PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/03274 Zitting 21 juni 2024 CONCLUSIE B.J. Drijber In de zaak van Taxi Horn Tours B.V., eiseres tot cassatie, advocaat: mr. J.P. van den Berg (voordien: mr. J. van Weerden) tegen 1Gemeente Weert,
(1)van deze Uitvoeringsverordening luidt, voor zover hier van belang: “Een van de belangrijkste doelstellingen van de Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU is het verlichten van de administratieve lasten van aanbestedende diensten, aanbestedende entiteiten en ondernemers, waaronder niet in de laatste plaats de kleine en middelgrote ondernemingen. In dat kader is het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) van groot belang. Het standaardformulier voor het UEA dient dan ook zodanig te worden opgesteld dat het niet meer nodig is om een groot aantal certificaten of andere documenten in verband met uitsluitings- en selectiecriteria over te leggen. Daartoe dient het standaardformulier ook de relevante informatie te bevatten over de entiteiten op de draagkracht waarvan de ondernemer een beroep doet, zodat die informatie samen met en onder dezelfde voorwaarden als de informatie betreffende de hoofdondernemer kan worden gecontroleerd.” 3.7 Art. 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7 stelt het gebruik van het standaardformulier verplicht voor het opstellen van het UEA. 3.8 Bijlage 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7 bepaalt onder meer: “Het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) is een eigen verklaring waarmee ondernemers voorlopig bewijs overleggen ter vervanging van door overheidsinstanties of derden afgegeven certificaten. Zoals bepaald in artikel 59 van Richtlijn 2014/24/EU is het een formele verklaring van de ondernemer dat hij zich niet bevindt in een van de situaties waardoor ondernemers kunnen of moeten worden uitgesloten en dat hij voldoet aan de toepasselijke selectiecriteria en, indien van toepassing, aan de objectieve regels en criteria als vastgesteld met het oog op de beperking van het aantal in andere opzichten gekwalificeerde gegadigden dat wordt uitgenodigd tot deelneming. Het is de bedoeling dat het UEA de administratieve lasten zal beperken die voortvloeien uit het voorschrift om een aanzienlijk aantal certificaten of andere documenten die betrekking hebben op de uitsluitings- en selectiecriteria over te leggen.” En (vet gedrukte letters in origineel, citaat zonder voetnoot, A-G): “Een ondernemer die zelfstandig deelneemt, maar zich beroept op de draagkracht van een of meer andere entiteiten, moet ervoor zorgen dat de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit zijn eigen UEA samen met een afzonderlijk UEA met de relevante informatie voor elk van de entiteiten waarop hij steunt, ontvangt.” 3.9 Bijlage 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7 bevat het standaardformulier voor het UEA. Deel II (‘Gegevens met betrekking tot de ondernemer’), onder C (‘Informatie over beroep op draagkracht van andere entiteiten’) bevat de volgende tekst: “Doet de ondernemer beroep op de draagkracht van andere entiteiten om te voldoen aan de selectiecriteria van deel IV en de (eventuele) criteria en regels van de onderstaande afdeling V? Zo ja, verstrek voor elk van de betrokken entiteiten een afzonderlijk UEA-formulier met de informatie die wordt gevraagd in de afdelingen A en B van dit deel van Deel III. Dit formulier moet door de betrokken entiteiten naar behoren worden ingevuld.” 3.10 In de Nederlandse wetgeving wordt een UEA aangeduid als ‘een eigen verklaring’ (art. 2.84 Aanbestedingswet 2012). In het UEA verklaart een inschrijver onder meer over de gestelde uitsluitingsgronden, selectiecriteria en geschiktheidseisen. Bewijsstukken hoeven dan bij inschrijving niet te worden ingediend; de eigen verklaring volstaat. Dit zorgt voor uniformiteit en minder administratieve lasten voor ondernemers en aanbestedende diensten. Het gebruik van deze ‘eigen verklaring’ is in Nederland voorgeschreven op grond van een ministeriële regeling. 3.11 Een vof kan optreden als inschrijver. Voor de toepassing van de hiervoor geschetste regelgeving zijn de vennoten van de vof aan te merken als ‘andere entiteiten’. De vof en de vennoten worden dus niet gezamenlijk beschouwd als één onderneming of als één ondernemer. Dit verklaart waarom in een geval als hier aan de orde moet worden nagegaan of de vof, die geldt als inschrijver, bij het uitvoeren van de opdracht beroep zal doen op de draagkracht van de vennoten. Indien dat het geval is, moet ook van de beide vennoten een UEA worden ingediend. Duiding van het arrest van het HvJ 3.12 De vraag die het hof naar aanleiding van de grieven van Taxi Horn moest beantwoorden is of Kupers mocht volstaan met het indienen van één UEA voor de vof of dat zij gebruik maakte van de draagkracht van de (twee) vennoten en daarom ook van die vennoten een UEA moest overleggen. De vraag die het hof vervolgens heeft voorgelegd aan het HvJ is (zie rov. 5.20 eerste tussenarrest en rov. 10.17 tweede tussenarrest): wanneer mag een ondernemer, indien daarin personen (natuurlijke personen en/of rechtspersonen) samenwerken, volstaan met het indienen van één UEA? 3.13 Het HvJ heeft geantwoord dat met één UEA alleen kan worden volstaan wanneer een onderneming waarin natuurlijke of rechtspersonen samenwerken voornemens is individueel aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht deel te nemen aantoont dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren (dictum). Dat wil zeggen: “met de middelen die haar gezamenlijke vennoten overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst aan haar hebben overgedragen en waarover zij vrijelijk kan beschikken” (punt 53, hiervoor geciteerd in 2.9). Enkel in dat geval kan de vof worden geacht individueel aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht te willen deelnemen en volstaat een UEA van de vof. 3.14 In de Franse taalversie (de interne werktaal van het HvJ), alsook in de Duitse en de Engelse taalversies van het arrest luidt genoemd punt 53 als volgt (mijn onderstreping, A-G): “Par ailleurs, pour attester sa fiabilité, une entreprise commune, telle qu’une société en nom collectif, au sens du droit néerlandais, doit être considérée comme souhaitant participer, à titre individuel, à une procédure de passation de marché public ou soumettre une offre uniquement si elle démontre pouvoir exécuter le marché en cause en n’utilisant que ses propres personnels et matériels, autrement dit les ressources que ses coassociés lui ont transférées conformément au contrat de société et dont elle a la libre disposition. Dans une telle hypothèse, il suffit pour cette société de fournir son propre DUME au pouvoir adjudicateur.” “Im Hinblick auf den Nachweis der Zuverlässigkeit ist im Übrigen davon auszugehen, dass ein Gemeinschaftsunternehmen wie eine offene Handelsgesellschaft niederländischen Rechts nur dann beabsichtigt, in eigenem Namen an einem Verfahren zur Vergabe öffentlicher Aufträge teilzunehmen oder ein Angebot abzugeben, wenn es nachweist, dass es den fraglichen Auftrag ausschließlich mit eigenem Personal und Material, also mit Mitteln ausführen kann, die ihm gemäß dem Gesellschaftsvertrag von seinen Gesellschaftern übertragen wurden und über die es frei verfügen kann. In einem solchen Fall reicht es aus, dass es dem öffentlichen Auftraggeber seine eigene EEE vorlegt.” “Furthermore, in order to demonstrate its reliability, a joint undertaking, such as a general partnership, within the meaning of Netherlands law, must be regarded as intending to participate, on an individual basis, in a public procurement procedure or to submit a tender only if it shows that it is capable of performing the contract in question using only its own personnel and materials, in other words, the resources which its joint partners transferred to it in accordance with the partnership agreement and which are freely available to it. In such a case, it is sufficient for that firm to supply its own ESPD to the contracting authority. 3.15 Elk van deze taalversies (en overigens ook de Spaanse en Italiaanse taalversies die ik kortheidshalve niet citeer) is gelijkluidend met de Nederlandse taalversie van het arrest. Er blijkt uit dat met eigen middelen van de vof is bedoeld de middelen die (
- i)door de vennoten zijn overgedragen (transférées, übertragen, transferred) aan de vennootschap overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst én (
- ii)vrijelijk beschikbaar zijn voor de vennootschap. Die twee voorwaarden zijn cumulatief. Verder overweegt het HvJ dat de vof moet aantonen (démontre, nachweist, shows) dat zij de opdracht kan uitvoeren met de bedoelde eigen middelen. Enkel in zo’n geval kan worden volstaan met één UEA, namelijk het UEA van de vennootschap. Oftewel: als een vof een opdracht zelfstandig kan uitvoeren, zonder beroep te hoeven doen op middelen van haar vennoten, kan worden volstaan met één UEA. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of daarvan sprake is (punt 54). 3.16 Het HvJ heeft vervolgens in punt 55 geoordeeld wat heeft te gelden buiten de gevallen als bedoeld in punt 53. Dat volgt uit het gebruik in punt 55 van het woord ‘daarentegen’ (en revanche, hingegen, by contrast). Dan moet de vof worden geacht (être considérée, zu betrachten, regarded
- as)een beroep te doen op de draagkracht van ‘andere entiteiten’ in de zin van artikel 63 van richtlijn 2014/24. In dat geval moet die vennootschap niet alleen haar eigen UEA indienen, maar ook het UEA van elk van de vennoten op wier draagkracht zij beroep zal doen. Oftewel: als een vof een opdracht niet zelfstandig kan uitvoeren want daarvoor beroep moet doen op middelen van haar vennoten, kan zij (in aanmerking komen voor de opdracht, maar) niet volstaan met één UEA. 3.17 De situatie waarin het UEA van de vof volstaat wordt door het HvJ restrictief uitgelegd. De reden daarvoor is dat het UEA de aanbestedende dienst in staat moet stellen te toetsen en dus te beoordelen of de inschrijvende partij geacht kan worden te voldoen aan de gestelde geschiktheidseisen, selectiecriteria en uitvoeringsvoorwaarden. Indien een vof tot het uitvoeren van de opdracht slechts in staat is als zij beroep doet op middelen (en daarmee: op de ‘draagkracht’) van de vennoten, moet daarom ook van de vennoten een UEA worden ingediend. Die voorwaarde volgt rechtstreeks uit het Unierecht en geldt ongeacht of de aanbestedingsdocumentatie van de aanbesteder een dergelijke voorwaarde bevat. 3.18 Het rechtsgevolg van het ontbreken van UEA’s van de vennoten, waar die wel moesten worden overgelegd, lijkt te zijn dat de inschrijving incompleet is en de inschrijver daarom moet worden uitgesloten van verdere beoordelingen. Dat zou ook in deze zaak zo zijn. 3.19 Ik kom nu toe aan de bespreking van de klachten. Bespreking van de klachten 3.20 Ik bespreek de klachten in de onderdelen 1 en 2 gezamenlijk. 3.21 In rov. 2.7 van het bestreden arrest gaat het hof na of in de geschiktheidseisen van de aanbestedingsleidraad van de gemeenten staat voorgeschreven dat de middelen waarmee de opdracht wordt uitgevoerd eigendom moeten zijn van de inschrijver. Het hof stelt vast dat dit niet het geval is. 3.22 Terecht klaagt het middel dat niet relevant is dat in de aanbestedingsleidraad van de gemeenten niet als eis is opgenomen dat de middelen waarmee de opdracht wordt uitgevoerd eigendom zijn van de inschrijver. Zoals opgemerkt, heeft het HvJ een toets geformuleerd die onafhankelijk is van de in concreto gestelde geschiktheidseisen. Het HvJ heeft de hem voorgelegde vraag benaderd vanuit de optiek van de draagkracht van de inschrijver en de informatieverstrekking daarover aan de aanbestedende dienst. Alleen als deze een nauwkeurig en getrouw beeld krijgt van de situatie van de inschrijvende onderneming (arrest, punt 49) is hij in staat om de betrouwbaarheid van een inschrijving goed te toetsen. Wanneer een vennootschap onder firma moet worden geacht een beroep te doen op de draagkracht van een of meer andere entiteiten is ook van die anderen entiteiten UEA nodig. De door het HvJ genoemde factoren, en niet of de aanbestedende dienst in de aanbestedingsstukken bepaalde geschiktheidseisen heeft gesteld, zijn doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of kan worden volstaan met één UEA. 3.23 Bovendien klaagt het middel terecht dat Taxi Horn, anders dan het hof overweegt, niet heeft gesteld dat de reden waarom Kupers niet met eigen middelen aan de geschiktheidseisen voldoet zou zijn dat de voorgeschreven bussen niet bij haar in eigendom zijn. Het punt dat Taxi Horn maakt is dat Kupers bij de inschrijving niet heeft beoogd met eigen middelen de opdracht uit te voeren. Die stelling is in lijn met rov. 2.3 en 2.4 waarin het hof – in essentie – oordeelt dat Taxi Horn heeft aangevoerd dat Kupers niet heeft beoogd de opdracht met eigen middelen uit te voeren; de daarvoor noodzakelijke bussen bijvoorbeeld (EURO-6 bussen, die voldoen aan de hoogste milieueisen) behoren niet tot de eigen middelen van Kupers. Deze overwegingen staan in cassatie niet ter discussie. Taxi Horn heeft dus niet betoogd dat een geschiktheidseis zou zijn dat de bussen eigendom van Kupers zijn. 3.24 In rov. 2.8 oordeelt het hof dat uit het arrest van het HvJ niet volgt dat een inschrijver steeds het materieel dat voor het uitvoeren van de opdracht nodig is in eigendom hoeft te hebben. Het volstaat volgens het hof dat de inschrijver aantoont dat hij de opdracht kan uitvoeren met middelen waarover hij vrijelijk kan beschikken en dat daarvan ook sprake is wanneer het materieel op eigen draagkracht (zonder voor de financiering daarvan afhankelijk te zijn van derden) wordt gehuurd of geleased. 3.25 Het middel voert daartegen een rechtsklacht aan. Het HvJ heeft namelijk met zo veel woorden uitgemaakt dat uitsluitend eigen middelen van de inschrijver bepalend zijn. Die middelen kunnen afkomstig zijn van vennoten, maar moeten dan wel aan de inschrijver zijn overgedragen. Het HvJ overweegt immers in punt 53 dat de middelen die door vennoten zijn overgedragen aan de vennootschap (de eerste cumulatieve voorwaarde) vrijelijk beschikbaar moeten zijn om de opdracht uit te voeren (de tweede cumulatieve voorwaarde). Die laatste voorwaarde betekent in mijn ogen dat de middelen bijvoorbeeld niet mogen zijn verhuurd of uitgeleend door de vennootschap. Bovendien heeft het hof in punt 55 overwogen dat in de andere situatie – wanneer een beroep wordt gedaan op de middelen van de vennoten – de vof moet worden geacht een beroep te doen op de draagkracht van anderen. Het bestreden oordeel, dat afwijkt van het oordeel van het HvJ, getuigt daarmee van een onjuiste rechtsopvatting. 3.26 Nu de zojuist besproken klachten slagen kan het bestreden arrest niet in stand blijven. Volledigheidshalve ga ik nog in op twee argumenten die centraal staan in het verweer van de gemeenten. 3.27 De gemeenten benadrukken in de eerste plaats dat zij, anders dan het HvJ volgens hen heeft aangenomen, in dit geval geen geschiktheidseisen of uitvoeringsvoorwaarden hadden gesteld ten aanzien personeel en materieel. Op de inschrijvers rustte daarom niet een verplichting om aan te tonen dat zij uitvoering konden geven aan de aanbestede opdracht middels een bepaalde hoeveelheid menskracht en materieel waarover zij vrijelijk konden beschikken. Nu de gemeenten dergelijke eisen niet hadden gesteld hoefden zij bovendien niet na te gaan of daaraan was voldaan. Tot slot voldeed Kupers volgens de gemeenten aan de geschiktheidseisen die zij hadden gesteld in de aanbestedingsleidraad en was Kupers zelfstandig in staat uitvoering te geven aan de opdracht. 3.28 Dienaangaande merk ik op dat de verplichting van een aanbestedende dienst om de eis van het indienen van een UEA (volledig) na te leven volgt uit het Unierecht zoals omgezet in nationale regelgeving (zie hiervoor 3.7-3.11). Daarbij is beslissend of de inschrijver geacht moet worden beroep te doen op de draagkracht van ‘andere entiteiten’. De verplichting een UEA op te leggen is een autonome Unierechtelijke verplichting, waarvan het bestaan dus niet afhangt van eisen waaraan de inschrijver op grond van de aanbestedingsvoorwaarden is gebonden (zie ook hiervoor, 3.22). 3.29 De gemeenten benadrukken in de tweede plaats dat de door Taxi Horn voorgestane uitleg tot gevolg heeft dat voor inschrijvers een ‘nieuwe categorie’ voorwaarden ontstaat, waaraan aanbestedende diensten moeten toetsen. In het bijzonder zou de voorwaarde worden geïntroduceerd dat de betrokken opdracht uitsluitend met eigen personeel en materieel moet worden uitgevoerd. In dat verband keren de gemeenten zich ook tegen de stelling van Taxi Horn dat de inschrijver zelf de eigendom zou moeten hebben van het materieel, welke eis een onwerkbare situatie zou doen ontstaan en voor zowel aanbestedende diensten als inschrijvers zou leiden tot een verzwaring van de lasten. 3.30 Deze tegenwerping gaat mijns inziens niet op. De door Taxi Horn gegeven uitleg van het arrest van het HvJ brengt niet mee dat aanbestedende diensten bepaalde geschiktheidseisen of uitvoeringsvoorwaarden aan inschrijvers moeten gaan stellen. Het gaat er alleen om of de vof moet worden geacht beroep te doen op de draagkracht van de beide vennoten. Dat is bijvoorbeeld het geval als de vennoten het te gebruiken materieel of het in te zetten personeel ter beschikking stellen aan de vof. In dat geval doet zich namelijk de situatie voor waarin de vof beroep doet op de draagkracht van de vennoten. Het gevolg daarvan is enkel dat bij de inschrijving ook van beide vennoten een UEA moet worden ingediend. Anders dan de gemeenten veronderstellen, is een aanbestedende dienst in dat geval niet verplicht eisen en voorwaarden te stellen over de wijze waarop een opdracht in financiële en organisatorisch zin moet worden uitgevoerd. Uit het arrest van het HvJ volgt ook niet dat de inschrijver moet worden verplicht het bij het uitvoeren van de opdracht te gebruiken materieel in eigendom te hebben. Er volgt slechts uit dat, als de inschrijver eigenaar is (geworden), hij - althans in zoverre - geen beroep doet op de draagkracht van de vennoten. In die situatie is het niet noodzakelijk dat ook van de vennoten een UEA wordt ingediend, naast het UEA van de vof die als inschrijver optreedt. 3.31 Tot slot ga ik in op de klacht van Taxi Horn in onderdeel 3 dat het hof had behoren te oordelen of de gemeenten (als aanbestedende dienst) de inschrijving van Kupers op de door het HvJ voorgeschreven manier hebben beoordeeld. Daarin kan zij niet worden gevolgd. Het hof stond voor de vraag of Kupers heeft mogen volstaan met het indienen van één UEA. Voor het antwoord op die vraag is een oordeel over het handelen van de gemeenten niet nodig. 3.32 Het lijkt in deze procedure overigens vast te staan dat de gemeenten een controleverplichting hadden op het punt van het aantal UEA dat moest worden ingediend, waarbij de gevolgen van het nalaten het vereiste aantal gelijk zijn aan de gevolgen van het indienen van geen UEA. Dit leid ik uit het volgende af. In het eerste tussenarrest staat nog de volgende (concept)vraag aan het HvJ opgenomen: “5.20 (…) 5. Is de aanbestedende dienst verplicht te controleren, ingeval sprake is van samenwerkende natuurlijke en/of rechtspersonen, of kan worden volstaan met het indienen van één UEA, indien namens de gezamenlijke onderneming één UEA wordt ingediend?” In het tweede tussenarrest staat vervolgens: “8.15 Het hof ziet ervan af om een vraag te stellen over een controleverplichting van de aanbestedende dienst. Het valt niet in te zien dat op dit onderdeel andere verplichtingen gelden dan ten aanzien van andere opgaven die inschrijvers doen. 8.16 Het hof neemt niet de vraag op welke gevolgen het moet hebben als niet ieder van de samenwerkende personen een UEA heeft ingediend, hoewel zij daartoe verplicht waren. Er is geen reden om aan te nemen dat dit gevolg anders is dan in de situatie dat een inschrijver geen UEA heeft ingediend.” 3.33 In rov. 2.8 van het eindarrest oordeelt het hof voorts dat: - niet in geschil is dat Kupers vrijelijk beschikt – in de door het hof overwogen zin – over voldoende bussen om de overeenkomst te kunnen uitvoeren en dat Kupers dat zelfstandig financiert; - Taxi Horn niet (voldoende) heeft gesteld dat dit tijdens de inschrijving niet zo zou zijn geweest of dat dit niet zou zijn aangetoond; en - Taxi Horn niet (voldoende) heeft gesteld dat Kupers niet in staat zou zijn (geweest) op eigen draagkracht over de bussen te beschikken, bijvoorbeeld door ze te huren of leasen. 3.34 Over deze oordelen klaagt onderdeel 3 van het middel. Het hof zou buiten de rechtsstrijd zijn getreden, een onbegrijpelijke uitleg hebben gegeven aan de stellingen van de gemeenten, ten onrechte geen gelegenheid aan Taxi Horn hebben geboden om te reageren en zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over de stelplicht en bewijslast. 3.35 Bij deze klachten bestaat mijns inziens geen belang. De omstandigheid dat Kupers voldoende bussen (vrijelijk) beschikbaar heeft door deze op eigen draagkracht te huren of te leasen, wat daar ook van zij, is irrelevant voor de vraag naar het aantal UEA dat moest worden ingediend, als wordt uitgegaan van een juiste rechtsopvatting (het oordeel van het HvJ) over wat ‘eigen middelen’ in dit verband behelzen (zie hiervóór 3.17). 3.36 Ook inhoudelijk zie ik de klachten niet opgaan. Uitgangspunt in kort geding is dat de rechter grote vrijheid toekomt met betrekking tot zijn oordeel omtrent het voldoende gesteld zijn en het voldoende vaststaan van de feiten die hij nodig heeft om tot het al of niet toewijzen van de gevorderde voorziening te komen. Verder brengen de aard en de functie van het kort geding met zich dat de beoordeling fundamenteel anders plaatsvindt dan via toepassing van de regels van stelplicht en bewijslast. Beslist zal moeten worden aan de hand van een beoordeling van hetgeen door beide partijen naar voren is gebracht en (summierlijk) met bewijsmateriaal is onderbouwd. Ook in hoger beroep geldt dat de rechter in kort geding niet aan de wettelijke bewijsregels is gebonden. Mede in dit licht heeft het hof zijn bestreden oordeel, zonder partijen nog gelegenheid te geven zich daarover uit te laten, kunnen baseren op wat door Taxi Horn en de gemeenten naar voren is gebracht. Dit is, zeker in kortgeding, niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk te noemen. 3.37 Uw Raad kan deze klachten echter ook onbesproken laten en zo ervoor zorgen dat de verwijzingsrechter niet gebonden is aan de hier bestreden beslissingen van het hof. 4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het eindarrest van 27 juni 2023 en tot verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie de tussenarresten en het eindarrest van het hof ’s-Hertogenbosch: 1 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1676; 5 oktober 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3019; en 27 juni 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2079, JAAN 2023/167 m.nt. J.W.A. Meesters. In het tussenarrest van 1 juni 2021 overweegt het hof onder 3: “In dit hoger beroep gaat het hof uit van de feiten die de voorzieningenrechter heeft vastgesteld in het bestreden vonnis onder 2. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.” Met het bestreden vonnis is bedoeld: Rb. Limburg 12 februari 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:1107. Een eerste aanbesteding werd uitgeschreven op 28 februari 2019. Die aanbesteding werd ingetrokken nadat de ene aanbieder, Taxi Horn, te weinig punten had behaald om in aanmerking te komen voor de opdracht en een andere aanbieder geen rechtsgeldige inschrijving had gedaan. Op vordering van Taxi Horn heeft de voorzieningenrechter toen de gemeenten gelast dezelfde opdracht opnieuw aan te besteden. Zie Rb. Limburg (vzr.) 23 juli 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:6843. Prod. 1 bij inleidende dagvaarding. Rb. Limburg 12 februari 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:1107. De Gemeenten hebben de overeenkomsten gesloten met Kupers, met als ingangsdatum 1 maart 2020. Taxi Horn behield procesbelang omdat zij door de voorzieningenrechter in de proceskosten was veroordeeld. Hof ’s-Hertogenbosch 1 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1676. Hof ’s-Hertogenbosch 5 oktober 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3019. HvJ 10 november 2022, C-631/21, ECLI:EU:C:2022:869. Dit arrest is o.m. besproken door: N. Majewski & J-L. Wein, ‘EuGH mit Neuigkeiten zur Einheitlichen Europäischen Eigenerklärung?’, NZBau 2024, 82; R.M. Stein en J. Haenel (Stein/Haenel, jurisPR-Compl 3/2023); en S. Smith, ‘Taxi Horn Tours (C-631/21): is there an obligation to submit one or several European Single Procurement Documents (ESPD) when a bidder is a joint undertaking?’, Public Procurement Law Review 2023, n° 2. Hof ’s-Hertogenbosch 27 juni 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2079, JAAN 2023/167 m.nt. J.W.A. Meesters. Hangende de procedure, ná de dagbepaling voor de conclusie A-G, heeft de cassatieadvocaat van Taxi Horn, mr. J. van Weerden, zich aan de zaak onttrokken. Een andere cassatieadvocaat, mr. J.P. van den Berg, heeft zich vervolgens gesteld voor Taxi Horn. Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG, PbEU 2014, L 94/65. De richtlijn is op voor deze zaak niet relevante punten een keer gecorrigeerd en een aantal keren aangepast. Engels: “has the legal and financial capacities”. Frans: « dispose de la capacité juridique et financière ». Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7 van de Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument, PbEU 2016, L 3/16. Dit betreft de Europese aanbesteding. Voor nationale procedures is de eigen verklaring geregeld in art. 1.19 Aanbestedingswet 2012. D.R. Versteeg, in: T&C Aanbestedingsrecht, commentaar op afd. 2.3.4 Aanbestedingswet 2012: “Deze afdeling gaat over de eigen verklaring. Daardoor zijn ondernemers niet gehouden omvangrijke bewijsstukken aan de aanmelding of inschrijving toe te voegen. De aanbesteder kan slechts de onderneming die voor gunning dan wel voor uitnodiging in aanmerking komt om bewijsstukken vragen (zie art. 2.101).” Dat laatste betekent dat de inschrijvende entiteit voor de aanbesteder het enige aanspreekpunt is, maar sluit niet uit dat de inschrijver informatie over ‘andere entiteiten’ moet aanleveren. Kamerstukken II 2009/10, 32 440, nr. 3 (MvT), p. 17 (onderaan): “Een uniforme eigen verklaring zorgt ervoor dat lasten voor ondernemers worden teruggebracht doordat zij minder vaak bewijsstukken hoeven aan te leveren. Daarnaast draagt het bij aan uniformering doordat er een standaard eigen verklaring zal gaan gelden. Voor aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven leidt de uniforme eigen verklaring tot een vermindering aan uitvoeringslasten, omdat zij niet langer van alle ondernemers de verschillende gegevens en documenten hoeven te verifiëren.” Zie ook considerans onder 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7. Ministeriële regeling van 21 maart 2013, WJZ/13041522, Stcrt. 2013, 8061 (Regeling modellen eigen verklaring Aanbestedingswet 2012), zoals gewijzigd bij regeling van 23 juni 2016, WJZ/16087848, Stcrt. 2016, 34239, op basis van art. 2 lid 3 Aanbestedingsbesluit. Ook in het Unierecht geldt dat het dictum in het licht van de voorgaande overwegingen moet worden gelezen. Zie bijvoorbeeld: HvJ 16 maart 1978, 135/77, ECLI:EU:1978:75 (Bosch), punt 4. In die zin de akte van 27 december 2022 van Taxi Horn (na het arrest van het HvJ) onder 18, onder verwijzing naar punt 2.2 van de Aanbestedingsleidraad van de gemeenten (prod. 1 bij inleidende dagvaarding). Het uitgangspunt van het betoog van Taxi Horn staat in akte uitlating na arrest HvJ (van 21 februari 2023), punt 4: “Voor de beoordeling of Kupers Touringcars mocht volstaan met één UEA (alleen voor zichzelf), is relevant of Kupers Touringcars bij inschrijving heeft beoogd met eigen middelen (personeel en materieel) de opdracht uit te zullen voeren (en dus niet met middelen van haar vennoten of derden).” Zie antwoordakte uitlating na arrest onder 33, schriftelijke toelichting onder 4(
- i)en dupliek onder 1.5 Zie antwoordakte uitlating na arrest onder 32 e.v., schriftelijke toelichting onder 13 en dupliek onder 2.6. Zie schriftelijke toelichting onder 34. Zie schriftelijke toelichting onder 12 en 16. Zie schriftelijke toelichting onder 27 en 39. HR 21 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AH8582, NJ 1979/194 m.nt. W.H. Heemskerk (Pfizer/Meditec), t.a.v. middelonderdeel 4b. Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/113. Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/162, in samenhang met par. 111 waar onder meer staat: “(…) Daarnaast zou een verplichte inachtneming van bewijsregels zoals die met betrekking tot waardering van bewijs en ten aanzien van stelplicht en bewijslast de kortgedingrechter te zeer belemmeren in zijn beoordelingsvrijheid. (…)” Akte uitlating na arrest HvJ van 21 februari 2023, punt 14: “Uit de verschillende jaarrekeningen komt het beeld naar voren dat Kupers Touringcars onvoldoende ondernemingsvermogen heeft om met eigen middelen de opdracht te kunnen uitvoeren. Uit de opzet van de ondernemingsstructuur van Kupers Touringcars blijkt dat de bussen die voor uitvoering nodig zijn, in alle waarschijnlijkheid op de balans staan bij [B] B.V. en bij Kupers B.V. en van daaruit worden ingehuurd of geleased. (…).” Antwoordakte uitlating na arrest HvJ van 23 april 2023, punten 72: “In randnummers 10 en 11 [van de akte uitlating na arrest HvJ, A-G] betoogt Taxi Horn dat het is uitgesloten dat Kupers over eigen middelen beschikt omdat de Gemeenten de voorwaarde hanteren dat EURO-6 bussen moeten worden ingezet. Daarmee miskent Taxi Horn – zoals ook blijkt uit het voorgaande – dat deze bussen niet in eigendom van Kupers hoeven te zijn om uitvoering te kunnen geven aan de opdracht. Kupers heeft – zo begrijpen de Gemeenten – de beschikking over 88 bussen, waarvan 87 EURO-6. (…).” Zie over de eisen die art. 6 EVRM aan een kortgedingprocedure stelt: Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/76.