PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/03895 Zitting 12 januari 2024 CONCLUSIE B.J. Drijber In de zaak van De Russische Federatie, eiseres tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep, tegen 1Aeroport Belbek LLC, 2. [verweerder 2], verweerders in cassatie, eisers in het incidenteel cassatieberoep. Partijen worden hierna aangeduid als Russische Federatie respectievelijk Belbek c.s. en verweerders individueel als Belbek en [verweerder 2]. 1Inleiding en samenvatting 1.1 Deze zaak betreft een procedure tot vernietiging van arbitrale uitspraken. Belbek c.s. zijn op grond van het bilaterale investeringsverdrag tussen Oekraïne en de Russische Federatie een arbitrage tegen de Russische Federatie begonnen. Plaats van de arbitrage is Den Haag. De arbitrage gaat over de rechtmatigheid van de onteigening van vermogensbestanddelen op grond van overheidsmaatregelen die zijn genomen nadat de Krim in maart 2014 onder het bestuur en de controle van de Russische Federatie is gekomen. In de arbitrale procedure vorderen Belbek c.s. schadevergoeding voor de onteigeningen op de Krim wegens strijd met het bilaterale investeringsverdrag. 1.2 Het scheidsgerecht heeft (
(3)of the Treaty, from which the Tribunal derives its jurisdiction, the “arbitral award shall be final and binding upon both parties to the dispute.”” Asser/Vonken 10-I 2023/404 Zie bijv. HR 22 februari 2002, ECLI:HR:2002:AD8197, NJ 2003/483, m.nt. P. Vlas, r.o. 5.3; HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1522, NJ 2013/235, m.nt. Th.M. de Boer (Rafidain Bank/Solvochem), r.o. 3.6; HR 8 april 1927, ECLI:NL:HR:1927:33, NJ 1927, p. 1110 m.nt. P.W.A. Scholten ([…] / […] Aktiëngesellschaft). Vgl. Vlas, IPR en BW (Mon. BW nr. A27) 2015/27: “Art. 10:2 BW bepaalt dat de regels van internationaal privaatrecht en het door die regel aangewezen recht ambtshalve worden toegepast. De regel stemt overeen met art. 25 Rv, waarin in algemene zin is bepaald dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult. De rechter zal de door partijen aangedragen feiten moeten interpreteren, daaruit conclusies moeten trekken en vervolgens de wet – daaronder begrepen het internationaal privaatrecht – op die feiten moeten toepassen. […].” Vgl. HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1979, NJ 2011/8 ([…] /TMF Nederland), rov. 5.1: “Onderdeel A klaagt terecht dat het hof heeft verzuimd ingevolge art. 25 Rv ambtshalve vast te stellen wat de inhoud is van het volgens TMF c.s. toepasselijke recht van de British Virgin Islands. Het oordeel van het hof dat onvoldoende gesteld of gebleken is dat dit recht leidt tot een ander oordeel dan het Nederlandse recht, miskent dat de rechter hier een zelfstandige taak heeft.” Voor zover in schriftelijke toelichting nr. 4.3-4.4 is getracht een klacht tegen dit deel van de beoordeling van het hof te richten, is dat te laat. In nr. 4.4 staat: “De Russische Federatie heeft niet gesteld dat het gebruik van offshore entiteiten als zodanig in strijd is met de wet. De Russische Federatie had in feitelijke instanties gesteld dat er sprake is van witwassen. […].” Overigens zou deze opmerking niet tot cassatie kunnen leiden, omdat de Russische Federatie niet de uitleg/samenvatting door het hof van de stelling van de Russische Federatie (in rov. 5.9.7.6) heeft aangevochten. Op grond van art. IV van de Wet modernisering arbitragerecht (Stb. 2014, 200) is deze wet niet van toepassing op arbitrageprocedures die vóór 1 januari 2015 aanhangig zijn gemaakt. De arbitrageprocedure die in deze zaak centraal staat, is op 13 januari 2015 geëntameerd (zie Interim Award, nr. 5). Uit Kamerstukken I 1985/86, 18 464, nr. 191b (MvA), p. 2 (onderaan) volgt dat deze bepaling is gebaseerd op art. V van het niet namens Nederland ondertekende Europees Verdrag van 21 april 1961 inzake de internationale handelsarbitrage, United Nations, Treaty Series, vol. 484, p.
- Het eerste lid van deze bepaling wordt deels aangehaald in de parlementaire geschiedenis: “The party which intends to raise a plea as to the arbitrator’s jurisdiction based on the fact that the arbitration agreement was either non-existent or null and void or had lapsed shall do so during the arbitration proceedings, not later than the delivery of its statement of claim or defence relating to the substance of the dispute; […].” Aldus ook: Rb. Rotterdam 18 mei 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ5670 (X/Cimcool), rov. 4.
- Kamerstukken II 1985/86, 18 464, nr. 6 (MvA), p. 29 (Meijer e.a., Parlementaire Geschiedenis Arbitragewet 2015/III.34.6 en TvA 1986/2, p. 82). Zie ook G.J. Meijer, Overeenkomst tot arbitrage (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2011, p.
- H.J. Snijders, Nederlands arbitragerecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 303 (art. 1038 Rv, aant. 1). H.J. Snijders, Nederlands arbitragerecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 415 (art. 1052 Rv, aant. 2). Aldus ook Van Delden, in: A.J. van den Berg, R. van Delden & H.J. Snijders, Arbitragerecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, p. 97: “verschenen (bedoeld is: aan de gedingvoering deelnemende)”. G.J. Meijer, Overeenkomst tot arbitrage (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2011, p.
- Zie ook P. Sanders, Het Nederlandse arbitragerecht, nationaal en internationaal, Deventer: Kluwer 2001, p. 25 (commentaar op art. 1052 lid 2 Rv): “Verweerder is niet verschenen. Dit is een geval van art. 1040 […]. Indien een verweerder verstek laat gaan, kan het scheidsgerecht aanstonds vonnis wijzen […].” G.J. Meijer, in: T&C Rv, commentaar op art. 1052 Rv, aant. 2.c. (online bijgewerkt t/m 1 juli 2023). HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645, NJ 2022/102 m.nt. C.M.J. Ryngaert & A.I.M. van Mierlo (Russische Federatie/Veteran Petroleum Limited c.s.), rov. 5.2.
- HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837, NJ 2015/318 m.nt. H.J. Snijders (Republiek Ecuador/Chevron Corporation I), rov. 4.
- Art. 1065 lid 2 Rv luidt: “De grond, bedoeld onder a van het eerste lid, kan niet tot vernietiging leiden in het geval genoemd in art. 1052, tweede lid.” HR 27 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6443, NJ 2010/170 m.nt. H.J. Snijders, TvA 2009, 50 (p. 134) m.nt. B.C. Punt ([…] /Ruwa Bulbs). Aldus ook HR 27 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4003, NJ 2010/169 m.nt. H.J. Snijders ([…] / […]), rov. 4.3.
- De toelichting bij art. 1027 lid 4 Rv luidt dan ook (Kamerstukken II 1983/84, 18 464, nr. 3 (MvT), p. 10): “[…] In het stelsel van het ontwerp past het dan ook te bepalen dat een partij, door mee te werken aan de benoeming, niet het recht verliest later nog een beroep te doen op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage. Dit beroep zal door een partij die voor het scheidsgerecht is verschenen voor alle weren moeten worden gedaan (zie artikel 1052, tweede lid). […].” (mijn onderstreping) Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/
- Zie bijv. HR 25 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2710, NJ 1998/893 (Annico Maritime), rov. 2.
- Vgl. Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/
- HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3979, NJ 2010/403 (B.V. Engeneering Design Documentation Services/Electronic Data Systems Corporation), rov. 3.
- Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht 2021/65 (p. 89). Zie ook HR 22 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1104, NJ 1994, 374 m.nt. H.E. Ras (Staat/G.), rov. 3.3: “[…] Aldus moeten de in art. 141 lid 2 [thans art. 128 lid 3 Rv, A-G] genoemde excepties worden beperkt tot die verweermiddelen die ertoe strekken dat de rechter, aan wie het geschil is voorgelegd, op grond van regels van processuele aard niet tot een beoordeling van de rechtsbetrekking in geschil zelf kan komen. […].” Zie ook A-G Asser in punt 2.3 (aan het slot) van zijn conclusie vóór dat arrest: de regel van art. 1052 lid 2 Rv ziet op een exceptie van onbevoegdheid die vóór alle weren moet worden opgeworpen. B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie, 2019/115 (in fine): “[…] Een rechterlijke vaststelling die strijdt met een stelling van een partij, houdt een (impliciete) verwerping van die stelling in. […].”