PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/02854 B Zitting 2 juli 2024 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de klager 1Het cassatieberoep 1.1 De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 13 juli 2023 het klaagschrift ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van een personenauto, waarvan de klager stelt rechthebbende te zijn, ongegrond verklaard. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. J.E. Kötter, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 1.3 Het middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van de klager op art. 3:86 BW (bescherming van een koper te goeder trouw) niet slaagt. 2De feiten 2.1 De onderliggende feiten worden in de bestreden beschikking als volgt weergegeven: “Klager heef op 9 februari 2023 bij het RDW keuringstation in Amsterdam getracht een blauwe Renault Megane met VIN-nummer [VIN] (hierna: de auto) te registeren. Tijdens de controle door de RDW bleek de auto vanaf 28 december 2022 als gestolen geregistreerd te staan in Frankrijk. Klager heeft aan de politie het volgende verklaard: "Ik ben autohandelaar. Mijn bedrijf heet [bedrijf] en is gelegen op de [a-straat 1] te Noordwijkerhout. Ik heb de betrokken blauwe Megane ten goede trouw gekocht in Duitsland. Ik zag deze auto op een advertentie op https://www.mobile.de/. Ik zag dat de auto verkocht werd door een particulier. Ik kan de advertentie aan u tonen. Ik heb de auto gekocht voor 13.000 euro, dit heb ik contant betaald. Ik kan aantonen dat ik dit geld gepind heb. Ik heb contact gehad met de verkoper middels WhatsApp. Dit gesprek kan ik aantonen. Ik heb ook een screenshot van een koopovereenkomst tussen mij en de verkoper. Ik zag dat het kenteken en VIN-nummer overeenkwam met het kenteken en de bijhorende papieren. Ik heb twee sleutels van de auto. Ik wist niet dat de auto van diefstal afkomstig was. Ik heb de auto laten ophalen door mijn koerier. Nadat de auto werd opgehaald zag ik dat mijn berichten niet meer aankwamen op Whatsapp bij de verkoper.” Desbetreffende auto is op 27 februari 2023 onder klager in beslag genomen, hetgeen blijkt uit de kennisgeving van inbeslagname. Klager heeft hierop een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave van de auto.” 3Oordeel rechtbank 3.1 Het oordeel van de rechtbank luidt als volgt: “Beoordeling De rechtbank is bevoegd. Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. De klager is daarom ontvankelijk in het beklag. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn zodat het strafvorderlijk beslag dat rust op de auto kan worden opgeheven. Vervolgens rijst de vraag aan wie de auto dient te worden teruggeven aan klager of aan de eigenaar van wie de auto is gestolen. Hoofdregel is dat een voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd. In beklagzaken dient de rechtbank terughoudend te zijn met het bepalen van eigendomsverhoudingen, zeker zowel de diefstal als een koop zich feitelijk in een ander land hebben voltrokken. Volgens de Nederlandse wetgeving staat echter voorop dat een eigenaar zijn eigendomsrecht niet verliest als zijn eigendom wordt gestolen; hij blijft eigenaar en als hij zijn goed terug vindt is hij gerechtigd om het op te eisen van de persoon die het onder zich heeft. Op grond van artikel 3:86 BW wordt de eigenaar van een goed, dat door diefstal is verloren, sterker beschermd dan de nieuwe verkrijger van die goederen, zelfs als die te goeder trouw is. De enige uitzondering op die regel is dat de verkrijger te goeder trouw een particuliere consument is die de goederen heeft gekocht van een regulier bedrijf met een duurzame op een vaste plaats gevestigde bedrijfsruimte, omdat men daar in beginsel geen gestolen zaken behoeft te verwachten en de verkoper steeds gemakkelijk is terug te vinden. In dit geval is de vraag of klager als particuliere consument kan worden gezien. Hij is autohandelaar. Hij stelt dat hij de auto voor eigen gebruik heeft gekocht, maar heeft het geld voor de contante betaling daarvan van zijn zakelijke rekening gepind. Vervolgens is de vraag of klager te goeder trouw is geweest. Daarvoor is van belang dat voldoende onderzoek is gedaan naar de herkomst van de auto. Klager heeft de auto niet zelf gezien, en ook de verkoper niet ontmoet. Hij heeft de auto door een koerier laten ophalen. Daarnaast blijkt dat de verkoper niet handelde als regulier bedrijf met een gevestigde bedrijfsruimte. Het was een particulier die via Whatsapp-berichten de koop heeft gesloten. Ondanks het feit dat klager met de auto de autopapieren en twee sleutels (via de koerier) heeft overgedragen gekregen, is de rechtbank van oordeel dat klager gelet op bovenstaande omstandigheden geen beroep kan doen op de uitzondering van artikel 3:86 BW. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd. De rechtbank zal derhalve het beklag ongegrond verklaren. Beslissing De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.” 4Het middel 4.1 Het middel klaagt, in samenhang gelezen met de toelichting daarop onder 2.4 en 2.5, dat de rechtbank niet, althans niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom de klager geen beroep kan doen op art. 3:86 lid 1 BW, nu uit de overwegingen van de rechtbank niet blijkt dat sprake is van een situatie waarin de eigenaar de zaak binnen drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal heeft opgeëist (art. 3:86 lid 3 BW). Gesteld wordt dat dit maakt dat de overdracht van de auto ondanks de (mogelijke) onbevoegdheid van de verkoper geldig is. Verder wordt gesteld dat, mocht art. 3.86 lid 3 BW wel van toepassing zijn, uit de beschikking niet volgt of de klager als natuurlijk persoon of in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelde. Beide omstandigheden maken, volgens de steller van het middel, dat de beschikking onvoldoende met redenen is omkleed. Bespreking van het middel 4.2 Voor de bespreking van het middel is het volgende van belang. Ingeval van beklag van een beslagene tegen beslag dat is gelegd ex art. 94 Sv dient de rechter te beoordelen of het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo nee, de teruggave van het in beslag genomen voorwerp aan de beslagene gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van het in beslag genomen voorwerp kan worden beschouwd. Bij de beantwoording van die vraag zal de beklagrechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties. Dit neem echter niet weg dat hij daarbij wel civielrechtelijke aspecten mag betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp. 4.3 Het civielrechtelijke kader dat in deze zaak van belang is, kan in een notendop als volgt worden omschreven. Art. 3:84 BW bepaalt dat een koper rechthebbende van een roerende zaak wordt als sprake is van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.