PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/01648 Zitting 28 mei 2024 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte. Inleiding
(240)weken heeft de rapporteur (‘directe’) kosten in de berekening betrokken. Het hof had dus (zijn eigen gedachtegang volgend) het bedrag van € 117.600 moeten delen door 240 en niet door 295. Hierdoor is het hof uitgekomen op een lager gemiddeld bedrag aan directe kosten per week, als gevolg waarvan de kosten die voor vermindering in aanmerking komen ook aanzienlijk lager uitvallen. De wijze waarop het hof de hoogte van de door de verdachte gemaakte kosten heeft berekend is derhalve niet zonder meer begrijpelijk. Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld. 19. Wat betreft de klacht dat het hof bij de berekening van de kosten ten onrechte een maand gelijk heeft gesteld aan vier weken merk ik nog het volgende op. Het hof is bij de berekening van de opbrengst van het delict over de jaren 2013-2014 (zulks omvat reeds de helft van de totaalopbrengst van het delict) óók uitgegaan van de gelijkstelling van één maand (= gemiddeld 30,5 dagen) met vier weken (= 28 dagen). Immers, het hof is uitgegaan van € 500 opbrengst per dag bij een vijfdaagse werkweek en heeft daarbij (kennelijk) vier weken per maand (= € 10.000 per maand) tot uitgangspunt genomen, aangezien de totaalopbrengst is berekend op € 180.000. Mijn punt is nu het volgende. Als de omvang van de kostenaftrek moet worden gecorrigeerd voor de onjuiste gelijkstelling van vier weken met één maand (zoals de steller van het middel betoogt), dan moet dat uiteraard ook gebeuren met de omvang van de opbrengst uit de jaren 2013-2014. Nu de totale kosten zoals die volgen uit het ontnemingsrapport reeds een lager bedrag inhouden dan de opbrengsten uit de jaren 2013-2014, wordt de verdachte benadeeld bij een consequente toepassing van de – door de steller van het middel voorgestane – correctie. De verdachte heeft op dit punt al met al evident geen belang bij cassatie. 20. Het middel slaagt ten dele. Ambtshalve opmerking over (de duur van) de vrijheidsbeperkende maatregel van art. 38v Sr Kader en beoordeling 21. Zoals onder randnummer 7 weergegeven, heeft het hof een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opgelegd, te weten een contactverbod, zulks voor de duur van drie jaren. 22. Niet eerder dan op 1 april 2012 werd met de inwerkingtreding van artikel 38v Sr op deze wettelijke grondslag de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als een gebiedsverbod of een contactverbod mogelijk. Onmiskenbaar houdt deze inwerkingtreding een wijziging in van de toepasselijke regels van sanctierecht. In artikel 38v lid 3 (oud) Sr is bepaald dat de maatregel voor een periode van ten hoogste twee jaren kan worden opgelegd. 23. Met ingang van 1 juli 2015 is artikel 38v Sr gewijzigd. Daarbij is in het derde lid de maximale duur van de op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel verhoogd van twee jaren naar vijf jaren. De verhoging van de maximale duur van de maatregel heeft eveneens te gelden als een wijziging van de toepasselijke regels van sanctierecht. 24. Het hof heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd als één misdrijf, te weten ‘mensenhandel’. Het delict is volgens de bewezenverklaring begaan in de periode van 1 maart 2009 tot en met 31 januari 2015, en dus voor een belangrijk deel vóór 1 april 2012 en in z’n geheel vóór 1 juli 2015. 25. Uit rechtspraak van de Hoge Raad maak ik voor dergelijke gevallen het volgende op. In het licht van artikel 1 lid 1 Sr is de oplegging van de maatregel voor de duur van drie jaren onverenigbaar met artikel 38v lid 3 Sr, zoals dat luidde vóór 1 juli 2015, nu het delict in z’n geheel is begaan vóór 1 juli 2015. Bovendien had artikel 38v Sr sowieso buiten toepassing moeten blijven, nu het delict mede is begaan vóór de inwerkingtreding van deze bepaling. 26. Indien de Hoge Raad vasthoudt aan thans geldende rechtspraak, kan hij de zaak in zoverre zelf afdoen door de bestreden uitspraak voor wat betreft de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr te vernietigen. Het contactverbod komt daarmee te vervallen. Toelichting, enige discussie en eigen opvatting 27. Ik sta bij het voorgaande iets langer stil. Ik acht het niet bevredigend dat het contactverbod ex artikel 38v Sr in dit geval – volgens de jurisprudentie waarnaar ik in voetnoten heb verwezen – niet tot de wettelijke mogelijkheden behoort. Het bewezen verklaarde delict van mensenhandel is namelijk voor een substantieel deel (gedurende ruim drie jaren) begaan in de periode ná 1 april 2012. In die (deel)periode was het contactverbod ex artikel 38v Sr reeds aan het rechterlijk sanctiearsenaal toegevoegd (met dien verstande dat die maatregel tot 1 juli 2015 ten hoogste twee jaren kon duren). 28. Eerst iets over een bepaalde eigenschap van het bewezen verklaarde delict. Het delict (mensenhandel) is volgens de bewezenverklaring begaan gedurende een periode van bijna zes jaren, te weten van 1 maart 2009 tot 31 januari 2015. Niettemin heeft het hof het bewezen verklaarde, zoals gezegd, als één misdrijf gekwalificeerd, en dus niet als een samenloop van afzonderlijke misdrijven. Om die reden zal in cassatie moeten worden aangenomen dat het bewezen verklaarde heeft te gelden als één, gedurende deze periode ‘voortdurend’ delict. Als regel betreffen voortdurende delicten de – door een handelen of nalaten teweeggebrachte – onafgebroken instandhouding van een verboden toestand. 29. De crux is nu dat de Hoge Raad oordeelt dat voortdurende delicten qua tijdsbepaling moeten worden beschouwd als één en ondeelbaar. Dit geldt overigens niet alleen voor de toepassing van artikel 1 Sr op wijzigingen in regels van sanctierecht. Dit oordeel loopt namelijk in de pas met rechtspraak over de verjaringsregeling. Voortdurende delicten verjaren niet gaandeweg en dus niet iedere dag een beetje. Van oudsher geldt dat de verjaringstermijn voor het gehele voortdurende delict aanvangt op de dag ná hetgeen de Hoge Raad aanmerkt als ‘de voltooiing van het voortdurende delict’ en dat betreft het moment waarop de verboden toestand is beëindigd en de dader niet langer in gebreke is. 30. Een andere opvatting over de ondeelbaarheid van voortdurende delicten is m.i. verdedigbaar. Wanneer de Hoge Raad zou hebben bepaald dat – wat betreft wijzigingen in de toepasselijke regels van sanctierecht – voortdurende delicten deelbaar zijn, had de rechter in (bijvoorbeeld) de voorliggende zaak artikel 38v Sr volgens de in dat tijdvak geldende redactie kunnen toepassen indien en voor zover het delict (mensenhandel) is begaan gedurende de periode van 1 april 2012 tot 1 juli 2015. Tegengeworpen zou kunnen worden dat het bewezen verklaarde in deze zaak ‘mede’ is begaan vóór 1 april 2012, en dus ook in een periode waarin artikel 38v Sr nog niet in werking was getreden. Dit gebrek aan een wettelijke grondslag voor het contactverbod moet volgens die tegenwerping – op de voet van artikel 1 lid 2 Sr – als gunstiger worden beschouwd en dus worden toegepast op het geheel. Deze tegenwerping verliest (volgens de opvatting dat het voortdurende delict qua tijdsbepaling ‘deelbaar’
- is)uit het oog dat voor zover het delict is begaan na 1 april 2012 (en vóór 1 juli 2015) er in die periode géén gunstigere bepaling is, maar alleen het bepaalde in artikel 38v Sr in de redactie die gold van 1 april 2012 tot 1 juli 2015. De verzwaarde strafdreiging is daarmee niet (in strijd met artikel 1 lid 1 Sr) van toepassing verklaard op feiten die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet zijn begaan. De maatregel wordt immers uitsluitend opgelegd voor zover het delict ná 1 april 2012 is begaan. 31. Door voortdurende delicten qua tijdsbepaling echter wél als één en ondeelbaar te beschouwen, ontstaat m.i. de ongerijmdheid dat door een eventuele beperking van de in de tenlastelegging c.q. bewezenverklaring opgenomen periode (bijvoorbeeld een beperking tot de periode van 1 april 2012 tot 31 januari 2015) wordt bereikt dat het delict zwaarder kan worden bestraft. Minder delict, méér strafdreiging. Een dergelijke ongerijmdheid is er niet indien voortdurende delicten qua tijdsbepaling als deelbaar worden beschouwd. In dat geval is op ieder moment dat de verboden toestand voortduurt steeds de dán geldende sanctiebepaling van toepassing. Dat is verenigbaar met artikel 1 lid 1 Sr. 32. Daarmee wordt bovendien aangesloten bij de wijze waarop artikel 1 lid 1 Sr toepassing vindt op wettelijke wijzigingen in de reikwijdte van de strafbaarheid (zoals wijzigingen in delictsbestanddelen). Ik geef een voorbeeld. Wanneer een bepaald ‘middel’ wordt opgenomen in de bij de Opiumwet behorende lijst I, zal het opzettelijk aanwezig hebben ervan vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wijziging verboden en strafbaar zijn. Dat wordt volgens mij niet anders ingeval in de tenlastelegging c.q. bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van het inmiddels verboden middel (onnodig) een aan de inwerkingtreding van het verbod voorafgaande deelperiode is opgenomen (bijvoorbeeld omdat de verdachte reeds vóór de inwerkingtreding van het verbod over het betreffende middel beschikte). Het verweer dat het opzettelijk aanwezig hebben van het (thans verboden) middel is aangevangen vóór de inwerkingtreding van het verbod en dat dit opzettelijk aanwezig hebben daardoor (vanwege artikel 1 lid 2 Sr) voor wat betreft de gehele ten laste gelegde (‘ondeelbare’) periode niet strafbaar is, zal naar mijn verwachting geen succes hebben. Dat laat zich alleen goed verklaren als in dat verband wordt uitgegaan van de deelbaarheid van de tijdsbepaling van het voortdurende delict. 33. Ik merk ten slotte op dat artikel 7 EVRM allerminst dwingt tot de door de Hoge Raad omarmde opvatting. 34. Afsluitend gaat mijn voorkeur uit naar de opvatting dat voortdurende delicten (in verband met de toepassing van artikel 1 Sr) qua tijdsbepaling deelbaar zijn. Om die reden zal ik hieronder voorstellen dat de Hoge Raad de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr uitsluitend vernietigt voor wat betreft de duur ervan, de zaak in zoverre zelf afdoet en de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel zal bepalen op de maximaal mogelijke duur van twee jaren. Mocht de Hoge Raad niettemin willen vasthouden aan zijn thans geldende rechtspraak, dan zal hij de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel (geheel) dienen te vernietigen. Slotsom 35. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel is (deels) terecht voorgesteld. 36. Ambtshalve wijs ik er bovendien op dat de Hoge Raad geen uitspraak zal doen binnen twee jaar na het instellen van cassatieberoep. Dit zal dienen te leiden tot strafvermindering aan de hand van de gebruikelijke maatstaf. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik, naast de reeds genoemde, niet aangetroffen. 37. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak - wat betreft de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr, doch uitsluitend de duur daarvan, en met bepaling dat de maatregel voor ten hoogste twee jaren wordt opgelegd; - wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, en tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf. Deze conclusie strekt bovendien tot vernietiging wat betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de oplegging van de daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel, en slechts wat betreft deze vordering en deze schadevergoedingsmaatregel tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Art. 38v Sr is ingevoerd bij de Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod), Stb. 2011, 546. Deze wet is in werking getreden op 1 april 2012. Hierop kom ik ambtshalve terug. Of indien overeenkomstig artikel 9a Sr wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd. Kamerstukken II 2010/11, 32551, nr. 3, p. 6-7. Naar deze wetsgeschiedenis wordt door de Hoge Raad ook verwezen in zijn rechtspraak met betrekking tot artikel 38v Sr. Zie o.a. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1680, rov. 2.3.2, HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, rov. 2.5.2, en HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2916, NJ 2015/432, rov. 2.3.2. HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, rov. 2.6. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1680, rov. 2.4. Het hof had de verdachte veroordeeld voor verkrachting. De motivering van het opgelegde contactverbod ging niet verder dan de verwijzing naar het veiligheidsgevoel van het slachtoffer. In het kader van de opgelegde gevangenisstraf overwoog het hof rekening te hebben gehouden met: “- de omstandigheid dat de verdachte door middel van het bewezenverklaarde feit de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer op ernstige wijze heeft geschonden; - het gegeven dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan later nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden.” In deze zaak kon de sanctiemotivering als geheel oplegging van het contactverbod niet dragen. Zie ter vergelijking CAG Harteveld 10 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:416. De verdachte was een contact- en locatieverbod opgelegd wegens opzettelijke vrijheidsberoving en meerdere vormen van diefstal en afpersing. Het hof overwoog daartoe dat het deze maatregel oplegde “ter voorkoming van strafbare feiten” en dat met de oplegging werd beoogd “dat de aangever rust in zijn leven krijgt”. Volgens Harteveld bracht het hof hiermee voldoende tot uitdrukking dat de maatregel werd opgelegd ter voorkoming van strafbare feiten en dat er rekening mee moest worden gehouden dat de verdachte zich belastend naar de aangever toe zou gaan gedragen. De Hoge Raad deed de zaak af met artikel 81 lid 1 RO. Het hof heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor een bedrag van € 25.000 toegewezen. Hiertegen wordt in cassatie niet opgekomen. Dit laat ik dus verder onbesproken. Zie voor dit aantal (van 295) weken het staatje dat is opgenomen in het ontnemingsrapport, p. 8, en het proces-verbaal onderzoek kosten t.b.v. [slachtoffer] , p. 1. Afgezien van afrondingsverschillen, heeft het hof het bedrag van € 66.971,52 dus berekend door het bedrag van € 117.600 te vermenigvuldigen met de factor 168/295. Dan doel ik niet zozeer op het verschil tussen de in het ontnemingsrapport onderzochte periode van 1 april 2009 tot 1 januari 2015 (zo volgt uit het proces-verbaal onderzoek kosten t.b.v. [slachtoffer] ) en de in de in bewezenverklaring opgenomen periode van 1 maart 2009 tot 31 januari 2015. Zie het in voetnoot 8 bedoelde staatje. Dit staatje maakt (bij nadere bestudering ervan) duidelijk dat de financieel rapporteur voor het berekenen van opbrengsten en kosten ervan is uitgegaan dat [slachtoffer] (slechts) 240 van de 295 weken in de prostitutie heeft gewerkt; de rapporteur heeft echter dat aantal van 240 weken niet zelf getotaliseerd (hetgeen wellicht aanleiding is voor misverstanden). De in voetnoot 9 bedoelde factor (168/295) waarmee het hof het bedrag van € 117.600 heeft vermenigvuldigd, had (in de door het hof toegepaste ‘logica’) een factor 168/240 moeten zijn. Wanneer het hof het totale bedrag aan kosten had gedeeld door 240 was het gemiddelde bedrag aan kosten per week immers uitgekomen op € 490. Het hof had de opbrengsten van mensenhandel van [slachtoffer] dan verminderd met een bedrag van € 82.320 (€ 490 x 168) in plaats van met € 66.971,52. Namelijk door deze opbrengst te vermenigvuldigen met 30,5/28. De opbrengst zou in dat geval ongeveer zestienduizend euro hoger uitvallen, want € 180.000 x (30,5/28) = € 196.071,43. Ook in het verweerschrift van de benadeelde partij wordt hierop gewezen. Invoering van art. 38v Sr vond plaats bij de Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod), Stb. 2011, 546. Zie hierover ook HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:79, NJ 2018/75. Zie de wet van 30 juni 2015 tot wijziging van de Gemeentewet en het Wetboek van Strafrecht ter aanscherping van de maatregelen ter bestrijding van voetbalvandalisme en ernstige overlast, Stb. 2015, 255. Zie voor de inwerkingtreding van deze bepaling op 1 juli 2015: Stb. 2015, 256. Vgl. HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:338, NJ 2019/229 m.nt. Vellinga; en HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:445. Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2524, NJ 2016/482 (voor wat betreft art. 22b Sr); HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:79, NJ 2018/75; HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:80. Voor de goede orde, vóór 1 april 2012 werden contactverboden nogal eens als bijzondere voorwaarde verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde straf. Het hof heeft de strafoplegging (dan ook) niet gegrond op samenloopbepalingen. Zie over ‘voortdurende delicten’: J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 79. Zie A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering (diss. Tilburg), Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 158; J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 134-135. Zie verder: HR 4 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8639; HR 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3863, NJ 2007/83; HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1911, NJ 2010/20 m.nt. Reijntjes; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391, NJ 2016/330; HR 1 november 2016, ECLI: NL:HR:2016:2457, NJ 2017/52 m.nt. Mevis. Dat is dan ook precies wat A-G Vegter voorstelt/veronderstelt in zijn conclusies van 7 november 2017 vóór HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:79, NJ 2018/75, en vóór HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:80. Voor art. 1 lid 2 Sr (lex mitior) is (uiteraard) ook bij het uitgangspunt van ‘deelbaarheid’ van de tijdsbepaling van het voortdurende delict een belangrijke rol weggelegd. Stel dat een voortdurend delict (onafgebroken) is begaan in jaar 1 en in jaar 2, terwijl de berechting plaatsvindt in jaar 3. Stel bovendien dat bij de overgang van jaar 1 naar jaar 2 een verlaging van het strafmaximum in werking treedt. Artikel 1 lid 1 Sr brengt (in de opvatting dat het voortdurende delict qua tijdsbepaling deelbaar
- is)op zichzelf genomen mee dat op het delict voor zover begaan in jaar 1 het hoge en voor zover begaan in jaar 2 het lage strafmaximum van toepassing is. Artikel 1 lid 2 Sr brengt evenwel mee dat ook voor zover het delict is begaan in jaar 1 de voor de verdachte meest gunstige sanctiebepaling (dus: het lage strafmaximum) moet worden toegepast, zulks vanwege de wetswijziging die is opgetreden ná het – in jaar 1 – begaan van het delict, maar vóór de berechting. Spiegelbeeldig geldt dit niet. Indien bij de overgang van jaar 1 naar jaar 2 een verhoging van het strafmaximum wordt ingevoerd, geldt voor zover het delict is begaan in jaar 2 niet het lage strafmaximum waarmee het delict in jaar 1 nog werd bedreigd. De wetswijziging is immers in werking getreden vóór het – in jaar 2 – begaan van het delict. Zie over art. 1 lid 2 Sr in algemene zin (dus niet specifiek met betrekking tot voortdurende delicten) onlangs nog HR 2 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:509: “2.4. Als na het begaan van het feit de delictsomschrijving in voor de verdachte gunstige zin is gewijzigd, waaronder begrepen veranderingen in de bestanddelen en het vervallen van strafbaarstellingen, is artikel 1 lid 2 Sr van toepassing als die wetswijziging een gevolg is van een verandering van inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit. Voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels over de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang – en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever over de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten – moet worden toegepast, als en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt. (Vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878.)” Ook bij de toepassing van art. 68 Sr (ne bis in idem) speelt de vraag naar de tijdsbepaling van het voortdurende delict. De Hullu, a.w., p. 532, lijkt in dit verband wel enige ruimte te zien voor deelbaarheid van de tijdsbepaling van het voortdurende delict. Ik citeer hem: “Een voortdurend delict kan meerdere malen – ook in de zin van art. 68 Sr – worden begaan, maar men kan het ook als één feitencomplex zien. Daarbij is een zekere redelijkheid van belang, en maakt het ook wel uit hoe de tenlastelegging en eventuele bewezenverklaring in de eerste beslissing zijn geformuleerd. Bij verschillende periodes kán er bij een voortdurend delict reden zijn voor herhaalde (en dus niet: dubbele) vervolging en aansprakelijkstelling.” Vgl. EHRM 27 februari 2001, nrs. 29295/95 en 29363/95 (Ecer & Zeyrek/Turkije), over continuing offences. De verdachten werden – volgens de vaststellingen van het EHRM – vervolgd voor het verlenen van hulp (deelneming) aan een terroristische organisatie (PKK) in de jaren 1988 en 1989, terwijl zij werden berecht overeenkomstig een wet die in 1991 de strafdreiging voor dergelijke voortdurende delicten verhoogde. Daarmee constateerde het EHRM een schending van art. 7 lid 1 EVRM. Zie bovendien EHRM 21 januari 2003, nr. 45771/99 (Veeber/Estland), waarin het ging om een voortdurend belastingdelict, begaan in de periode van 1993-1996, en de toepassing van een wetswijziging van 13 januari 1995 op feiten die daaraan voorafgingen. Het EHRM stelde vast dat “the [national, D.A.] courts included in their findings under the 1995 legislation acts that had been committed during the preceding two years, holding that they were part of continuing criminal activity which had lasted until 1996.” Dit resulteerde in een schending van art. 7 lid 1 EVRM. Buiten kijf staat immers dat het voortdurende delict in z’n geheel is begaan vóór 1 juli 2015, d.w.z. de datum van inwerkingtreding van de verhoging van de maximale duur van de vrijheidsbeperkende maatregel van twee naar vijf jaren. Denkbaar is dat de Hoge Raad ook wat betreft de (te vernietigen) schadevergoedingsmaatregel en toewijzing van de vordering de zaak zelf afdoet (en dat terugwijzing dus niet nodig is). Indien de Hoge Raad zich aansluit bij mijn berekening, zou dit meebrengen dat het bedrag van de materiële schade ter hoogte van € 361.000 moet worden verminderd met € 82.320, dus tot € 278.680. Tezamen met de onbestreden toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade, ter hoogte van € 25.000, leidt dit wat betreft de vordering van [slachtoffer] en de schadevergoedingsmaatregel tot een totaalbedrag van € 303,680.