PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/01481 Zitting 25 juni 2024 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de verdachte. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 27 september 2013 het vonnis van de rechtbank Maastricht van 3 december 2012 bevestigd, met aanvulling van de in het vonnis aangehaalde wetsartikelen met art. 36b en art. 36c Sr. Bij dat vonnis is de verdachte wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank bij dit vonnis een beslissing genomen over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep 3.1 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2013 houdt onder meer het volgende in: “De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen. De verdachte genaamd: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [plaats] , [a-straat 1] , is niet verschenen. Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B. Damen, advocaat te Maastricht, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. […] Het hof: - schorst, gehoord de advocaat-generaal en rekening houdend met de door de verdediging opgegeven verhinderdata, het onderzoek tot de terechtzitting van het hof van 13 september 2013 te 11.05 uur; - beveelt de oproeping van verdachte tegen de dag en het tijdstip van de hierboven genoemde terechtzitting; - overweegt dat de raadsman van de verdachte heden kennis heeft genomen van de dag en het tijdstip van de hierboven genoemde terechtzitting.” 3.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2013 houdt onder meer het volgende in: “De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen. De verdachte genaamd: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [plaats] , [b-str] , is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen. Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B. Damen, advocaat te Maastricht, die mededeelt geen contact met zijn cliënt te hebben gehad en niet bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn. De voorzitter merkt op dat de raadsman bij de eerdere zitting heeft gezegd wel bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn. De raadsman deelt daarop mede dat hij zich destijds wel gemachtigd achtte, maar dat hij sindsdien geen enkel contact meer heeft kunnen krijgen met de verdachte, zodat hij zich thans niet gevolmachtigd acht. Na korte onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede in te stemmen met het standpunt van de raadsman dat hij niet gemachtigd is. In verband met de gewijzigde samenstelling van het hof wordt het onderzoek, dat ter terechtzitting van 18 juni 2013 werd geschorst, opnieuw aangevangen. […] De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 27 september 2013 te 09.30 uur.” 3.3 Het bestreden arrest van het hof van 27 september 2013 houdt onder meer het volgende in: “TEGENSPRAAK (Let wel: op laatste zitting 13 september 2013: raadsman niet gemachtigd; onip)” 3.4 Uit het voorgaande blijkt dat de zaak van de verdachte in hoger beroep voor het eerst is behandeld op 18 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.