ECLI:NL:PHR:2024:515
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/02863 C Zitting 21 mei 2024 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, hierna: de verdachte I. Inleiding Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) heeft de verdachte bij arrest van 15 november 2021 wegens 2. “Opzettelijk eenig geheim, hetwelk hij, uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt of beroep, verplicht is te bewaren, bekend maakt”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden (met een proeftijd van twee jaren).
Er bestaat samenhang met de zaken 22/03083 en 22/03085. In die zaken is echter geen cassatieschriftuur ingediend en zijn de arresten reeds uitgesproken door de Hoge Raad.
II. Het cassatiemiddel 5. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich tegen de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit – de opzettelijke schending van een ambtsgeheim –, althans tegen ’s hofs verwerping van het terechtzitting uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, als bedoeld in art. 402 van het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten, ten aanzien van het begrip ambtsgeheim.
III. De bewezenverklaring en de bewijsvoering 6. Ten laste van de verdachte is onder feit 2 bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 29 augustus 2014 in Sint Maarten, opzettelijk een geheim, te weten de namen en de nationaliteiten van stemgerechtigde gedetineerden, waarvan hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, te weten directeur van het Huis van Bewaring Point Blanche, verplicht is het te bewaren, heeft geschonden, door een lijst met daarop de namen en de nationaliteiten van stemgerechtigde gedetineerden te verstrekken aan een derde, te weten aan [medeverdachte] .”
De parlementsverkiezingen vonden plaats op 29 augustus 2014 in Sint Maarten.
In augustus 2014 heb ik [medeverdachte] een lijst gegeven van stemgerechtigde gedetineerden. De lijst bevatte de namen en de nationaliteit van de gedetineerden.
Arbeidsovereenkomst ondertekend door de Minister van Justitie en [verdachte] op 31 juli 2012, waarbij [verdachte] per 1 augustus 2012 is aangesteld als interim directeur van de Strafgevangenis/ Huis van Bewaring.
Artikel 3 2. De Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) [...] zijn van overeenkomstige toepassing op deze arbeidsovereenkomst [...].
Artikel 6: Geheimhouding en integriteit Op deze overeenkomst is de Integriteits- en geheimhoudingsverklaring van toepassing.”
Artikel 61 lid 1 van de LMA luidt dat "de ambtenaar is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in zijn ambt ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt of hem uitdrukkelijk is opgelegd."
De verdachte is op basis van voormelde arbeidsovereenkomst aangesteld als interim directeur van de Point Blanche gevangenis en het Huis van Bewaring te Sint Maarten. Privé-gegevens van de onder zijn verantwoordelijkheid vallende gedetineerden kunnen hem slechts ter kennis zijn gekomen in zijn ambt. Uit de aard der zaak vloeit voort dat dergelijke privé-gegevens, zoals de namen en nationaliteit van de gedetineerden, maar ook het feit dat deze mensen gedetineerd zijn, onder de hier bedoelde geheimhoudingsplicht vallen. De verdachte heeft niet gehandeld in opdracht van een superieur. Aldus moet de conclusie luiden dat de verdachte geweten moet hebben dat het hier om vertrouwelijke gegevens gaat die hij niet aan een ander buiten de dienst, in dit geval [medeverdachte] , had mogen verstrekken. Door dat toch te doen, heeft hij opzettelijk een geheim bekend gemaakt dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was te bewaren. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 285 van het Wetboek van strafrecht (oud).”
IV. Het verweer van de verdediging 9. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging in de kern aangevoerd dat de lijst met namen van gedetineerden niet geheim is zodat van een opzettelijke schending van het ambtsgeheim hier geen sprake is.
In augustus 2014 heb ik [medeverdachte] een lijst gegeven van stemgerechtigde gedetineerden. De lijst bevatte de namen en de nationaliteit van de gedetineerden. […] Ik heb van het managementteam van de gevangenis (hierna: MT) begrepen dat het vaker gebeurde dat om een dergelijke lijst werd gevraagd en dat deze werd verstrekt. De lijst is opgesteld door een iemand die bij de gedetineerdenzorg werkte.
Het verstrekken van deze lijst met gegevens van de gedetineerden valt mijns inziens niet onder mijn geheimhoudingsplicht. Ik heb artikel 6 van mijn arbeidsovereenkomst (Geheimhouding en integriteit) niet geschonden. Ik heb naar eer en geweten gehandeld. […] Die lijsten hingen in de gevangenis. Iedereen in Sint Maarten weet wie in de gevangenis zit en voor welke feiten.”
V. Het middel en de bespreking daarvan 12. Ik versta het middel, mede bezien in het licht van de toelichting daarop, aldus dat het enkel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van een ambtsgeheim. De klacht laat zich niet expliciet uit over de bewezenverklaring van ‘het opzettelijke’ van de schending van het ambtsgeheim, reden waarom ik dit onderdeel van de bewezenverklaring in deze conclusie onbesproken laat.
Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte.”
VI. Ambtshalve opmerking 17. Nu de verdachte op 29 november 2021 beroep in cassatie heeft ingesteld, doet de Hoge Raad uitspraak nadat sindsdien meer dan twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Gelet op de door het Hof opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, kan de Hoge Raad met de constatering daarvan volstaan.
VII. Slotsom 18. Het middel faalt en kan met een aan art. 81 RO ontleende overweging worden afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Op 12 maart 2024.
In de schriftuur wordt dienaangaande slechts aangestipt dat door de verdediging ter ’s Hofs terechtzitting is gesteld “dat er van opzettelijke schending geen sprake was”, overigens zonder daarbij de desbetreffende onderdelen uit de pleitnota van de raadsvrouw te citeren of te parafraseren, en dat een opzettelijke schending van een dergelijk geheim niet is gegeven, nu het er, aldus de steller van het middel, voor moet worden gehouden dat de bedoelde persoonsgegevens niet langer een geheim in de zin van de strafwet vormden.
Op 1 juni 2015 is het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten in werking getreden. Omdat de verdachte ervan wordt verdachte het feit in augustus 2014 te hebben gepleegd, is op de onderhavige zaak nog art. 285 SrNA (oud) van toepassing. Het Hof heeft dat onderkend, en heeft tevens in aanmerking genomen dat de strafbedreiging van art. 285 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (oud) lager is (maximaal zes maanden gevangenisstraf) dan de strafbedreiging van het materieel gelijkluidende feit in art. 232 van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten (ten hoogste een jaar gevangenisstraf).
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma; HR 21 mei 2019, ECLI:NL:NL:HR:2019:780, NJ 2019/338, m.nt. Reijntjes; HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:646. Zie ook A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 284.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis (rov. 3.6.2, onderdeel C aanhef).