PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00130 Zitting 19 april 2024 (buiten de rol
(3)Where the long-term national development plan approved by Parliament is not in place, the spending of petroleum revenue within the budget shall give priority to, but not be limited to programmes or activities relating to: [opsomming van verschillende doelen onder (
- a)t/m (l), A-G].’ Onder de doelen die in deze bepaling worden genoemd, zijn de doelen die worden vermeld in nr. 6.10 van het beroepschrift.Verder worden in art. 21 [verdrag] onder meer genoemd ‘(
- j)the strengthening of institutions of government concerned with governance and the maintenance of law and order; (
- k)public safety and security; (…)’. Deze opsomming van doelen is niet limitatief, gelet op de tekst van art. 21 [verdrag] (‘(…), the spending of petroleum revenue within the budget shall give priority to, but not be limited to programmes or activities relating to’). Het is daarom niet uitgesloten dat gelden uit het [fonds] ook kunnen worden besteed voor diplomatieke, consulaire of defensie-gerelateerde doeleinden. Evenmin is het uitgesloten te achten dat deze doeleinden onder de ruime omschrijvingen van de hierboven genoemde categorieën (
- j)en (
- k)vallen. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] niet meer heeft aangevoerd dan dat de beslagobjecten prima facie niet onder de uitzonderingen van art. 26, onder b, van de Overeenkomst vallen en daarmee kennelijk de stellingen van [eiseres] onvoldoende heeft geacht om het beslag onder [A] toe te staan. De klachten falen daarom. 3Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie Hof Amsterdam 10 oktober 2023, zaaknummer 200.329.134/01 (niet gepubliceerd), rov. 2.1-2.4. Rb. Amsterdam 29 maart 2023, zaaknummer/rekestnummer: C/13/731102 / KG RK 23-505 IHJK/RS (niet gepubliceerd). Zie HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1387, NJ 2010/525, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.5 (Azeta/Staat) en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45, NJ 2014/453, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.6.1 ([…] /Staat). Zie Trb. 2010, 272. Dit verdrag is nog niet in werking getreden. Uit nr. 3.6 van het beroepschrift blijkt dat [eiseres] dit zelf ook tot uitgangspunt heeft genomen. Zie vooral HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236, NJ 2017/190, m.nt. Th.M. de Boer, JBPr 2017/6 m.nt. S.S. Leinders, JOR 2016/353 m.nt. C.G. van der Plas, JIN 2016/201 m.nt. M. Teekens (Morning Star/Gabon), rov. 3.4; HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2354, NJ 2017/191, m.nt. Th.M. de Boer (Staat/Servaas), rov. 3.4; HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2371, NJ 2017/192, m.nt. Th.M. de Boer (N.N. c.s./Kazachstan), rov. 3.4. In HR 30 september 2016 (Morning Star/Gabon), reeds aangehaald, rov. 3.4.7-3.4.8 is geoordeeld dat de uitzondering van art. 19, onder c, VN-Verdrag ook geldt in het geval van conservatoire maatregelen in Nederland. Deze uitgangspunten zijn bevestigd in HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103, NJ 2021/242, m.nt. Th.M. de Boer (Kazachstan/Stati c.s.), rov. 3.2.3. Zie F. Dopagne,’Waivers of Immunity from Execution’, in: The Cambridge Handbook of immunities and international law