogelijk maken om af te wijken van een bestaande regel teneinde te testen hoe een nieuwe regel werkt. 4.24 Het wetgevingsbeleid over experimenteerwetgeving is neergelegd in de Aanwijzingen voor de regelgeving. De relevante aanwijzing 2.41, en de toelichting daarop, luiden: “1 Indien het gewenst is de mogelijkheid te bieden dat in een lagere regeling bij wijze van experiment van een hogere regeling wordt afgeweken, wordt in die hogere regeling bepaald: a. wat het oogmerk is van het experiment; b. wat het bereik is van de experimenteerregeling; c. van welke onderdelen van de hogere regeling kan worden afgeweken; en d. wat de maximale geldingsduur is van de afwijking. 2 Van een wet in formele zin wordt slechts afgeweken bij algemene maatregel van bestuur, waarbij kan worden voorzien in subdelegatie. 3 In de experimenteerregeling wordt vermeld van welke onderdelen van de hogere regeling wordt afgeweken. Toelichting Eerste lid. Bij een experiment gaat het om het proefondervindelijk vaststellen of een bepaald instrument een bijdrage levert aan het oplossen van een maatschappelijk probleem. Als regelgeving noodzakelijk is voor een experiment, wijkt dit dus af van het uitgangspunt van aanwijzing 2.6, omdat niet kan worden overzien wat de effecten daarvan zullen zijn. Omdat het niet gewenst is een regeling met een ongewis effect direct landelijk uniform te laten werken, kan het aangewezen zijn om een, in tijd en bereik beperkte, van de wet afwijkende regeling vast te stellen. Op basis van de ervaringen met het experiment kan worden besloten over wijziging van de wet. Tot een experimentele regeling moet niet te snel worden overgegaan, mede gelet op het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. De overtuiging moet bestaan dat via de figuur van afwijkende regelgeving de noodzakelijke informatie kan worden vergaard. Zoals bij elke delegatiegrondslag dient ook in een experimenteergrondslag het onderwerp waarop een vast te stellen experimentele regeling betrekking kan hebben, zo concreet en nauwkeurig mogelijk te worden begrensd. Daarbij is het van belang dat in de experimenteergrondslag het doel en de functie van experimenten worden aangeduid. Ook moet het bereik zo scherp mogelijk worden afgebakend: bijvoorbeeld territoriaal of naar bepaalde groepen personen of instellingen. Verder moet duidelijk worden vermeld van welke artikelen of onderdelen van de wet kan worden afgeweken. In de experimenteerregeling zelf moeten doel en functie vervolgens worden geconcretiseerd en moet worden aangegeven op welke punten van de afwijkingsbevoegdheid gebruik is gemaakt. Gelet op de aard van een experiment dient aan die regeling een tijdelijk karakter te worden gegeven. […].” 4.25 Art. 8.23a Wlv staat in hoofdstuk 8 (Luchthavens), titel 8.2 (De luchthaven Schiphol), afdeling 8.3 (Het luchthavenluchtverkeer) en § 8.3.1 (Het luchthavenverkeersbesluit). Vermelde § 8.3.1 start met art. 8.15 waarin de wettelijke grondslag voor het luchthavenverkeersbesluit is neergelegd. Van de regels in dit besluit kan met de experimenteerregeling van art. 8.23a worden afgeweken. 4.26 Art. 8.23a Wlv is eind 2006 ingevoerd. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel omschrijft het algemene doel van de regeling en stelt grenzen aan de regels waar bij wijze van experiment kan worden afgeweken: “Met het voorliggende wetsvoorstel wordt ruimte gecreëerd om maatregelen, die tot doel hebben om tot minder geluidhinder te leiden voor omwonenden rond de luchthaven Schiphol, eerst in de praktijk uit te testen (experimenteren) voordat deze in regelgeving worden vastgelegd. […]. De essentie van het wetsvoorstel is dat binnen de lijn van de wet, namelijk een gelijkwaardige of betere bescherming van de omgeving, tijdelijk kan worden afgeweken van voorschriften van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB). Het gaat daarbij om afwijkingen van regels voor baan- en routegebruik en om vervangende grenswaarden op handhavingspunten in het gebied waar de experimenten worden uitgevoerd. […].” 4.27 Bij de artikelsgewijze toelichting op art. 8.23a staat onder meer (p. 8): “[…] Voordat kan worden overgegaan tot het opstellen van een ministeriële regeling, dient duidelijkheid te bestaan omtrent het doel van het experiment. Tevens dient duidelijk te zijn van welke bepalingen van het LVB wordt afgeweken. In het eerste lid, onderdeel a is opgenomen van welke regels uit het LVB kan worden afgeweken, het betreft hier de regels die betrekking hebben op afwijking van luchtverkeerwegen of op regels die zien op het gebruik van het luchtruim en de beschikbaarheid van banen. Afwijking van andere regels van het LVB is derhalve niet mogelijk. […]” 4.28 Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer heeft de minister over het doel van de experimenteerregeling opgemerkt: “[…] Doel van dit wetsvoorstel is dat met maatregelen om hinder te beperken eerst geëxperimenteerd kan worden voordat deze in regelgeving worden vastgelegd. Wij willen namelijk eerst in de praktijk weten of een maatregel helpt de hinder in de omgeving te verminderen en of die uitvoerbaar is. […].” 4.29 Art. 8.23a Wlv, dat sinds de invoering eind 2006 alleen op detailniveau is gewijzigd, luidt: “1 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan worden bepaald dat bij wijze van experiment wordt afgeweken van krachtens artikel 8.15 gestelde voorschriften, mits de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8.34 of een ander bij ministeriële regeling aan te wijzen regionaal orgaan, bij advies heeft aangegeven dat het experiment een gunstig effect kan hebben op de hinderbeleving. De afwijking kan bestaan uit: a. het verlenen van vrijstelling van een regel in het luchthavenverkeerbesluit voorzover deze de luchtverkeerwegen of het gebruik van het luchtruim en de beschikbaarheid van de banen betreft, of b. het vervangen van een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde voor de geluidbelasting in een bepaald punt door een andere grenswaarde. 2 In de ministeriële regeling wordt het doel van het experiment vastgesteld, alsmede op welke wijze van welke voorschriften wordt afgeweken en op welke wijze eventuele nadelige gevolgen zo veel mogelijk worden beperkt. 3 In de ministeriële regeling kan worden bepaald in hoeverre, op welke wijze en door wie eventuele nadelige gevolgen worden gecompenseerd. In dat geval is artikel 8.31 niet van toepassing. 4 Tevens worden in de ministeriële regeling regels gesteld over de uitvoering en de gevolgen van het experiment, over criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of het experiment wordt omgezet in een structurele wettelijke regeling, en worden voorzieningen getroffen voor onvoorziene gevallen die zich gedurende het experiment kunnen voordoen. 5 Een experiment kan slechts worden toegestaan voor een bepaalde in de ministeriële regeling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar. Deze termijn kan eenmaal met maximaal een jaar worden verlengd. De looptijd van een experiment sluit zoveel mogelijk aan bij een gebruiksjaar. Bij voortijdige beëindiging van het experiment stelt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een overgangsregeling vast. 6 Indien voor afloop van een experiment en in overeenstemming met de artikelen 8.13, 8.14 of 8.24 een ontwerp is bekendgemaakt om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan bij ministeriële regeling de termijn van het experiment worden verlengd tot het tijdstip waarop het ontwerp is vastgesteld en in werking treedt. 7 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zendt voldoende tijdig voor het einde van de werkingsduur van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bericht de beide kamers der Staten-Generaal bij vaststelling van deze ministeriële regeling wanneer en over de wijze waarop hij verslag zal doen. 8 Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder vastgesteld dan nadat het voorstel voor advies is voorgelegd aan de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8.34, in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te brengen. 9 […].” 2.2 Bespreking van de klachten 4.30 Ik start met de bespreking van subonderdeel 2.1d en subonderdeel 2.2. Als die subonderdelen slagen, behoeven de overige klachten van onderdeel 2 geen behandeling. - Subonderdelen 2.1d en 2.2 4.31 Beide subonderdelen richten zich tegen rov. 4.14 van het bestreden arrest, die als volgt luidt: “4.14 De Staat beschikt op dit moment niet over het op grond van artikel 8:23a Wlv vereiste advies. Niet in geschil is dat de voorgenomen Experimenteerregeling in zoverre op dit moment niet voldoet aan artikel 8:23a Wlv. Niet uit te sluiten valt echter dat dit slechts een tijdelijk probleem is. Anders dan IATA c.s. bepleiten valt een Experimenteerregeling als door de Staat beoogd naar het oordeel van het hof in beginsel wel aan te merken als een experiment in de zin van artikel 8.23a Wlv. De voorgenomen Experimenteerregeling vervangt immers grenswaarden voor de geluidbelasting (overeenkomstig artikel 8.23a lid 1 onder b Wlv), stelt het doel van het experiment vast (overeenkomstig artikel 8.23a lid 2 Wlv), bevat in artikel 4 en artikel 6 regels over de uitvoering en de gevolgen van het experiment (overeenkomstig artikel 8.23a lid 4Wlv) alsmede, in artikel 7, criteria voor de beoordeling of het experiment wordt omgezet in een structurele wettelijke regeling (overeenkomstig artikel 8.23 a lid 4 Wlv). Ook is de voorgenomen Experimenteerregeling vooralsnog beperkt tot één jaar dat samenvalt met het gebruiksjaar 2023-2024. Dat de minister met de voorgenomen Experimenteerregeling wil onderzoeken hoe het LVB in de toekomst het beste kan worden aangepast, rechtvaardigt juist een experiment en getuigt van zorgvuldigheid, temeer omdat er dan ook tijdig uitvoeringstechnische problemen kunnen worden gesignaleerd. Uit het partijdebat blijkt dat zowel het LVB 2008 als het NNHS, toen deze eenmaal werden uitgevoerd, anders en minder goed werkten dan werd verwacht. Er zijn naar voorshands oordeel van het hof onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister met een voorgenomen experimenteerregeling, middels misbruik van artikel 8.23a van de Wlv. een 'short cut’ wil maken om via 460.000 vtb's uit te komen op 440.000 vtb’s per jaar. Daarbij sluit het hof niet de ogen voor de toelichting die de minister aan de Tweede Kamer heeft gegeven, die inderdaad grond geeft voor zorg aangaande de zuiverheid van de motieven. Die aanwijzing volstaat echter niet voor het vergaande oordeel dat de Staat met (het vaststellen van) de beoogde Experimenteerregeling de in artikel 8.23a Wlv neergelegde bevoegdheid en/of procedure gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Het is verder inderdaad zo dat er in het verleden reeds is geëxperimenteerd met het NNHS, maar dat staat niet in de weg aan de voorgenomen Experimenteerregeling, omdat deze een andere benadering en andere grenswaarden inhoudt dan het NNHS. Het hof wijst er verder op dat, anders dan IATA c.s. betogen, de voorgenomen Experimenteerregeling geen aantallen vliegtuigbewegingen oplegt, maar enkel grenswaarden voor de geluidbelasting, in combinatie met regels voor het strikt preferentieel baangebruik. 4.32 De klacht in subonderdeel 2.1d ziet op de overweging aan het slot van rov. 4.14 dat de voorgenomen Experimenteerregeling geen aantallen vliegtuigbewegingen oplegt. Dat oordeel is volgens IATA c.s. onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. In art. 6 van die regeling wordt het maximum aantal vliegtuigbewegingen immers op 460.000 gesteld, waarmee in ieder geval de facto een aantal wordt voorgeschreven. 4.33 De eerste klacht van subonderdeel 2.2 is een rechtsklacht. Indien een bevoegdheid wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is verleend, is in beginsel sprake van misbruik van bevoegdheid. Dit geldt ook wanneer twijfel en zorgen bestaan over de zuiverheid van de motieven van het gebruik van de bevoegdheid. Dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting blijkt ook uit rov. 4.25, waarin het hof overweegt: “Hiervoor (zie 4.14) is reeds overwogen dat er geen grond is voor het vergaande oordeel dat het vaststellen van een experimenteerregeling zoals de voorgenomen Experimenteerregeling voornamelijk voor een oneigenlijk doel zal worden gebruikt. […].” Het criterium ‘voornamelijk voor een oneigenlijk doel’ is onjuist en is kennelijk ook, en ten onrechte, in rov. 4.14 gebruikt. 4.34 De tweede en derde klacht van subonderdeel 2.2 komen erop neer dat het oordeel onvoldoende gemotiveerd is, omdat (
  1. i)gezien de vastgestelde zorg naar aanleiding van de toelichting van de minister en (
  2. ii)de stellingen van IATA c.s. niet kan worden volstaan met de motivering dat ‘die aanwijzing’ niet volstaat. 4.35 IATA c.s. hebben ter adstructie van hun betoog over misbruik van bevoegdheid gewezen op de hierna volgende mededeling van de minister aan de Tweede Kamer in de hoofdlijnenbrief (zie 2.22): “Vooruitlopend op het te wijzigen LVB en de natuurvergunning wil ik via een ministeriële regeling, het nieuwe maximum van 440.000 vliegtuigbewegingen, de strikte regels voor preferentieel baangebruik en de slotreductie vastleggen, met het doel dat de ILT hierop kan handhaven.” 4.36 Voorts is door IATA c.s. de aandacht gevestigd op de volgende passages uit met de Tweede Kamer gedeelde beleidsnota’s: “Scenario 4: In twee stappen via 450/465.000 vtb terug naar 440.000 vtb door te stoppen met anticiperend handhaven in 2023, met aanpassing van de handhavingspunten plus vastlegging van het aantal vtb in de experimenteerregeling […].” En: “Conform afspraak met u ontvangt u hierbij de uitwerking van twee opties. Beide opties hebben een effect op het maximum aantal vliegtuigbewegingen op Schiphol: 1. Effect in twee stappen: via het beëindigen van het anticiperend handhaven naar 460.000 vliegtuigbewegingen per winter 2023/24 en via verankering in LVB naar 440.000 vliegtuigbewegingen per winter 2024/25 na doorlopen Balanced Approach procedure (BA). 2. Effect in één stap naar 440.000 vliegtuigbewegingen per winter 2023/24.” 4.37 Verder wijzen IATA c.s. op art. 3, 5 en 6 van de voorgenomen Experimenteerregeling: “Artikel 3 Doel Deze regeling heeft tot doel om voor het gebruiksjaar 2024 tijdelijk de regels voor strikt preferentieel baangebruik van het nieuwe normen- en handhavingstelsel voor Schiphol vast te leggen, uit te voeren met inachtneming van de vervangende grenswaarden voor de geluidbelasting in de handhavingspunten, bedoeld in artikel 2, binnen de criteria voor gelijkwaardige bescherming van de omgeving, op grond van artikel 8.17, zevende lid, van de wet, zodat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de parameters overeenkomstig artikel 6 van de Slotverordening vanaf het winterseizoen 2023/2024 en uitvoeringstechnische problemen kunnen worden gesignaleerd. […] Artikel 5 Uitvoering Bij het vaststellen van de parameters, bedoeld in artikel 3, houdt Schiphol rekening met de artikelen 2 tot en met 4 van deze regeling. Artikel 6 Gevolgen De combinatie van de grenswaarden voor de geluidbelasting in de handhavingspunten, bedoeld in artikel 2, en de regels voor strikt preferentieel baangebruik door handelsverkeer, bedoeld in artikel 4, geeft ruimte voor maximaal 460.000 vliegtuigbewegingen handelsverkeer waarvan 32.000 in de nacht, en een opslag van 2,5 procent geluidbelasting voor general aviation. Bij het vaststellen van de parameters, bedoeld in artikel 3, wordt rekening gehouden met die grenswaarden en regels.” 4.38 De klachten slagen. 4.39 Ten eerste is onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk het oordeel aan het slot van rov. 4.14 dat de voorgenomen Experimenteerregeling geen aantallen vliegtuigbewegingen oplegt. Dat doet die regeling wel. In art. 6 staat dat de regeling ruimte geeft voor maximaal 460.000 vliegtuigbewegingen. Uit de samenhang met art. 3 en 5 blijkt dat RSG bij het vaststellen van de capaciteitsdeclaratie rekening moet houden met dit maximumaantal vliegtuigbewegingen. Dat het maximumaantal vliegbewegingen volgens de regeling het gevolg is van andere maatregelen is niet van belang, omdat dit een beoogd gevolg van die andere maatregelen is, getuige de communicatie en de beleidsstukken van de minister die zijn voorafgegaan aan de voorgenomen Experimenteerregeling. 4.40 Ten tweede heeft het hof overwogen dat er naar aanleiding van de toelichting van de minister aan de Tweede Kamer zorg bestaat over de zuiverheid van de motieven voor de voorgenomen Experimenteerregeling. Dit enkele feit is echter niet voldoende om voorshands misbruik van bevoegdheid aan te nemen, aldus het hof. Ook dat oordeel is onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk. De door het hof in rov. 4.14 (geciteerd in 4.31) geuite zorg aangaande de zuiverheid van de motieven van de minister wordt namelijk versterkt door de hiervoor geciteerde beleidsnota’s en de (tekst van
  3. de)voorgenomen Experimenteerregeling. Daaruit blijkt dat de minister de experimenteermogelijkheid wil aangrijpen om een aantal vliegtuigbewegingen op te leggen vooruitlopend op het vaststellen van een aantal vliegtuigbewegingen in het LVB ná het doorlopen van de balanced approach-procedure (in het kader van spoor 2). Daarvoor biedt art. 8:23a Wlv geen grondslag. 4.41 Voor zover het hof heeft geoordeeld dat in dit kort geding de maatstaf voor misbruik van bevoegdheid is dat de voorgenomen Experimenteerregeling ‘voornamelijk’ voor een oneigenlijk doel zal worden gebruikt – zoals inderdaad lijkt te volgen uit rov. 4.25 – slaagt de rechtsklacht die daarop ziet. 4.42 Aan het slot van subonderdeel 2.2 meen ik nog een vierde klacht te kunnen ontwaren. IATA c.s. richten namelijk een rechtsklacht tegen het vermeende oordeel van het hof (‘voor zover het hof van oordeel is’) dat de hiervoor bedoelde argumentatie van IATA c.s. niet de conclusie kan dragen dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Voor zover IATA c.s. hiermee de aangelegde maatstaf voor misbruik van bevoegdheid aanvallen (‘voornamelijk voor een oneigenlijk doel’), slaagt ook die klacht. 4.43 De overige klachten in subonderdelen 2.1a t/m 2.1c, 2.1e t/m 2.1i en 2.3 slagen niet. Ik licht dat toe. - Subonderdelen 2.1a t/m 2.1c 4.44 Subonderdeel 2.1a bevat de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op de essentiële stelling van IATA c.s. dat met de voorgenomen Experimenteerregeling geen vrijstelling (als bedoeld in art. 8.23a lid 1, aanhef en onder a, Wlv) wordt bewerkstelligd. Deze klacht miskent mijns inziens dat het hof heeft geoordeeld dat aan de voorwaarde van lid 1 wordt voldaan alleen omdat de regeling de grenswaarden voor de geluidbelasting vervangt (overeenkomstig art. 8.23a lid 1, aanhef en onder b, Wlv). In dat oordeel ligt besloten dat volgens het hof niet óók sprake is van een vrijstelling. Het eerste lid van art. 8.23a vereist dat aan het criterium onder a óf onder b is voldaan (zie de in 4.29 geciteerde tekst). 4.45 Subonderdeel 2.1b betoogt dat art. 8.23a lid 1, aanhef en onder b, Wlv alleen de mogelijkheid biedt om een grenswaarde voor geluidbelasting te vervangen door een andere grenswaarde. Met de voorgenomen Experimenteerregeling worden in één keer alle grenswaarden herzien. Het hof zou in rov. 4.14 miskennen dat een vervanging van alle grenswaarden de voorgenomen Experimenteerregeling buiten het bereik van art. 8.23a Wlv brengt. Hiermee geven IATA c.s. mijns inziens een te beperkte en daarmee onjuiste uitleg aan art. 8.23a lid 1, aanhef en onder b, Wlv. Zoals toegelicht in het Nader Rapport maakt het wetsvoorstel: “het mogelijk om bij wijze van experiment op een of meer specifieke handhavingspunten tijdelijk van de grenswaarden voor de geluidbelasting af te wijken.” Ook in de MvT wordt meermaals gerept van de vervanging van grenswaarden (meervoud) op/in meerdere handhavingspunten. De uitleg van IATA c.s. zou de regeling overigens ook onhanteerbaar maken, omdat dan voor elk handhavingspunt een afzonderlijke experimenteerregeling nodig zou zijn. 4.46 In subonderdeel 2.1c stellen IATA c.s. voorop dat het blijkens de wetsgeschiedenis de bedoeling van art. 8.23a Wlv is om met kleinschalige experimenten van slimmer baan- en routegebruik te onderzoeken of de hinderbeleving kan worden teruggedrongen zonder dat dit ten koste gaat van de capaciteit van de luchthaven. IATA c.s. hebben in hoger beroep beargumenteerd dat de voorgenomen Experimenteerregeling in strijd is met deze bedoeling, maar het hof heeft hierop geen kenbare reactie gegeven. Het gaat om de volgende stellingen: (
  4. i)De voorgenomen Experimenteerregeling is geen experiment, want de uitkomst daarvan staat al vast vóórdat het experiment is uitgevoerd (namelijk: het maximum aantal vliegtuigbewegingen moet omlaag naar 460.000). (
  5. ii)De regeling is niet een kleinschalig experiment, omdat wordt beoogd een nieuwe regeling te introduceren met herziening van alle grenswaarden. (iii) De regeling gaat ten koste van de capaciteit van de luchthaven Schiphol. (
  6. iv)De effecten/schade hiervan voor IATA c.s. zullen deels permanent zijn en in ieder geval de duur van het experiment ruimschoots overstijgen. 4.47 Ik stel voorop dat uit de wetsgeschiedenis de door IATA c.s. vooropgestelde bedoeling niet eenduidig volgt. IATA c.s. wijzen ook alleen op de volgende passage uit de MvT onder het kopje ‘Aanleiding wetsvoorstel’: “Zowel omwonenden als luchtvaartpartijen zijn gebaat bij het uitvoeren van enkele experimenten, waaruit moet blijken of, en in welke mate de hinder(beleving) kan worden teruggedrongen, zonder dat dit ten koste behoeft te gaan van de capaciteit van de luchthaven. De luchtvaartpartijen, provincies, gemeenten en bewonersvertegenwoordigers hebben daartoe gezamenlijk initiatief genomen om tot verbeteringen te komen. Dit geeft een concrete behoefte aan experimenteerruimte aan. […]” 4.48 Hieruit volgt niet – en ook niet uit enige andere door IATA c.s. aangewezen onderdeel van de wetsgeschiedenis – dat de experimenten kleinschalig moeten zijn. Er staat dat er een behoefte bestond aan experimenten waaruit moet blijken of hinder kan worden teruggedrongen zonder dat dit ten koste behoeft te gaan van de capaciteit van de luchthaven. Dit betekent niet dat (integraal) behoud van capaciteit een voorwaarde vormt voor de uiteindelijk vastgestelde regeling van art. 8.23a Wlv. In bepaalde omstandigheden zijn capaciteitsbeperkingen onvermijdelijk. 4.49 Nu kleinschaligheid en behoud van capaciteit geen voorwaarden vormen voor een experiment in de zin van art. 8.23a Wlv, zijn de hiervoor genoemde stellingen onder (
  7. ii)en (iii) niet als essentieel aan te merken in de zin dat het hof daarop had moeten ingaan. 4.50 Voor de stelling onder (
  8. iv)geldt hetzelfde. IATA c.s. leggen niet uit waarom deze stelling essentieel is, in de zin dat zij tot een ander oordeel zou kunnen leiden omdat sprake zou zijn van een voorwaarde (‘geen schade voor luchtvaartmaatschappijen’) om een experiment in de zin van art. 8.23a Wlv doorgang te laten vinden. Dit geldt temeer omdat de wetgever in art. 8.23a lid 3 Wlv aan de mogelijkheid van compensatie heeft gedacht, ook voor het geval dat nadelige effecten zijn voorzien. 4.51 Verder geldt dat het hof in rov. 4.14 wél op de stelling onder (
  9. i)heeft gerespondeerd door te overwegen en toe te lichten dat de voorgenomen Experimenteerregeling naar zijn oordeel in beginsel wel valt aan te merken als ‘experiment’ in de zin van art. 8.23a Wlv. Al dan niet in combinatie met het oordeel dat de minister met uitvaardiging van de voorgenomen Experimenteerregeling niet een sluiproute (‘short cut’) wil creëren om via 460.000 uit te komen op 440.000 vliegtuigbewegingen per jaar, vormt deze overweging een (impliciete) verwerping van het argument van IATA c.s. - Subonderdelen 2.1e t/m 2.1.i 4.52 Subonderdeel 2.1e klaagt dat het hof geen kenbare reactie heeft gegeven op het argument dat de volgens art. 8.23a lid 4 Wlv vereiste beoordelingscriteria niet zijn opgenomen in de voorgenomen Experimenteerregeling. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat die criteria moeten zien op geluid, milieu en ruimtelijke ordening. In de voorgenomen Experimenteerregeling is in art. 7 alleen opgenomen dat moet worden beoordeeld of er uitvoeringstechnische problemen ontstaan bij toepassing van de regeling. Bovendien is deze frase identiek aan het doel van de regeling zoals geformuleerd in art. 3 daarvan. 4.53 De klacht faalt. Het hof heeft geoordeeld dat aan de voorwaarde van art. 8.23a lid 4 Wlv is voldaan met art. 7 van de voorgenomen Experimenteerregeling, dat criteria bevat voor het maken van de beoordeling of het experiment wordt omgezet in een structurele wettelijke regeling. Hiermee verwerpt het hof impliciet de hiervoor weergegeven stellingen dat niet aan art. 8.23a lid 4 Wlv is voldaan. Daarmee heeft het hof dus een reactie gegeven. 4.54 Subonderdeel 2.1f is gekant tegen het volgende in het slot van rov. 4.14 opgenomen oordeel: “Het is verder inderdaad zo dat er in het verleden reeds is geëxperimenteerd met het NNHS, maar dat staat niet in de weg aan de voorgenomen Experimenteerregeling, omdat deze een andere benadering en andere grenswaarden inhoudt dan het NNHS.” 4.55 Volgens het middel voegt een nieuw experiment niets toe aan eerder uitgevoerde onderzoeken en experimenten waaruit is gebleken dat het systeem van preferentieel baangebruik niet te is combineren met het systeem van handhaving van grenswaarden in handhavingspunten. Dit is in het bijzonder zo omdat: (
  10. i)ook data van de afgelopen jaren voldoende inzicht geven in de mate waarin preferentieel baangebruik kan worden gecombineerd met handhaving van grenswaarden in handhavingspunten; (
  11. ii)in geen van de toekomstige scenario’s van de Staat wordt gewerkt met grenswaarden in handhavingspunten; en (iii) de onverenigbaarheid van preferentieel baangebruik en grenswaarden in de handhavingspunten niet afhankelijk is van het gekozen aantal vliegbewegingen. Het hof heeft een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerde reactie op deze argumentatie gegeven. In het licht van deze argumentatie valt niet in te zien dat het gegeven dat de voorgenomen Experimenteerregeling een andere benadering en andere grenswaarden inhoudt, tot zinvolle resultaten kan leiden binnen de kaders en de doelen van art. 8.23a Wlv. 4.56 De klacht faalt. In het kader van dit (spoed)kortgeding heeft het hof met het in 4.54 geciteerde oordeel, ook in het licht van de argumenten van IATA c.s., voldoende gemotiveerd en begrijpelijk geoordeeld dat eerder uitgevoerde experimenten niet in de weg staan aan invoering van de voorgenomen Experimenteerregeling. Dat hier anders over zou kunnen worden gedacht, zoals IATA c.s. etaleert, maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Dit geldt temeer omdat de voorgenomen Experimenteerregeling andere grenswaarden kent (dit feit erkennen IATA c.s. in hun schriftelijke toelichting onder 2.1.16, maar zij vinden dat niet relevant) en dat de Staat in feitelijke instanties heeft aangevoerd dat bij het vorige door het hof bedoelde experiment niet werd gehandhaafd op overschrijding van de grenswaarden uitgaande van een groei van Schiphol (wat duidt op een andere benadering). 4.57 Subonderdeel 2.1g betoogt dat het hof niet kenbaar heeft gereageerd op het argument dat het experiment niet zinvol kan worden uitgevoerd voor een half gebruiksjaar, omdat de meting en toepassing van de grenswaarden plaatsvindt op basis van een heel gebruiksjaar. IATA c.s. verwijzen in dit kader naar een randnummer uit de memorie van antwoord van KLM c.s. waarin wordt opgemerkt (zonder de voetnoten die alleen verwijzingen bevatten): “7.8 Overigens maakt de Minister in de memorie van grieven niet duidelijk op welke manier hij alsnog uitvoering zou willen geven aan het experiment indien hij in de huidige procedure in het gelijk zou worden gesteld. Zoals hiervoor aangegeven had de Minister de voorgenomen Experimenteerregeling bewust laten aansluiten bij het gebruiksjaar 2024. Maar kennelijk is de Minister nu voornemens om slechts voor één IATA-seizoen, halverwege het gebruiksjaar, een experimenteerregeling in te voeren, terwijl de meting en toepassing van de grenswaarden per gebruiksjaar functioneert.” 4.58 Een eerste vraag is of deze klacht grondslag kan vinden in de zojuist geciteerde passage, omdat IATA c.s. niet hebben gesteld dat vanwege de verwachte duur van het experiment geen sprake is van een zinvol experiment dat kan worden gebaseerd op art. 8.23a Wlv. Wat hier verder ook van zij, de klacht slaagt in mijn ogen sowieso niet omdat deze stelling zo terloops is dat het hof – zeker in dit spoedkortgeding – daar niet op hoefde in te gaan. 4.59 Ik verwijs tot slot naar de wetsgeschiedenis waar staat: “In het wetsvoorstel is geen dwingende bepaling opgenomen om te starten op 1 november. Een experiment kan in beginsel op elk moment starten. […] Een experiment dat bijvoorbeeld begint bij ingang van het zomerseizoen is ook goed denkbaar, maar heeft wel gevolgen voor de handhaving en de sturing van de geluidbelasting door de luchtvaartpartijen, omdat die dan moet plaatsvinden over een gebroken gebruiksjaar.” 4.60 Subonderdeel 2.1h betoogt dat de Staat zelf heeft gesteld dat de voorgenomen Experimenteerregeling bedoeld is om te voorkomen dat het stoppen met anticiperend handhaven ertoe leidt dat moet worden teruggevallen op de oude normen (zie spoedappeldagvaarding onder 9.2). Kennelijk is het doel niet om te experimenteren. Het arrest zou ook op dit argument geen kenbare reactie bevatten. 4.61 Het hof heeft hierop wel degelijk gereageerd door te overwegen dat ondanks een zorgwekkende toelichting van de Minister niet kan worden geoordeeld dat de Staat met de voorgenomen Experimenteerregeling de in art. 8.23a Wlv neergelegde bevoegdheid en/of procedure heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven (zie rov. 4.14, voorlaatste alinea). Dit oordeel impliceert dat andere argumenten die de zuiverheid van het doel van de regeling in twijfel trekken, niet tot een andere conclusie kunnen leiden. 4.62 Subonderdeel 2.1i bevat de klacht dat in de voorgenomen Experimenteerregeling geen evaluatietermijn is opgenomen, zoals de wetgever zou vereisen. Ik stel vast dat een dergelijke wettelijke eis niet in de wet staat. Verder wijzen IATA c.s. (in hun schriftelijke toelichting onder 2.1.15 en voetnoot 159) op een passage in de MvT waarin dit niet te lezen valt. In de tweede volzin van art. 8.23a lid 7 Wlv staat dat de minister bij vaststelling van de ministeriële regeling de beide kamers bericht wanneer en over de wijze waarop hij verslag zal doen. Dat dit niet in de regeling zelf hoeft te staan, volgt ook uit de toelichting bij het amendement waarmee deze zin in de wet is beland en uit de discussie daarover tussen de minister en de indiener van het amendement. 4.63 Tot slot kom ik toe aan subonderdeel 2.3. Dat bevat de klacht dat het hof (in het bijzonder in rov. 4.14) miskent dat de voorgenomen Experimenteerregeling niet kan worden vastgesteld omdat de inhoud en strekking hiervan in strijd komen met de wetswijzing uit 2016. Zoals ik hiervóór in 2.18 vaststelde, is deze wet niet in werking getreden, ook niet gedeeltelijk. IATA c.s. betogen echter dat een ministeriële regeling niet in strijd mag zijn met een wet in formele zin. In dit kader zou het hof niet zijn ingegaan op een aantal essentiële stellingen. 4.64 De klachten falen. Zoals de Staat terecht opmerkt (schriftelijke toelichting onder 3.24), komt het betoog van IATA c.s. erop neer dat een niet in werking getreden wijziging van een wet voorrang zou (moeten) hebben op de geldende versie van de wet, met als gevolg dat de voorgenomen Experimenteerregeling zou moeten worden getoetst aan de niet in werking getreden wijziging van de wet. Dat is, zeker uit het oogpunt van rechtszekerheid, een onhoudbaar standpunt. 2.3 Slotsom onderdeel 2 4.65 De subonderdelen 2.1d en 2.2 slagen. Daarmee is het lot van de (ten tijde van het arrest voorgenomen) Experimenteerregeling bezegeld. De overige klachten van subonderdeel 2.1 en de klachten van subonderdeel 2.3 falen. Onderdeel 3 (de Geluidsverordening inclusief de aanvullende klachten) 4.66 In onderdeel 3 staat centraal het oordeel van het hof over het beroep van IATA c.s. op de Geluidsverordening en meer specifiek of de Staat voor de Experimenteerregeling en voor het stopzetten van het anticiperend handhaven de balanced approach moe(s)t toepassen. 4.67 Ik schets eerst het juridisch kader. 3.1 Juridisch kader Geluidsverordening 4.68 Eind 2011 diende de Commissie voorstellen in voor het pakket “Betere luchthavens”, dat wetgevingsmaatregelen bevatte over slots, grondafhandeling en geluidsoverlast. 4.69 De Geluidsverordening (Verordening 598/2014) heeft als rechtsgrondslag art. 100 lid 2 VWEU. De verordening maakt daarom deel uit van de gemeenschappelijke vervoerpolitiek van de EU. Vervoerpolitieke belangen staan daarom voorop. Voor andere algemene belangen, zoals de bescherming van de leefomgeving tegen geluidhinder, is plaats, maar alleen binnen de kaders van deze verordening. Een lidstaat die ten aanzien van een luchthaven bij een (hernieuwde) afweging van belangen de balans meer wil laten doorslaan naar een effectieve bescherming van de omgeving, heeft de ruimte dat te doen indien hij de aard van het geluidsprobleem volgens bepaalde methoden in kaart brengt en de noodzaak van de door hem voorgestelde maatregel aantoont wanneer een dergelijke maatregel tot gevolg heeft dat er minder kan worden gevlogen (verlaging van het maximum aantal vtb’
  12. s)of dat er anders moet worden gevlogen (bijvoorbeeld met minder vervuilende toestellen of ander gebruik van de aanwezige start- en landingsbanen). 4.70 Op het terrein van het vervoer, en zeker de luchtvaart, bestaan relatief veel internationale instrumenten die als model kunnen dienen voor ‘interne’ Unierechtelijke regelgeving. Het overnemen van internationale regels in EU-wetgeving heeft tot gevolg dat de EU, vertegenwoordigd door de Commissie, op intern vlak de controle (en daarmee de macht) krijgt over de toepassing van die regels door de EU-lidstaten, en daarvan afgeleid op extern vlak voor derde landen het Europese aanspreekpunt wordt. De tot stand gebrachte overlap tussen internationale verbintenissen en Unierechtelijke verplichtingen betekent ook dat de uitleg en toepassing van die regels door de Commissie of door een individuele lidstaat gevolgen kunnen hebben voor luchtvaartmaatschappijen van buiten de EU. Van een en ander geeft deze zaak een treffende illustratie omdat zowel de Commissie als de Amerikaanse luchtvaartindustrie in het geweer is gekomen tegen de voorgenomen maatregelen die het voorwerp zijn van dit kort geding. 4.71 Ik kom nu toe aan de inhoud van de Geluidsverordening. 4.71.1 De Geluidsverordening bevat voor luchthavens met een geluidsprobleem regels inzake de procedure die moet worden gevolgd voor de coherente invoering van geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen (art. 1 lid 1). Centraal in deze verordening staat de ‘evenwichtige aanpak’ of balanced approach. Niet toevallig wordt deze verordening in de luchtvaartwereld vaak aangeduid als de BAR, de afkorting voor ‘Balanced Approach Regulation’. 4.71.2 De begrippen ‘exploitatiebeperking’ en ‘geluidsgerelateerde actie’ worden gedefinieerd in art. 2, leden 5 en 6: “5. „geluidsgerelateerde actie”: elke maatregel die gevolgen heeft voor de geluidsomgeving rond een luchthaven, waarvoor de beginselen van de evenwichtige aanpak van toepassing zijn, inclusief andere niet-operationele acties die gevolgen kunnen hebben voor het aantal mensen dat wordt blootgesteld aan vliegtuiglawaai; 6. „exploitatiebeperking”: een geluidsgerelateerde actie die de toegang tot of de operationale [sic] capaciteit van een luchthaven vermindert, inclusief exploitatiebeperkingen die gericht zijn op de uitdienstneming van marginaal conforme luchtvaartuigen op specifieke luchthavens en partiële exploitatiebeperkingen, die bijvoorbeeld gedurende bepaalde tijdsperioden van de dag of alleen voor bepaalde start- en landingsbanen gelden.” 4.71.3 De definitie van ‘exploitatiebeperking’ in de eindtekst wijkt iets af van de tekst die de Commissie had voorgesteld (zie doorgestreept en vet gedrukt de wijzigingen): “
(6)'Exploitatiebeperking': een geluidsgerelateerde actie die de toegang tot of de optimale operationale capaciteit van een luchthaven beperkt, inclusief exploitatiebeperkingen die gericht zijn op de uitdienstneming van marginaal conforme luchtvaartuigen op specifieke luchthavens en partiële exploitatiebeperkingen, die gevolgen hebben voor de exploitatie van civiele luchtvaartuigen tijdens bepaalde perioden bijvoorbeeld gedurende bepaalde tijdsperioden van de dag of alleen voor bepaalde start- en landingsbanen gelden. 4.71.4 Uit de definitie blijkt dat ‘exploitatiebeperking’ een ruim begrip is. Het omvat (
  1. i)wettelijke maatregelen en feitelijke handelingen (‘acties’) die (
  2. ii)gevolgen hebben voor de geluidsomgeving rond de luchthaven en die (iii) de toegang tot de capaciteit van de luchthaven beperken. 4.71.5 De balanced approach wordt in art. 2, aanhef en onder 3, als volgt gedefinieerd: “de door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie ontwikkelde procedure waarbij het gamma aan beschikbare maatregelen […] op coherente wijze wordt benaderd, teneinde het geluidsprobleem voor elke individuele luchthaven op de meest kosteneffectieve wijze op te lossen”. 4.71.6 Op grond van art. 5 van de Geluidsverordening kunnen lidstaten exploitatiebeperkingen alleen doorvoeren als zij de balanced approach gevolgd hebben. 4.71.7 Art. 5 lid 2 bevat de volgende (cumulatieve) vereisten van de balanced approach: “2. De lidstaten zorgen ervoor dat de evenwichtige aanpak inzake het beheer van vliegtuiglawaai wordt aangenomen ten aanzien van luchthavens waar een geluidsprobleem is vastgesteld. Daartoe zien zij erop toe dat:
  3. a)de doelstelling inzake de bestrijding van geluidshinder voor de luchthaven, waar passend, wordt omschreven rekening houdend met artikel 8 van en bijlage V bij Richtlijn 2002/49/EG;
  4. b)de beschikbare maatregelen ter beperking van de gevolgen van geluidshinder in kaart worden gebracht;
  5. c)de waarschijnlijke kosteneffectiviteit van de geluidsbeperkende maatregelen grondig wordt beoordeeld;
  6. d)de maatregelen worden geselecteerd, rekening houdend met het algemeen belang op het gebied van luchtvervoer in termen van ontwikkelingsperspectieven van hun luchthavens, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid;
  7. e)de belanghebbenden op transparante wijze over de voorgenomen acties worden geraadpleegd;
  8. f)de maatregelen worden aangenomen en hieraan voldoende ruchtbaarheid wordt gegeven;
  9. g)de maatregelen worden uitgevoerd; en
  10. h)in geschillenbeslechting wordt voorzien.” Deze vereisten komen er in mijn woorden op neer dat lidstaten pas nieuwe of aangepaste normen ter vermindering van geluidshinder kunnen vaststellen als zij (
  11. i)volgens een bepaalde methode kunnen aantonen dat er daadwerkelijk een geluidsprobleem is, (
  12. ii)kiezen voor een maatregel waar de luchtvaart het minste last van heeft en (iii) tegenover de luchtvaartsector maximale transparantie betrachten. 4.71.8 Art. 5 lid 3 stelt daarenboven voorwaarden aan de geschiktheid en de evenredigheid van een ‘actie’ die tot gevolg heeft dat, kort gezegd, er minder mag worden gevlogen: “3. Als de lidstaten geluidsgerelateerde actie ondernemen, zorgen zij ervoor dat de volgende combinatie van beschikbare maatregelen in overweging wordt genomen, teneinde te kunnen vaststellen welke maatregel of combinatie van maatregelen de grootste kosteneffectiviteit biedt:
  13. a)de verwachte beperking van het vliegtuiglawaai aan de bron;
  14. b)ruimtelijke ordening en beheer;
  15. c)operationele procedures voor de bestrijding van geluidshinder;
  16. d)exploitatiebeperkingen niet in eerste instantie toe te passen, maar slechts nadat de overige maatregelen van de evenwichtige aanpak in overweging zijn genomen. (…).” 4.71.9 Art. 8 bevat ‘regels voor het opleggen van exploitatiebeperkingen’. Daarin staat een notificatie- en consultatieprocedure. Wanneer de bevoegde instantie van een lidstaat voornemens is een exploitatiebeperking op te leggen, moet zij alle andere lidstaten, de Commissie en de relevante belanghebbende partijen daar zes maanden voor de boogde ingangsdatum kennis van geven en wel zo dat er nog twee maanden is tussen het verstrijken van die termijn en de vaststelling van de slotcoördinatieparameters (art. 8 lid 1). Uit de kennisgeving moet blijken op welke gronden de bevoegde instantie van de berokken lidstaat meent dat voldaan is aan alle vereisten van de balanced approach (art. 8 lid 2). De Commissie heeft drie maanden na de kennisgeving om de procedure voor de invoering van een exploitatiebeperking te toetsen en de bevoegde nationale instantie ervan in kennis te stellen dat zij van oordeel is dat bij de invoering van een geluidsgerelateerde beperking de balanced approach niet in acht is genomen (art. 8 lid 3). 4.72 De balanced approach is afkomstig van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (hierna: ICAO), een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties. De balanced approach is voor het eerst vastgelegd in Resolutie A33/7 van de ICAO en werd vervolgens opgenomen in Annex 16, deel V van het Verdrag van Chicago. Daar staat het volgende: “1. The balanced approach to noise management consists of identifying the noise problem at an airport and then analysing the various measures available to reduce noise through the exploration of four principal elements, namely reduction at source (Addressed in Part II of this Annex), land-use planning and management, noise abatement operational procedures and operating restrictions, with the goal of addressing the noise problem in the most cost-effective manner. All the elements of the balanced approach are addressed in the Guidance on the Balanced Approach to Aircraft Noise Management (Doc 9829).” De vier genoemde bestanddelen staan ook opgenomen in het zojuist (deels) geciteerde art. 5 lid 3 van de Geluidsverordening. 4.73 De balanced approach stond ook al in Richtlijn 2002/30/EG, de voorloper van de Geluidsverordening (zie voetnoot 96), maar was toen minder uitgewerkt. In een uitspraak die nog betrekking heeft op Richtlijn 2002/30/EG heeft het HvJ het volgende overwogen: “38. […] Het begrip „evenwichtige aanpak”, dat is gedefinieerd in resolutie A33/7 die op de 33e algemene vergadering van de ICAO is goedgekeurd, omvat vier essentiële elementen en vereist een zorgvuldige evaluatie van alle opties voor geluidsbestrijding, inclusief beperking van het vliegtuiglawaai bij de bron, maatregelen in de sfeer van ruimtelijke ordening, operationele procedures voor lawaaibestrijding en exploitatiebeperkingen, onverminderd de desbetreffende wettelijke verplichtingen, de bestaande overeenkomsten, de thans geldende wetgeving en het gevestigde beleid.” 4.74 Conform het voorgaande staat in considerans nr. 3 van de Geluidsverordening het volgende: “In Resolutie A33/7 van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (de ICAO) wordt het concept van „evenwichtige aanpak” van geluidsbeheer (de evenwichtige aanpak) ingevoerd en wordt een coherente methode vastgesteld om vliegtuiglawaai aan te pakken. De evenwichtige aanpak van de ICAO moet de basis blijven voor geluidsregelgeving in de luchtvaart, als mondiale sector. De evenwichtige aanpak erkent, en doet geen afbreuk aan, de waarde van toepasselijke juridische verplichtingen, bestaande overeenkomsten, vigerend rechten vastgesteld beleid. (…)” Erkend wordt dus dat de balanced approach aan de waarde van toepasselijke juridische verplichtingen, bestaande overeenkomsten, vigerende rechten (hiermee is bedoeld: geldende wetten) en vastgesteld beleid geen afbreuk doet. 4.75 Dat laatste volgt ook uit art. 14: “Geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen die werden ingevoerd vóór 13 juni 2016 blijven geldig totdat de bevoegde instanties besluiten deze te herzien overeenkomstig deze verordening.” 4.76 In considerans nr. 20 staat hierover het volgende: “Hoewel in deze verordening wordt voorgeschreven dat de geluidssituatie op luchthavens regelmatig moet worden beoordeeld, impliceert die beoordeling niet noodzakelijkerwijs dat nieuwe geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen zullen worden vastgesteld of dat de bestaande geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen zullen worden getoetst. Derhalve wordt in deze verordening niet voorgeschreven dat de geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen die op de datum van inwerkingtreding ervan reeds bestaan, waaronder de exploitatiebeperkingen die voortvloeien uit rechterlijke beslissingen of plaatselijke bemiddelingsprocedures, moeten worden getoetst. Kleine technische wijzigingen van een maatregel, die geen grote gevolgen hebben voor de capaciteit of activiteiten, dienen niet als een nieuwe exploitatiebeperking te worden beschouwd.” 4.77 Het onderstreepte zinsdeel ‘kleine technische wijzigingen’ was ook onderdeel van art. 7, aanhef en onder b, van Richtlijn 2002/30/EG waar in de Nederlandse tekst werd gesproken van ‘niet-wezenlijke technische wijzigingen’. Het bijvoeglijk naamwoord ‘niet-wezenlijke’ is door het Europees Parlement bij amendement toegevoegd met de volgende motivering: “The amendment is to ensure that 'technical' changes cannot be invoked in order to circumvent the assessment pursuant to Article 5 in the event of major changes.” Een klassieke reden dus: voorkómen dat er lidstaten zijn die de Unierechtelijke spelregels ten nadele van de industrie (hier de luchtvaart) proberen te omzeilen. Er kan uiteraard discussie bestaan over de vraag of een voorgenomen wijziging ‘niet-wezenlijk’ of ‘major’ is. 3.2 Lezing van het bestreden arrest en belang bij de klachten 4.78 De Staat stelt in zijn schriftelijke toelichting onder 4.2 dat IATA c.s. geen belang hebben bij de klachten over de oordelen ten aanzien van de invoering van de voorgenomen Experimenteerregeling (rov. 4.19) indien de klachten tegen de oordelen over het stoppen met anticiperend handhaven falen (rov. 4.20). Bij het beëindigen van anticiperend handhaven is het maximaal aantal toegestane vliegtuigbewegingen onder de LVB 2008 (410.000) veel lager dan er zouden zijn onder de voorgenomen Experimenteerregeling (460.000). Bij het slagen van de klachten tegen het oordeel van het hof over die regeling (en, voeg ik er aan toe: het falen van de klachten tegen het stoppen met gedogen) zouden IATA c.s. het maximum aantal vliegtuigbewegingen dus sterker zien dalen dan met die regeling. 4.79 Dit betoog gaat mijns inziens niet op, alleen al omdat de Staat heeft gesteld dat uitsluitend wordt gestopt met anticiperend handhaven indien tegelijkertijd de Experimenteerregeling wordt ingevoerd. Beide maatregelen gaan dus kennelijk hand in hand. Ik verwijs naar de schriftelijke toelichting van de Staat onder 6.5, onder het kopje ‘geen halve maatregelen’: “6.5 En die feitelijke situatie is dat de Staat voornemens is om de beide maatregelen op hetzelfde moment te treffen. De Staat stopt met anticiperend handhaven, maar wil dat niet doen zonder de Experimenteerregeling in te voeren. Het hof heeft dit vastgesteld in onder meer rov. 4.7 en 4.10, en het volgt ook uit de Hoofdlijnenbrief, die het hof in rov. 3.17 citeert. […]” 4.80 Verder betoogt de Staat (schriftelijke toelichting onder 4.4 t/m 4.7) dat rov. 4.19 twee oordelen bevat die zelfstandig dragend zijn. Volgens de Staat heeft het hof geoordeeld dat: (
  17. a)de vraag of de voorgenomen Experimenteerregeling een exploitatiebeperking is in de zin van de Geluidsverordening zich niet leent voor beantwoording in dit kort geding; én dat (
  18. b)de bewoordingen, doelstellingen en systematiek van de Geluidsverordening zich niet verzetten tegen de invoering van een duidelijk afgebakend en in de tijd beperkt experiment als de voorgenomen Experimenteerregeling. Op grond van deze lezing stelt de Staat dat indien de klachten tegen oordeel (
  19. a)falen, bij de klachten tegen oordeel (
  20. b)geen belang bestaat. Ik zie dat anders. Het hof laat “[…] in het midden de vraag of een Experimenteerregeling als beoogd per saldo en feitelijk de toegang tot of operationele capaciteit van een luchthaven ‘vermindert’ in de zin van artikel 2 sub 6 van de Geluidsverordening (de Staat meent van niet, IATA c.s. menen van wel). […]”. Het hof legt vervolgens nog wel uit dat over deze vraag geen oordeel kan worden gegeven in dit kort geding, maar daaraan verbindt het hof geen consequenties. Sterker nog, het overweegt dat het antwoord op de in het midden gelaten vraag voor de beslissing niet bepalend is. De beslissing staat in de eerste zin van rov. 4.19: de voorgenomen Experimenteerregeling, waarvan de looptijd slechts één jaar bedraagt, kan niet worden aangemerkt als een exploitatiebeperking in de zin van de Geluidsverordening. 4.81 Ik kom nu toe aan de bespreking van de klachten van IATA c.s. tegen rov. 4.19 - 4.21. 3.3 Bespreking van de klachten tegen rov. 4.19 4.82 In rov. 4.19 overweegt het hof dat de voorgenomen Experimenteerregeling geen beperking is en de Staat daarom de balanced approach niet hoeft te volgen: “4.19 Naar het oordeel van het hof kan een experimenteerregeling zoals de voorgenomen Experimenteerregeling, waarvan de looptijd slechts één jaar bedraagt, niet worden aangemerkt als een exploitatiebeperking in de zin van de Geluidsverordening. Het hof laat hierbij in het midden de vraag of een Experimenteerregeling als beoogd per saldo en feitelijk de toegang tot of operationele capaciteit van een luchthaven 'vermindert’ in de zin van artikel 2 sub 6 van de Geluidsverordening (de Staat meent van niet, IATA c.s. menen van wel). Over deze vraag kan het hof in het kader van dit kort geding geen oordeel geven. Vast staat dat in de afgelopen jaren wisselende aantallen vliegtuigbewegingen zijn uitgevoerd, in het topjaar 2019 bijna 500.000, en dat in louter technische zin de luchthaven Schiphol meer dan 500.000 vliegtuigbewegingen aan kan, zoals de luchtvaartmaatschappijen hebben aangevoerd en RSG heeft bevestigd. Dat is echter niet voldoende. De vraag of de Experimenteerregeling per saldo leidt tot vermindering van de capaciteit in de zin van de Geluidsverordening vergt nader onderzoek naar, onder meer, de methode van omrekening van grenswaarden in combinatie met preferentieel baangebruik naar aantal vliegtuigbewegingen, terwijl ter zitting in hoger beroep is gebleken dat partijen aangaande de cijfers diepgaande verschillen van inzicht hebben, over meerdere aspecten. Het antwoord op deze vraag is echter voor de beslissing niet bepalend, omdat het hier om een tijdelijk en kortdurend experiment gaat, ter voorbereiding van eventuele toekomstige aanpassingen van het op de nieuwe Wlv te baseren LVB, waarvoor de Staat wél voornemens is om de procedure van de evenwichtige aanpak te volgen. De Staat heeft deze procedure al in gang gezet en heeft een kennisgeving aan de Europese Commissie gedaan. Partijen zijn het erover eens dat die procedure nog een behoorlijke tijd (in ieder geval meer dan enkele maanden) in beslag zal gaan nemen. Het hof acht een uitleg van de Geluidsverordening die erop neerkomt dat de bevoegde nationale instanties gehouden zijn voor een duidelijk afgebakend en in tijd beperkt experiment als het onderhavige de door de Geluidsverordening in het leven geroepen, uitvoerige en tijdrovende procedure te volgen, waarbij niet alleen de Europese Commissie, maar ook alle lidstaten moeten worden geïnformeerd, in strijd met de aard en strekking van die verordening. De tekst van de bepalingen uit de Geluidsverordening, in combinatie met de preambule, noopt ook niet tot een dergelijke uitleg. Wanneer de door IATA c.s. bepleite uitleg zou worden gevolgd, waarbij ook een kortdurend, duidelijk afgebakend experiment als het onderhavige onder de Geluidsverordening zou vallen, zou deze verordening naar het oordeel van het hof verder gaan dan nodig en dus in strijd zijn met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. De conclusie van het hof is dan ook dat de bewoordingen, de doelstellingen en de systematiek van de Geluidsverordening zich niet verzetten tegen de invoering van een Experimenteerregeling als de onderhavige zonder dat daarbij eerst het traject van de evenwichtige aanpak wordt doorlopen. Op dit moment kan dus niet worden geoordeeld dat er evidente strijd is met de Geluidsverordening als de voorgenomen Experimenteerregeling, dan wel een daaraan op de relevante punten gelijke variant, wordt ingevoerd zonder de balanced approach procedure te volgen.” - Subonderdeel 3.1 4.83 Volgens IATA c.s. heeft het hof in rov. 4.19 een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven en de eisen van hoor en wederhoor (art. 19 Rv) miskend. Geen van de partijen in deze procedure heeft een beroep gedaan op een uitzondering die meebrengt dat geen balanced approach-procedure hoeft te worden gevolgd voor een kortdurend en duidelijk afgebakend experiment. Toch oordeelt het hof langs deze lijn. Alvorens tot dit oordeel te kunnen komen, had het hof partijen in de gelegenheid moeten stellen om zich hierover uit te laten. Voor zover het hof een beroep op een dergelijke uitzondering in de stellingen van de Staat heeft gelezen, is dat onbegrijpelijk. 4.84 De klacht faalt. IATA c.s. zien eraan voorbij dat zij zelf hebben betoogd dat een experimentele en naar zijn aard tijdelijke regeling (op grond van art. 8.23a Wlv) onder de balanced approach valt, zodat het hof daar een beslissing over diende te nemen. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de inleidende dagvaarding onder 59 onder het kopje: ‘Spoor 1 is strijdig met EU-recht en internationaal recht’: “De Minister beoogt de Experimenteerregeling op grond van artikel 8.23a van de Wet luchtvaart in te voeren. […] Voor de toepasselijkheid van de verplichting de Balanced Approach te volgen maakt dit geen verschil. De BAR [de Geluidsverordening, A-G] en artikel 15
(3)en
(4)van de EU-US Open Skies Agreement bevatten geen bijzondere bepaling terzake van een experimentele, naar de aard tijdelijke regeling zoals de Experimenteerregeling. Dit betekent dat de Experimenteerregeling als exploitatiebeperking uitsluitend kan worden toegepast indien daaraan voorafgaand de Balanced Approach is toegepast.” 4.85 Dit is dan ook wat het hof overweegt (zie rov. 4.15: “Zij betogen dat de Geluidsverordening geen uitzondering maakt voor experimenten.”). Het hof betrekt dit in zijn oordeel en komt tot de conclusie dat de rechtsopvatting van IATA c.s. op dit punt niet juist is (wat een andere vraag is, die hierna aan de orde komt). Van een verrassingsbeslissing of strijd met het beginsel van hoor en wederhoor kan in het licht hiervan niet worden gesproken. - Subonderdeel 3.2 4.86 IATA c.s. betogen dat het oordeel in rov. 4.19 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over de bewoordingen, doelstellingen, systematiek, aard en strekking van de Geluidsverordening en met name dat het hof zou zijn uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting over (
  1. i)de begrippen ‘geluidsgerelateerde actie’ en ‘exploitatiebeperking’ (
  2. ii)over de door de Geluidsverordening voorgeschreven balanced approach. 4.87 In de procesinleiding (p. 15) wordt gesteld dat het hof in ieder geval heeft miskend dat de Geluidsverordening geen mogelijkheid kent om zonder het volgen van de balanced approach en de daarbij horende procedure een tijdelijke exploitatiebeperking door te voeren, al dan niet bij wijze van experiment. Het invoeren van zo’n kortdurende maatregel, zonder de balanced approach te doorlopen, is in strijd met de Geluidsverordening. 4.88 De klacht slaagt. De Experimenteerregeling is aan te merken als een ‘geluidsgerelateerde actie’. Zij heeft gevolgen heeft voor de operationele capaciteit van de luchthaven Schiphol. Daarom gaat het om een ‘exploitatiebeperking’ in de hiervoor bedoelde zin. Dat betekent dat de balanced approach-procedure van toepassing is, tenzij de Geluidsverordening voorziet in een uitzondering die zou kunnen worden toegepast. Dat is niet het geval. De vorm (of de aard) van de maatregel is in het kader van de Geluidsverordening zonder betekenis voor de vraag of sprake is van een exploitatiebeperking. De Geluidsverordening bevat geen aanknopingspunt voor de opvatting dat een tijdelijke of kortdurende exploitatiebeperking (anders dan bijvoorbeeld een zeer tijdelijke beperking voor een spoedreparatie of wegens extreem weer) van de balanced approach is uitgesloten, nog daargelaten de vraag hoe kort ‘kortdurend’ dan zou moeten zijn. In het geval van de voorgenomen Experimenteerregeling zou bovendien, indien deze regeling berustte op een toereikende wettelijke grondslag, verlenging met maximaal een jaar mogelijk zijn (art. 8.23a lid 5 Wlv, geciteerd in 4.29), wat de totale duur op twee jaar zou brengen. 4.89 Mede tegen de achtergrond van harmonisatie, voorspelbaarheid en conflictmijding bestaat er dan ook geen goede grond om aan te nemen dat een geluidsgerelateerde actie op grond van een experiment niet zou vallen onder de categorie maatregelen waarop de balanced approach van toepassing is. Het voorgaande betekent dat de omstandigheid dat sprake is van een tijdelijke experimenteerregeling niet meebrengt dat de balanced approach niet van toepassing is. De andersluidende, door het hof gegeven uitleg van de Geluidsverordening op dit punt houd ik voor onjuist. - Subonderdeel 3.3 4.90 IATA c.s. richten klachten tegen het oordeel van het hof dat een uitleg van de Geluidsverordening volgens welke de voorgenomen Experimenteerregeling er onder zou vallen, in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Dit oordeel is volgens IATA c.s. onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Uit de considerans van de Geluidsverordening volgt dat de Uniewetgever heeft vastgesteld dat deze verordening het evenredigheidsbeginsel in acht neemt. Het is niet aan het hof om deze afweging over te doen. De gemaakte afweging die het hof vervolgens maakt, is bovendien onjuist. 4.91 De klacht slaagt. Het oordeel van het hof over het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel houd ik voor onjuist. Het evenredigheidsbeginsel is een algemeen rechtsbeginsel, dat zowel de uitoefening van bevoegdheden door de lidstaten op door het Unierecht bestreken terreinen als de wetgevende handelingen van de Unie zelf conditioneert. Dit beginsel beperkt de uitoefening van bevoegdheden door een evenwicht te eisen tussen de ingezette middelen en het na te streven doel (of het bereikte resultaat). Ik verwijs naar art. 5, leden 1 en 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU): “1. De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. […] 4. Krachtens het evenredigheidsbeginsel gaan de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken. De instellingen van de Unie passen het evenredigheidsbeginsel toe overeenkomstig het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.” 4.92 Het protocol waaraan wordt gerefereerd in art. 5 lid 4 VEU is het Tweede Protocol bij het VEU en het VWEU. Daarin staat onder meer dat iedere instelling van de Europese Unie ervoor zorg draagt dat het evenredigheidsb

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.