PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/03422 Zitting 5 maart 2024 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 2 september 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens ‘medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 dagen hechtenis. Er bestaat samenhang met de zaken 22/03423 en 22/03421. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Uit de akte volgt dat het cassatieberoep zich niet richt tegen ‘de niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing (tot vrijspraak) ter zake van het onder 3 primair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde, de niet-ontvankelijkverklaring van het OM ter zake van de onder 1 (impliciet subsidiair) tenlastegelegde overtreding, en de vrijspraak ter zake van het onder 2 tenlastegelegde’. De formulering van deze beperkingen wekt enige verwarring: de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging betreft de onder 1 en 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde overtredingen en de verdachte is van het onder 2 (impliciet primair) tenlastegelegde vrijgesproken. Ik leid uit de akte af dat beoogd is deze beslissingen buiten het cassatieberoep te houden. In geval van een samengestelde tenlastelegging kan het cassatieberoep volgens Uw Raad ‘worden beperkt tot de beslissingen over (cumulatieve, alternatieve en/of primaire) onderdelen van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven’. Het van het cassatieberoep uitsluiten van een subsidiaire tenlastelegging is niet toegelaten als het hof niet is toegekomen aan een beslissing over dat onderdeel van de tenlastelegging. Dat geval doet zich in casu niet voor; dat betekent – begrijp ik – dat de uitsluiting van het cassatieberoep van de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ter zake van de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde overtreding dient te worden gerespecteerd. 5. Th.J. Kelder, advocaat te 'sGravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 6. Het eerste middel bevat vijf uiteenlopende deelklachten. Voordat ik dit middel bespreek geef ik de tenlastelegging waar de rechtbank op had te beslissen, passages uit het vonnis en het bestreden arrest, de bewijsvoering, passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, uit het requisitoir en uit de pleitnota alsmede de toepasselijke regelgeving weer. Tenlastelegging, passages uit het vonnis en het bestreden arrest, bewijsvoering, passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, requisitoir en pleitnota 7. Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting in eerste aanleg van 25 januari 2018 – blijkens bijlage 1 bij het vonnis tenlastegelegd dat: ‘1. [medeverdachte 3] V.O.F. (als opdrachtgever voor de overbrenging van afvalstoffen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 december 2009 te Rotterdam en/of Utrecht, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Unie, tezamen en in vereniging met (een) ander (en), althans alleen, opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35 (sub e), van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen (EG nr. 1013/2006), immers heeft/hebben [medeverdachte 3] V.O.F. en/of haar mededader(
(2)de afnemers vervolgens het vervoer van het granulaat per schip vanaf het bedrijfsterrein van het concern in de haven van Rotterdam naar Litouwen regelden. Het gaat in deze zaak om niet-teerhoudend asfaltgranulaat, dat is vervaardigd uit bitumen-asfaltschollen met een hoger 10PAK(VROM)-gehalte dan 75 mg/kg en een lager benzo[a]pyreen-gehalte dan 50 mg/kg. Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar pleitnotities op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd. i. Het asfaltgranulaat kan niet worden aangemerkt als een afvalstof, omdat de verdachte zich daarvan niet heeft ontdaan. Bovendien heeft het asfaltgranulaat de einde-afvalstatus bereikt als bedoeld in artikel 6 KRA; ii. Er is geen sprake van overbrenging van asfaltgranulaat in strijd met de communautaire of internationale regelgeving; iii. [medeverdachte 3] kan niet worden aangemerkt als opdrachtgever voor de overbrenging van de afvalstoffen; iv. [medeverdachte 3] heeft geen opzet gehad op de overbrenging van afvalstoffen en evenmin op een overbrenging in strijd met communautair recht; v. Het medeplegen kan niet worden bewezenverklaard; vi. De afgifte van de afvalstoffen kan niet worden bewezenverklaard, nu de afvalstoffen feitelijk zijn afgegeven aan de vervoerders en dit niet is tenlastegelegd. Afvalstof Het hof stelt voorop dat zelfs wanneer een afvalstof een handeling heeft ondergaan waarmee de nuttige toepassing is voltooid en waardoor de stof dezelfde eigenschappen en kenmerken als een grondstof heeft verkregen, zulks niet wegneemt dat die stof als een afvalstof kan worden beschouwd, wanneer de houder zich ervan ontdoet, voornemens is zich ervan te ontdoen of zich ervan moet ontdoen (zie HvJ EG 15 juni 2000, C-418/97 en C-419/97 (Arco) , par. 94, en HvJ EG 18 april 2002, C-9/0 0 (Palin Granit), par. 46). Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een 'afvalstof' moet daarom eerst worden vastgesteld of de houder zich van het desbetreffende voorwerp of de desbetreffende stof, in dit geval asfaltgranulaat, heeft ontdaan of voornemens was zich daarvan te ontdoen. Voorwerpen of stoffen waarvan de houder zich ontdoet of voornemens is zich te ontdoen, zijn afvalstoffen, ongeacht of zij substantiële waarde hebben in het economisch verkeer, op zichzelf voor hergebruik geschikt zijn of niet afgedankt en niet versleten zijn. Zij blijven afvalstoffen totdat zij de status van afvalstof hebben verloren (zie HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:433). Het hof overweegt dat ten tijde van de tenlastegelegde transporten de bedrijfsvoering van het concern erop was gericht om ingenomen asfalt door middel van thermische reiniging te bewerken tot schone grondstof dat opnieuw kon worden toegepast in infrastructurele werken. Het asfaltgranulaat dat op het bedrijventerrein van het concern lag opgeslagen en door capaciteitsgebrek niet thermisch kon worden gereinigd, had binnen de bedrijfshuishouding van het concern een negatieve waarde omdat het vanwege de overschrijding van de grenswaarde voor benzo(a)pyreen in Nederland niet mocht worden toegepast. Dat het granulaat in andere landen met andere milieunormen mogelijk wel als bouwstof in de wegenbouw mocht worden gebruikt en daar een positieve waarde vertegenwoordigde, kan er niet aan afdoen dat het opgeslagen granulaat voor het concern bedrijfseconomisch gezien geen nut had en een last vormde. Daar komt bij dat, zoals hiervoor reeds werd vastgesteld, bij de onderhavige leveringen door het concern een bedrag per ton werd betaald aan de afnemers. Een en ander maakt dat het asfaltgranulaat voor het concern een afvalstof was. Aan dat oordeel draagt voorts nog bij dat in de tenlastegelegde periode soortgelijk asfaltgranulaat ook naar Duitsland werd geëxporteerd naar een bedrijf dat een vergunning had voor het verwerken van afval. Nu het hof heeft vastgesteld dat sprake is van een afvalstof, treedt het hof niet in de beoordeling of sprake was van een einde afvalstatus, als bedoeld in artikel 6 KRA. Overbrenging in strijd met de communautaire of internationale regelgeving Op grond van artikel 18, eerste lid, jo. artikel 3, tweede lid, onder a), jo. bijlage III, deel I, en bijlage V, deel I, lijst B, EVOA diende de overbrenging van het asfaltgranulaat te voldoen aan de vereisten van artikel 18 EVOA. Dit bepaalt dat de opdrachtgever ervoor zorgt dat de overbrenging van de afvalstoffen vergezeld gaat van de in bijlage VII EVOA genoemde informatie. Daarnaast dient het contract tussen de opdrachtgever en de ontvanger een terugnameverplichting te bevatten voor de opdrachtgever, indien de beoogde aanwending van de afvalstoffen niet wordt gerealiseerd. Het hof constateert dat de tussen [medeverdachte 3] dan wel [medeverdachte 2] en de ontvangers gesloten overeenkomsten niet voorzien in een terugnameverplichting van het asfaltgranulaat voor het concern. Tevens zijn de bijlage-VII formulieren deels onjuist ingevuld, zodat de overbrenging van het granulaat niet is vergezeld gegaan van de vereiste informatie. Zo is bijvoorbeeld in vak 1 van het formulier, waar de naam van de opdrachtgever [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] had moeten worden ingevuld, de naam vermeld van de partij die het transport organiseerde. De overbrenging van het asfaltgranulaat heeft daarom plaatsgevonden in strijd met artikel 18 EVOA. Opdrachtgever Het hof overweegt dat de export van het asfaltgranulaat deel uitmaakte van de kernactiviteiten van het concern. Het concern wilde zich van het asfaltgranulaat ontdoen en heeft betaald voor de export van het granulaat. Daarom moet het concern voor de toepassing van de EVOA worden gezien als opdrachtgever van die export. Dat bepaalde werkzaamheden die daarmee samenhingen, zoals het vervoer van het granulaat, door of in opdracht van derden werden verricht, doet niet af aan de verantwoordelijkheid als opdrachtgever van de verdachte rechtspersoon. Zij is, zoals onder andere blijkt uit punt 18 van de preambule van de EVOA, als afvalproducent (mede) verantwoordelijk voor de overbrenging van het granulaat op een wijze die rekening houdt met de in de preambule genoemde noodzaak de kwaliteit van het milieu en de gezondheid van de mens in stand te houden en te verbeteren. Dat de Engelse tekst van artikel 18 EVOA de opdrachtgever aanmerkt als “the person who arranges the shipment" en de handelaren feitelijk het transport hebben geregeld, zoals door de raadsvrouw aangevoerd, kan niet leiden tot een ander oordeel. Volgens punt 18 van de preambule zijn de afvalproducenten verantwoordelijk voor een milieuhygiënisch afvalbeheer en zijn zij degenen die de kennisgevings- en vervoersdocumenten voor overbrenging van afvalstoffen waar mogelijk moeten invullen. Opzet Het hof stelt voorop dat het opzet in het economisch strafrecht dient te zijn gericht op het feitelijk handelen en dat niet hoeft te worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op de wederrechtelijkheid van zijn handelen. Het hof overweegt in dit verband dat het concern zich van het asfaltgranulaat wilde ontdoen en heeft betaald voor de export. Voor de overbrenging is door het concern gebruikgemaakt van bijlage-VII formulieren. Bovendien blijkt uit de contracten met de handelaren dat de verantwoordelijkheid voor de overbrenging van het asfaltgranulaat op een wijze die voldoet aan de daaraan in de regelgeving gestelde vereisten bij de wederpartij is gelegd. Hieruit kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat het concern bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat afvalstoffen zouden worden overgebracht in strijd met de daarvoor geldende bepalingen. Medeplegen Het hof stelt vast dat het concern, waaronder de rechtspersonen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] vielen, een organisatorische eenheid was. Het concern was in feite één onderneming met een gezamenlijke bedrijfsvoering, waarin het hele afvalverwerkingsproces werd beheerd. Het hof is daarom van oordeel dat beide rechtspersonen in strafrechtelijke zin een gelijke verantwoordelijkheid hadden ten aanzien van de verweten gedragingen. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen. [verdachte] was bestuurder van de rechtspersonen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . [verdachte] heeft opdracht gegeven voor de overbrenging van de afvalstoffen en heeft de contracten met de handelaren namens [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ondertekend. Gelet hierop is het hof van oordeel dat [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven aan de tenlastegelegde gedragingen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Ten slotte overweegt het hof dat het betoog van de raadsvrouw dat niet bekend is wat uiteindelijk met het asfaltgranulaat in het land van bestemming is gebeurd en dat om die reden niet kan worden bewezenverklaard dat sprake is van illegale overbrenging overweegt het hof dat dat betoog faalt, nu, zoals hiervoor is overwogen, het ontbreken van de terugnameverplichting in de contracten met de handelaren en het onjuist invullen van de bijlage-VII formulieren meebrengt dat sprake is van een illegale overbrenging van afvalstoffen, als bedoeld in de EVOA.’ 14. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2022 houdt onder meer het volgende in: ‘De advocaat-generaal draagt de zaken voor. De advocaat-generaal vordert dat het onder 1 tenlastegelegde wordt gewijzigd, met dien verstande dat telkens na het woord "Litouwen" in de laatste regel te worden toegevoegd: "en/of in strijd met de in artikel 18 van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen (1013/2006/EG) verplichte voorschriften". De advocaat-generaal merkt op dat zij de vordering wijziging tenlastelegging gisteren ook naar het hof en de verdediging heeft verzonden per e-mailbericht. De raadsvrouw verzet zich tegen toewijzing van de vordering wijziging tenlastelegging. Daartoe voert de raadsvrouw primair aan dat het niet slechts een kleine wijziging is, maar dat sprake is van een ander feit. Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat de wijziging in strijd is met de beginselen van de goede procesorde en het recht op een eerlijk proces, nu de wijziging pas in een zeer laat stadium in de procedure wordt gevorderd. De advocaat-generaal geeft te kennen dat zij de wijziging toelaatbaar acht, aangezien er nog steeds sprake is van hetzelfde feit, maar dat het slechts een nadere invulling betreft van de strijdigheid met de communautaire regelgeving. Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de vordering wijziging tenlastelegging zal worden afgewezen, aangezien – zonder in de inhoudelijke beoordeling te treden – het hof van oordeel is dat de wijziging in een te laat stadium van het geding is gevorderd. (…) De verdachte [verdachte] legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende: (…) U vraagt mij waarom er een EVOA-formulier, bijlage VII is ingevuld, als er geen sprake was van afval. Er moest een pakbon bij. Als we een normale pakbon hadden gehad, dan hadden we dat formulier gebruikt. We hebben dat EVOA-formulier gewoon gebruikt. Het is niet verboden om een bon voor iets anders te gebruiken. Alle informatie stond erop, zoals naar welke afnemer het ging. Daarom hebben we die bon gebruikt. U vraagt mij of ik ook die pakbon had gebruikt, als het een container met radio's zou zijn geweest. Als we dat formulier hadden, dan misschien wel. Wij hebben nu eenmaal EVOA-formulieren. Die staan in dozen, dus die hebben we gewoon gebruikt als pakbon. We gebruikten die EVOA-formulieren ook voor de export van afval naar Duitsland. Die hadden we nu eenmaal, dus daarom hebben we ze ook voor deze transporten gebruikt, ook al was er geen sprake van afval. Je hebt een bon nodig bij het transport. We hebben het gewoon op deze bon gezet. De voorzitter merkt op dat de partijen asfalt die naar Litouwen zijn verscheept een CE-markering en een lager benzo [a ] pyreen-gehalte dan 50 mg/kg hadden. Dat betekent dat, als het asfalt zou worden beschouwd als afval, het op de groene lijst staat. (…) De vertegenwoordiger [betrokkene 7] verklaart op vragen van de voorzitter: (…) U houdt mij voor dat de bedrijven waaraan het asfaltgranulaat is geleverd niet over een vergunning beschikten, om met afvalstoffen te werken. Ik heb de indruk dat tegen het ministerie van VROM is gezegd dat het afval is en dat het ministerie vervolgens druk heeft uitgeoefend op de autoriteiten in Litouwen. (…) De verdachte [verdachte] verklaart: Er is in Litouwen geen vergunningsstelsel. Er zijn daar niet eens afvalbedrijven. We hebben dat laten onderzoeken door onze advocaat. In Litouwen is men blij met dit product voor de wegenbouw. Die bedrijven hebben daar geen vergunning voor nodig, want het wordt niet beschouwd als afval in Litouwen. Zelfs in Duitsland mag je het asfaltgranulaat nog toepassen. En dat is slechts 100 kilometer van Nederland vandaan. Tot 2001 mocht het ook gewoon in Nederland worden toegepast. (…) De vertegenwoordiger [betrokkene 7] verklaart: In Europa mogen de lidstaten zelf bepalen hoe ze het. vergunningsstelsel inrichten. In Litouwen is er voor de aanleg van wegen geen vergunning nodig. Daarom zijn die vergunningen er niet. Het is een ander stelsel. De vergunning van hier is daar niet van toepassing. (…) De vertegenwoordiger [betrokkene 7] legt op vragen van de raadsvrouw een verklaring af, inhoudende: Het gaat om niet-teerhoudend asfalt. Het zijn bitumen-asfaltschollen met een lager benzo[a]pyreen-gehalte dan 50 mg/kg. De rechtbank heeft het over teerhoudend granulaat, maar dat is onjuist. (…) De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt het op schrift gestelde requisitoir voor. De raadsvrouw merkt op dat de advocaat-generaal in het requisitoir uitgaat van overtreding van artikel 18 EVOA, terwijl de wijziging van de tenlastelegging op dit onderdeel niet is toegelaten door het hof. De advocaat-generaal merkt op dat is tenlastegelegd de overbrenging naar een niet-vergunde inrichting in strijd met communautaire regelgeving, zodat ook moet zijn voldaan aan artikel 18 EVOA. (…) De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities. In aanvulling op de pleitnotities voert de raadsvrouw aan: Er is uitdrukkelijk niet sprake van het dumpen van afval. Er is geen milieuschade. Het is indirect de overheid die de asfaltresten bij de verdachte brengt. Er was op dat moment maar één andere thermische reiniger. Het asfalt moest ergens heen. Het was dus ook een probleem van de overheid. De opslagtermijn van drie jaren geldt voor de asfaltresten, niet voor het granulaat. Onder 25 Uit artikel 18 EVOA blijkt de vergunningsplicht in ieder geval niet. Het requisitoir van de advocaat-generaal schept alleen maar meer verwarring over waarop de tenlastelegging nu precies ziet. De overbrenging naar een niet-vergunde inrichting heeft niets te maken met artikel 18 EVOA. Onder 36 Het initiatief om het asfaltgranulaat aan te merken als afval is niet gekomen vanuit de Litouwse autoriteiten, maar vanuit de Nederlandse. Er is onderzoek gedaan in Litouwen naar aanleiding van berichtgeving door de Nederlandse autoriteiten. Onder 262 Er is een Bijlage VII formulier gebruikt, omdat het transport moest worden voorzien van een pakbon en dit formulier voorhanden was. De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor een korte pauze. Na de onderbreking wordt het onderzoek hervat. De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid tot repliek en deelt mede: Het gaat erom dat de verdachte en de ondernemingen teerhoudend asfaltafval hebben ingenomen om het thermisch te reinigen. Het teerhoudend asfaltgranulaat (TAG) ligt onder de grenswaarde van 75 mg/kg. Dat het is ontijzerd en is gebroken betekent op zichzelf niet dat het geen afval meer is. Het asfaltgranulaat is afgevoerd, niet verkocht. Ook in de contracten staat dat het asfaltgranulaat wordt afgevoerd. Bovendien wordt in de contracten over afval gesproken, namelijk het immobiliseren van afval. Op dat moment is het asfaltgranulaat nog steeds teerhoudend, want het is niet thermisch gereinigd. Het is voor de verdachten duidelijk geweest dat het om afvalstoffen ging. Het gehalte teer is niet relevant voor de vraag of het asfaltgranulaat afval is of niet. Het is alleen van belang voor de lijst kleur. Ook met een grenswaarde van 50 mg/kg is het asfaltgranulaat een afvalstof. Dit afval staat op de groene lijst. Er is sprake geweest van een voorbehandeling van het asfaltgranulaat. Er is geen sprake geweest van een definitieve toepassing. Het granulaat werd vervoerd naar bedrijven die het niet konden en mochten toepassen. Het was een plan om het afval te immobiliseren. Dat betekent niet dat het was uitbehandeld. De transparantierichtlijn is van toepassing op Nederlands asfaltgranulaat. De richtlijn is in deze zaak niet relevant. De transparantierichtlijn is van toepassing op een Nederlandse onderneming die het asfalt in Nederland zou reinigen en zou toepassen. De raadsvrouw krijgt de gelegenheid tot dupliek en deelt mede: Van belang is dat de asfaltschollen niet alleen zijn gebroken en ontijzerd. Er is een heel proces aan voorafgegaan. Dat is hier op zitting vandaag getoond aan de hand van de inhoud van de twee emmers. Er is op bestelling asfaltgranulaat geproduceerd en geleverd. Het is niet teerhoudend asfaltgranulaat. In de wandelgangen wordt het misschien wel zo genoemd, maar ik verzoek het hof een onderscheid te maken in de terminologie. Het asfaltgranulaat heeft in Litouwen gelegen, omdat de Nederlandse autoriteiten hebben gezegd dat het afval was. Het initiatief lag bij de Nederlandse autoriteiten, niet bij de Litouwse.’ 15. Het op schrift gestelde requisitoir houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten): ‘Inleiding (…) Het OM heeft in de strafzaak geen appel ingesteld. Dat betekent naar mijn mening dat de feiten 3 (alle verdachten) en 4 ( [verdachte] ) niet meer aan de orde zijn en verdachten niet ontvankelijk moeten worden verklaard in het appel tegen die vrijspraken. Wat nog wel aan de orde is, is in alle zaken de feiten 1 en 2, te weten de illegale overbrenging van het TAG naar Litouwen en het zich ontdoen van afvalstoffen aan een ander. (…) II: de strafbare feiten Feit 1: illegale overbrenging van afvalstoffen a. is sprake van een afvalstof: (…) b: is sprake van illegale overbrenging (artikel 2, onderdeel 35, sub e EVOA) Dit onderdeel van artikel 2 EVOA luidt: “Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder "illegale overbrenging": een overbrenging van afvalstoffen die resulteert in een verwijdering of nuttige toepassing die in strijd is met de communautaire of internationale regelgeving.” In de EVOA wordt de overbrenging geregeld in verschillende titels, afhankelijk van de bestemming. Ligt die binnen de EU, dan is artikel 1 en Titel II van toepassing (overbrenging binnen de Gemeenschap met of zonder doorvoer via derde landen). Op grond van artikel 3, tweede lid, is voor de overbrenging van de onderhavige groene lijst-afvalstoffen in een hoeveelheid van meer dan 20 kilo de procedure van artikel 18 van toepassing. Artikel 18 EVOA: “1. Voor afvalstoffen als bedoeld In artikel 3, leden 2 en 4, die bestemd zijn voor transport gelden de volgende procedures:
- a)Teneinde er toe bij te dragen dat transporten van dergelijke afvalstoffen beter kunnen worden gevolgd, zorgt de onder de rechtsmacht van het land van verzending vallende opdrachtgever voor de overbrenging ervoor dat de afvalstoffen vergezeld gaan van de in Bijlage VII genoemde Informatie;
- b)Bijlage VII wordt door de opdrachtgever van de overbrenging ondertekend voordat de overbrenging plaatsvindt en wordt door de inrichting van nuttige toepassing of het laboratorium en de ontvanger ondertekend wanneer zij de betrokken afvalstoffen ontvangen. 2. Het In bijlage VII bedoelde contract tussen de opdrachtgever van de overbrenging en de ontvanger voor de nuttige toepassing van de afvalstoffen dient bij de aanvang van de overbrenging juridisch bindend te zijn en dient een verplichting te bevatten voor de opdrachtgever van de overbrenging, of, wanneer deze de overbrenging of de nuttige toepassing niet kan voltooien (bv. Insolventie), voor de ontvanger, om, - indien de overbrenging of de nuttige toepassing niet op de geplande wijze kunnen worden voltooid of - indien een Illegale overbrenging heeft plaatsgevonden:
- a)De afvalstoffen terug te nemen of ervoor te zorgen dat ze op een andere wijze nuttig worden toegepast en
- b)Indien nodig te zorgen voor de tussentijdse opslag ervan (…) 3. De lidstaten kunnen conform de nationale wetgeving met het oog op controle, handhaving, planning en statistische doeleinden, informatie, zoals omschreven in lid 1, vereisen over transporten waarop dit artikel van toepassing is. Artikel 18 EVOA vereist derhalve een op juiste wijze en volledig ingevuld bijlage Vll-formulier alsmede een contract tussen opdrachtgever en ontvanger dat aan een aantal eisen moet voldoen: 1. het moet juridisch bindend zijn 2. er moet een terugname- en tussentijdse opslagverplichting in zijn opgenomen voor de opdrachtgever. Indien in strijd met de verplichting van artikel 18 wordt gehandeld, is in de visie van het OM sprake van een illegale overbrenging. Er is dan immers sprake van een overbrenging die in strijd is met het communautair recht, te weten met het recht van de EU. Wordt gehandeld in strijd met artikel 18 EVOA? Om te weten of er sprake is van illegale overbrenging zijn derhalve de bijlage VII-formulieren en de contracten relevant. Voor de vraag wie handelt is tevens relevant wie de in artikel 18 genoemde opdrachtgever en de ontvanger is. Vooropgesteld moet worden dat het doel van EVOA is een beter bescherming van het milieu. Daarom moet de overbrenging van afvalstoffen altijd gecontroleerd plaats te vinden. In het bijzonder staat in overweging 25: De persoon wiens handeling de oorzaak is van een illegale overbrenging moet ook worden verplicht om de betrokken afvalstoffen terug te nemen of alternatieve regelingen te treffen voor de nuttige toepassing of verwijdering ervan. Indien dit niet gebeurt, dienen de bevoegde autoriteiten van verzending of bestemming, naargelang het geval, zelf in te grijpen. Dit achterliggende doel moeten we bij de interpretatie van de regels steeds voor ogen houden. De Hoge Raad en het HvJ gaven dat in de hiervoor aangehaalde JP ook al aan. De opdrachtgever, genoemd in artikel 18: De opdrachtgever is niet gedefinieerd in artikel 2. Meer landen hebben vragen gesteld over de interpretatie van de opdrachtgever. In de guidance, uitgegeven door de EU is uitleg gegeven omtrent de vraag wie als opdrachtgever wordt beschouwd: a. the original producer, b. the licensed new producer who carries out operations prior to shipment, c. a licensed collector who assembled the shipment from various small quantities of the same type of waste collected from a variety of sources, d. a registered ‘dealer’ who has been authorised in writing by the original producer; new producer or licensed collector specified in (a), (
- b)and (
- c)to act on his/her behalf as the person who arranges the shipment, e. a registered ‘broker’ who has been authorised in writing by the original producer, new producer or licensed collector specified in (a), (
- b)and (
- c)to act on his/her behalf as the person who arranges the shipment, or f. the holder of the waste where all of the persons above are unknown or insolvent. De guidance geeft klaarblijkelijk een ordening, waarbij in eerste instantie de oorspronkelijk producent of de vergunde nieuwe producent, die handelingen verricht heeft met de afvalstoffen, opdrachtgever zijn. In geval een transport meerdere kleine inzamelingen betreft, kan ook de inzamelaar opdrachtgever zijn. Subsidiair wordt teruggevallen op de handelaar of bemiddelaar, mits officieel geregistreerd en geautoriseerd door een van de drie eerstgenoemden. Meer subsidiair wordt teruggevallen op de houder van de afvalstoffen als opdrachtgever, als de anderen niet bekend zijn, verdwenen of failliet. Deze lezing past bij de verantwoordelijkheid die in artikel 18 aan de opdrachtgever wordt gegeven. Dat is niet alleen het invullen van de bijlage VII, maar ook de ondertekening vóórdat de overbrenging plaatsvindt, het opmaken van het contract en het op zich nemen van de terugnameverplichting en de tijdelijke opslag indien de overbrenging niet volgens de regels verloopt. Aan de feitelijk houder, maar zeker ook aan de handelaar of bemiddelaar, is de terugnameplicht en de tijdelijke opslag lastig op te leggen. In de richting van de (eerste of latere) producent is dit een voor de hand liggende regel. Daar komt het afval vandaan dus daar moet het terug naartoe. Vandaar de schriftelijke machtiging, die nodig is als de handelaar of bemiddelaar namens de opdrachtgever handelt. Nu uit de guidance naar voren komt wie opdrachtgever kan zijn, is duidelijk dat verdachten wel degelijk kan worden verweten de bijlage VII onjuist te hebben ingevuld. Vanzelfsprekend namelijk blijft de (eerste of latere) producent verantwoordelijk voor het afval. Op de opdrachtgever rust de zorgplicht dat het afval volgens de regels wordt overgebracht. Als dat niet gebeurt, is hij gehouden het afval terug te nemen. Dat deze verantwoordelijkheid niet bij de handelaar/bemiddelaar ligt maar bij de producent, blijkt uit het feit dat in de Kaderrichtlijn afvalstoffen (artikel 15) en in EVOA (artikel 49) een zorgplicht is opgenomen, die rust op de producent van de afvalstoffen. Conclusie opdrachtgever: Dat betekent in de visie van het OM in hoger beroep, dat [medeverdachte 2] / [medeverdachte 3] opdrachtgever is/zijn. Dat betekent dat op de bijlage VII [medeverdachte 2] / [medeverdachte 3] had moeten worden ingevuld in vak 1. Dat betekent ook dat [medeverdachte 2] / [medeverdachte 3] verantwoordelijk waren voor het hele traject, dat het afval ging afleggen. En dat zij op grond van artikel 18 in het bijzonder verantwoordelijk waren voor het hebben van een bindend contract met de inrichting van nuttige toepassing, waar het afval naartoe ging. In dat contract moest ook de terugnameplicht door [medeverdachte 2] / [medeverdachte 3] zijn opgenomen, indien de overbrenging en de nuttige toepassing niet zouden kunnen worden voltooid of ook als anderszins sprake was van illegale overbrenging. De ontvanger op grond van artikel 18 EVOA en bijlage VII Artikel 2, onderdeel 14 definieert de ontvanger als: „ontvanger”: de persoon of onderneming onder de rechtsmacht van het land van bestemming naar wie of waarnaar de afvalstoffen voor nuttige toepassing of verwijdering worden overgebracht; In de Engelse guidance is de ontvanger consequent benoemd als de recovery facility or the laboratory. Deze persoon wordt in blok 2 en 7 met naam en toenaam ingevuld en is ook degene die ondertekent als de afvalstoffen zijn aangekomen. Het is duidelijk uit de tekst en de guidance bij de EVOA dat de ontvanger niet een bedrijf kan zijn dat in het land van bestemming nog gaat zoeken naar een afzetmarkt cq een recycle bedrijf. De ontvanger is het bedrijf dat gaat zorgen voor de recycling. De bijlage Vll-formulieren: In het dossier bevinden zich de bijlage Vll-formulieren en het proces-verbaal daaromtrent. Uit de bijlage VII formulieren en de daarbij behorende informatie in het dossier is duidelijk dat de bijlage Vll-formulieren niet juist waren ingevuld. Met name de vakken 1, 7 en 8 waren telkens onjuist ingevuld. Ook de rechtbank kwam tot die conclusie. De vrijspraak door de rechtbank van feit 3 zag op de opzet tot het onjuist invullen van de formulieren. Het verkeerd invullen van de vakken 7 (recycling bedrijf dat de afvalstoffen verwerkt tot een bruikbaar product voor nuttige toepassing) en 8 (de wijze van recycling) ontneemt de bevoegde autoriteiten alle mogelijkheid van controle op de weg die de afvalstoffen gaan en de wijze waarop zij verwerkt worden/zijn. Nu dat een basale voorwaarde is voor overbrenging van afvalstoffen binnen de EG, is door het verkeerd invullen van de bijlage VII sprake van illegale overbrenging. De contracten: In het dossier zijn de verschillende contracten bij de transporten ook geanalyseerd. Uit de analyses blijkt dat de contracten op velerlei wijze onvoldoende zijn. De wederpartij is niet de ontvanger in de zin van EVOA, maar een havenbedrijf in Litouwen of andere tussenpersoon. Er is nog helemaal geen overeenkomst tot verwerken van de afvalstoffen voor nuttige toepassing. Die moet ook volgens het contract nog gezocht gaan worden. Daarnaast ontbreekt de terugnameplicht. Enkele keren is wel opgenomen dat de ontvanger zal zorgen voor aan andere nuttige toepassing als de overbrenging niet lukt zoals bedoeld was, maar de verplichting is dat de opdrachtgever de afvalstoffen terugneemt. Die verplichting kan wettelijk niet omzeild worden in een overeenkomst tussen partijen. Ook om deze reden is sprake van illegale overbrenging omdat sprake is van handelen in strijd met de verplichte procedureregels van artikel 18 EVOA. Opzet: is vanzelfsprekend aanwezig. Alle verdachten waren professioneel marktdeelnemer en worden geacht uit dien hoofde de regelgeving rondom afvalstoffen te beheersen. Dat moet ook wel, want er is veel geregeld rond de overdracht, inzameling, verkoop, overbrenging, vervoer en opslag van afvalstoffen. Als afvalbedrijf moet je die regels wel kennen om geen fouten te maken. Het zich verschuilen achter de regels is derhalve naar de mening van het OM niet mogelijk. Conclusie feit 1: Ik acht bewezen dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben gehandeld in strijd met artikel 10.60 Wm door groene lijst afvalstoffen (met code B2130) over te brengen van Nederland naar Litouwen, terwijl die overbrengingen van afvalstoffen telkens resulteerden in een verwijdering of nuttige toepassing in strijd met de communautaire regelgeving, waardoor telkens sprake was van illegale overbrenging. (…) Overtreding van artikel 37, vierde lid EVOA: Naar mijn mening is in casu geen sprake van overtreding van het gestelde in artikel 37, vierde lid, nu dat artikel specifiek betrekking heeft op overbrenging naar derde landen. Het is duidelijk dat de EVOA is ingedeeld in regels voor overbrenging naar diverse categorieën van landen: binnen de gemeenschap, buiten de gemeenschap maar naar EVA-landen, naar OESO-landen en naar derde landen, die ook niet bij de OESO zijn aangesloten. Artikel 37 regelt de landenverordening voor derde landen. Die verordening ziet niet op EG-landen. In die situatie kan ook het vierde lid naar mijn mening niet van toepassing verklaard worden op een overbrenging tussen EG-landen.’ 16. De overgelegde pleitnotities houden onder meer in (met weglating van verwijzingen): ‘Nietigheid dagvaarding 9. De Rechtbank is volgens de verdediging voorbijgegaan aan verweren die namens cliënten uitdrukkelijk zijn gevoerd met betrekking tot de nietigheid van de dagvaarding. De Rechtbank is niet - althans onvoldoende en niet op begrijpelijke wijze - ingegaan op het verweer dat "De tenlastelegging (...) op geen enkele wijze duidelijk (maakt) welke feitelijke betekenis zij toekent aan de aan de EVOA ontleende termen ‘verwijdering' en ‘nuttige toepassing’" en of en zo ja, in strijd met welke communautaire regelgeving of internationale regelgeving zou zijn gehandeld. Verwijdering of nuttige toepassing 10. De Rechtbank is niet ingegaan op het verweer van de verdediging, zoals dat is gevoerd in eerste aanleg, dat de tenlastelegging niet aangeeft "waarom het enkele feit dat... overbrenging/verplaatsing zou hebben plaatsgevonden "naar een niet vergunde inrichting of onderneming in Litouwen" zou hebben geresulteerd in - niet feitelijk omschreven - "verwijdering"... dan wel... "nuttige toepassing"." 11. Zowel de term "verwijdering" als het begrip "nuttige toepassing" zijn gedefinieerd in de EVOA. Voor toepassing van de EVOA wordt verstaan onder "verwijdering": "een handeling als omschreven in artikel 1 lid 1 onder e van Richtlijn 2006/12/EG" (artikel 2, aanhef en sub 4 EVOA). 12. "Nuttige toepassing" duidt op: "een handeling als omschreven in artikel 1 lid 1 onder f van Richtlijn 2006/12/EG." (artikel 2, aanhef en sub 6 EVOA) (onderstreping toegevoegd). 13. Artikel 1 lid 1 aanhef en onder e en f van Richtlijn 2006/12/EG luiden: "In deze richtlijn wordt verstaan onder: e. "verwijdering": alle in bijlage IIA bedoelde handelingen; f. "nuttige toepassing": alle in bijlage IIB bedoelde handelingen." (…) 15. Zoals deskundige Van Calster volgens de verdediging terecht opmerkt in zijn rapportage: “De vermelding onder ‘e’ [(‘
- e)dat resulteert in een verwijdering of nuttige toepassing die in strijd is met de communautaire of internationale regelgeving’] is immers een begripsbepaling die elke verwijdering of nuttige toepassing (met andere worden elke vorm van afvalbeheer: behalve vermijden van afval is een afvalverwerking immers noodzakelijkerwijs ofwel nuttige toepassing, ofwel verwijdering) in overtreding van internationale en/of Europese wetgeving als ‘illegale overbrenging' kwalificeert. (onderstreping aangebracht). Vertaald naar een nationale strafrechtelijke captering van dit begrip, doet dit een algemene strafbaarstelling vermoeden: elke vorm van afvalverwerking in strijd met enigerlei onderdeel van het gehele corpus van internationaal en EU recht, is strafbaar. 16. De steller van de tenlastelegging maakt niet duidelijk welke feitelijke gebeurtenis/handeling ten laste wordt gelegd, terwijl zowel de term ‘verwijdering’ als 'nuttige toepassing’ ieder zeer veel verschillende betekenissen hebben. Daar komt bij dat de steller van de tenlastelegging in het midden laat of nu sprake is van een 'verwijdering’ of van een 'nuttige toepassing’. 17. Van Calster concludeert in zijn rapportage dat een verwijzing naar zo een algemene strafbaarstelling betwistbaar is onder artikel 6 EVRM. Het is onmogelijk voor cliënten om adequaat verweer te voeren op een beschuldiging die in zeer algemene termen wordt gesteld en op geen enkele wijze wordt gespecificeerd. De verdediging neemt die conclusie van deskundige Van Calster over en verzoekt Uw Hof hetzelfde te doen en de dagvaarding met betrekking tot feit 1 nietig te verklaren. 18. De tenlastelegging bevat meer onduidelijkheden. In strijd met communautair of internationale regelgeving? 19. Volgens de steller van de tenlastelegging is er een overbrenging geweest naar een niet vergunde inrichting. Onduidelijk is op welke regelgeving de steller van de tenlastelegging hier doelt; communautaire of internationale regelgeving en zo ja, welke? 20. Ook deze onduidelijkheden hebben tot gevolg dat cliënten niet weten wat de tenlastelegging waartegen zij zich zouden moeten verdedigen, feitelijk inhoudt. Ook op dit punt is de tenlastelegging veel te algemeen van aard. 21. Voor zover het betreft feit 1 voldoet de dagvaarding niet aan de eisen van artikel 261 lid 1 Sv. Zij bevat geen (voldoende duidelijke) ''opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd'. 22. De dagvaarding is daarom, voor zover het betreft het onder 1 ten laste gelegde, nietig. 23. De tenlastelegging bevat nog meer onduidelijkheden. Vervolg tenlastelegging 24. Het laatste deel van de tenlastelegging bestaat uit niet meer dan een overname van de delictsomschrijving die blijkt uit artikel 2, onder 35 aanhef en sub e van de EVOA, met daaraan toegevoegd de zinsnede "nu die overbrenging(
- en)(telkens) plaatsvond(
- en)naar een niet vergunde inrichting of onderneming in Litouwen". 25. Niet wordt duidelijk welke vergunning dit zou moeten betreffen en waar die vermeende vergunningsplicht op is gebaseerd. 26. Het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op de vermeende overbrenging naar een “niet vergunde inrichting of onderneming in Litouwen” lijkt afkomstig te zijn uit art. 37 lid 4 van de EVOA. 27. De Rechtbank heeft zich in het vonnis dan ook op die strafbaarstelling beroepen en heeft in het vonnis overwogen: “Dat maakt dat de export naar Litouwen in strijd kwam met artikel 37 onderdeel 4 EVOA.” Art. 37 EVOA niet van toepassing 28. Die strafbaarstelling ex art. 37 lid 4 EVOA, waar ook de Rechtbank zich op heeft beroepen, is echter evident niet van toepassing op de onderhavige zaak. 29. Art. 37 lid 4 EVOA luidt: “Bij uitvoer van afvalstoffen vindt de nuttige toepassing plaats in een inrichting die conform de toepasselijke nationale wetgeving in het land van invoer geëxploiteerd wordt of mag worden." 30. Artikel 37 is onderdeel van TITEL IV EVOA en ziet op 'uitvoer uit de Gemeenschap naar derde landen’. 31. Artikel 37 is getiteld ‘procedures voor de uitvoer van afvalstoffen van Bijlage III of IIIA. (Bijlage III bevat de ‘groene afvalstoffen’, Bijlage IIIA de mengsels van groene afvalstoffen). 32. Het artikel is 1 van 2 artikelen in Titel 1 ‘Uitvoer naar landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is’, binnen hoofdstuk 2 ‘Uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen' van voormelde TITEL IV. Het gaat om de uitvoer van afval naar Staten die geen Lid zijn van de Organisatie voor Economische Samenwerking en ontwikkeling. 33. Litouwen is reeds sinds het Litouwse EU Lidmaatschap vanaf 2004 gecapteerd door het Aanvullende Protocol van 14 december 1960 bij het Verdrag inzake oprichting van de OESO, dat de status van de EU bij de OESO regelt. 34. Los van de OESO status van Litouwen, bestaat er geen twijfel over dat afvalbewegingen tussen EU Lidstaten niet vallen onder TITEL IV, waarvan artikel 37 deel uitmaakt, doch onder TITEL II – 'overbrengingen binnen de Gemeenschap, met of zonder doorvoer via derde landen’. 35. Dat is ook in overeenstemming met de definitie van 'uitvoer’ in art. 2