PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/03347 Zitting 5 juli 2024 CONCLUSIE T. Hartlief In de zaak [eiser] (hierna: ‘ [eiser] ’) tegen [verweerder] (hierna: ‘ [verweerder] ’) Deze zaak gaat over de vraag of iemand die zijn vrouw om het leven heeft gebracht, aanspraak kan maken op haar erfenis. Ingevolge art. 4:3 lid 1 aanhef en onder a BW is degene die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht onwaardig om te erven. In deze zaak is het niet van een strafrechtelijke veroordeling gekomen, omdat de betrokkene is ontslagen van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid. De vraag die in deze zaak aan de orde is, is of gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak, de eis van een strafrechtelijke veroordeling buiten toepassing moet blijven. In deze zaak, die ook tot Kamervragen heeft geleid, heeft de strafrechter geoordeeld dat [eiser] zijn vrouw onder gruwelijke omstandigheden met opzet van het leven heeft beroofd. [eiser] is echter ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij ten tijde van het begaan van deze daad in een psychose verkeerde en daardoor volledig ontoerekeningsvatbaar was. De strafrechter heeft hem wel de maatregel van tbs opgelegd. Na de dood van de vrouw heeft [verweerder] (de broer van de vrouw) de erfenis van zijn zus beneficiair aanvaard, waarna [eiser] zich op enig moment heeft gemeld en aanspraak heeft gemaakt op de erfenis. [verweerder] is vervolgens een procedure gestart waarin hij heeft gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat [eiser] op grond van art. 4:3 BW onwaardig is om te erven, omdat hij zijn vrouw opzettelijk om het leven heeft gebracht. Volgens [eiser] is hij niet onwaardig om te erven omdat hij is ontslagen van alle rechtsvervolging, zodat de voor onwaardigheid om te erven vereiste strafrechtelijke veroordeling ontbreekt. De rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] niet op grond van art. 4:3 lid 1 onder a BW onwaardig is om te erven omdat een strafrechtelijke veroordeling ontbreekt. De rechtbank zag ook geen ruimte voor toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. In hoger beroep zit het hof op een ander spoor. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en geoordeeld dat, gezien art. 8 lid 1 EVRM (waarin onder meer family life bescherming geniet) en gezien de bijzondere omstandigheden van deze zaak, een redelijke wetstoepassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW meebrengt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling in dit geval buiten toepassing moet blijven zodat [eiser] onwaardig is om uit de nalatenschap van zijn vrouw voordeel te trekken. Tegen dit oordeel komt [eiser] op in cassatie. 1Feiten 1.1 De volgende feiten zijn in cassatie van belang. 1.2 [verweerder] is de broer van [betrokkene 1] (hierna: ‘ [betrokkene 1] ’). Hun moeder is in 2003 overleden en hun vader in
(4)aan de schuld van de dader te verwijten is. De eerste drie eisen zien op de gedraging, de vierde op de persoon van de dader. Er kunnen strafuitsluitingsgronden zijn die de wederrechtelijkheid (rechtvaardigingsgrond) of de schuld (schulduitsluitingsgrond) wegnemen.” 2.20 Het hof heeft vervolgens overwogen dat [eiser] bij een letterlijke lezing van art. 4:3 lid 1 onder a BW niet onwaardig is om te erven omdat niet is voldaan aan de aldaar gestelde eis van een (onherroepelijke) veroordeling: “3.16. In deze zaak heeft de strafrechter (de rechtbank) bewezen geacht dat [eiser] in de periode van 19 maart 2015 tot en met 31 maart 2015 [betrokkene 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd. Het bewezenverklaarde levert doodslag op. Doodslag is strafbaar gesteld in artikel 287 Sr: “Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.” Het door [eiser] gepleegde feit is strafbaar, maar de strafrechter oordeelt ook dat [eiser] zelf niet strafbaar is omdat de doodslag hem vanwege een ziekelijke stoornis niet kan worden toegerekend. Hij wordt dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging. Wel gelast de rechtbank dat [eiser] ter beschikking wordt gesteld (artikel 37a Sr) en dat hij van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b Sr). De rechtbank legt dus wel maatregelen op. Aan de eis van een (onherroepelijke) veroordeling die is gesteld in artikel 4:3 lid 1 onder a BW is dan ook bij een letterlijke lezing van deze wetsbepaling niet voldaan.” 2.21 Hierna is het hof ingegaan op de vraag of uit de wetsgeschiedenis van art. 4:3 lid 1 onder a BW kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd ook het geval dat het gepleegde feit strafbaar is, maar de dader zelf niet, onder het bereik van de bepaling te brengen. Volgens het hof is dat niet het geval. De door het hof aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis onderstrepen volgens het hof het belang van een strafrechtelijke (onherroepelijke) veroordeling. Zij maken ook duidelijk dat van onwaardigheid geen sprake is bij een vrijspraak of een strafrechtelijke schikking. De situatie van ontslag van alle rechtsvervolging vanwege ontoerekeningsvatbaarheid is in deze passages uit de parlementaire geschiedenis echter niet aan de orde gekomen: “3.17. De wetsgeschiedenis van artikel 4:3 lid 1 onder a BW biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de wetgever heeft beoogd ook het geval dat het gepleegde feit strafbaar is, maar de dader zelf niet strafbaar is onder het bereik van deze bepaling te brengen. Anders dan in artikel 4:885 BW (oud) is ook onwaardig degene die medeplichtig is aan het ombrengen van de erflater of dat feit heeft voorbereid. De gronden van onwaardigheid zijn in het nieuwe erfrecht ten opzichte van artikel 4:885 BW (oud) nog aangevuld met de grond die nu in artikel 4:3 lid 1 onder b BW is vermeld, maar daarmee is geen wijziging van de grond van letter a bedoeld. In de parlementaire geschiedenis van de Vaststellingswet Boek 4 BW zijn drie passages te vinden over de betekenis van een veroordeling: “NW 6 (p. 9). Algemeen gedeelte onder 2: De nieuwe bepaling is geformuleerd als een van rechtswege werkende onwaardigheid indien een strafrechtelijke veroordeling wegens een der bedoelde misdrijven (poging en deelneming daaronder begrepen) heeft plaatsgehad. Daartoe geeft de ernst van de hier aan de orde zijnde omstandigheden alle aanleiding.’’ (Parl. Gesch. Boek 4 BW (Inv.wet), p. 1169) en “VvW (p. 19). Minister Sorgdrager: Artikel 4.1.3, lid 1, onder a en b, gaat over de veroordeling door de rechter. Moet dat een onherroepelijke veroordeling zijn? Is het van belang of de veroordeling voor of na het overlijden plaatsvond etc.? Inderdaad is er geen sprake van onwaardigheid om te erven wanneer bijvoorbeeld een strafrechtelijke veroordeling voor moord op de erflater in hoger beroep geen stand houdt. Vrijspraak heeft dat gevolg. De formulering ‘is veroordeeld’ zonder ‘onherroepelijk’ is overgenomen uit artikel 885, boek 4 BW. Wellicht is het niet helemaal duidelijk. Bedoeld is natuurlijk een onherroepelijke veroordeling. Wij zullen nagaan of dit duidelijker in de omschrijving kan worden aangegeven.” (Parl. Gesch. Boek 4 BW (Inv.wet), p. 1172) en “VvW (p. 34). Minister Sorgdrager: De heer Van den Berg heeft in verband met de onwaardigheid gevraagd of alleen de veroordeling door een rechter relevant is en of dat ook geldt voor een schikking die is getroffen met de officier van justitie. Dat laatste geval geldt niet. Alleen een veroordeling door de rechter is relevant.” (Parl. Gesch. Boek 4 BW (Inv.wet), p. 1174) Deze passages onderstrepen nog eens het belang van een strafrechtelijke (onherroepelijke) veroordeling. Zij maken ook duidelijk dat van onwaardigheid geen sprake is bij een vrijspraak of een strafrechtelijke schikking. De situatie van ontslag van alle rechtsvervolging vanwege ontoerekeningsvatbaarheid komt daarin echter niet aan de orde.” 2.22 Volgens het hof is het niet aannemelijk dat de wetgever in 1838 heeft beoogd het geval dat het gepleegde feit strafbaar is, maar de dader zelf niet strafbaar is, ook onder het bereik van art. 885 BW (oud) te brengen: “3.18. Het is niet aannemelijk dat de wetgever in 1838 heeft beoogd het geval dat het gepleegde feit strafbaar is, maar de dader zelf niet strafbaar is ook onder het bereik van artikel 4:885 BW (oud) te brengen. Een veroordeling van een dader die ontoerekeningsvatbaar was, was op grond van de toen nog geldende Code Penal (artikel 64) niet mogelijk. Dat artikel luidde (in de Nederlandse vertaling) als volgt: “Daar is noch misdaad, noch wanbedrijf, zo wanneer de beklaagde ten tijde van het feit in staat van krankzinnigheid was, of wanneer hij door overmagt gedwongen werd.”” 2.23 Vervolgens heeft het hof overwogen dat art. 4:3 lid 1 onder a BW niet de enige bepaling in het BW is waarin gevolgen worden verbonden aan het plegen van een misdrijf als doodslag (rov. 3.19.). Daarna heeft het hof art. 7:184 BW, uit de schenkingstitel, en art. 7:973 BW, uit de verzekeringstitel, de revue laten passeren (rov. 3.20.-3.22.). 2.24 Over art. 7:184 lid 1 aanhef en onder b BW heeft het hof het volgende overwogen: “3.20. Artikel 7:184 lid 1 aanhef en onder b BW bepaalt dat een schenking vernietigbaar is als de begiftigde opzettelijk een misdrijf jegens de schenker of diens naaste betrekkingen pleegt. In de parlementaire stukken is bij dit artikel (toen nog genummerd als 7.3.10) vermeldt dat – anders dan bij de onwaardigheid van artikel 4:3 lid 1 onder a BW – hier geen strafrechtelijke veroordeling nodig is en dat bij een strafuitsluitingsgrond (zoals een psychische stoornis) op deze bepaling door de schenker geen beroep kan worden gedaan (Kamerstukken II 2000/2001, 17 213, 6, p. 10). Dat betekent dat deze vernietigbaarheid niet speelt als de dader niet strafbaar is omdat het feit hem wegens een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend (artikel 39 Sr) dan wel sprake is van een andere strafuitsluitingsgrond.” 2.25 De vernietigbaarheid van art. 7:184 BW is dus niet aan de orde als de dader niet strafbaar is omdat het feit hem niet kan worden toegerekend. Hetzelfde geldt in wezen bij de andere door het hof besproken bepaling: art. 7:973 BW, die betrekking heeft op de sommenverzekering: “3.21. Artikel 7:973 BW over de sommenverzekering luidt: “Aan de overeenkomst kunnen geen rechten worden ontleend door degeen die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de verwezenlijking van het risico opzettelijk teweeg heeft gebracht of daaraan opzettelijk meegewerkt heeft.” Aanvankelijk luidde deze bepaling (Kamerstukken II 1985/1986, 19 529, 2, p. 11): “Artikel 7.17.3.8. Aan de overeenkomst kunnen geen rechten worden ontleend door degeen die de verwezenlijking van het risico opzettelijk teweeg heeft gebracht.” In de memorie van toelichting werd daarbij opgemerkt (Kamerstukken II 1985/1986, 19 529, 3, p. 44): “Dit artikel betreft de zogenaamde onwaardigheid. Het verschilt principieel van het overeenkomstige artikel in het voorontwerp. Daarin werd de onwaardigheid afhankelijk gesteld van een vonnis van de strafrechter. In het thans voorgestelde artikel wordt de strafrechtelijke achtergrond geheel verlaten, ook in die zin dat geen aansluiting meer wordt gezocht bij strafrechtelijke begrippen, zoals medeplichtigheid.” In de nota van wijziging is de huidige tekst voorgesteld (Kamerstukken II 1999/2000, 19 529, 5, p. 50): “De verzekeringsrechtelijke variant van de uit het erfrecht bekende onwaardigheid is uitgebreid met het geval dat de begunstigde de verwezenlijking van het risico – veelal: de dood van de verzekerde – niet zozeer opzettelijk heeft veroorzaakt, doch daaraan wel medewerking heeft verleend (vergelijk voor het erfrecht artikel 4.1.3, eerste lid, onder a). Deze uitbreiding komt overeen met het strafrechtelijke begrip ‘medeplichtigheid’, tegenover het ‘plegen’ waarvan het opzettelijk veroorzaken het equivalent is. Tevens is gevolg gegeven aan het pleidooi van Kalkman (diss., p. 146 e.v.) om de werking van dit artikel te beperken tot gevallen dat een strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden. (...). In de polisvoorwaarden kan worden bepaald dat ook zonder strafrechtelijke veroordeling opzettelijk veroorzaakte schade niet tot uitkering leidt. Artikel 7.17.3.8a (hof: artikel 7:974 BW) staat immers niet in de weg aan een uitbreiding van de gevallen waarbij geen recht op uitkering bestaat (vergelijk de memorie van toelichting, Kamerstukken II 1985/86, 19 529, nr. 3, p. 44).” Ook hier is net als in artikel 4:3 lid 1 onder a BW de werking van de onwaardigheid beperkt tot de gevallen waarin een strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden. Er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever voor ogen heeft gehad deze bepaling ook te laten gelden als degene die de dood van de verzekerde heeft teweeggebracht daarvoor wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een strafuitsluitingsgrond (artikelen 39-43 Sr).” 2.26 Hierna heeft het hof zich gericht op de strekking van de regels over erfrechtelijke onwaardigheid: “3.22. De strekking van de regels over erfrechtelijke onwaardigheid is dat bepaalde gedragingen of feiten, zoals het ombrengen van de erflater, zo ernstig zijn dat deze ertoe leiden dat de ‘dader’ wordt uitgesloten van de nalatenschap van die erflater. Het gaat daarbij om de gedraging. De eis van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling dient ertoe juridisch vast te stellen dat de ‘dader’ de feiten heeft gepleegd en dat hij strafbaar is. Die eis dient aldus de rechtszekerheid. Daarnaast blijkt dat de wetgever bij de totstandkoming van artikel 4:3 lid 1 onder a BW (en de hierboven genoemde vergelijkbare bepalingen bij schenking en sommenverzekering) niet onder ogen heeft gezien de mogelijkheid dat ‘de dader’ niet strafrechtelijk is veroordeeld maar is ontslagen van alle rechtsvervolging, bijvoorbeeld vanwege een psychische stoornis.” 2.27 Het hof is vervolgens tot de tussenconclusie gekomen dat de vraag of art. 4:3 lid 1 onder a BW zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook valt de situatie dat de daad wel, maar de dader wegens ontoerekeningsvatbaarheid niet strafbaar is, ontkennend moet worden beantwoord, althans als alleen wordt gelet op de gangbare betekenis van de bewoordingen van de bepaling, de wets- en rechtsgeschiedenis, verwante bepalingen in het Burgerlijk Wetboek en de strekking van de bepaling. Daarmee is volgens het hof echter nog niet alles gezegd over uitleg en toepassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW. Daarbij wijst het hof erop dat [verweerder] nadrukkelijk heeft gevraagd art. 2 en 8 EVRM bij de uitleg en toepassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW te betrekken en daarbij heeft verwezen naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘EHRM’) van 1 december 2009 in de zaak van de Roemeense erflater: “3.23. De vraag of artikel 4:3 lid 1 onder a BW zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook valt de situatie dat de daad wel, maar de dader wegens ontoerekeningsvatbaarheid niet strafbaar is, zou als alleen wordt gelet op de gangbare betekenis van de bewoordingen van de bepaling, de wets- en rechtsgeschiedenis, verwante bepalingen in het Burgerlijk Wetboek en de strekking van de bepaling met “nee” moeten worden beantwoord. Daarmee is echter nog niet alles gezegd over de uitleg en toepassing van deze bepaling. [verweerder] vraagt nadrukkelijk bij de uitleg en toepassing van artikel 4:3 lid 1 onder a BW ook de artikelen 2 en 8 EVRM te betrekken en verwijst naar de uitspraak van het EHRM in de zaak van de Roemeense erflater. In deze zaak ging het om de echtgenoot die eerst zijn vrouw en zijn schoonmoeder doodde en enkele uren daarna de hand aan zichzelf sloeg. De echtgenoot liet twee brieven achter waarin hij opbiechtte dat hij zijn vrouw en schoonmoeder had vermoord. Door de zelfmoord van de echtgenoot kwam het niet tot een strafrechtelijke procedure en dus ook niet tot een strafrechtelijke veroordeling. Deze strafrechtelijke veroordeling was destijds ook in het Roemeense recht een voorwaarde om tot onwaardigheid van de erfgenaam te komen. De Roemeense rechter(
- s)hanteerden een strikte lezing van de wet en verklaarden de echtgenoot niet onwaardig omdat een strafrechtelijke veroordeling ontbrak. Hierop hebben de vader en de zus van de vermoorde echtgenote zich met een klacht gewend tot het EHRM vanwege onder meer schending van artikel 8 EVRM.” 2.28 Vervolgens heeft het hof art. 8 EVRM geciteerd, waarna het is ingegaan op de genoemde uitspraak van het EHRM van 1 december 2009: “3.24. Artikel 8 van het EVRM is getiteld ‘Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven’ en luidt in de Nederlandse vertaling als volgt: 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” 3.25. Het Hof [hiermee en in deze rechtsoverweging een enkele keer ook met ‘hof’ wordt gedoeld op het EHRM, A-G] oordeelde over de klacht van de vader dat ‘family life’ niet alleen ziet op sociale, morele of culturele belangen, maar ook op materiële belangen zoals erfrechtelijke kwesties tussen naaste verwanten. Vervolgens zet het Hof de twee belangen tegenover elkaar, te weten die van de vader van de vermoorde echtgenote (die wil dat de echtgenoot onwaardig wordt verklaard) en het belang van de broer van de echtgenoot/de dader om te kunnen erven van zijn broer (waaronder begrepen dus ook de erfenis van de vermoorde echtgenote). De eis van een onherroepelijk[e] veroordeling voor moord als vereiste voor onwaardigheid kan zijn rechtvaardiging vinden in de bescherming en de rechten en vrijheden van anderen (artikel 8 lid 2 EVRM). Niet is vereist, zo vervolgt het Hof, dat een lidstaat bepalingen opneemt die zien op onwaardigheid. Maar als die bepalingen er wel zijn dan moeten ze worden toegepast op een wijze die overeenstemt met het doel daarvan. Een te strikte toepassing van de wettelijke bepaling kan in strijd komen met artikel 8 EVRM, aldus nog steeds het Hof. Over deze Roemeens[e] zaak oordeelt het hof dat, gezien de bijzondere omstandigheden daarvan, de interpretatie van de Roemeense gerechten over de onwaardigheid te restrictief is geweest, waardoor het ‘family life’ van de vader van de vermoorde echtgenote is geschaad. Die bijzondere omstandigheden kenmerkten zich hierdoor dat er geen enkele twijfel bestond over de schuld aan de dood van de echtgenoot, de bekentenis van de echtgenoot en de erkenning door de familie van de echtgenoot. Het hof concludeert uiteindelijk dat, gezien de zeer bijzondere omstandigheden van de zaak en rekening houdend met de beperkte beoordelingsruimte die een verdragsstaat heeft in zaken betreffende ‘family life’, geen juist evenwicht is gevonden tussen de belangen van de vader van de vermoorde echtgenote en de belangen van de rechtsopvolger (de broer) van de echtgenoot. Unaniem wordt een schending van artikel 8 EVRM aangenomen.” 2.29 Hierna heeft het hof aangeduid wat de betekenis is van art. 8 EVRM voor het erfrecht tussen naaste familieleden en wat dat betekent voor de nationale rechter: “3.26. Het erfrecht tussen naaste familieleden is nauw verbonden met het familieleven; erfrecht vormt een niet te verwaarlozen onderdeel van het familieleven. Artikel 8 EVRM garandeert echter geen rechten op de nalatenschap van een naast familielid. Opmerking verdient ook dat de nationale rechter van een staat die zich onderworpen heeft aan de werking van het EVRM, de plicht heeft om de wet, zoals deze geldt tussen partijen in een rechtsgeschil, uit te leggen op een wijze die in overeenstemming is met de (onder meer in art. 8 EVRM neergelegde) positieve verplichtingen en onderliggende beginselen van het EVRM. Hij dient zich, met andere woorden, actief te onthouden van een uitleg die daarmee niet verenigbaar is.” 2.30 Het hof heeft daarop onderzocht wat art. 8 EVRM voor de onderhavige zaak betekent. Het heeft daartoe eerst de tegenover elkaar staande belangen van [eiser] en [verweerder] weergegeven: “3.27. In deze zaak staan twee belangen tegenover elkaar. Dat is enerzijds het belang van [eiser] om bij het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling de erfgenaam van [betrokkene 1] te kunnen zijn, ook al heeft hij haar om het leven gebracht. Dat is anderzijds het belang van [verweerder] dat [eiser] , die zijn zus om het leven heeft gebracht, ook bij het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling onwaardig is om te erven van [betrokkene 1] en dan in het bijzonder het vermogen dat zij heeft geërfd van de ouders van [betrokkene 1] en [verweerder] .” 2.31 Volgens het hof zou het vasthouden aan het principe dat voor onwaardigheid een strafrechtelijke veroordeling nodig is omdat de rechtszekerheid hiermee gediend is, in de onderhavige zaak afbreuk doen aan de bescherming van het familieleven van [verweerder] : “3.28. De eis dat voor onwaardigheid een strafrechtelijke veroordeling nodig is dient als gezegd de rechtszekerheid en daarmee de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM. Het hof is van oordeel dat het onverkort vasthouden aan dat belangrijke principe in deze zaak, gelet op de bijzondere omstandigheden daarvan, afbreuk zou doen aan de bescherming van het familieleven van [verweerder] . 3.29. In dit geval staat vast dat [eiser] zijn echtgenote [betrokkene 1] om het leven heeft gebracht. Ook staat vast dat hij (enig) inzicht in zijn handelen heeft gehad en dat sprake is van opzet (opzettelijk om het leven brengen). Dat is vastgesteld in een strafrechtelijke procedure. In zoverre is voldaan aan de eis van rechtszekerheid en is rekening gehouden met het belang van [eiser] dat volgens de regels van het Wetboek van Strafrecht en van Strafvordering wordt bepaald of hij de ‘daad’ heeft gepleegd waaraan artikel 4:3 lid 1 onder a BW onwaardigheid verbindt. 3.30. De eis van een strafrechtelijke veroordeling dient er verder toe dat in een strafrechtelijke procedure wordt vastgesteld dat de dader strafbaar is. In dit geval heeft de strafrechter geoordeeld dat de gedragingen en gedragskeuzes van [eiser] volledig werden bepaald door zijn psychose en dat hij ontoerekeningsvatbaar is. Dat [eiser] niet strafbaar is en niet strafrechtelijk is veroordeeld ontneemt aan zijn gedragingen echter geenszins het gruwelijke karakter en de impact daarvan op de naaste familie van [betrokkene 1] , onder wie [verweerder] . Het maakt, kortom, de ontzetting en het verdriet van de familie over het mishandelen en doden van [betrokkene 1] en de angst voor [eiser] niet minder. Het hof verwijst hiervoor naar de wat de rechtbank in de strafzaak heeft beschreven over de feiten en omstandigheden waardoor [betrokkene 1] ’s leven ten einde is gekomen (rov. 3.5) en naar wat familieleden van [betrokkene 1] hebben verklaard over de omstandigheden waarin [betrokkene 1] verkeerde toen zij nog getrouwd was met [eiser] (rov. 3.7.-3.12.).” 2.32 Een juist evenwicht tussen de belangen van [eiser] en [verweerder] zou, aldus het hof, ontbreken als geen rekening zou worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van de relatie tussen [eiser] en [betrokkene 1] en tussen [eiser] en [verweerder] en zijn familie: “3.31. Het hof is van oordeel dat een juist evenwicht tussen het belang van [eiser] en het door artikel 8 lid 1 EVRM beschermde belang van [verweerder] (respect voor zijn familieleven) ontbreekt als in deze zaak geen rekening zou worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van de relatie van [eiser] met [betrokkene 1] en van [eiser] met [verweerder] en zijn familie. Die bijzondere omstandigheden zijn de gruwelijke wijze waarop [eiser] [betrokkene 1] om het leven heeft gebracht en daarmee het door artikel 2 EVRM beschermde recht op leven van [betrokkene 1] heeft geschonden en ook de agressieve, grensoverschrijdende en angstwekkende wijze waarop [eiser] zich in de jaren daarvoor en daarna jegens [betrokkene 1] en jegens [verweerder] en zijn familie heeft gedragen (rov. 3.7). [eiser] heeft [betrokkene 1] geïsoleerd van haar familie en vrienden en haar psychisch en fysiek mishandeld. [eiser] heeft zich op zeer agressieve wijze bemoeid met de afwikkeling van de nalatenschap van de ouders van [betrokkene 1] en [verweerder] . Hij heeft familie en vrienden van [betrokkene 1] bedreigd, de zoon van [verweerder] zelfs met de dood. Hij heeft bij hen ingebroken en goederen van hen vernield en is daarvoor strafrechtelijk veroordeeld. Niet is vastgesteld dat [eiser] ook ten aanzien van al deze gedragingen ontoerekeningsvatbaar was. [eiser] heeft [verweerder] er zelfs van beschuldigd [betrokkene 1] gedood te hebben; [verweerder] is uren lang vastgehouden en verhoord als verdachte. [eiser] heeft nooit wroeging getoond over wat hij heeft gedaan en ook nooit zijn spijt daarover betuigd aan [verweerder] en zijn familie. [eiser] heeft kort na zijn veroordeling de transmurale verlofstatus gekregen. [verweerder] heeft vanwege al deze gedragingen een grote en gegronde angst voor [eiser] . Het vermogen van [betrokkene 1] bestaat nagenoeg geheel uit hetgeen zij heeft geërfd van haar ouders. [eiser] had geen enkel vermogen toen hij met [verweerder] [ [betrokkene 1] , A-G] trouwde; hun huwelijk heeft net twee jaar geduurd. De nalatenschappen van de ouders moeten nog worden afgewikkeld. Als [eiser] erfgenaam zou zijn, zou [verweerder] samen met [eiser] die afwikkeling moeten regelen.” 2.33 Het hof is tot de conclusie gekomen dat, gezien het bepaalde in art. 8 lid 1 EVRM en gezien de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak, een redelijke wetstoepassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW in dit geval meebrengt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling buiten toepassing moet blijven. Dit betekent dat [eiser] onwaardig is om uit de nalatenschap van [betrokkene 1] voordeel te trekken: “3.32. Het hof is, gelet op wat hiervoor is overwogen, gezien het bepaalde in artikel 8 lid 1 EVRM en gezien de bijzondere omstandigheden van deze zaak, van oordeel dat een redelijke wetstoepassing in dit geval meebrengt dat bij de toepassing van artikel 4:3 lid 1 onder a BW de eis van een strafrechtelijke veroordeling buiten toepassing moet blijven. Het gevolg daarvan is dat [eiser] onwaardig is om uit de nalatenschap van [betrokkene 1] voordeel te trekken en dat hij dus niet haar erfgenaam is. Grief III van [verweerder] slaagt; de overige grieven hoeven niet meer te worden behandeld.” Cassatie 2.34 [eiser] heeft bij procesinleiding van 29 augustus 2023, tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 30 mei 2023 (hierna: ‘het bestreden arrest’). [verweerder] heeft zich verweerd en heeft in zijn verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Partijen hebben vervolgens hun standpunten in zowel het principale als het incidentele cassatieberoep schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] nog heeft gerepliceerd en [verweerder] heeft gedupliceerd. 3Inleidende opmerkingen over art. 4:3 lid 1 onder a BW Inleiding en plan van behandeling 3.1 Voordat ik toekom aan een bespreking van de klachten, maak ik enkele inleidende opmerkingen die van belang zijn voor deze zaak. Ik ga eerst (
- i)in op de vraag wat precies wordt verstaan onder een onherroepelijke veroordeling in art. 4:3 lid 1 onder a BW. Daarbij komt aan de orde in hoeverre de wetgever bij de totstandkoming van art. 4:3 BW en zijn voorlopers aandacht heeft gehad voor de situatie waarin de strafrechter heeft vastgesteld dat de erfgenaam de erflater opzettelijk om het leven heeft gebracht, maar het niet tot een veroordeling is gekomen vanwege volledige ontoerekeningsvatbaarheid van die erfgenaam. Verder besteed ik aandacht aan de opvattingen in de literatuur en rechtspraak in dit verband en komen ook de al door het hof aangestipte bepalingen in het BW aan bod die gelijkenis vertonen met art. 4:3 lid 1 onder a BW: art. 7:184 BW en art. 7:973 BW. Vervolgens (
- ii)bespreek ik het hiervoor al voorbijgekomen arrest van het EHRM inzake de Roemeense erflater (hierna ook: ‘de Roemeense erflater’) waarin het EHRM heeft geoordeeld dat het hanteren van de eis van een onherroepelijke veroordeling voor onwaardigheid onder bijzondere omstandigheden in strijd kan zijn met art. 8 EVRM en in zo’n geval daarom buiten toepassing moet blijven. Daarbij ga ik in op de vraag of, en, zo ja, welke meer algemene betekenis dit arrest heeft. Tot welke gevallen strekt het zich uit en welke uitgangspunten zijn uit dit arrest af te leiden voor de toepassing van een nationale onwaardigheidsbepaling? Vervolgens (iii) ga ik in op de betekenis die de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan hebben bij de toepassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW en daarna (
- iv)bespreek ik de maatschappelijke impact die deze zaak reeds heeft gehad. Het gaat daarbij in het bijzonder om de aandacht voor deze zaak in de literatuur en ‘gewone’ media, om Kamervragen die naar aanleiding daarvan zijn gesteld en om een wetsontwerp dat (mede) naar aanleiding van (de Kamervragen over) deze zaak door de minister voor Rechtsbescherming is aangekondigd. (
- i)de eis van een onherroepelijke veroordeling in art. 4:3 lid 1 onder a BW 3.2 Een van de centrale vragen in deze zaak is de vraag of art. 4:3 lid 1 onder a BW zo moet worden uitgelegd dat de eis van een onherroepelijke veroordeling voor onwaardigheid ook het geval omvat dat de daad wel, maar de dader wegens ontoerekeningsvatbaarheid niet strafbaar is. Is de dader in dat geval ook onwaardig om te erven op grond van art. 4:3 lid 1 onder a BW? Bij de beantwoording van die vraag besteed ik aandacht aan de ratio, tekst en wetsgeschiedenis van art. 4:3 lid 1 onder a BW en aan de rechtspraak en literatuur die over deze bepaling zijn verschenen. Ook sta ik, net als het hof in de bestreden uitspraak, stil bij vergelijkbare bepalingen in Boek 7 BW. 3.3 Om te kunnen erven moet een natuurlijke persoon aan drie vereisten voldoen. Hij moet (
- i)door de wet of uiterste wilsbeschikking als erfgenaam worden opgeroepen, (
- ii)bestaan op het moment dat de nalatenschap openvalt (art. 4:9 en 4:56 BW) en (iii) bevoegd zijn om voordeel te trekken uit de nalatenschap. Een grond voor onbevoegdheid om voordeel te trekken uit de nalatenschap is onwaardigheid. Iemand is onwaardig om te erven indien hij bepaalde in de wet vastgelegde feiten jegens de erflater heeft gepleegd. Verondersteld wordt dat de onwaardigheid in die gevallen in lijn is met de wil van de erflater. De wet geeft in art. 4:3 lid 1 onder a BW vijf gronden voor onwaardigheid die gelden voor eenieder die voordeel trekt uit een nalatenschap. In de literatuur wordt aangenomen dat de regeling van de onwaardigheid van een erfgenaam zowel een algemeen als een individueel belang, namelijk van de erflater, dient. Wat betreft het algemeen belang is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt dat de in art. 4:3 lid 1 BW opgenomen misdrijven dermate ernstig zijn dat zij aanleiding geven tot de sanctie van onwaardigheid. Het gaat dus om gedragingen die sterk door de wetgever zijn afgekeurd. Erven nadat dergelijke gedragingen door de erfgenaam jegens de erflater zijn gepleegd, wordt in strijd geacht met de openbare orde. In dit kader wordt ook wel op een algemeen rechtsbeginsel gewezen: wie opzettelijk de dood of schade van een ander veroorzaakt die hem begunstigd heeft, mag uit die begunstiging geen voordeel trekken. In de erfrechtelijke literatuur wordt in dit verband wel het adagium ‘de bloedige hand erft niet’ ter sprake gebracht. Wat betreft het individuele belang is er op gewezen dat de wetgever met voorschriften voor onwaardigheid heeft moeten komen, omdat de erflater zelf, zoals bij moord en doodslag evident is, niet meer in staat zou zijn om desgewenst de erfgenaam die het feit gepleegd heeft te onterven. In dat kader wordt daarom ook wel betoogd dat de onwaardigheidsgronden van art. 4:3 lid 1 BW berusten op de vermoedelijke wil van de erflater; de wil van de erflater zal in het algemeen stroken met de openbare orde. 3.4 De wetgever heeft in art. 4:3 lid 1 BW een limitatieve opsomming gegeven van gronden voor onwaardigheid. Wanneer zich een van de aldaar genoemde vijf gronden voordoet, is van rechtswege onwaardigheid aan de orde. De onderhavige zaak heeft betrekking op de grond die is opgenomen in art. 4:3 lid 1 onder a BW: Van rechtswege zijn onwaardig om uit een nalatenschap voordeel te trekken: a. hij die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht, heeft getracht hem om te brengen, dat feit heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen; 3.5 In dit verband rijst de vraag wat “onherroepelijk veroordeeld” precies inhoudt. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 4:3 lid 1 BW blijkt dat het moet gaan om een (onherroepelijke) strafrechtelijke veroordeling. Een oordeel van de civiele rechter kwalificeert dus niet. Voor een strafrechtelijke veroordeling is nodig dat de strafrechter tot het oordeel is gekomen dat het tenlastegelegde feit is bewezen en verder moeten ook het tenlastegelegde feit en de verdachte strafbaar zijn. Als de strafrechter heeft vastgesteld dat het tenlastegelegde feit is bewezen, kan een strafuitsluitingsgrond nog een veroordeling in de weg zitten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgronden. Een rechtvaardigingsgrond ontneemt de strafbaarheid aan de gedraging van de dader, terwijl een schulduitsluitingsgrond strafbaarheid van de dader zelf in de weg zit. Heeft de strafrechter een strafuitsluitingsgrond aangenomen, dan kan hij de verdachte niet veroordelen; hij komt dan tot de einduitspraak van ontslag van alle rechtsvervolging. In zo’n geval kan hij geen straf opleggen. Gaat het om een schulduitsluitingsgrond, dan is de rechter wel bevoegd om een maatregel als tbs (art. 37a Sr) op te leggen. De veroordeling is onherroepelijk als daar geen gewoon rechtsmiddel meer tegen openstaat. 3.6 Hieruit volgt dat in het geval dat de strafrechter een verdachte ontslaat van alle rechtsvervolging vanwege een schulduitsluitingsgrond, geen sprake is van een veroordeling. Een letterlijke lezing van art. 4:3 lid 1 onder a BW leidt er dan toe dat die verdachte niet onwaardig is om te erven; van een onherroepelijke veroordeling is immers geen sprake. Vervolgens is de vraag of de soep zo heet gegeten wordt als zij wordt opgediend: biedt de wetsgeschiedenis van art. 4:3 lid 1 onder a BW eventueel aanknopingspunten voor het standpunt dat aan de eis van een onherroepelijke veroordeling voor onwaardigheid ook is voldaan indien de strafrechter heeft geoordeeld dat de daad wél, maar de dader wegens ontoerekeningsvatbaarheid niet strafbaar is? 3.7 Net als het hof in de bestreden uitspraak betrek ik bij het antwoord op die vraag ook de (uitleg en toepassing van
- de)voorloper van art. 4:3 lid 1 BW. Het eerste lid van art. 885 BW (oud) luidde als volgt: Als onwaardig om erfgenamen te zijn, worden beschouwd en als zoodanig van de erfenis uitgesloten: 1°. Hij, die veroordeeld is, ter zake dat hij den overledene heeft omgebragt of getracht heeft om te brengen; 3.8 Het enige verschil met art. 4:3 lid 1 onder a BW is dat in de actuele wettekst het woord “onherroepelijk” is toegevoegd, maar hiermee werd geen inhoudelijke verandering gerealiseerd; met de toevoeging is enkel beoogd dit zeker te stellen. Ook onder het regime van art. 885 lid 1 BW (oud) werd onder de eis van ‘veroordeling’ een strafrechtelijke veroordeling verstaan. Een uitspraak die veelvuldig in de literatuur over art. 885 lid 1 BW (oud) wordt aangehaald, is het arrest van 13 mei 1976 van het hof Amsterdam. Een erfgenaam die de erflater om het leven heeft gebracht maar vervolgens is ontslagen van alle rechtsvervolging en de maatregel heeft opgelegd gekregen van opneming in een krankzinnigengesticht was volgens het hof niet onwaardig om te erven op grond van art. 885 lid 1 BW (oud) omdat een strafrechtelijke veroordeling ontbrak. Daarbij merkte het hof op dat de wetgever ten tijde van invoering van art. 885 BW (oud) niet mede het oog kan hebben gehad op de situatie waarin iemand is ontslagen van alle rechtsvervolging: “In de tijd dat gemeld artikel de diverse fasen van behandeling doorliep, grof gezegd de periode van 1823–1833, gold in Nederland de Franse Code penal en officiele plannen om te geraken tot een geheel nieuw Nederlands Wetboek van Strafrecht bestonden sedert 1827 en geruime tijd daarna niet meer. Art. 64 Code penal, hier geciteerd in de officiele Nederlandse vertaling luidde: ‘Daar is noch misdaad, noch wanbedrijf, zo wanneer de beklaagde ten tijde van het feit in staat van krankzinnigheid was, of wanneer hij door overmagt gedwongen werd.’ Daaruit volgt dat de burgerlijke wetgever ten tijde dat hij art. 885 ontwierp in het geheel niet kan hebben gedacht aan een – immers in die tijd onbestaanbare – ‘veroordeling’ van een persoon die, gelijk H. [de erfgenaam, A-G], ten tijde van het begaan van het feit zozeer lijdende was aan gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van zijn geestvermogens dat – naar het oordeel van de strafrechter – zelfs voor toepassing van art. 37a jo. art. 37, lid 3, Sr. geen plaats was en van wie met toepassing van art. 37 Sr. de plaatsing in een krankzinnigengesticht is bevolen.” 3.9 Ook in de literatuur over art. 885 lid 1 BW (oud) werd onder de vereiste ‘veroordeling’ een strafrechtelijke veroordeling verstaan. Zonder een dergelijke veroordeling kon er geen sprake zijn van onwaardigheid op grond van deze bepaling. 3.10 Art. 885 BW (oud) is per 1 januari 2003 vervangen door art. 4:3 BW. Als gezegd (randnummer 3.8 hiervoor) verschillen deze bepalingen inhoudelijk nauwelijks van elkaar: in art. 4:3 BW is enkel ter verduidelijking toegevoegd dat het moet gaan om een ‘onherroepelijke’ veroordeling. In de parlementaire geschiedenis van art. 4:3 lid 1 onder a BW zijn verschillende uitlatingen over de eis van een (onherroepelijke) veroordeling te vinden: “(…) De nieuwe bepaling is geformuleerd als een van rechtswege werkende onwaardigheid indien een strafrechtelijke veroordeling wegens een der bedoelde misdrijven (poging en deelneming daaronder begrepen) heeft plaatsgehad. Daartoe geeft de ernst van de hier aan de orde zijnde omstandigheden alle aanleiding. (…)” “Minister Sorgdrager: Ik wil vervolgens ingaan op een aantal specifieke onderwerpen die door enkele sprekers zijn aangestipt. Het betreft in de eerste plaats de onwaardigheid. Allen hebben daarover gesproken. Artikel 4.1.3, lid 1, onder a en b, gaat over de veroordeling door de rechter. Moet dat een onherroepelijke veroordeling zijn? Is het van belang of de veroordeling voor of na het overlijden plaatsvond etc.? Inderdaad is er geen sprake van onwaardigheid om te erven wanneer bijvoorbeeld een strafrechtelijke veroordeling voor moord op de erflater in hoger beroep geen stand houdt. Vrijspraak heeft dat gevolg. (…)” “Minister Sorgdrager: De heer Van den Berg heeft in verband met de onwaardigheid gevraagd of alleen de veroordeling door een rechter relevant is en of dat ook geldt voor een schikking die is getroffen met de officier van justitie. Dat laatste geval geldt niet. Alleen een veroordeling door de rechter is relevant.” “In de onderdelen a en b van lid 1 is verduidelijkt dat slechts een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling leidt tot onwaardigheid. (…)” 3.11 Ook kan gewezen worden op een passage waarin wordt gerefereerd aan strafuitsluitingsgronden. Het betreft een discussie tussen de minister en Tweede Kamerlid Swildens-Rozendaal die betrekking heeft op het geval dat iemand wordt vervolgd voor het verrichten van euthanasie: “Dan het geval waarin het om euthanasie gaat. Dat is op zichzelf een interessant punt, maar ik denk dat het om een heel klein aantal gevallen gaat. Waar speelt dit volgens de letterlijke tekst namelijk een rol? In die gevallen waarin de arts die euthanasie verricht, de erfgenaam is van degene die die handeling ondergaat. Welke arts zal als arts op een van zijn eigen ouders euthanasie plegen? (…) (…) Mevrouw Swildens-Rozendaal (PvdA): (…) De strafrechter zal, alles rondom de euthanasiezaak in aanmerking nemend, op een gegeven moment kunnen vaststellen dat de arts zeer zorgvuldig en niet onder druk van de familie heeft gehandeld maar dat hij misschien gezien de noodsituatie niet een extra consultatie op dat moment had kunnen organiseren. Men zal dan zeggen dat er onder het huidige systeem geen sprake van overmacht is of als de strafuitsluitingsgronden in het Wetboek van strafrecht misschien worden opgenomen zou men ook kunnen zeggen dat daaraan niet wordt voldaan, maar dat hij wel vrijuit hoort te gaan. Hij wordt wel schuldig bevonden maar er wordt geen straf opgelegd. Maar zou dan op dat moment de strafrechter als het ware moeten bepalen of er sprake is van onwaardigheid? Iemand moet de knoop doorhakken of die onwaardigheid aanwezig is. Minister Sorgdrager: Dan wordt het aantal gevallen nog kleiner omdat het dan zou gaan om een arts die zijn eigen ouders heeft geëuthanaseerd en bovendien voor strafvervolging in aanmerking komt. Als dat niet zo is, komt dit geval helemaal niet bij een veroordeling terecht. Het moet dus iemand zijn die vervolgd wordt wegens euthanasie en die bovendien als schuldig wordt veroordeeld maar alleen geen straf krijgt. In principe moet het niet altijd zo zijn dat hij dus onwaardig is. Maar als die onwaardigheid ingeroepen wordt, moet de rechter uiteindelijk bepalen of er aanleiding is om op grond van dat vonnis de onwaardigheid uit te spreken. Het hangt er dan maar vanaf om welke reden. De voorzitter: Dat kan niet minister, want het is van rechtswege. Minister Sorgdrager: Inderdaad, het gaat om de vraag of je de fictie kunt aannemen dat het bij voorbaat vergeven is. Dat kan. Mevrouw Swildens-Rozendaal: De uitspraak van de minister over de fictieve vergeving, met name in de sfeer van euthanasie, is volgens mij heel belangrijk. Ik meen dat wij die met elkaar moeten vasthouden.” 3.12 Ook uit de wetsgeschiedenis van art. 4:3 lid 1 onder a BW blijkt dus dat onder ‘veroordeling’ in art. 4:3 lid 1 onder a BW een strafrechtelijke veroordeling wordt verstaan. Dit gold ook voor art. 885 BW (oud), de voorloper van art. 4:3 lid 1 BW. Zoals ik reeds in randnummer 3.5 hiervoor heb aangegeven, is voor een strafrechtelijke veroordeling nodig dat de strafrechter tot het oordeel is gekomen dat het tenlastegelegde feit is bewezen en ook dat het tenlastegelegde feit en de verdachte strafbaar zijn. Bij de totstandkoming van art. 4:3 lid 1 onder a BW is geen expliciete aandacht besteed aan de situatie waarin de rechter heeft vastgesteld dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan maar zelf niet strafbaar is vanwege een schulduitsluitingsgrond. Omdat er onder het oude recht wel rechtspraak voor handen was waarin deze problematiek speelde en waarin werd geoordeeld dat iemand die is ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege een schulduitsluitingsgrond niet onwaardig is, heeft De Vries uit de omstandigheid dat daarvan geen afstand is genomen afgeleid dat de wetgever bij de invoering van art 4:3 lid 1 onder a BW kennelijk heeft beoogd om deze lijn uit de rechtspraak voort te zetten. Daarom is zij van mening dat de wetgever wel degelijk bij de totstandkoming van deze bepaling oog heeft gehad voor de situatie waarin de dader niet is veroordeeld omdat hij niet strafbaar is. Op dit punt overtuigt De Vries mij niet. Zoals uit de hiervoor geciteerde passages blijkt, heeft de wetgever zich meermaals uitgelaten over het vereiste van een veroordeling. Daarbij is geen uitdrukkelijke aandacht besteed aan de invloed van strafuitsluitingsgronden, slechts op het specifieke geval van euthanasie wordt in de parlementaire geschiedenis ingegaan. Het arrest van het hof Amsterdam waar De Vries naar verwijst komt in de parlementaire geschiedenis van art. 4:3 lid 1 onder a BW niet voor. Het gaat dan wat ver om te concluderen dat de wetgever bij de totstandkoming van art. 4:3 lid 1 onder a BW oog heeft gehad voor de situatie waarin sprake is van een strafuitsluitingsgrond. In de hiervoor weergegeven passages over het verrichten van euthanasie kan ook niet worden gelezen dat de toenmalige minister van Justitie Sorgdrager zich over deze situatie heeft uitgelaten. Zij heeft slechts gereageerd op de specifieke situatie waarin iemand wordt vervolgd wegens het verrichten van euthanasie, vervolgens ook schuldig wordt bevonden maar geen straf heeft gekregen. Dat is een andere situatie dan die waarin de rechter heeft vastgesteld dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan maar zelf niet strafbaar is vanwege een door de rechter aangenomen schulduitsluitingsgrond. Er is nog een reden om aan deze passage geen algemene conclusies voor de rol van schulduitsluitingsgronden bij art. 4:3 lid1 onder a BW te ontlenen: euthanasie gebeurt op uitdrukkelijk verzoek van de overledene. Bij art. 4:3 lid 1 onder a BW gaat het evident om heel andere gevallen. 3.13 Dat art. 4:3 lid 1 onder a BW een strafrechtelijke veroordeling vereist, wordt ook bevestigd door de literatuur die over deze bepaling is verschenen. Daarin wordt herhaaldelijk benoemd dat de vereiste veroordeling ontbreekt in het geval waarin vaststaat dat de erfgenaam de erflater om het leven heeft gebracht, maar hij een succesvol beroep heeft kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond. Art. 4:3 lid 1 onder a BW brengt dan mee dat de erfgenaam niet onwaardig is. Voorbeelden daarvan zijn in feitenrechtspraak ook wel te vinden. Hierbij merk ik meteen op dat dit niet betekent dat een erfgenaam die de erflater om het leven heeft gebracht maar om wat voor reden dan ook niet strafrechtelijk is veroordeeld, steeds ook daadwerkelijk aanspraak kan maken op de nalatenschap van de erflater. Door verschillende auteurs wordt benadrukt dat een succesvol beroep op art. 8 EVRM of de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kunnen voorkomen dat een dergelijke erfgenaam aanspraak kan maken op de nalatenschap. En ook in de rechtspraak zijn verschillende gevallen te vinden waarin een dergelijke erfgenaam een aanspraak op de nalatenschap door de rechter is ontzegd. Ik kom hier op terug in paragrafen (
- ii)en (iii). 3.14 Art. 4:3 lid 1 onder a BW is niet de enige bepaling in het BW die civielrechtelijke gevolgen verbindt aan een misdrijf als doodslag door een begunstigde. Zo kennen we ook nog de ook door het hof besproken bepalingen uit de regeling van schenking (art. 7:184 lid 1 aanhef en onder b BW) en uit de regeling van (sommen)verzekering (art. 7:973 BW). Ik sta kort bij beide bepalingen stil. 3.15 Ingevolge art. 7:184 lid 1 aanhef en onder b BW is een schenking vernietigbaar als de begiftigde opzettelijk een misdrijf jegens de schenker of diens naaste betrekkingen heeft gepleegd. Deze vernietigingsgrond wordt ook wel gezien als de “schenkingsrechtelijke onwaardigheid”. Anders dan art. 4:3 lid 1 BW spreekt art. 7:184 lid 1 aanhef en onder b BW niet van een onherroepelijke veroordeling. Uit de wetgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat een strafrechtelijke veroordeling niet vereist is, omdat van de schenker niet kan worden gevergd dat hij de schenking in stand laat zolang van een veroordeling (nog) geen sprake is. Ook is in wetsgeschiedenis expliciet aan de orde gekomen of een beroep kan worden gedaan op deze bepaling als iemand wel strafrechtelijk is vervolgd maar deze vervolging uiteindelijk niet in een veroordeling is uitgemond vanwege een strafuitsluitingsgrond. Hierover merkte de toenmalige minister van Justitie Korthals op dat in de (civielrechtelijke) eis dat de begiftigde het misdrijf opzettelijk moet hebben gepleegd, besloten ligt dat aan die begiftigde een verwijt moet kunnen worden gemaakt. Dit laatste is niet het geval als de begiftigde een succesvol beroep kan doen op een strafuitsluitingsgrond. In dat geval kan volgens hem geen beroep worden gedaan op de vernietigingsgrond van art. 7:184 lid 1 aanhef en onder b BW. 3.16 Art. 7:973 BW heeft betrekking op sommenverzekering. Op grond van deze bepaling kunnen aan een sommenverzekering geen rechten worden ontleend door degene die onherroepelijk is veroordeeld ter zake dat hij de verwezenlijking van het risico opzettelijk teweeg heeft gebracht of daaraan opzettelijk heeft meegewerkt. Ook hier gaat het om een strafrechtelijke veroordeling. In de parlementaire geschiedenis van deze bepaling is niets terug te vinden over de situatie waarin degene die zich op de sommenverzekering wil beroepen weliswaar strafrechtelijk is vervolgd maar is ontslagen van alle rechtsvervolging. 3.17 Uit het voorgaande volgt dat ook de twee andere ‘onwaardigheidsbepalingen’ in het BW geen aanknopingspunten bieden voor een ruimere uitleg van de eis van een onherroepelijke veroordeling in die zin dat hieraan ook is voldaan wanneer de rechter heeft vastgesteld dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan maar zelf niet strafbaar is vanwege een schulduitsluitingsgrond. Bestudering van deze bepalingen biedt eerder aanknopingspunten voor een strikte uitleg. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 7:184 lid 1 aanhef en onder b BW kan immers worden afgeleid dat een schenking in zo’n geval juist niet zou kunnen worden vernietigd omdat de begiftigde in dat geval geen verwijt kan worden gemaakt. 3.18 Gelet op de tekst en wetsgeschiedenis van en de literatuur en rechtspraak over art. 4:3 lid 1 onder a BW en in het licht van de uitleg en toepassing van vergelijkbare bepalingen in het BW kan dus worden geconcludeerd dat onder de door art. 4:3 lid 1 onder a BW verlangde onherroepelijke veroordeling niet kan worden verstaan een uitspraak van de strafrechter waarin wel is vastgesteld dat de verdachte het tenlastegelegde feit opzettelijk heeft gepleegd, maar deze vervolgens is vrijgesproken van alle rechtsvervolging vanwege een strafuitsluitingsgrond. 3.19 Bij de huidige stand van het recht is het niet zo dat de rechter geen (andere) mogelijkheden heeft om in bijzondere situaties te voorkomen dat uit een nalatenschap voordeel wordt getrokken door iemand die de erflater om het leven heeft gebracht. Ik sta hierna eerst stil bij ‘de Roemeense erflater’ en de invloed van art. 8 EVRM op art. 4:3 lid 1 onder a BW (
- ii)en vervolgens bij de betekenis van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in onwaardigheidszaken, specifiek met betrekking tot art. 4:3 lid 1 onder a BW (iii). (
- ii)de eis van een onherroepelijke veroordeling voor onwaardigheid en art. 8 EVRM: de zaak van de Roemeense erflater 3.20 In ‘de Roemeense erflater’ heeft het EHRM geoordeeld dat art. 8 EVRM eraan in de weg kan staan dat een nationale rechter de eis van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling handhaaft. 3.21 Voordat ik op dit arrest in ga, wijs ik erop dat het EHRM zelf geen directe horizontale werking heeft toegekend aan bepalingen uit het EVRM en dat de Nederlandse rechter zeer terughoudend is met het aannemen van directe horizontale werking, maar scheutig is met het aannemen van (indirecte) invloed op privaatrechtelijke verhoudingen, die ook wel indirecte horizontale werking wordt genoemd. De bepalingen van het EVRM kunnen op verschillende manieren indirecte invloed op privaatrechtelijke verhoudingen uitoefenen. Ik noem er in dit verband twee. Zo kunnen partijen in een civielrechtelijke procedure voor de nationale rechter een beroep doen op een (rechtstreeks werkende) bepaling uit het EVRM om zo te bepleiten dat een nationale privaatrechtelijke wetsbepaling of de toepassing die daaraan wordt gegeven in een concreet geval strijdig is met het EVRM (inclusief daarin neergelegde positieve verplichtingen van de verdragsstaten die zich ook tot de nationale rechters van die staten uitstrekken). Wanneer de rechter in zo’n geval strijdigheid met het EVRM aanneemt, zal hij dit in de regel proberen op te lossen door de nationale bepaling verdragsconform te interpreteren. Daarbij staan hem verschillende technieken ten dienste, zoals de restrictieve uitleg, de redelijke wetstoepassing maar ook de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Een andere vorm van ‘indirecte horizontale werking’ is aan de orde wanneer de nationale rechter bepalingen uit het EVRM in privaatrechtelijke verhoudingen betekenis geeft door deze in zijn overwegingen te betrekken bij de toepassing van open normen zoals de goede zeden of de redelijkheid en billijkheid. 3.22 Dan kom ik nu te spreken over ‘de Roemeense erflater’. In deze zaak stonden, samengevat, de volgende feiten centraal. Aurel A. was getrouwd met Tatiana. Op de avond van 7 januari 1993 drong Aurel A. de woning van zijn schoonouders binnen en bracht hij Tatiana en zijn schoonmoeder om het leven. Kort daarna pleegde hij zelfmoord en liet hij twee brieven achter waarin hij erkende Tatiana en haar moeder te hebben vermoord. De broer van Aurel A., Lucian L., maakte vervolgens aanspraak op de erfenis van Aurel A., waartoe ook het vermogen van Tatiana behoorde. In een procedure voor de Roemeense rechter betoogde Tatiana’s vader dat Aurel A. onwaardig was om te erven omdat hij Tatiana van het leven had beroofd. Daarbij beriep hij zich op een ruime lezing van art. 655 van het Roemeens BW. Deze bepaling stelde in verband met onwaardigheid om te erven, net als art. 4:3 lid 1 onder a BW, de eis van een onherroepelijke (strafrechtelijke) veroordeling van de erfgenaam ter zake van het om het leven brengen van de erflater. De Roemeense rechters oordeelden dat van een strafrechtelijke veroordeling geen sprake was omdat Aurel A. zichzelf van het leven had beroofd voordat hij strafrechtelijk kon worden vervolgd. De vader en zus van Tatiana stapten vervolgens naar het EHRM waar zij, onder meer, stelden dat hun recht op familieleven (art. 8 EVRM) was geschonden door deze strikte toepassing van art. 655 van het Roemeens BW. 3.23 In zijn arrest heeft het EHRM eerst benadrukt dat erfopvolging tussen familieleden onderdeel is van family life in de zin van art. 8 EVRM (rov. 125.). In deze zaak gaat het om de status van Aurel A. als erfgenaam en daarom is volgens het EHRM art. 8 EVRM van toepassing (rov. 126.). 3.24 Vervolgens heeft het EHRM vastgesteld dat twee met elkaar strijdende belangen aan de orde zijn: enerzijds het belang van de vader van Tatiana om Aurel A. onwaardig te verklaren zodat hij van zijn dochter kan erven en anderzijds het belang van Lucian L. om de nalatenschap van zijn broer te kunnen erven, met inbegrip van het vermogen van Tatiana, bij gebreke van een onherroepelijke veroordeling van zijn broer. Het vereiste van een onherroepelijke veroordeling van een erfgenaam wegens het om het leven brengen van de erflater, om die persoon als onwaardig te kunnen aanmerken, kan, aldus het EHRM, worden gerechtvaardigd door de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, een van de legitieme doelstellingen van art. 8 lid 2 EVRM. Daarnaast draagt de eis van een onherroepelijke veroordeling volgens het EHRM, in principe, bij aan de rechtszekerheid en wordt daarmee het belang van de samenleving gediend (rov. 128.). 3.25 Hierna heeft het EHRM opgemerkt dat het EVRM niet vereist dat een verdragsstaat wettelijke bepalingen over onwaardigheid opneemt in zijn nationale wetgeving. Wanneer zulke bepalingen echter wel zijn vastgesteld, moeten zij door de nationale rechter worden toegepast op een wijze die in overeenstemming is met hun doel. Om na te gaan of de nationale rechter een juist evenwicht tussen de eerder genoemde botsende belangen heeft gevonden, heeft het EHRM specifiek aandacht besteed aan de strekking van de onwaardigheidsregel, en, in het bijzonder, aan de toepassing ervan in het desbetreffende geval. Een te strikte toepassing van een wettelijke onwaardigheidsbepaling kan in strijd zijn met art. 8 EVRM (rov. 129.). 3.26 Gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak en op het belang van het rechtszekerheidsbeginsel, heeft het EHRM vervolgens geoordeeld dat de interpretatie van art. 655 van het Roemeens BW door de Roemeense rechters te restrictief is geweest. Hierdoor is de vader van Tatiana in zijn family life geschaad. Volgens het EHRM bestond er immers geen twijfel over de schuld van Aurel A. gelet op de vaststelling door het openbaar ministerie, de bekentenis van Aurel A. en de erkenning van zijn schuld door zijn familie. Door hiermee geen rekening te houden is de Roemeense rechter verder gegaan dan nodig was om het rechtszekerheidsbeginsel te eerbiedigen (rov. 131.). 3.27 Het EHRM heeft vervolgens erkend dat strafrechtelijke aansprakelijkheid persoonlijk en niet-overdraagbaar is en dat het overlijden van Aurel A. tot gevolg heeft gehad dat zijn vervolging is gestaakt. Een verdragsstaat moet echter, aldus het EHRM, een duidelijk signaal afgeven dat hij dergelijk onrechtmatig gedrag niet tolereert en belanghebbenden ondersteuning bieden bij hun mogelijke civielrechtelijke vorderingen (rov. 132.). 3.28 Het EHRM is uiteindelijk tot de volgende slotsom gekomen. De eerbiediging van Tatiana’s vaders family life verlangt dat rekening wordt gehouden met de bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden van het geval, teneinde een mechanische toepassing van art. 655 van het Roemeense BW te vermijden. Gelet op de zeer bijzondere situatie van het geval en gelet op de smalle beoordelingsmarge van een verdragsstaat in kwesties die family life raken, is er volgens het EHRM geen billijk evenwicht gevonden tussen de belangen van de broer van Aurel A. als zijn erfgenaam enerzijds en de belangen van de vader van Tatiana anderzijds (rov. 133.). Het EHRM heeft unaniem een schending van art. 8 EVRM aangenomen (rov. 134.). 3.29 Wat is nu de betekenis van dit arrest voor de onderhavige zaak en de toepassing van art. 4:3 lid 1 BW? Omdat ‘de Roemeense erflater’ het enige arrest van het EHRM is dat betrekking heeft op de betekenis van art. 8 EVRM voor onwaardigheid, is de precedentwerking van het arrest volgens De Vries beperkt. Zij bepleit daarom terughoudendheid bij het trekken van algemene conclusies. Desalniettemin kan volgens haar het volgende uit ‘de Roemeense erflater’ worden afgeleid. Een nationale onwaardigheidsbepaling moet worden toegepast in overeenstemming met haar doelstelling. Het vereiste van een veroordeling voor onwaardigheid dient in dat verband de rechtszekerheid. Als deze op een andere wijze kan worden verkregen, bijvoorbeeld in het geval dat, hoewel een veroordeling ontbreekt, de schuld van de erfrechtelijke verkrijger volledig vaststaat, dan mag de onwaardigheidsbepaling niet te strikt worden toegepast. De Vries wijst er bovendien op dat het in ‘de Roemeense erflater’ om zeer ernstige feiten ging, namelijk moord en zelfmoord. Het EHRM heeft slechts arrest gewezen in de context van deze specifieke feiten van het geval, waardoor de reikwijdte ervan beperkt is. Het is volgens haar bijvoorbeeld niet duidelijk of het EHRM tot eenzelfde oordeel zou zijn gekomen indien het om minder zwaarwegende feiten zou zijn gegaan. 3.30 Van belang is verder dat de onderhavige zaak op enkele belangrijke punten verschilt van die van ‘de Roemeense erflater’. Het meest in het oog springende verschil is dat de erfgenaam in ‘de Roemeense erflater’ (Aurel A.) niet is vervolgd omdat hij zelfmoord heeft gepleegd. Het stond echter buiten kijf dat hij schuldig was aan de moord op zijn vrouw en schoonmoeder. Het was daarom zeer aannemelijk dat Aurel A. veroordeeld zou worden, mocht het toch tot een vervolging zijn gekomen. In dat geval was hij onwaardig onder de Roemeense wet. In de onderhavige zaak is [eiser] wel strafrechtelijk vervolgd maar is het niet tot een veroordeling gekomen omdat de strafrechter een schulduitsluitingsgrond heeft aangenomen waarna hij is ontslagen van alle rechtsvervolging. Naar de letter van de Nederlandse wet (zie paragraaf (
- ii)hiervoor) is hij dan niet onwaardig om te erven. Zo bekeken is de lijn van ‘de Roemeense erflater’ niet zonder meer door te trekken naar de onderhavige zaak. Desalniettemin valt uit ‘de Roemeense erflater’ een aantal, ook voor de onderhavige zaak relevante, uitgangspunten af te leiden: (
- i)art. 8 EVRM speelt een rol bij de vraag of iemand op grond van nationale wetgeving onwaardig is om te erven (rov. 125.-126.); (
- ii)indien een verdragsstaat ervoor heeft gekozen om een onwaardigheidsbepaling op te nemen in zijn nationale recht, moet de toepassing daarvan geschieden op een wijze die overeenstemt met haar doelstelling. De eis van een strafrechtelijke veroordeling voor onwaardigheid dient in dat verband in principe de rechtszekerheid (rov. 128.-129.); (iii) indien de nationale onwaardigheidsbepaling de eis stelt dat de onwaardige persoon strafrechtelijk is veroordeeld, kan deze eis op grond van art. 8 EVRM, onder (zeer) bijzondere omstandigheden, opzij worden gezet teneinde een te restrictieve en mechanische wetstoepassing te voorkomen (rov. 129., 131. en 133.). 3.31 Toegespitst op art. 4:3 BW: in ieder geval is duidelijk dat art. 8 EVRM invloed kan hebben op (het antwoord
- op)de vraag of sprake is van onwaardigheid om te erven op grond van art. 4:3 lid 1 BW. De rechter zal art. 4:3 lid 1 onder a BW moeten toepassen in overeenstemming met haar doelstelling. In dit verband zou betekenis kunnen toekomen aan het recht doen aan de (vermoedelijke) wil van de erflater (randnummer 3.3 hiervoor). Wat betreft de eis van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling die de wetgever aan de onwaardigheid stelt, geldt dat deze de rechtszekerheid dient. Art. 8 EVRM kan er in de bijzondere omstandigheden van het geval echter toe leiden dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling, zoals wij die kennen in art. 4:3 lid 1 onder a BW, buiten toepassing blijft om een te restrictieve en mechanische wetstoepassing te voorkomen. (iii) onwaardigheid en de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid 3.32 Hiervoor hebben we gezien dat art. 8 EVRM onder bijzondere omstandigheden kan meebrengen dat de eis van een onherroepelijke veroordeling in een onwaardigheidsbepaling zoals art. 4:3 lid 1 onder a BW opzij wordt gezet om toch tot onwaardigheid te komen. Om te voorkomen dat een persoon die naar de letter van art. 4:3 lid 1 BW niet onwaardig is, voordeel kan trekken uit een nalatenschap kan onder omstandigheden ook het leerstuk van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid worden benut. Aangenomen mag worden dat de eisen van redelijkheid en billijkheid alle vermogensrechtelijke rechtsbetrekkingen beheersen, zodat ook de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid aan de orde kan zijn in het erfrecht. De rechter moet zich, zo wordt in de literatuur ook geconstateerd, met enige regelmaat buigen over lastige onwaardigheidskwesties die naar de letter niet onder een van de gronden van art. 4:3 lid 1 BW vallen. In een dergelijk geval kan soms, binnen de – smalle – marges van het leerstuk, soelaas worden geboden door de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Perrick spreekt in dit geval van verervingen “die zo stuitend voor het rechtsgevoel zijn, dat het onaanvaardbaar voor het rechtsgevoel zou zijn de door de wet of uiterste wil geroepen erfgenaam als erfgenaam van de erflater toe te laten.” De Vries schrijft op haar beurt in vergelijkbare bewoordingen dat het “onder omstandigheden zo stuitend kan zijn dat een persoon die daartoe door de wet of het testament wordt aangewezen voordeel kan genieten uit de nalatenschap, dat het onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel dit toe te laten.” 3.33 In de rechtspraak zijn verschillende voorbeelden te vinden waarin de rechter op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft geoordeeld dat een persoon, ondanks dat niet (volledig) was voldaan aan een van de onwaardigheidsgronden van art. 4:3 lid 1 BW, geen voordeel kon trekken uit een nalatenschap. Ik noem drie uitspraken waarin de rechter op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid tot het oordeel kwam dat de erfgenaam die de erflater van het leven had beroofd, ondanks het ontbreken van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling, geen voordeel kon trekken uit de nalatenschap van de erflater: - het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao oordeelde in zijn uitspraak van 8 maart 2021 dat een man die werd verdacht van het om het leven brengen van zijn vrouw maar sinds de dood van de vrouw al enige tijd vermist was, ondanks het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling, onwaardig was om te erven van de vrouw. Volgens het gerecht zou het stuitend en onaanvaardbaar zijn als de man, enkel vanwege het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling, kon erven van de vrouw. Daarbij hechtte het gerecht belang aan een aantal omstandigheden waaruit volgde dat de man de vrouw eerder meermaals had mishandeld en dat het zo goed als zeker vaststond dat hij haar om het leven had gebracht. - In een uitspraak van 26 september 2012 van de rechtbank Maastricht stond de verdeling van een huwelijkse gemeenschap na een echtscheiding centraal. Tot die gemeenschap behoorde ook de nalatenschap van het dochtertje van de man en de vrouw. Zij was eerder in 2006 door de vrouw om het leven gebracht. De vrouw is in Duitsland vervolgd en de Duitse strafrechter heeft geoordeeld dat zij het kind opzettelijk om het leven heeft gebracht, maar zij is niet schuldig bevonden omdat zij de daad pleegde onder invloed van een psychose. Omdat hiermee een strafrechtelijke veroordeling ontbrak, achtte de rechtbank de vrouw niet onwaardig op grond van art. 4:3 lid 1 BW. Desalniettemin kwam de rechtbank tot het oordeel dat de zeer bijzondere omstandigheden in deze zaak maakten dat, hoewel de vrouw niet onwaardig was om te erven van haar dochtertje, de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat zij ten aanzien van de vader aanspraak kon maken op haar erfdeel in het kader van de scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. - Ten slotte wijs ik op een uitspraak van de rechtbank Middelburg van 5 oktober 2011. In deze zaak werd een man verdacht van moord op zijn vrouw. In afwachting van zijn strafproces was de man vastgezet in een penitentiaire inrichting. Voordat het tot een proces kon komen, heeft de man zelfmoord gepleegd. Bij gebreke van een testament van de vrouw en ook van de man was het versterfrecht van toepassing. De man was de enig erfgenaam van de vrouw en zijn kinderen uit een eerdere relatie waren op hun beurt zijn erfgenaam. De broer en zus van de omgebrachte vrouw vorderden, samengevat, een verklaring voor recht dat de man geen aanspraak toekwam op de nalatenschap van de vrouw. Volgens de rechtbank stond aan de hand van de processen-verbaal van de verhoren van de man voldoende vast dat hij zijn vrouw opzettelijk van het leven had beroofd. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat de man op dusdanige wijze had gehandeld dat het voor het rechtsgevoel onaanvaardbaar was om hem als erfgenaam van de vrouw toe te laten. Ook hechtte de rechtbank waarde aan het rechtsbeginsel dat men geen voordeel behoort te hebben van de opzettelijk veroorzaakte dood van een ander. Indien de man zijn rechten als erfgenaam bij versterf kon uitoefenen dan leverde dat onder de omstandigheden van dit geval, aldus de rechtbank, een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar resultaat op. Naar haar oordeel kon de man daarom dus toch geen aanspraak maken op de nalatenschap van de vrouw. 3.34 Hoe verhoudt ‘de Roemeense erflater’ zich nu tot de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid? Ook door toepassing te geven aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan, zoals het EHRM voor ogen heeft gestaan in ‘de Roemeense erflater’, een mechanische wetstoepassing van art. 4:3 lid 1 BW worden voorkomen indien dit vanuit het perspectief van art. 8 EVRM tot onwenselijke uitkomsten leidt. Anders gezegd: een verdragsconforme toepassing kan ook over de band van het leerstuk van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid worden gerealiseerd. Op die samenloop wordt door verschillende auteurs gewezen, slechts De Vries heeft daarbij een duidelijke voorkeur voor een meer rechtstreeks op art. 8 EVRM gebaseerde benadering vanuit een oogpunt van rechtszekerheid. Zelfstandige betekenis ten opzichte van een dergelijke op art. 8 EVRM toegespitste ingreep heeft de beperkende werking in die gevallen waarin van family life geen sprake is. Volgens Perrick bijvoorbeeld kan in het algemeen worden aangenomen dat het stellen van de eis van een onherroepelijke veroordeling voor onwaardigheid, ook als family life van art. 8 EVRM geen rol speelt, in strijd kan komen met wat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is. Dat is volgens hem onder meer het geval wanneer de mogelijk onwaardige erfgenaam de erflater om het leven heeft gebracht maar voor zijn veroordeling is overleden, terwijl het aannemelijk is dat hij, mocht hij niet zijn overleden, onwaardig zou zijn geweest op grond van art. 4:3 lid 1 onder a BW. Hij verwijst hierbij naar de hiervoor in randnummer 3.33 besproken uitspraak van de rechtbank Middelburg. Ook noemt hij het voorbeeld waarin Tatiana uit ‘de Roemeense erflater’, voor het geval Aurel A. onwaardig zou zijn, een Algemeen Nut Beogende Instelling (hierna: ‘ANBI’) tot enig erfgenaam zou hebben benoemd. Uit ‘de Roemeense erflater’ volgt dan volgens Perrick niet dat Aurel A. als onwaardig dient te worden aangemerkt. Het aanvaarden van hem als erfgenaam van Tatiana leidt immers niet tot een inbreuk op het family life van de ANBI. In zo’n geval zou, zo begrijp ik, de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid volgens Perrick ertoe kunnen leiden dat het toch onaanvaardbaar is om Aurel A. toe te laten in de nalatenschap van Tatiana. De Vries komt in dit voorbeeld tot eenzelfde conclusie, zij het op grond van art. 14 EVRM (verbod van discriminatie) in combinatie met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM (bescherming van eigendom). Daarnaast heeft De Vries betoogd dat, indien er sprake is van family life in de zin van art. 8 EVRM en voldoende vaststaat dat een erfrechtelijk verkrijger de erflater opzettelijk om het leven heeft gebracht en dit aan zijn schuld te wijten is maar het niet tot een veroordeling is gekomen omdat hij onvindbaar of overleden is, de rechter met een beroep op ‘de Roemeense erflater’ art. 4:3 lid 1 sub a BW verdragsconform moet uitleggen om tot onwaardigheid te komen. De toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft wat haar betreft in zo’n geval niet de voorkeur. Zij voert hiertoe aan dat het EHRM heeft benadrukt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling voor onwaardigheid de rechtszekerheid dient. Door de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid toe te passen wordt aan de rechtszekerheid volgens De Vries juist afbreuk gedaan. 3.35 Omdat De Vries de huidige regeling van art. 4:3 lid 1 BW niet ideaal vindt, ziet zij het liefst dat de wetgever met een nieuwe regeling komt. Zij bepleit zelf een wetswijziging op basis waarvan art. 4:3 BW wordt omgevormd tot een gedeeltelijk open norm. Dez