← Nederland

ECLI:NL:PHR:2024:613

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/02633 Zitting 11 juni 2024 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, hierna: de verdachte Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 13 juli 2022 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 24 augustus 2020 voor zover aan haar oordeel onderworpen bevestigd en de verdachte aldus wegens ‘oplichting’ veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf, een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf toegewezen. Er bestaat samenhang met de zaak 22/

  1. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat in Eindhoven, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel bevat de klacht dat het hof in het kader van de motivering van de strafoplegging aangeeft rekening te hebben gehouden met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 april 2022 tweemaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten, terwijl dat blijkens de inhoud van dat uittreksel feitelijk onjuist is. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen: ‘Het hof verenigt zich - voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen - met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling van de toepasselijke wettelijke voorschriften in die zin dat in hoger beroep artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. In hoger beroep is van de zijde van de verdachte nog verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte gezondheidsproblemen ervaart en dat detentie deze problemen zal verergeren. Voorts is opgemerkt dat de verdachte de afgelopen drie jaren niet meer in aanraking met politie of justitie is geweest. De raadsvrouw heeft gezien het bovenstaande verzocht om te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Evenals de politierechter is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden is. Op stelselmatige wijze heeft de verdachte gedurende een geruime periode op slinkse wijze geld van het slachtoffer afhandig gemaakt. De verdachte heeft op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het slachtoffer en ingespeeld op haar emoties. De verdachte is doorgegaan met de oplichting terwijl zij onder begeleiding stond van de reclassering. Bovendien heeft zij, ondanks dat haar een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden boven het hoofd hing, een slachtoffer opnieuw financieel uitgekleed. Voorts heeft het hof bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat de verdachte, blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 april 2022, tweemaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het hof stelt voorts vast dat uit het reclasseringsrapport d.d. 17 juni 2022 noch het verhandelde ter terechtzitting van detentie-ongeschiktheid bij de verdachte is gebleken. Het hof zal derhalve het vonnis waarvan beroep ook ten aanzien van de opgelegde straf bevestigen. Dit geldt evenzeer voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.’
  2. Het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 april 2022 maakt onder het kopje ‘Volledig afgedane zake betreffende misdrijven’ melding van een aantal veroordelingen. Op 26 juni 2018 is verdachte door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg in de zaak met parketnummer 03-866032-16 veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, en 100 uren taakstraf, wegens diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Op dezelfde dag is de verdachte in de zaak met parketnummer 03-253068-15 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg veroordeeld tot 60 uren taakstraf. Het uittreksel maakt daarnaast melding van een beslissing van 8 juni 2016 van de politierechter in de rechtbank Limburg inzake de diefstal van een fiets, inhoudende dat deze zaak ter terechtzitting is gevoegd bij de zaak met parketnummer 03-253068-
  3. Mogelijk heeft het hof daaruit afgeleid dat de veroordeling tot 60 uren taakstraf betrekking had op de diefstal van een fiets. Op 1 augustus 2013 is de verdachte door de kinderrechter in de rechtbank Limburg wegens het meermalen doen van een valse aangifte en wegens het meermalen openlijk geweld plegen veroordeeld tot 70 uren taakstraf.
  4. Het hof heeft de veroordeling tot 6 maanden gevangenisstraf op 26 juni 2018, meen ik, als soortgelijk kunnen aanmerken nu (gekwalificeerde) diefstal net als oplichting een vermogensdelict is. Mogelijk heeft het hof uit het uittreksel afgeleid dat de veroordeling tot 60 uren taakstraf op dezelfde dag eveneens op een vermogensdelict (de diefstal van een fiets) betrekking had. Het hof heeft, meen ik, in het kader van de straftoemeting voorts kunnen oordelen dat de veroordeling tot 70 uren taakstraf van 1 augustus 2013 op een soortgelijk feit betrekking had, nu het zowel bij oplichting als bij het doen van een valse aangifte om het voorspiegelen van een valse stand van zaken gaat.
  5. Daarmee heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte (in ieder geval) tweemaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ik merk nog op dat de steller van het middel de veroordelingen in de zaken die op 26 juni 2018 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg zijn berecht als één onherroepelijke beslissing lijkt te zien. Dat is een misvatting: dat beide veroordelingen op dezelfde dag zijn gewezen doet er niet aan af dat van twee onherroepelijke veroordelingen sprake is. In zoverre faalt het middel
  6. De steller van het middel klaagt in de toelichting voorts over de overweging van het hof dat noch uit het reclasseringsrapport noch uit het verhandelde ter terechtzitting van detentie-ongeschiktheid bij de verdachte is gebleken. In de rapportage zou zijn opgemerkt dat het niet aan de reclassering is om te oordelen over detentiegeschiktheid.
  7. Uit de overweging van het hof blijkt dat het hof zijn opmerking over detentiegeschiktheid niet alleen baseert op het reclasseringsrapport maar ook op het ‘verhandelde ter terechtzitting’. De feitelijke juistheid van de overweging terzake van het hof wordt in cassatie voorts niet bestreden. Een en ander in aanmerking genomen meen ik dat deze overweging geen afbreuk doet aan de begrijpelijkheid van de strafmotivering.
  8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad mogelijk geen uitspraak zal doen binnen twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld. Ik ben in het navolgend randnummer niet van die mogelijkheid of waarschijnlijkheid uitgegaan. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
  9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.