← Nederland

ECLI:NL:PHR:2024:659

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04751 Zitting 21 juni 2024 CONCLUSIE P. Vlas In de zaak Sint Maarten Telephone Company N.V., gevestigd in Sint Maarten, (hierna: Telem) te

the Model Law on International Commercial Arbitration,

Article 36, para.

57 (te raadplegen via: https://uncitral.un.org/en/texts/arbitration/modellaw/commercial_arbitration). Vgl. UNCITRAL 2012 Digest of

the Model Law on International Commercial Arbitration,

Article 34, para.

25: ‘A great number of cases underline that the Model Law does not permit review of the merits of an arbitral award. This has been found to apply in principle to issues of law as well as to issues of fact (…).’ Zie onder meer: Redfern and Hunter, a.w., par. 11.59; Van den Berg, a.w., p. 313; Born, a.w., H26.05.C, par. [3][b][ii], [4b]; [9][d]; UNCITRAL 2012 Digest of

the Model Law on International Commercial Arbitration,

Article 36, para.

  1. Vgl. Asser Procesrecht/Sanders, Meijer & Ernste 8 2023/399 en de daarin opgenomen verwijzingen. Zie bijvoorbeeld HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659, m.nt. D.W.F. Verkade, rov. 3.
  2. Zie G.C.C. Lewin, Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba, diss., 2010, p. 217-218; H.E. Ras e.a., De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba, 2008, p.
  3. HR 18 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0376, NJ 1991/821, rov. 3.2; HR 17 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0948, NJ 1991/336, m.nt. E.A. Alkema, rov. 3.
  4. Zie ook de conclusies van A-G Lückers vóór HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:557, RvdW 2022/394, onder 3.16, en A-G Van Peursem vóór HR 7 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:632, NJ 2017/176, onder 2.
  5. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:339, NJ 2017/393, m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.2.
  6. Zie onder meer: Asser Procesrecht/Sanders, Meijer & Ernste 8 2023/402; A.J. van den Berg e.a., ArbitrageRecht, 1992, p.
  7. Zie onder meer: Redfern and Hunter, a.w., par. 11.78-11.81; Brekoulakis, Ribeiro en Shore, a.w., p. 908; UNCITRAL 2012 Digest of

the Model Law on International Commercial Arbitration,

Article 36, para.

32; Zie onder het Verdrag van New York: Van den Berg, a.w, p. 313-314 en 316-317; UNCITRAL Secretariat, Guide on the Convention on the Recognition and Enforcement of Foreign Arbitral Awards (New York, 1958), 2016, p.

  1. Pleitaantekeningen van MER in eerste aanleg, onder
  2. Zie productie 9 van MER in eerste aanleg (betreffende de conclusie van antwoord in de vernietigingsprocedure), onder 5.
  3. Award, par.
  4. Award, par. 360, onder i). Award, par.
  5. In de beschikking van het Gerecht zijn per abuis twee overwegingen genummerd als 4.
  6. De hierna volgende overweging betreft de tweede als 4.8 genummerde overweging, door mij verder aangeduid als rov. 4.
  7. UNCITRAL Secretariat, Guide on the Convention on the Recognition and Enforcement of Foreign Arbitral Awards (New York, 1958), 2016, p. 269-
  8. UNCITRAL Secretariat, Guide on the Convention on the Recognition and Enforcement of Foreign Arbitral Awards (New York, 1958), 2016, p. 271; F. de Ly, J.K. van Hezewijk en A.E. Coelen, In dubio pro executione, Wanneer is een aanhangige vernietigingsprocedure reden om de exequaturverlening aan te houden ex artikel VI Verdrag van New York?, TvA 2017/57, onder
  9. Asser Procesrecht/Sanders, Meijer & Ernste 8 2023/411; N. du Bois, Aanhouding op grond van het Verdrag van New York, TvA 2020/39; De Ly, Van Hezewijk en Coelen, t.a.p. Vgl. de uitspraak van het Engelse Court of Appeal in de zaak Soleh Boneh International Ltd./Government of the Republic of Uganda and National Housing Corporation van 12 maart 1993, [1993] 2 Lloyd’s Rep 208, XIX YB Com Arb 1994, 748, waarnaar wordt verwezen door De Ly, Van Hezewijk en Coelen, a.w., onder
  10. Aldus ook De Ly, Van Hezewijk en Coelen, a.w., onder 5, ten aanzien van art. VI Verdrag New York. Het onderdeel verwijst naar 7.6 en 7.7 van het beroepschrift. Zie procesinleiding, p. 21, de onder (i) genoemde stellingen. Zie procesinleiding, p. 21, de onder (ii) genoemde stellingen. Zie HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:339, NJ 2017/393, m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.2.
  11. A.E.H. van der Voort Maarschalk en A. Knigge, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie 2019/
  12. In de procesinleiding, p. 22, staat abusievelijk vermeld ‘4.11’, terwijl ‘4.12’ zal zijn bedoeld. Zie het verweerschrift van Telem in eerste aanleg, onder 8.3 en 8.
  13. HR 18 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0376, NJ 1991/821, rov. 3.2; HR 17 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0948, NJ 1991/336, m.nt. E.A. Alkema, rov. 3.
  14. Zie ook de conclusies van A-G Lückers vóór HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:557, RvdW 2022/394, onder 3.16, en A-G Van Peursem vóór HR 7 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:632, NJ 2017/176, onder 2.14.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.