ECLI:NL:PHR:2024:55
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/03554 Zitting 23 januari 2024 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte I. Inleiding Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 26 september 2022 wegens 1. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken” (art. 350, eerste lid, Sr) en 3. “belaging” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.
Namens de verdachte heeft S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
II. Bewezenverklaring en bewijsvoering 3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “1. hij op 23 september 2020 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een vuilniszak, die geheel of ten dele aan [betrokkene 1] toebehoorde heeft weggemaakt;
Ik doe aangifte/klacht van stalking jegens de mij bekende [verdachte] , woonachtig op het [a-straat 1] te [plaats] . (...) Afgelopen vrijdag, op 17 juli 2020, in de avonduren werd ik gebeld door het volgende telefoonnummer: […]. Ik hoorde dat het gesprek actief was en pakte op door mijn naam te zeggen. Ik hoorde niets aan de andere kant van de lijn. Ik hing direct de telefoon op de haak. Ik had al direct een vermoeden dat [verdachte] het kon zijn. In het verleden heeft hij mij vaker telefonisch lastig gevallen en dat ging dan op dezelfde manier. (...) Ik heb ditzelfde telefoonnummer al eens eerder dit jaar op Google ingetoetst en zag toen in het eerste resultaat dat het nummer op naam stond van [betrokkene 3] , […] te [plaats] . (...) Op 18 juli, de dag nadat ik gebeld werd heb ik iets gedaan wat ik misschien achteraf niet had moeten doen, maar ik vond wel dat ik [verdachte] op zijn gedrag moest aanspreken. (...) Toen ik zag dat hij geparkeerd had, ben ik naar de vader van [verdachte] gelopen. Ik sprak hem aan op het gedrag van zijn zoon en zei dat hij mij niet meer moest bellen met het telefoonnummer van hem. Ik hoorde dat hij zei: “Dat ben ik niet, ik bemoei me er niet mee, dan moet je bij [verdachte] zijn. Ik heb het niet gedaan, dan moet je bij [verdachte] zijn”.
Ik doe klacht/aangifte van stalking jegens de mij bekende [verdachte] . Op 24 juli 2020 heb ik de laatste aangifte tegen hem gedaan, toen ook van stalking. In aanvulling op die aangifte wil ik verklaren dat ik nog steeds door hem lastig wordt gevallen. Ik word meerdere malen telefonisch benaderd door het telefoonnummer […], meestal in de nachtelijke uren. Het is mij bekend dat dit telefoonnummer het huistelefoonnummer betreft van de vader van [verdachte] , welke woonachtig is op de [….] te [plaats] . (...) Bijgevoegd de lijst van datums en tijden dat ik gebeld word door dit nummer. (...) 8 januari 2021, 02.05 uur 9 januari 2021, 02.18 uur 22 januari 2021, 02.15 uur 23 januari 2021, 02.20 uur 30 januari 2021, 02.43 uur 31 januari 2021, 03.32 uur 7 februari 2021, 04.01 uur 8 februari 2021, 04.00 uur 11 februari 2021, 02.30 uur 12 februari 2021, 02.55 uur 21 februari 2021, 02.42 uur 22 februari 2021, 03.59 uur 6. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 25 maart 2021, dossierpagina’s 10 tot en met 11, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [betrokkene 2] :
Ik wens een aanvullende verklaring af te leggen met betrekking tot de reeds eerder gedane aangifte van stalking. Ik word nog steeds geregeld gebeld door hetzelfde telefoonnummer. De datums en tijdstippen zijn:
30-1-2021: 02.43 uur 31-1-2021: 03.32 uur 7-2-2021: 04.01 uur 3-3-2021: 02.59 uur 4-3-2021: 02.59 uur 11-3-2021: 03.33 uur 12-3-2021: 03.33 uur 25-3-2021: 01.59 uur 7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart 2021, dossierpagina 17, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op 23 maart 2021 waren wij, verbalisanten, belast met het uitreiken van een gerechtelijk stuk aan [verdachte] . Het is mij, [verbalisant 1] , ambtshalve bekend dat deze persoon in de avonduren vaak te vinden is bij zijn ouders thuis op de […] te [plaats] . (...) Ik, [verbalisant 1] , belde aan bij de voornoemde woning en zag dat deze geopend werd door de mij ambtshalve bekende moeder van [verdachte] , genaamd [betrokkene 4] . Wij hoorden dat ze zei, kom binnen, [verdachte] is er niet. Wij liepen de gang in en zagen op de bank in de woonkamer een man zitten. Ik, [verbalisant 1] , herkende deze man als zijnde [betrokkene 3] , de vader van [verdachte] . (...) Wij, verbalisanten, hoorden dat Josephus tegen ons zei dat ze aan het wachten waren op [verdachte] omdat hij de afgelopen twee maanden bij hun zijn avondeten nuttigt en blijft overnachten op de bank in de woonkamer. (...) Wij hoorden dat hij nogmaals zei: “ [verdachte] slaapt hier al twee maanden, iedere nacht, op de bank in de woonkamer”. Ik, [verbalisant 1] , zag op de bank in de woonkamer een deken liggen.
Op 20 mei 2021 vroeg ik bij de provider Ziggo Vodafone de historie op van het telefoonnummer van de aangeefster. Ik vroeg de inkomende en uitgaande telefoongesprekken op van het betrokken telefoonnummer in de periode 1 januari 2021 00:00 uur tot en met 19 mei 2021 07:00 uur. (...) Op 21 mei 2021 ontving ik de resultaten van deze historieaanvraag. In het aan mij verstrekte Excelbestand zocht ik vervolgens op het telefoonnummer van de verdachte, zijnde […]. Ik zag dat er in de voornoemde periode 40 keer door het telefoonnummer van de verdachte naar de aangeefster was gebeld.
In het opsporingsonderzoek contra de verdachte [verdachte] bestaat de verdenking dat deze persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, te weten artikel 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht.
De verdenking blijkt uit het volgende: Aangeefster [betrokkene 2] verklaart in het proces-verbaal van aangifte dat ze sedert juli 2020 telefonisch wordt belaagd door telefoonnummer […]. (...) Nadat door de aangeefster het telefoonnummer werd opgezocht middels openbare bronnen (Google telefoonboek), bleek het voornoemde telefoonnummer op naam te staan op het adres […] te [plaats] , [betrokkene 3] . Uit onderzoek is gebleken dat op dit adres de ouders woonachtig zijn van [verdachte] , genaamd [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .
Uit een door mij, [verbalisant 1] , opgevraagde CIOT-bevraging op het voornoemde telefoonnummer, blijkt dat deze telefoonverbinding wordt gestuurd door Vodafone Ziggo Holding Group. Bij een vordering gedaan bij dit bedrijf werd bevestigd dat in de periode vanaf 15 juli 2020 tot en met 26 maart 2021 deze aansluiting gecontracteerd was op naam van [betrokkene 3] , woonachtig op de [b-straat 1] te [plaats] .”
Het hof overweegt als volgt.
Het plaatsen van een vuilniszak aan de stoeprand ter vernietiging daarvan kan bezwaarlijk worden opgevat als een vrijbrief voor een ieder hiermee te doen wat hem/haar goeddunkt. Degene die op deze wijze huisvuil aanbiedt, heeft in de regel de intentie dat deze door de vuilnisophaaldienst wordt meegenomen en wordt vernietigd en doet dat daarom op daarvoor vastgestelde data en tijdstippen. De vuilnisaanbieder geeft daarmee het bezit en de eigendom van dat vuilnis niet zomaar op, maar beoogt het bezit en de eigendom daarvan te verschaffen aan de vuilnisophaaldienst. De vuilnisaanbieder kan dit doen, door op het moment dat de vuilnisophaaldienst ter plaatse is, de zak zelf af te geven, maar ook door deze daaraan voorafgaand op daarvoor geëigende momenten op straat te plaatsen. Onder deze omstandigheden kan hooguit worden geoordeeld dat de vuilnisaanbieder afstand doet van zijn eigendomsrecht ten behoeve van de vuilnisverwerker. De vraag of de eigenaar van een ter vernietiging daarvan op het daarvoor bestemde moment aan de straat geplaatste vuilniszak ten behoeve van een ieder afstand doet van het eigendomsrecht van de zak en de inhoud daarvan beantwoordt het hof om die reden ontkennend.
Alles overziend is het hof van oordeel dat de door verdachte weggemaakte vuilniszak niet als een ‘res nullius’ of ‘res derelicta’ kan worden aangemerkt. Het verweer wordt verworpen.
Feit 3 De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van de onder 3 tenlastegelegde belaging daar er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat onvoldoende vast is komen te staan dat het de verdachte is die [betrokkene 2] veelvuldig heeft gebeld. Niet uit te sluiten is immers dat het de ouders van de verdachte zijn geweest die de telefoontjes hebben gepleegd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat gedurende de periode van 1 januari 2021 tot en met 19 mei 2021 veertig keer naar aangeefster is gebeld met het nummer dat op naam staat van [betrokkene 3] , de vader van de verdachte. Gedurende (een groot deel van) die periode heeft de verdachte iedere nacht bij zijn ouders op de [b-straat 1] te [plaats] overnacht. Daar komt bij dat de telefoontjes naar aangeefster altijd gedurende die nachtelijke uren plaatsvonden. Het hof is dan ook van oordeel dat het de verdachte is geweest die aangeefster in de nachtelijke uren veelvuldig heeft gebeld. Voor de stelling van de verdediging dat het mogelijk de ouders van de verdachte zijn geweest die naar aangeefster hebben gebeld, ziet het hof geen aanknopingspunten in het dossier. Integendeel, [betrokkene 3] , de vader van de verdachte, heeft desgevraagd zelfs tegenover aangeefster verklaard dat hij zich niet bemoeit met de telefoontjes en dat aangeefster daarvoor bij de verdachte moet zijn.
Het hof is dan ook van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen.”
III. Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan De achtergrond 6. De achtergrond van de zaak is met betrekking tot het eerste feit als volgt. In de nacht van 22 op 23 september 2020 kreeg een bewoner aan de [c-straat] te [plaats] , genaamd [betrokkene 1] , een melding dat zijn camera buiten een beweging had gedetecteerd. Vervolgens zag [betrokkene 1] dat de vuilniszak die door hem aan de stoeprand was gezet ter aanbieding aan de vuilnisdienst, was verdwenen. [betrokkene 1] is vervolgens in de buurt gaan kijken en zag bij het aan de [c-straat] gelegen [A] de verdachte lopen en daar een aantal vuilniszakken dumpen. [betrokkene 1] had al eens eerder, in mei 2020, een strafbeschikking van de gemeente [plaats] gekregen omdat hij twee vuilniszakken niet juist zou hebben aangeboden aan de [c-straat] te [plaats] ; hij was toen getraceerd aan de hand van aan hem geadresseerde post in die vuilniszakken. Op de camerabeelden is de verdachte herkend, waarna vervolging tegen hem is ingesteld.
Het middel 7. Het eerste middel heeft betrekking op het onder 1 tenlastegelegde. De klacht houdt bezien in samenhang met de toelichting op het middel in, dat het hof met de overweging dat de vuilnisaanbieder het bezit en de eigendom van vuilnis niet opgeeft maar beoogt over te dragen aan de vuilnisverwerker, een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip 'wegmaken' als bedoeld in art. 350 Sr en ten onrechte heeft geoordeeld dat het vuilnis niet als res nullius dan wel als res derelicta kan worden aangemerkt.
Het juridisch kader 8. Art. 350, eerste lid, Sr luidt: “Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Naar het hem toeschijnt is in het civiele recht de opvatting overheersend dat het daarbij om prijsgeven gaat. Daarmee wordt volgens de schrijver echter teveel gewicht gehecht aan de wil van degene die zijn vuilnis kwijt wil. Zijns inziens hoeft zich bij afval niet per se prijsgeving van eigendom en bezit voor te doen. Hij onderscheidt drie varianten. Er wordt wel afstand gedaan van bezit en eigendom in de zin van prijsgeven door degene die een zak vuilnis in een bos achterlaat, omdat de verkrijger (als die er al komt) onbekend is. Ingeval van een milieustraat (een gemeentelijk milieustation) is dat anders. De verkrijger is dan het afvalverwerkingsbedrijf. Voor het plaatsen van (huis)afval aan de straat – dus bijvoorbeeld door het plaatsen van een vuilniszak met huishoudelijk afval op de stoep of grofvuil – ligt het volgens deze auteur anders.
Ik begrijp zijn beschouwing aldus, dat dan twee opvattingen serieus in beeld komen. Ten eerste: er is sprake van prijsgeving van bezit en eigendom, zodat het voor een ieder mogelijk wordt gemaakt het vuilnis mee te nemen (zich toe te eigenen) en eigenaar te worden. Ten tweede: de wil van degene die het afval buiten op een met de ophaaldienst afgesproken tijdstip en plek aan straat zet is er “niet op gericht een ieder die het vuilnis mee wil nemen de gelegenheid te bieden tot toe-eigening”; zijn wil is gericht op overdracht aan de ophaaldienst zodat hij eigenaar blijft totdat het bezit door de ophaaldienst wordt meegenomen.
IV. Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan 19. Het tweede middel keert zich klaarblijkelijk tegen het onder 3 bewezenverklaarde en houdt in dat het hof heeft miskend dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario voldoende ruimte biedt voor twijfel en het hof met die miskenning de onschuldpresumptie van art. 6, tweede lid, EVRM, art. 14, tweede lid, IVBPR en art. 6 van de Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad heeft geschonden.
Daarnaast heeft de aangeefster verklaard dat zij op 17 juli 2020 werd gebeld door het in de bewijsmiddelen genoemde telefoonnummer, en dat zij niks hoorde aan de andere kant van de lijn toen zij opnam, waarop ze direct ophing omdat ze direct vermoedde dat het de verdachte zou zijn; hij had haar in het verleden immers vaker op dezelfde manier lastiggevallen (bewijsmiddel 4). Uit hetzelfde bewijsmiddel volgt dat zij de vader van de verdachte met het telefoontje heeft geconfronteerd, waarna de vader had gezegd dat hij niet had gebeld, dat hij er geen bemoeienis mee wilde en dat zij daarvoor bij zijn zoon moest zijn.
V. Slotsom 23. Het eerste cassatiemiddel slaagt mijns inziens. Het tweede cassatiemiddel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Dat eerste lid houdt in: “Hij die opzettelijk zaken, bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers die voortdurend of tijdelijk op openbaar gezag bewaard worden, of hetzij aan een ambtenaar, hetzij aan een ander in het belang van de openbare dienst zijn ter hand gesteld, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, art. 350, aant. 2 (waarin wel nog wordt opgemerkt dat 'wegmaken' in art. 200 Sr en in art. 350 Sr misschien toch niet helemaal hetzelfde betekent) en Van Elst in T&C-Sr, art. 350, aant. 6e.
Zie NLR, a.w., art. 310, aant. 5 (bewerkt door E.J. Hofstee; bijgewerkt t/m 9 oktober 2019): “De bedoeling van de wetgever was om bij de exegese van art. 310 Sr de rechter niet te dwingen teveel te leunen op het civielrechtelijke begrippenkader. Ook het invullen van ‘toebehoren’ zal in die geest dienen te geschieden”. Zie ook NLR, a.w., art. 321, aant. 3 (bewerkt door E.J. Hofstee; bijgewerkt t/m 9 oktober 2019): “Het ‘toebehoren’ kan zich evenwel vermengen met de civielrechtelijke eigendom, maar zich daarvan ook onderscheiden. Voor de uitleg van het strafrechtelijk begrip toebehoren is de betekenis van het civielrechtelijke eigendomsbegrip dus niet doorslaggevend, in het bijzonder niet wanneer het gaat om vervangbare (niet individueel bepaalde) goederen”. Bij de verbeurdverklaring (art. 33a, eerste lid onder a, Sr) speelt het toebehoren (aan de veroordeelde) eveneens een rol. Ten aanzien daarvan heeft HR 28 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1571, NJ 1999/803 doorslaggevend geacht of de verdachte zeggenschap over en belang bij het voorwerp had.
Vgl. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5952 en HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3212. Zie ook mijn conclusie van 2 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:509.
Vgl. de conclusies van toenmalig A-G Silvis vóór HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4470 (niet gepubliceerd; omheind terrein en geen vuilnisbelt) en A-G Bleichrodt vóór HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1161 (openbreken container op terrein milieustation).
Zie daarvoor in het bijzonder HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5952, NJ 2013/216.
NLR, a.w., art. 310, aant. 5 (bewerkt door E.J. Hofstee; bijgewerkt t/m 9 oktober 2019). Zie ook de conclusie van voormalig A-G Knigge voorafgaand aan HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5952.
Luidend: “Hij die een aan niemand toebehorende roerende zaak in bezit neemt, verkrijgt daarvan de eigendom.”
In die zaak was (tevergeefs) het verweer gevoerd dat de politie onrechtmatig zou hebben gehandeld door vuilniszakken die op straat ter inzameling gereedstonden op te halen en te onderzoeken.
Zie eerder al zijn “Over prijsgeving, overdracht en afval in het goederenrecht (https://repository.ubn.ru.nl/handle/2066/106623)’, Groninger Opmerkingen en mededelingen (GOM), 2012 nr. 29, p. 69-88.
Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1161 (HR: art. 81 RO).
Daarbij verwijst hij naar: “L. Groefsema, Groene Serie Vermogensrecht, artikel 5:18 nr. 1; Pitlo, Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2012, nr. 498” en de strafzaak Charles Z. (zie HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328, NJ 1996/249, m.nt. Schalken, door mij hierboven in randnummer 12 aangehaald).
Ik begrijp dat in de visie van Wibier het (regulier) ophalen van het vuilnis op staat vooral moet worden geplaatst in de context van de gemeentelijke (orde)handhaving.
E.F. Verheul, Zakelijke rechten, art. 5:18 BW, aant. 2.2 ‘Het oogmerk om zich van de eigendom te ontdoen’ (bijgewerkt t/m 8 november 2023).
Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2022, blad 4.