ECLI:NL:PHR:2024:527
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/00899 Zitting 14 mei 2024 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: de verdachte.
Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 9 maart 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
De in cassatie vaststaande feiten 5. De verdachte in deze strafzaak (tevens de betrokkene in de samenhangende ontnemingszaak) betreft een maatschap die per 1 januari 2018 is ontbonden. Uit de processtukken kan ik overigens niet opmaken op welk moment de strafvervolging tegen de verdachte is aangevangen. Ik zie geen reden om aan te nemen dat de strafvervolging pas ná de bekendwording van de ontbinding van de maatschap is aangevangen.
Aanleiding onderzoek:
Op donderdag 19 januari 2017 hebben de maten [betrokkene 4] en [betrokkene 5] aangifte gedaan bij de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit NVWA (hierna NVWA-IOD).
Volgens [betrokkene 4] en [betrokkene 5] is de [verdachte] onder andere actief in de pluimveesector bij ongeveer 30 vleeskuikenhouders en is medeverdachte [betrokkene 1] de enige dierenarts binnen de kliniek die pluimveebedrijven consulteert en daartoe onder meer de NCD (Newcastle Disease of pseudo-vogelpest) vaccinaties bij pluimveehouders verzorgt. NCD is een zoönose en zeer besmettelijke (virale) pluimveeziekte die gepaard gaat met hoge pluimveesterfte. Een uitbraak met NCD is niet denkbeeldig. In Nederland is er een wettelijke verplichting om de pluimveestapel door middel van een vaccinatie tegen dit virus te beschermen. [betrokkene 4] en [betrokkene 5] hebben het vermoeden dat medeverdachte [betrokkene 1] de NCD-vaccinaties bij voormelde vleeskuikenhouders in het geheel niet, dan wel onvoldoende (met te weinig entstof), uitvoert en daarmee opzettelijk in strijd handelt met de wettelijke verplichting voor het vaccineren ter voorkoming van NCD.
Medeverdachte [betrokkene 1] heeft volgens hen in zijn hoedanigheid als dierenarts vaccinatieverklaringen onjuist dan wel valselijk opgemaakt voor de betrokken pluimveebedrijven. Hij deed en doet dat volgens hen door op de vaccinatieverklaringen te vermelden dat de NCD-vaccinatie op het betreffende pluimveebedrijf met een bepaalde hoeveelheid vaccin is uitgevoerd, terwijl dat in werkelijkheid niet zo is. Deze verklaringen worden door [betrokkene 1] ondertekend. Uit de administratie van de dierenkliniek komt naar voren dat de hoeveelheid ingekocht NCD-vaccin in geen verhouding staat tot de hoeveelheid verkocht vaccin. Er is veel meer verkocht dan dat er is ingekocht.
Naar aanleiding van deze aangiften is een strafrechtelijk onderzoek naar verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] gestart. (….).
4.3 Het oordeel van de rechtbank Daderschap rechtspersoon Verdachte is een maatschap en wordt overeenkomstig het bepaalde in het derde lid van artikel 51 Sr met een rechtspersoon gelijkgesteld. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte kan worden aangemerkt als dader van de ten laste gelegde feiten. (…).
Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen is gebleken dat medeverdachte [betrokkene 1] de NCD-vaccinaties voor de maatschap uitvoerde, dat medeverdachte [betrokkene 1] binnen de maatschap ook verantwoordelijk was voor de administratie van deze vaccinaties en dat daarbij de facturatie plaats vond op basis van de door hem aangeleverde vaccinatieverklaringen. Hierdoor is een hoger aantal vaccins bij de pluimveehouders in rekening gebracht dan werkelijk is gebruikt wat de maatschap financieel dienstig geweest.
Opzet (…).
Bij vonnis van heden (parketnummer 08-997007-17), waarnaar de rechtbank verwijst, is medeverdachte [betrokkene 1] door de rechtbank veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan de door verdachte verrichtte ten laste gelegde gedragingen. In dit vonnis heeft de rechtbank ten aanzien van het opzet van medeverdachte [betrokkene 1] als feitelijk leidinggevende - kort samengevat - het volgende overwogen. Medeverdachte [betrokkene 1] heeft bekend dat hij op de ten laste gelegde vaccinatieverklaringen de verkeerde aantallen door hem gebruikt vaccin heeft ingevuld. Hij wist dat hij volgens de bijsluiter van het diergeneesmiddel Nobilis ND Clone 30 een hele of een halve dosis per dier moest toepassen, maar hij heeft desondanks bewust minder vaccin gebruikt, te weten 1 op 5 of 1 op 6. Dit om de volgens hem hoge entreactie te verminderen.
Gelet hierop, en gelet op het feit dat medeverdachte [betrokkene 1] deze valse vaccinatieverklaringen in de bedrijfsadministratie van de [verdachte] heeft opgenomen als zijnde echt en onvervalst, had hij naar het oordeel van de rechtbank het oogmerk om deze vaccinatieverklaringen als echt te gebruiken.
Het opzettelijk handelen van medeverdachte [betrokkene 1] bij de onder 1. tot en met 5. ten laste gelegde gedragingen met het bovenbedoelde oogmerk kan, gelet op het voorgaande, aan verdachte worden toegerekend. (…).”
De [verdachte] (hierna: de maatschap) is op 1 januari 2009 opgericht en hield zich bezig met veterinaire dienstverlening. De maatschap bestond ten tijde van het tenlastegelegde uit vijf maten: [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Volgens een uittreksel Handelsregister van de Kamer van Koophandel waren zij alle vijf onbeperkt bevoegd.
De maatschap is bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 14 november 2019 bij verstek veroordeeld wegens - kort gezegd - het meermalen plegen van valsheid in geschrift en het overtreden van de Wet dieren. De maatschap was ten tijde van de verstekbehandeling in eerste aanleg reeds ontbonden.
Op 15 november 2019 is er door [betrokkene 4] blijkens de daarvan opgemaakte akte namens de maatschap tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld. Op 21 november 2019 heeft mr. Peters zich bij de rechtbank gesteld als raadsvrouw van de maatschap. Op 28 november 2019 heeft zij bij het hof namens de maatschap een appelschriftuur ingediend.
Bij brief van 5 maart 2021 heeft mr. Peters de griffier van de rechtbank gemachtigd om het hoger beroep in te trekken. De raadsvrouw heeft daarbij aangegeven dat zij hiertoe door de maatschap bepaaldelijk gevolmachtigd was. Het hoger beroep is volgens de daarop opgemaakte akte op 5 maart 2021 ingetrokken.
Op 23 maart 2021 is er bij de rechtbank een brief, gedateerd 12 maart 2021, binnengekomen van de maten [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , waarin zij aangeven dat zij hebben begrepen dat het hoger beroep is ingetrokken en dat dit naar hun mening onjuist is. In een hierop volgende mailwisseling met de griffie van de rechtbank heeft [betrokkene 1] aangegeven dat drie van de vijf maten het hoger beroep wensen voort te zetten en dat mr. Peters niet gemachtigd was/is om namens de maatschap op te treden.”
Mede gelet op de aard van de verdenking – fraude bij het vaccineren van vleeskuikens en daarmee handelen in strijd met onder meer de Wet dieren – en de aard van de activiteiten van de maatschap, moet in dit geval het instellen en intrekken van het hoger beroep redelijkerwijs worden gerekend tot het beheer van de maatschap, zoals bedoeld in artikel 7A:1676 van het Burgerlijk Wetboek. Deze bepaling houdt in, dat: ‘bij gebreke van bijzondere bedingen omtrent de wijze van beheer (...) de vennoten worden geacht zich over en weder de magt te hebben verleend om, de een voor den anderen, te beheeren’ en ‘hetgeen ieder van hen verrigt (...) ook verbindende is voor het aandeel der overige vennoten’.
In het licht van deze wettelijke regeling, waarbij de bevoegdheid volgens het uittreksel Handelsregister van de Kamer van Koophandel aansluit, en bij het ontbreken van een andersluidende regeling in de maatschapsovereenkomst of een andersluidende, in het kader van de ontbinding gemaakte, afspraak over vertegenwoordiging in juridische procedures, is het hof van oordeel dat in beginsel alle maten, ieder voor zich, zelfstandig bevoegd waren om in de na de ontbinding nog lopende ontnemingszaak namens de maatschap hoger beroep in te stellen en evenzeer om het hoger beroep vervolgens weer in te trekken.
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting moet worden vastgesteld dat [betrokkene 4] en [betrokkene 5] hebben gewild tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep in te stellen en dat [betrokkene 4] dit mede namens [betrokkene 5] ook binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gedaan. Naar het oordeel van het hof is daarnaast niet aannemelijk geworden dat ook [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] binnen de daarvoor gestelde termijn aan de griffie hebben laten weten dat zij hoger beroep wilden instellen. [betrokkene 1] , die op de hoogte was van de inhoudelijke behandeling van de ontnemingszaak tegen de betrokkene, heeft gesteld dat hij op enig moment bij de rechtbank navraag heeft gedaan naar de manier waarop namens de maatschap hoger beroep moest worden ingesteld en dat hij ook daadwerkelijk bij de griffie van de rechtbank is verschenen, maar niet is gesteld of gebleken dat hij dit ook binnen de hoger-beroepstermijn heeft gedaan. [betrokkene 1] heeft bovendien noch ter terechtzitting noch in een eerder stadium stukken zoals e-mails of notities overgelegd waaruit een en ander zou kunnen blijken.
Naar het oordeel van het hof had het voor de hand gelegen dat [betrokkene 1] op enigerlei wijze had laten vastleggen dat ook hij, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hoger beroep wilden instellen en van het verloop van de procedure op de hoogte wilden blijven, juist ook omdat er sprake was van een onderling conflict tussen hen enerzijds en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] anderzijds en er op dat moment kennelijk al geen contact meer tussen beide groepen was.
Mede gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat moet worden aangenomen dat [betrokkene 4] en [betrokkene 5] gerechtigd waren om het hoger beroep ook weer in te trekken en dat deze intrekking dan ook moet worden gezien als een rechtsgeldige intrekking die namens de maatschap is gedaan.
Conclusie Het hof concludeert dat het hoger beroep moet worden beschouwd als te zijn ingetrokken. Nu de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep evenwel al is aangevangen – om ter terechtzitting de ontvankelijkheid te bespreken – dient de eindbeslissing zo te luiden dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.”
De toelichting op het middel 13. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof op de vraag naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet het juiste wettelijke kader heeft toegepast.
Beoordelingskader Algemene uitgangspunten 16. De wettelijke regeling van het instellen en intrekken van rechtsmiddelen is van openbare orde. De geldigheid van het ingestelde cassatieberoep wordt door de Hoge Raad ambtshalve beoordeeld. Behoudens indien een vormverzuim zich leent voor herstel, wordt een ongeldig ingesteld cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
Strafvervolging van rechtspersonen 19. In artikel 51 lid 1 Sr is vastgelegd dat strafbare feiten niet per definitie alleen kunnen worden gepleegd door natuurlijke personen, maar dat zij ook kunnen worden begaan door rechtspersonen. Indien strafbare feiten zijn begaan door rechtspersonen kan volgens artikel 51 lid 2 Sr strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken tegen die rechtspersoon, tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan wel tegen meer van hen tezamen.
De maatschap 21. De maatschap is een ‘vorm van contractuele samenwerking’, geregeld in Boek 7A BW (‘Bijzondere overeenkomsten’). De maatschap verschilt echter wezenlijk van andere bijzondere overeenkomsten, omdat de maatschap is gericht op “samenwerking tot een gemeenschappelijk doel.” De maatschap is geen rechtspersoon.
De ontbonden maatschap – de gemeenschap 25. Op de ontbonden maatschap is titel 7 van Boek 3 BW (‘Gemeenschap’) van toepassing. Krachtens artikel 3:189 BW is de ontbonden maatschap een bijzondere gemeenschap. Titel 7 bestaat uit drie afdelingen. Afdeling 1 (‘Algemene bepalingen’) is van toepassing op de ontbonden gemeenschap, voor zover daarvan in afdeling 2 (‘Enige bijzondere gemeenschappen’) niet wordt afgeweken.
Toepassing van het juridisch kader op de zaak De toepasselijkheid van de artikelen 3:170 en 3:171 BW 29. Het gaat in deze strafzaak zoals gezegd om de vraag naar de bevoegdheid tot het instellen en intrekken van rechtsmiddelen namens een (thans ontbonden) maatschap tegen wie door het Openbaar Ministerie een strafprocedure aanhangig is gemaakt. Het instellen en intrekken van rechtsmiddelen in die procedure betreffen handelingen die uitsluitend kunnen worden verricht door personen die bevoegd zijn de ontbonden maatschap in rechte te vertegenwoordigen of door personen die daartoe door een vertegenwoordiger rechtsgeldig zijn gemachtigd. De regeling van de procesbevoegdheid (van een ontbonden maatschap) valt binnen het domein van het civiele recht.
De uitleg van de artikelen 3:170 en 3:171 BW 31. Daarmee ligt de vraag op tafel hoe de artikelen 3:170 en 3:171 BW voor wat betreft de vertegenwoordigingsbevoegdheid van een ontbonden maatschap (thans: gemeenschap) moeten worden uitgelegd. De redactie van deze twee bepalingen wijst uit dat er – afhankelijk van de aard van de namens de gemeenschap te verrichten handeling – wat betreft de bevoegdheid daartoe slechts twee mogelijke (wettelijke) regimes bestaan. Dat zijn:
Een cruciaal uitgangspunt 35. Hierbij neem ik tot uitgangspunt dat op (i) het instellen van rechtsmiddelen en op (ii) het intrekken van rechtsmiddelen hetzelfde vertegenwoordigingsregime van toepassing is, ongeacht of dat regime (1) of regime (2) betreft. Kortom, als een deelgenoot (al dan niet uitsluitend tezamen met de andere deelgenoten) bevoegd is tot het instellen van rechtsmiddelen, dan is hij (al dan niet uitsluitend tezamen met de andere deelgenoten) ook bevoegd tot het intrekken ervan, en vice versa. Ik zie geen goede reden waarom het instellen van rechtsmiddelen in dit verband anders moet worden behandeld dan het intrekken van rechtsmiddelen en dus waarom op het instellen van rechtsmiddelen een ander vertegenwoordigingsregime van toepassing zou zijn dan op het intrekken van rechtsmiddelen.
Anderzijds, indien drie van de vijf deelgenoten bevoegd waren tot het instellen van cassatieberoep, dan waren twee van de vijf deelgenoten ook bevoegd tot het instellen van hoger beroep én tot het intrekken daarvan.
Maar welk regime is nu van toepassing?
Slotsom 42. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie voor de relevantie van het moment waarop de ontbinding bekend wordt: G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 220 onderaan, met verwijzingen naar vaste rechtspraak, waaronder naar HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3630, waaruit ik citeer: “2.3.1. Voor de beantwoording van de vraag op welk tijdstip het recht tot strafvordering tegen een rechtspersoon of tegen een ingevolge het derde lid van art. 51 Sr voor de toepassing van de overige leden van art. 51 Sr met een rechtspersoon gelijkgestelde entiteit vervalt nadat aan hun bestaan een einde is gekomen, geldt het volgende. Indien op het tijdstip dat een vervolging wordt ingesteld, voor derden kenbaar is (bijvoorbeeld door publicatie in het Handelsregister) dat een rechtspersoon of een daarmee gelijkgestelde entiteit is ontbonden, moet het recht tot strafvordering tegen die rechtspersoon of die entiteit als vervallen worden beschouwd. Dat doet overigens niet af aan de bevoegdheid van het openbaar ministerie om ter zake van een door die rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit begaan strafbaar feit een vervolging in te stellen tegen hen die tot dat feit opdracht hebben gegeven of feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging.
Is de vervolging evenwel ingesteld voordat jegens derden kenbaar was dat de rechtspersoon of de daarmee gelijkgestelde entiteit ontbonden is, dan is het recht tot strafvordering door de ontbinding niet komen te vervallen. Met het aan art. 2:6, eerste lid, BW ten grondslag liggende beginsel strookt te aanvaarden dat in die situatie de zich in staat van liquidatie bevindende rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit in zoverre ook strafrechtelijk blijft bestaan (vgl. HR 8 maart 1994, LJN ZC9660, NJ 1994/408 en HR 2 oktober 2007, LJN BA5825, NJ 2008/550).
2.3.2. Indien ten tijde van het instellen van de strafvervolging uit de stukken het rechtstreekse en ernstige vermoeden rijst dat de rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit voor het instellen van de vervolging was ontbonden, is de Officier van Justitie gehouden tot een nader onderzoek van die vraag (vgl. HR 25 september 2002, LJN AE0553, NJ 2004/186).”
Kortom, anders dan natuurlijke personen kunnen rechtspersonen en daarmee gelijkgestelde entiteiten na ontbinding blijven voortbestaan en zo nodig zelfs herrijzen. Bij leven een fictie, dan ook na de dood.
Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 februari 2022: “Opmerking griffier: Gelet op de omstandigheid dat de straf- en ontnemingszaak van verdachte gelijktijdig ter terechtzitting zijn behandeld, is ervoor gekozen om één proces-verbaal op te maken, dat in beide procesdossiers zal worden gevoegd.”
Buiten beschouwing laat ik de regeling van art. 502 Sv (voor jeugdige (< 16 jr.) verdachten) en art. 509d Sv (voor verdachten bij wie een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap wordt vermoed).
Asser/Van Olffen 7-VII 2022/5.
Asser/Van Olffen 7-VII 2022/6.
Zie voor nadere verwijzingen: Asser/Van Olffen 7-VII 2022/13.
Die gelijkstelling met rechtspersonen geldt m.i. ook voor de tenuitvoerlegging van opgelegde straffen en maatregelen.
Asser/Van Olffen 7-VII 2022/203; A.J.S.M. Tervoort, Het Nederlandse personenvennootschapsrecht (R&P nr. ONR8) 2015/8.1.
W.J.M. van der Veen, GS Personenassociaties, aant. 5.10.1.1 (online, actueel t/m 8 juli 2022).
In het civiele recht ligt dit, naar ik begrijp, nog betrekkelijk ingewikkeld. Over het algemeen wordt aangenomen dat de openbare maatschap als procespartij kan optreden, omdat anders zijn afgescheiden vermogen niet vatbaar is voor verhaal. Zie H.J. Snijders (e.a.), Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2022, p. 94-96; Asser/Kroeze 2-I 2021/66; S.E. van der Waals, GS Personenassociaties, aant. 3.6.2.1 en aant. 3.7.1 (online, actueel t/m 1 december 2022), met verdere verwijzingen. Zie ook HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2014:BY7840, NJ 2013/290 (Biek Holdings/A. c.s.).
Artikel 3:189 BW luidt: “1. De bepalingen van deze titel [titel 7. Gemeenschap, D.A.] gelden niet voor een huwelijksgemeenschap, gemeenschap van een geregistreerd partnerschap, maatschap, vennootschap of rederij, zolang zij niet ontbonden zijn, noch voor de gemeenschap van een in appartementsrechten gesplitst gebouw, zolang de splitsing niet is opgeheven. 2. Voor de gemeenschap van een nalatenschap, voor een ontbonden huwelijksgemeenschap, ontbonden gemeenschap van een geregistreerd partnerschap, maatschap, vennootschap of rederij en voor de gemeenschap van een gebouw waarvan de splitsing in appartementsrechten is opgeheven, gelden de volgende bepalingen van deze afdeling [Titel 7, afdeling 2. Enige bijzondere gemeenschappen, D.A.], alsmede die van de eerste afdeling [Titel 7, afdeling 1. Algemene bepalingen (artt. 3:166 t/m 3:188 BW), D.A.], voor zover daarvan in deze afdeling niet wordt afgeweken.”
T.J. Mellema-Kranenburg, in: T&C BW, commentaar op art. 3:170 BW: Beheer (online, actueel t/m 1 april 2024).
T.J. Mellema-Kranenburg, in: T&C BW, commentaar op art. 3:171 BW: Bevoegdheid tot procederen (online, actueel t/m 1 april 2024).
Zie ook art. 3:168 lid 1 BW.
Een patstelling tussen de deelgenoten onderling kan voor de procespositie van de ontbonden maatschap verlammend werken. In dat geval kan de kantonrechterprocedure van art. 3:168 lid 2 BW een oplossing bieden. Daarbij zal de kantonrechter moeten beslissen naar gelang een afweging van alle persoonlijke en algemene belangen die bij het geval betrokken zijn volgens een algemene maatstaf die niet van eenzijdigheid kan worden verdacht. Zie T.J. Mellema-Kranenburg, in: T&C BW, commentaar op art. 3:168 BW: Beheersregeling (online, actueel t/m 1 april 2024), met verwijzing naar MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 584