← Nederland

ECLI:NL:PHR:2024:749

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/03367 Zitting 30 augustus 2024 CONCLUSIE B.F. Assink In de zaak 1Corbiere Trust Company Limited (hierna: Corbiere) 2. Rysaffe Trustee Company (C.I.) Limited (hierna: Rysaffe) 3. Saffery Trustee Company (C.I.) Limited (hierna: Saffery) 4. Emperor Trust Company Limited (hierna: Emperor) 5. Moules Trust Company Limited (hierna: Moules) 6. October (PTC) Limited (hierna: October) 7. Taxi Holdings Limited (hierna: Taxi) (gezamenlijk hierna: Corbiere c.s., in vrouwelijk enkelvoud) tegen 1First Curaçao International Bank N.V. (hierna: FCIB) 2. de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: CBCS) (gezamenlijk hierna: FCIB c.s., in vrouwelijk enkelvoud) Inleiding Deze Caribische zaak draait om het volgende. Corbiere c.s. beheert elk één of meer trusts en hield namens deze rekeningen aan bij FCIB. In 2006 is FCIB’s bankvergunning ingetrokken wegens betrokkenheid van rekeninghouders van FCIB bij grootschalige btw-fraude, waarvan FCIB later ook zelf werd verdacht. Ten aanzien van FCIB is de noodregeling uitgesproken, waardoor zij onder bewind van CBCS kwam. In het kader van de afwikkeling van haar bankbedrijf heeft FCIB haar rekeninghouders opgeroepen medewerking te verlenen aan uitkering van hun banktegoeden. Om uitkering van tegoeden die van een misdrijf afkomstig zijn te voorkomen, moesten rekeninghouders een ‘uitkeringsprocedure’ volgen. Volgens FCIB c.s. heeft Corbiere c.s. niet goed meegewerkt aan de uitkeringsprocedure en mochten bij haar kosten in rekening worden gebracht. Partijen twisten onder meer daarover. In hoger beroep is FCIB c.s., net als in eerste aanleg, in belangrijke mate in het gelijk gesteld. Daar komt Corbiere c.s. tegen op in cassatie, m.i. met succes. Ik leg uit waarom. 1Feiten In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.2.1-2.2.22 van het bestreden tussenvonnis (hierna: het tussenvonnis, ook wel TV). 1.1 Corbiere c.s. houdt zich bezig met het verlenen van trustdiensten. Elk van hen, ook wel geduid als trustkantoor, treedt op als trustee van één of meer trusts: Corbiere als trustee van Corbiere Trust; Rysaffe van Auriga Trust, Draco Trust, Mensa Trust, Pavo Trust, Pictor Trust, Southern Cross Trust en Tucana Trust; Saffery van ET Trust; Emperor van Emperor Trust; Moules van Moules Trust; October van October Trust; en Taxi van Taxi Trust. 1.2 Managing director van elk van de door Corbiere c.s. beheerde trusts is [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) of een zakenpartner van hem is ultimate beneficial owner (hierna: UBO) en/of settlor (ook wel beneficiary) van de trusts, met uitzondering van vijf door Rysaffe beheerde trusts. 1.3 FCIB heeft tot 9 oktober 2006 een internationaal bankbedrijf uitgeoefend. Corbiere c.s. heeft ten behoeve van de trusts bankrekeningen geopend bij FCIB. 1.4 Op de rechtsverhouding tussen FCIB en Corbiere c.s. zijn de algemene voorwaarden van FCIB mede van toepassing verklaard (hierna: de algemene voorwaarden). Daarin is onder andere bepaald: “A2. GENERAL 2.17 The Client shall pay the Bank all the fees, commissions and other charges at such rates and in such manner as the Bank may impose with respect to (

  1. a)any Account or the maintenance of any Account; (…) or (
  2. g)such other matters as the Bank may determine. All of the Bank's fees, commissions and other charges shall be posted on its Web Site.(…) 2.19 The Client shall reimburse the Bank for any and all disbursements, costs and/or other expenses incurred by the Bank in connection with: (
  3. a)the execution or implementation of any Instruction; or (
  4. b)the provision of Facilities for or in respect of any Account or the Client. 2.20 The operation of all Accounts, the execution of all Instructions, and the provision of all Facilities shall be subject at all times to the Applicable Laws. The Bank may take or refrain from taking any action whatsoever, and the Client shall do all things required by the Bank, in order to procure or ensure compliance with Applicable Laws.(…)A6. MISCELLANEOUS6.1 All notices, demands and communications by the Bank to the Client may be sent or dispatched by the Bank to the Client by means of the Bank's Web Site, hand delivery, post, e-mail, facsimile transmission or any other means deemed appropriate by the Bank to the e-mail or other address or facsimile number of the Client last known to the Bank. (…)” 1.5 Op 9 oktober 2006 is de bankvergunning van FCIB ingetrokken en is ten aanzien van FCIB de noodregeling uitgesproken waardoor zij onder bewind van CBCS is komen te staan. Vanaf dat moment oefent FCIB het bankbedrijf niet meer uit en is zij doende met de afwikkeling van haar bedrijf. 1.6 De aanleiding voor het intrekken van de bankvergunning en het uitspreken van de noodregeling was betrokkenheid van rekeninghouders van FCIB bij grootschalige btw-fraude. FCIB is vervolgens ook zelf in een strafzaak betrokken geraakt wegens verdenking van betrokkenheid bij die fraude. Die strafzaak is in 2013 geëindigd met een transactie. 1.7 Op 13 november 2006 en 14 december 2006 zijn de rekeninghouders van FCIB via de website van FCIB opgeroepen hun medewerking te verlenen aan uitkering van hun banktegoeden op door hen op te geven bankrekeningen (elders) onder overlegging van de daartoe benodigde “KYC-/EDD-documentatie”. 1.8 Op 21 maart 2007 heeft FCIB op haar website een aanvullende procedure bekendgemaakt ter verkrijging van uitkering door de rekeninghouders van hun banktegoeden met strengere eisen ter voorkoming dat tegoeden worden uitgekeerd die van misdrijf afkomstig zijn (hierna: de uitkeringsprocedure). Alle cliënten moeten volledig voldoen aan de eisen en rekeninghouders die tot de risicogroep behoren - waaronder de trustkantoren - dienen tevens een accountantsrapport te overleggen. 1.9 Op 30 augustus 2013 heeft FCIB een bericht op haar website geplaatst dat inhoudt, voor zover hier van belang: “MONTHLY MAINTENANCE FEES For clients who have not yet complied with FCIB’s wind down procedures (...) (and as a result have caused the bank to incur unnecessary expenses), in addition to the bank holding those clients responsible for such expenses, the Monthly Maintenance Fees will increase effective as of November 1st, 2013 from US$ 50 to US$ 250 (...). This is in accordance with the FCIB’s Account Terms and Conditions.” 1.10 Op 31 december 2013 heeft FCIB een volgend bericht op haar website geplaatst dat inhoudt, voor zover hier van belang: “Clients who have not complied by March 1, 2014 with FCIB’s wind down procedures, (...) are in breach of FCIB's applicable Account Terms and Conditions (...) and as a result will be held responsible for the extra expenses incurred by FCIB in an amount equal to 15% of the client’s balance on each account plus all applicable fees and charges.” 1.11 Op 6 en 8 februari 2017 heeft FCIB aan Auriga Trust, Draco Trust en Pictor Trust (van Rysaffe) en ET Trust (van Saffery) hun banktegoeden uitgekeerd onder inhouding van de naar $ 250 verhoogde maintenance fee (zie onder 1.9 hiervoor) en van 15% van het banktegoed (zie onder 1.10 hiervoor). 1.12 In december 2017 hebben Emperor, Moules, October en Taxi documenten ten behoeve van de uitkeringsprocedure aan FCIB verstrekt. FCIB heeft aan hen bericht dat er een redelijk vermoeden bestaat dat het startkapitaal van de door Emperor, Moules, October en Taxi beheerde trusts afkomstig is uit een misdrijf althans verband houdt met witwassen en dat zij daarom niet hebben voldaan aan de eisen van de uitkeringsprocedure. 1.13 De overige trustkantoren - Corbiere en Rysaffe wat betreft de trusts Mensa, Pavo, Southern Cross en Tucana - hebben de door FCIB verlangde documenten niet overgelegd. Deze trustkantoren worden hierna, met de onder 1.12 hiervoor genoemde trustkantoren, aangeduid als de categorie-ii)-trusts. 1.14 In oktober 2017 en februari 2018 hebben op last van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) huiszoekingen bij FCIB plaatsgevonden. Daarbij zijn compliancedossiers van de categorie-ii)-trusts in beslag genomen. Voor al deze trusts geldt dat [betrokkene 2] daarvan UBO of settlor is. 1.15 Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 23 augustus 2018 met betrekking tot de in beslag genomen dossiers. Dit proces-verbaal houdt onder meer in dat in de dossiers KYC-documenten ontbraken en dat [betrokkene 2] in 2003 is gearresteerd, dat hij in 2005 en 2010 in Rusland is veroordeeld voor fraude of witwassen en dat hij van 2003 tot 2013 gedetineerd is geweest. Het OM heeft de (gelden tot het beloop van
  5. de)desbetreffende banktegoeden ten laste van FCIB in beslag genomen. In januari 2020 heeft FCIB ter voorkoming van verdere strafvervolging afstand gedaan van die tegoeden. 1.16 Op 6 oktober 2020 heeft Corbiere c.s. aan FCIB aanvullende informatie verstrekt. FCIB heeft die informatie voorgelegd aan haar compliancebureau Compliance Services Caribbean (hierna: CSC). Zij heeft dienaangaande gerapporteerd bij brief van 6 november 2020. Haar bevindingen omvatten onder andere het volgende: “Eventually in October 2020 the counsel for [betrokkene 2] and [betrokkene 3] send us a whitepaper detailing what he believes to be compelling evidence that the cases against his clients are politically motivated. (...) Even though this whitepaper presents strong arguments on the treatment of the UBO’s and the motives hereof, it does not mean it unequivocally warrants the conclusion that the initial funds contributed to the Corbiere Group were not derived and/or are not connected to money laundering activities.The fact that we cannot conclude that the initial funds (source of funds) were not derived from criminal activities, including tax evasion, is because the international response deals with ‘fair trial aspect’ of the court cases but no judgement is given on the substantive merits (predicate offenses) of the initial cases and conviction for fraud and tax evasion and subsequent embezzlement and money laundering. (...) Here for (...) there is still reason to assume the original funds might be derived from criminal activities and can involve Money Laundering.” 1.17 In een uitspraak van het EHRM van 14 januari 2020, toen de onderhavige zaak in eerste aanleg aanhangig was, zijn (ook) inhoudelijke klachten tegen de veroordeling van [betrokkene 2] gegrond bevonden. FCIB heeft daarop opdracht gegeven aan CSC voor een nader complianceonderzoek. Zij concludeert in april 2021 voorlopig, en bij brief van 18 juni 2021 definitief, dat de uitspraak van het EHRM voldoende grond biedt het vermoeden weg te nemen dat de aan [betrokkene 2] te relateren banktegoeden van misdrijf afkomstig zijn. 1.18 FCIB heeft Corbiere c.s. bij e-mail van 16 april 2021 uitgenodigd voor overleg over uitkering van de banktegoeden, onder voorbehoud van overleg met het OM over de gelden waarvan zij afstand had gedaan. Op 3 mei 2021 is Corbiere c.s. met een tegenvoorstel gekomen, waarop door FCIB bij e-mail van 16 juli 2021 is gereageerd. 1.19 Bij klaagschrift van 19 juli 2021 heeft Corbiere c.s. op de voet van art. 150 Sv teruggave gevorderd van de door het OM inbeslaggenomen banktegoeden. Op 18 oktober 2021 zijn de tegoeden aan FCIB teruggegeven. 1.20 FCIB heeft bij brief van 21 oktober 2021 aan Corbiere c.s. bericht dat de banktegoeden van de categorie-ii)-trusts per 31 december 2020 onder inhouding van 15% van het tegoed en $ 250 per maand maintenance fee over de periode november 2013 tot en met december 2020 worden uitgekeerd. 2Procesverloop In eerste aanleg 2.1 Bij verzoekschrift van 14 juni 2017 heeft Corbiere c.s. bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het gerecht) een procedure tegen FCIB c.s. aanhangig gemaakt. Corbiere c.s. heeft, zoals gewijzigd in de conclusie van repliek en voor zover van belang, gevorderd (zie rov. 2.3 TV): “I. voor recht te verklaren dat het FCIB niet was toegestaan de Maintenance Fee te verhogen van $50 tot $250 per maand; II. voor recht te verklaren dat het FCIB niet was toegestaan de 15% Boete op te leggen aan Corbiere c.s.; III. FCIB te gebieden de rekeningen toebehorend aan Corbiere c.s. overeenkomstig de veroordelingen onder I en II te crediteren; IV. FCIB te gebieden de rekeningen toebehorend aan Corbiere c.s. te crediteren met de vanaf 31 juli 2006 verschenen creditrente; V. FCIB te verbieden kosten in mindering te brengen op de banksaldi van de rekeningen toebehorend aan Corbiere c.s., dan wel op enige betaling van Corbiere c.s., dan wel nog langer kosten in rekening te brengen in verband met het onder zich houden van de gelden die worden geadministreerd op de rekeningen toebehorend aan Corbiere c.s.; VI. FCIB te veroordelen tot betaling aan Rysaffe van de volledige banksaldi (na creditering overeenkomstig de veroordelingen onder III en IV) op de aan haar toebehorende rekeningen in verband met de Auriga Trust, Draco Trust en Pictor Trust, te verminderen met de reeds aan Rysaffe gedane betalingen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2017; VII. voor recht te verklaren dat Rysaffe een vordering op FCIB heeft ter grootte van de volledige banksaldi (na creditering overeenkomstig de veroordelingen onder III en IV) op de aan haar toebehorende rekeningen in verband met de Mensa Trust, Pavo Trust, Southern Cross Trust en Tucana Trust, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2017; VIII. FCIB te veroordelen tot betaling aan Saffery, Emperor, Moules en Taxi van de volledige banksaldi (na creditering overeenkomstig de veroordelingen onder III en IV) op de aan haar toebehorende rekeningen, ten aanzien van Saffery te verminderen met de reeds aan haar gedane betaling, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2017; IX. voor recht te verklaren dat October een vordering op FCIB heeft ter grootte van de volledige banksaldi (na creditering overeenkomstig de veroordelingen onder III en IV) op de aan haar toebehorende rekeningen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2017; X. voor recht te verklaren dat Corbiere een vordering op FCIB heeft ter grootte van de volledige banksaldi (na creditering overeenkomstig de veroordelingen onder III en IV) op de aan haar toebehorende rekeningen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2017; (…)” 2.2 Hieraan heeft Corbiere c.s. in essentie ten grondslag gelegd dat FCIB (
  6. i)de maintenance fee niet mocht verhogen van $ 50 naar $ 250 per maand en (
  7. ii)niet een kostenvergoeding (‘boete’) van 15% van het banksaldo bij Corbiere c.s. in rekening mocht brengen. Corbiere c.s. verlangt in de kern ongedaanmaking van de debitering van de desbetreffende bedragen. 2.3 Kort gezegd heeft FCIB c.s. op 13 november 2017 een conclusie van antwoord genomen, heeft Corbiere c.s. op 24 september 2018 een conclusie van repliek genomen, en heeft FCIB c.s. op 18 maart 2019 een conclusie van dupliek genomen. 2.4 Op 4 juli 2019 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben pleitnotities overgelegd. 2.5 In een tussenvonnis van 26 augustus 2019 (hierna: het GEA-tussenvonnis) heeft het gerecht, samengevat en onder andere, als volgt overwogen en geoordeeld. a. De trust van Corbiere en de overige door Rysaffe beheerde trusts (Mensa, Pavo, Southern Cross en Tucana) hebben geen recht op enige uitkering, omdat zij de uitkeringsprocedure niet succesvol hebben doorlopen. Zolang zij de vereiste documentatie niet bij FCIB indienen, kan ook de vereiste beoordeling daarvan niet plaatsvinden en ontstaat dus geen recht op enigerlei uitkering. De onder VII en X gevorderde verklaringen voor recht kunnen daarom niet worden gegeven. Zie rov. 4.5-4.6. b. Ten aanzien van de trusts van Emperor, Moules, October en Taxi geldt dat zij geen recht op uitkering hebben indien onzekerheid bestaat over de vraag of hun tegoeden afkomstig zijn uit criminele activiteiten. De kans dat de tegoeden afkomstig zijn uit criminele activiteiten moet wel reëel zijn om FCIB’s weigering tot uitkering te rechtvaardigen. Er is discussie over de deugdelijkheid van het onderzoek van CSC dat FCIB c.s. ten grondslag legt aan haar standpunt. Anders dan FCIB c.s. heeft aangevoerd, volgt uit het als productie 19 overgelegde proces-verbaal van de politie niet dat FCIB “redelijkerwijze moet vermoeden” dat de tegoeden van Corbiere c.s. afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het gerecht zal het OM op grond van art. 42 Rv vragen zich bij conclusie uit te laten over de stand van zaken van het onderzoek “Amethist”, meer specifiek wat betreft enig onderzoek naar de herkomst van tegoeden van fondsen waarvan [betrokkene 2] de UBO is. De beslissing op de vorderingen VIII en IX wordt dus aangehouden tot na de conclusiewisseling. Zie rov. 4.7-4.14. c. FCIB mocht de maintenance fee verhogen tot $ 250 en in rekening brengen. Het beroep van Corbiere c.s. op het vermeend onredelijk bezwarende karakter van art. 2.17 van de algemene voorwaarden met betrekking tot de maintenance fee faalt reeds omdat afdeling 6.5.3 BW niet op de onderhavige overeenkomsten van toepassing is (art. 6:247 lid 2 BW). Ook voor de door haar subsidiair bepleite reflexwerking ziet het gerecht geen grond: het gaat hier om betrokkenen die zich door professionele trustbeheerders laten bijstaan om aanzienlijke bedragen te laten beheren. Het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt evenmin. Ook het verweer van Corbiere c.s. dat FCIB ten onrechte haar opbrengsten buiten beschouwing heeft gelaten, wordt verworpen. Het gerecht is van oordeel dat FCIB in redelijkheid tot de verhoging van de maandelijkse maintenance fee heeft kunnen komen en deze aan Corbiere c.s. kan tegenwerpen. Zie rov. 4.15-4.27. d. De inhouding van 15% op het banksaldo is volgens FCIB c.s. een vorm van schadevergoeding. Voor het ontstaan van schadeplichtigheid is vereist dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming die tot de schade heeft geleid; ook moet de wederpartij (in beginsel) in verzuim zijn (art. 6:74 BW). De verbintenis in de nakoming waarvan Corbiere c.s. volgens FCIB c.s. is tekortgeschoten, betreft het niet voldoen aan de vereisten voor het doorlopen van de uitkeringsprocedure. Met FCIB c.s. is het gerecht van oordeel dat op Corbiere c.s. die verplichting rust. Naar het oordeel van het gerecht kan niet worden aangenomen dat de wanprestatie van (één of enkelen van) Corbiere c.s. de gehele schade zou hebben veroorzaakt als het handelen van de andere non-compliant rekeninghouders zou worden weggedacht. In zoverre is geen sprake van condicio-sine-qua-non-verband tussen het handelen van (ieder van) Corbiere c.s. en de gehele schade van FCIB. Art. 6:102 BW biedt geen grondslag om de betrokken rekeninghouders hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de gehele schade. Ieder van de tekortschietende rekeninghouders is aansprakelijk voor het deel van de schade dat hem aangaat. Voor zover daarvoor geen deugdelijke maatstaf kan worden gevonden, zal dat deel moeten worden geschat (art. 6:97 BW). Het ontbreken van een dergelijke maatstaf betekent niet dat Corbiere c.s. alsnog hoofdelijk aansprakelijk is voor de gehele schade. Ook art. 6:99 BW en/of art. 6:166 BW bieden/biedt geen grondslag voor de door FCIB c.s. gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid van Corbiere c.s. FCIB heeft de inhouding van 15% dus ten onrechte op hoofdelijke aansprakelijkheid gebaseerd. Hiermee is niet gezegd dat Corbiere c.s. niet schadeplichtig is. De door ieder van Corbiere c.s. verschuldigde schadevergoeding zal uiteindelijk moeten worden begroot op een wijze die het meest passend is, zo nodig door middel van een schatting (art. 6:97 BW). Het beroep van FCIB c.s. op rechtsverwerking door Corbiere c.s. ten aanzien van de inhouding van 15% wordt door het gerecht verworpen. Het gerecht zal zijn beslissing over vorderingen II en III aanhouden. Zie rov. 4.28-4.39. e. Corbiere c.s. stelt zich op het standpunt dat zij aanspraak heeft op contractuele rente over de banksaldi van elk van hen. Uitgegaan moet worden van “de LIBOR-rente”, verminderd met een eigen marge. Het beroep van FCIB c.s. op schuldeisersverzuim slaagt echter ten aanzien van Corbiere, Rysaffe (voor zover het de trusts Mensa, Pavo, Southern Cross en Tucana betreft), Emperor, Moules, October en Taxi, gelet op het bepaalde in art. 6:59 BW. Zij voldoen niet aan hun verplichtingen uit hoofde van de uitkeringsprocedure, zodat FCIB gerechtigd is haar verbintenis ter zake van rentebetalingen op te schorten. Voor het overige houdt het gerecht verdere beslissingen over de eventueel verschuldigde rente aan. Dit betekent dat nog geen eindbeslissing wordt genomen over de vordering onder IV. Zie rov. 4.40-4.42. f. Het betoog van FCIB c.s. dat Corbiere c.s. geen belang heeft bij haar vorderingen, omdat FCIB als onder de noodregeling geplaatste bank op grond van art. 31 van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994 niet kan worden genoodzaakt tot betaling van schulden die voor of na het uitspreken van de noodregeling zijn ontstaan, wordt verworpen. Zie rov. 4.43. g. Gelet op de bijzondere positie van CBCS ten opzichte van een onder de noodregeling geplaatste bank heeft Corbiere c.s. er belang bij dat een eventueel veroordelend vonnis zich ook tot CBCS richt. Voor het opleggen van een dwangsom ziet het gerecht echter geen aanleiding, nu aangenomen mag worden dat CBCS een dergelijk vonnis zal naleven. Zie rov. 4.44. 2.6 In het dictum van het GEA-tussenvonnis heeft het gerecht de zaak naar de rol verwezen voor een conclusie van het OM. 2.7 Bij brief van 1 oktober 2019 heeft het OM het gerecht bericht dat het niet gebruikmaakt van de mogelijkheid op de voet van art. 42 Rv te concluderen. Vervolgens heeft FCIB c.s. op 2 december 2019 een conclusie na tussenvonnis genomen, en Corbiere c.s. op 4 mei 2020 een antwoordconclusie na tussenvonnis. FCIB c.s. heeft nadien, op 29 juni 2020, nog een akte uitlating producties ingediend. 2.8 In het eindvonnis van 17 augustus 2020 (hierna: het GEA-eindvonnis) heeft het gerecht de vorderingen van Corbiere c.s. deels toegewezen en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het heeft, samengevat en onder andere, als volgt overwogen en geoordeeld. a. FCIB c.s. heeft niet de feitelijke juistheid betwist van een persbericht van 3 februari 2020 van het OM, waarin onder andere staat dat FCIB in het kader van een transactie ter zake van schuldwitwassen afstand heeft gedaan van specifieke rekeningtegoeden en dat de overige rekeningtegoeden worden uitgekeerd. In het licht van de stelling van Corbiere c.s. dat haar tegoeden niet vallen in de categorie waarvan FCIB volgens het persbericht afstand heeft gedaan, kon FCIB c.s. niet volstaan met een enkele betwisting van die stelling en de opmerking dat Corbiere c.s. haar stelling niet heeft onderbouwd. Bij deze stand van zaken moet als vaststaand worden aangenomen dat een verdenking van het OM jegens FCIB en een mogelijke strafvervolging ter zake van witwassen in verband met de tegoeden van Corbiere c.s. niet langer aan de orde is. Aan het enkele bestaan van die verdenking kan dus niet langer grond worden ontleend om uitkering van de tegoeden van Corbiere c.s. te rechtvaardigen. Zie rov. 2.7-2.10. b. Maar FCIB heeft desondanks de bevoegdheid uitkering te weigeren of op te schorten indien onzekerheid bestaat over de vraag of de desbetreffende gelden afkomstig kunnen zijn van of in verband staan met strafbare feiten. Als onbetwist staat vast dat informatie daarover uit een oogpunt van compliance door FCIB verlangd kan worden. Corbiere c.s. heeft dergelijke informatie niet verstrekt. Verder is het zo dat [betrokkene 2] is veroordeeld voor witwassen. Op grond van deze omstandigheden in samenhang beschouwd, heeft FCIB c.s. zich naar het oordeel van het gerecht in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nog altijd onzekerheid bestaat over de vraag of de gelden afkomstig zijn uit strafbare feiten. De aldus nog steeds bestaande onzekerheid geeft FCIB c.s. de bevoegdheid uitkering van de tegoeden aan Corbiere c.s. te weigeren. Eisers in “categorie ii” (als bedoeld in rov. 2.4) kunnen geen aanspraak maken op uitkering door FCIB van hun tegoeden. Zie rov. 2.11-2.15. c. In het GEA-tussenvonnis is beslist dat FCIB in redelijkheid heeft kunnen komen tot de verhoging van de maintenance fee naar $ 250 per maand. De hierop betrekking hebbende vorderingen zijn niet toewijsbaar. Zie rov. 2.16. d. In het GEA-tussenvonnis is ook beslist dat Corbiere c.s. jegens FCIB wanprestatie heeft gepleegd door niet tijdig aan haar verplichtingen uit de uitkeringsprocedure te voldoen. Uit de overwegingen in het GEA-tussenvonnis volgt verder dat deze wanprestatie naar het oordeel van het gerecht tot schade voor FCIB heeft geleid, bestaande uit doorlopende operationele kosten. De totale schade, bestaande uit de kosten gemoeid met het moeten voortzetten van haar bedrijf, is veroorzaakt door de gezamenlijke rekeninghouders die niet voor 2013 hebben voldaan aan hun verplichtingen op basis van de uitkeringsprocedure, als gevolg waarvan FCIB niet kon worden vereffend. Corbiere c.s. maakt deel uit van die groep non-compliant rekeninghouders. Aannemelijk is dat bepaalde kosten sowieso zouden zijn doorgelopen zolang niet alle non-compliant rekeninghouders aan hun verplichtingen hebben voldaan. Anderzijds is ook aannemelijk, zoals al in het GEA-tussenvonnis is overwogen, dat de kosten hoger zijn naarmate meer rekeninghouders niet aan hun verplichtingen voldoen. Gelet hierop bestaat aanleiding de schade te schatten. De operationele kosten bedroegen bijna $ 30 miljoen, het totale banksaldo van non-compliant rekeninghouders beliep bijna $ 200 miljoen. De door iedere non-compliant rekeninghouder veroorzaakte schade wordt dan geschat op 15% van diens banksaldo. Tegen deze achtergrond was FCIB gerechtigd ten aanzien van ieder van eisers de haar toekomende schadevergoeding van 15% van het banksaldo met dat banksaldo te verrekenen. Zie rov. 2.17-2.20. e. De door Corbiere c.s. gevorderde rente is gedeeltelijk toewijsbaar. Zie rov. 2.21-2.24. In hoger beroep 2.9 Bij akte van appel van 24 september 2020 heeft Corbiere c.s. hoger beroep ingesteld van het GEA-tussenvonnis en het GEA-eindvonnis. 2.10 FCIB c.s. heeft bij akte van appel van 25 september 2020 hoger beroep ingesteld van het GEA-eindvonnis. 2.11 De twee hoger beroepen zijn door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) als separate zaken aangemerkt: de zaak CUR2020H00294 respectievelijk de zaak CUR201701030. 2.12 Op 5 november 2020 heeft Corbiere c.s. in de zaak CUR2020H00294 een memorie van grieven ingediend, die een enigszins gewijzigd petitum bevat. Zij heeft zeven als zodanig aangeduide grieven aangevoerd. 2.13 Op 6 november 2020 heeft FCIB c.s. in de zaak CUR201701030 een memorie van grieven en tevens voorwaardelijk verzoek tot voeging ingediend. Zij heeft (eveneens) zeven als zodanig aangeduide grieven aangevoerd. En voeging van de twee zaken op grond van art. 127 Rv verzocht, onder de voorwaarde dat Corbiere c.s. haar hoger beroep doorzet. 2.14 Op 22 december 2020 heeft FCIB c.s., naar ik begrijp in de zaak CUR2020H00294, een memorie van antwoord tevens verzoek tot voeging ingediend. Zij heeft haar verzoek tot voeging, nu onvoorwaardelijk, gehandhaafd. 2.15 Vervolgens is het hoger beroep van FCIB c.s. aangemerkt als CUR2020H00296 (in plaats van CUR201701030). Op 27 januari 2021 heeft Corbiere c.s. in de zaak CUR2020H00296 een memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel ingediend. Op 12 maart 2021 heeft FCIB c.s. in de zaak CUR2020H00296 een memorie van antwoord in incidenteel appel ingediend. 2.16 Op 26 oktober 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben pleitnotities overgelegd. 2.17 In het tussenvonnis heeft het hof het verzoek van FCIB c.s. tot voeging toegewezen. Het heeft verder, samengevat en onder andere, als volgt overwogen en geoordeeld. a. Grief I van Corbiere c.s. slaagt niet. Met grief I klaagt Corbiere c.s. ten eerste dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat zij van de mededelingen op de website van FCIB heeft kennisgenomen en dat FCIB zich ook niet ervan heeft verwittigd of zij in de periode 2006-2007 op de hoogte was van die mededelingen, aangezien FCIB (“zij”) geen poging heeft gedaan Corbiere c.s. (“hen”) direct te bereiken. Corbiere c.s. heeft geen belang bij die klacht. [betrokkene 1] wist klaarblijkelijk wat in het kader van de uitkeringsprocedure van Corbiere c.s. werd verwacht en de wetenschap van [betrokkene 1] kan aan Corbiere c.s. worden toegerekend. De grief faalt voor zover daarmee is bedoeld dat er geen verplichting was voor Corbiere c.s. mee te werken aan de uitkeringsprocedure. Corbiere c.s. klaagt met grief I voorts dat ten aanzien van alle trusts inmiddels is voldaan aan de uitkeringsprocedure. Hierbij heeft Corbiere c.s. geen belang, omdat FCIB inmiddels heeft aangenomen dat Corbiere c.s. de uitkeringsprocedure met goed gevolg heeft doorlopen. Wel is nog in geschil op welk moment Corbiere c.s. kan worden geacht de uitkeringsprocedure met goed gevolg te hebben doorlopen en FCIB de banktegoeden had moeten uitkeren. Deze discussie leent zich voor een gezamenlijke bespreking met grief II. Daarbij dient tot uitgangspunt dat voor uitkering van de banktegoeden niet alleen is vereist dat de voorgeschreven KYC-documenten zijn aangeleverd, maar ook dat uit een inhoudelijke beoordeling van die stukken niet blijkt van bezwaren om tot uitkering over te gaan. Zie rov. 2.12-2.14. b. Grief II van Corbiere c.s. slaagt evenmin. Corbiere c.s. betoogt dat als maatstaf heeft te gelden of er een reële kans bestaat dat de tegoeden een criminele herkomst hebben, en niet - waarvan het gerecht is uitgegaan - onzekerheid over de vraag of de tegoeden uit misdrijf afkomstig zijn. Daarop voortbouwend stelt zij dat feiten en omstandigheden omtrent [betrokkene 2] geen rechtens te respecteren basis zijn voor het bestaan van een reële kans dat de tegoeden een criminele herkomst hebben en/of anderszins een rechtvaardigingsgrond zijn om uitkering van de banktegoeden te weigeren. Dit slaagt niet, nu Corbiere c.s. tekort is geschoten in haar eigen verbintenis jegens FCIB door niet alle vereiste KYC/EDD-documenten aan te leveren en door niet melding te maken van de detentie van [betrokkene 2] tussen 2003 en 2013 in Rusland of van zijn veroordeling in Rusland ter zake van fraude en witwassen. Het willens en wetens achterhouden van die informatie is voldoende grond voor een zodanige mate van verdenking dat de gelden van misdrijf afkomstig zijn dat FCIB uitkering mocht weigeren. De weigering van FCIB tot uitkering over te gaan was niet louter en alleen gegrond op feiten en omstandigheden rondom de persoon [betrokkene 2] , maar in de eerste plaats op het ontbreken van volledige en juiste informatie dienaangaande. Zolang het daaraan heeft ontbroken, mocht FCIB in redelijkheid zich op het standpunt stellen dat het vermoeden dat de tegoeden uit misdrijf afkomstig zijn niet was weggenomen. Weliswaar kan met de uitspraak van het EHRM van 14 januari 2020 ervan worden uitgegaan dat de vervolging en veroordeling van [betrokkene 2] in Rusland ook op inhoudelijke gronden onjuist was, en dat de banktegoeden afkomstig waren uit reguliere dividenden van het oliebedrijf van [betrokkene 2] , maar deze later opgekomen omstandigheid neemt niet weg dat Corbiere c.s. in strijd met haar KYC-verplichtingen heeft gehandeld. FCIB hoefde de uitspraak niet zelf in openbare bronnen te vinden en zij heeft ook anderszins niet te traag gehandeld. FCIB is niet in verzuim komen te verkeren door haar bereidverklaring van 21 oktober 2021. Zie rov. 2.15-2.18. c. De beslissing over de grieven III en IV van Corbiere c.s. wordt aangehouden. Corbiere c.s. komt daarmee op tegen de inhouding van $ 250 aan maintenance fee respectievelijk van 15% van haar banktegoed. Naar het oordeel van het hof dienen art. A2.2.17 en A2.2.19 van de algemene voorwaarden (hierna ook: de kostenbedingen) aldus te worden uitgelegd dat FCIB bevoegd was redelijke kosten die zij in redelijkheid heeft gemaakt op een redelijke wijze door te belasten aan haar rekeninghouders, althans voor zover het kosten betreft die zijn gemaakt voor het open-/aanhouden van de rekeningen en ter afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat FCIB in het kader van de afwikkeling van haar bankbedrijf mogelijk ook andere kosten heeft gemaakt, zoals kosten ter beëindiging van haar relatie met werknemers, opdrachtnemers, correspondentbanken en kosten in verband met haar eigen strafzaken. Daar zullen de bedingen in de algemene voorwaarden niet voor zijn bedoeld, althans dat hoefde Corbiere c.s. redelijkerwijs niet te begrijpen. Bij deze uitleg zijn de kostenbedingen - anders dan Corbiere c.s. betoogt - niet als kennelijk onredelijk bezwarend aan te merken, en is het beroep van FCIB op die bedingen in de gegeven omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. FCIB heeft de rekeninghouders bovendien op voorhand op haar website bericht over de inhoudingen en nog een termijn gegund daaraan te ontkomen door alsnog aan de voorwaarden voor uitkering van de banktegoeden te voldoen. Dat Corbiere c.s. van die berichten geen kennis heeft genomen - wat daar ook van zij - komt voor haar eigen risico, nu FCIB op grond van haar algemene voorwaarden (art. A2.2.17 en A6.6.1) bevoegd was haar website voor berichtgeving aan de rekeninghouders te gebruiken en Corbiere c.s. daarom geacht mag worden daarmee te hebben ingestemd. De beantwoording van de vraag of de door FCIB c.s. opgegeven kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt in het licht van de hiervoor gegeven uitleg van de kostenbedingen verlangt eerst nog een aktewisseling. Ook de beantwoording van de vraag naar de redelijkheid van de wijze waarop FCIB de kosten aan haar rekeninghouders heeft doorbelast, wordt uitgesteld tot na de aktewisseling. Zie rov. 2.19-2.25. d. Over grief V van Corbiere c.s., grieven 2-4 van FCIB c.s. en de incidentele grieven van Corbiere c.s. heeft het hof als volgt geoordeeld. Het ligt voor de hand de oproepen van FCIB aan de rekeninghouders hun banktegoeden ‘op te halen’ uit te leggen als een opzegging dan wel beëindiging van de bestaande bankrelaties in het kader van de vereffening van haar bankbedrijf als gevolg van de noodregeling. FCIB kon en mocht daarna het bankbedrijf niet meer uitoefenen en kon en mocht dus zelf ook geen inkomsten meer genereren om daaruit de met Corbiere c.s. bedongen rente te voldoen. In dat licht bezien, was van een bankrelatie tussen FCIB en de rekeninghouders enkel nog sprake voor zover voor de afwikkeling en uitkering van de banktegoeden was vereist en strandt reeds daarop deze vordering van Corbiere c.s. Het hof zal ter voorkoming van een verrassingsbeslissing op dit punt partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte daarover uit te laten. Corbiere c.s. heeft nog gesteld dat FCIB de tegoeden had moeten storten in de zogenoemde consignatiekas, maar dat leidt niet tot een ander oordeel. Zie rov. 2.26-2.28. e. FCIB is geen wettelijke rente over de banktegoeden verschuldigd geworden. Zie rov. 2.29. 2.18 In het dictum van het tussenvonnis heeft het hof onder andere de zaak naar de rol verwezen voor de onder 2.17 sub c-d hiervoor bedoelde aktewisseling en iedere verdere beslissing aangehouden. 2.19 Op 26 april 2022 heeft FCIB c.s. een akte na tussenvonnis ingediend. Op 16 augustus 2022 heeft Corbiere c.s. een antwoordakte na tussenvonnis ingediend. 2.20 Op 21 maart 2023 heeft een tweede mondelinge behandeling plaatsgevonden, ten overstaan van een anders samengestelde kamer. De advocaten van partijen hebben pleitnotities overgelegd. 2.21 Op 6 juni 2023 heeft het hof een eindvonnis uitgesproken (hierna: het eindvonnis, ook wel EV). In het dictum daarvan heeft het hof “het vonnis waarvan beroep” vernietigd, de vorderingen van Corbiere c.s. deels toegewezen en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het heeft, samengevat en onder andere, als volgt overwogen en geoordeeld. a. Het hof onderzoekt eerst of aangenomen kan worden dat FCIB c.s. daadwerkelijk de kosten heeft gemaakt die zij stelt te hebben gemaakt. Bij akte na tussenvonnis heeft FCIB c.s. de totale kosten over de periode 2007-2013 nader gespecificeerd en haar opstelling aangepast, waardoor die thans uitkomt op een totaal van $ 27.084.867,62. Dat is ongeveer $ 2 miljoen minder dan in de opstelling bij memorie van antwoord (in zaak CUR2020H00294). De aangepaste opstelling is onderbouwd met loonverzamelstaten, grootboekrekeningen, declaraties en facturen. Hiermee heeft FCIB c.s. haar stelling dat zij in de periode van 2007 tot en met 2013 daadwerkelijk kosten heeft gemaakt in de orde van grootte van $ 27 miljoen voldoende onderbouwd. De betwisting door Corbiere c.s. van die stelling is daar tegenover onvoldoende onderbouwd. Het hof neemt die stelling dan ook als tussen partijen vaststaand aan. Bij dit oordeel slaat het hof ook acht erop: dat ter afwikkeling van de noodregeling kosten zijn gemaakt voor complianceonderzoeken bij een groot aantal rekeningen gedurende een periode van ongeveer zeven jaar; dat naar algemene ervaringsregels complianceonderzoek doorgaans veel en gespecialiseerd werk vergt, waarmee aanzienlijke kosten gemoeid kunnen zijn; dat het hof ambtshalve ermee bekend is dat er uitvoerig geprocedeerd is tussen FCIB c.s. en een veelheid van partijen die aanspraak maakten op de banktegoeden; en dat gedurende de afwikkeling van de noodregeling diverse soorten operationele kosten doorliepen, zoals kosten van personeel, kantoorruimte en IT (terwijl daar geen inkomsten meer tegenover stonden). Zie rov. 3.1-3.4. b. Het hof acht het redelijk dat FCIB c.s. in de periode 2007-2013 kosten heeft gemaakt in de orde van grootte van $ 27 miljoen, gelet op het volgende. FCIB c.s. heeft over de opgegeven kosten voor civiele advocaten gesteld dat deze advocaten onder meer hebben geadviseerd bij de intrekking van de bankvergunning, de opzet van de uitkeringsprocedure en de beoordeling van compliancedocumenten, en dat zij haar hebben bijgestaan bij het procederen tegen partijen die aanspraak maakten op de banktegoeden. Verder heeft zij forensic fees moeten betalen aan externe compliancekantoren, die ingeschakeld werden bij de uitvoering van de uitkeringsprocedure. Deloitte is ingeschakeld om de jaarstukken van FCIB te beoordelen en vragen van de Belastingdienst te beantwoorden. Personeelskosten waren hoog in 2013, omdat er toen veel personeel afvloeide. FCIB heeft (op basis van service level agreements) diensten afgenomen van haar groeps- en zustervennootschappen, omdat daar de historische kennis zat en het duurder zou zijn de diensten elders te gaan afnemen. Bij dit oordeel slaat het hof ook acht erop: dat aan CBCS een zekere discretionaire bevoegdheid toekomt keuzes te maken bij de afwikkeling van een noodregeling; dat het (minst genomen) redelijk is dat FCIB c.s. probeerde te voorkomen dat tegoeden zouden worden uitgekeerd die afkomstig waren van misdrijf; dat het redelijkerwijs noodzakelijk is dat FCIB c.s. daarbij advocaten en externe compliancekantoren inschakelde; en dat er een redelijke rechtvaardiging is gegeven voor de keuze van FCIB c.s. diensten af te nemen van de groeps- en zustervennootschappen van FCIB.Zie rov. 3.5. c. Bij het beantwoorden van de vraag of het redelijk was bij het doorbelasten van kosten aan rekeninghouders uit te gaan van het eerdergenoemde bedrag van $ 29.310.766,80 stelt het hof het volgende voorop. In het tussenvonnis heeft het hof onderscheid gemaakt tussen enerzijds kosten die zijn gemaakt voor de doeleinden (
  8. a)het open-/aanhouden van de rekeningen en (
  9. b)de afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden (de doeleinden sub a-b hierna: de doeleinden), en anderzijds andere kosten, zoals kosten ter beëindiging van de relatie met bankmedewerkers, opdrachtnemers, correspondentbanken en kosten in verband met de eigen strafzaken. Dit moet zo worden begrepen dat het hof geen scherp onderscheid verlangt tussen kosten gemaakt voor de doeleinden en andere kosten. Om de doeleinden te kunnen verwezenlijken, moet FCIB blijven bestaan en als zij blijft bestaan, moet zij diverse soorten kosten blijven maken of gaan maken, zoals personeelskosten die anders niet gemaakt hadden behoeven te worden. Van diverse soorten kosten kan men redelijkerwijs van mening verschillen over de vraag of, en zo ja hoe, deze moeten worden toegerekend aan de doeleinden. Het gaat er bij de beoordeling van de kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden slechts om dat de wijze waarop FCIB c.s. de totale kosten (die zij daadwerkelijk heeft gemaakt) aan de doeleinden toerekent, redelijk moet zijn. Iets anders heeft het hof niet bedoeld, aldus nog steeds het hof. Zie rov. 3.6. d. De opstelling van FCIB c.s. van de projected wind down expenses over 2017-2019 (productie 20) en de wind down expenses over 2014-2016 (productie 22) laat een revenue gap zien. De kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden dekt dus slechts een deel van de daadwerkelijk door FCIB gemaakte kosten. De kosten die uit de kostenvergoeding van 15% gedekt worden, worden gedragen door de rekeninghouders die volgens FCIB per 1 maart 2014 niet voldoende hadden meegewerkt aan de uitkeringsprocedure (de non-compliant rekeninghouders). Het is redelijk een deel van de kosten die FCIB maakt, toe te rekenen aan non-compliant rekeninghouders, omdat zij die kosten hebben veroorzaakt. Daarom kon worden uitgegaan van het eerder genoemde bedrag van $ 29.310.766,80. De gekozen datum 1 maart 2014 is ook redelijk. Ook het percentage waarop de kostenvergoeding uitkomt (15%), acht het hof redelijk. Zie rov. 3.7. e. FCIB c.s. heeft de kostenvergoeding, met een vast percentage van het banktegoed (15%), op een redelijke wijze verdeeld over de diverse non-compliant rekeninghouders. Deze werkwijze is enigszins vergelijkbaar met de wijze waarop in een faillissement boedelkosten in evenredigheid aan de schuldeisers worden toegerekend. Een andere aanpak ‘op maat’ lijkt niet goed uitvoerbaar. Dat bij rekeninghouders met een hoog banktegoed een hoger bedrag in rekening wordt gebracht dan bij rekeninghouders met een laag banktegoed kan worden gerechtvaardigd met de gedachte dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Dit geldt ook voor rekeninghouders met zeer sterke schouders, zoals ET Trust, op wier tegoed circa $ 2,8 miljoen is ingehouden. Het is niet onredelijk de 15%-inhouding niet te limiteren. Zie rov. 3.8. f. De slotsom is daarom dat de kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden voldoet aan de in het tussenvonnis geformuleerde drievoudige redelijkheidstoets. Anders dan Corbiere c.s. heeft aangevoerd, is niet nodig dat FCIB c.s. per kostensoort stelt en bewijst dat de kosten daadwerkelijk door FCIB zijn gemaakt voor de doeleinden. Zie rov. 3.9. g. Het ligt voor de hand de oproepen van FCIB aan de rekeninghouders hun banktegoeden ‘op te halen’ uit te leggen als een opzegging c.q. beëindiging van de bestaande bankrelaties in het kader van de vereffening van haar bankbedrijf als gevolg van de noodregeling. Het hof komt op dit punt niet terug van het tussenvonnis. De rekeninghouders, onder wie Corbiere c.s., moeten geacht worden uit die oproepen redelijkerwijs te hebben kunnen begrijpen dat FCIB vanaf de datum van de eerste oproep geen contractuele rente meer verschuldigd is en dat de rekeninghouders hun banktegoeden dus (met inachtneming van de uitkeringsprocedure) moeten ‘ophalen’ om die elders onder te brengen, indien zij de tegoeden wensen te laten renderen. Anders dan FCIB c.s. aanvoert, is het niet zo dat reeds vanaf de datum waarop de noodregeling is uitgesproken (9 oktober 2006) geen rente meer verschuldigd is. De door het gerecht toegewezen rente is slechts toewijsbaar voor de periode van 1 oktober 2006 (de door het gerecht gehanteerde ingangsdatum) tot 14 december 2006 (de datum van de eerste oproep). In het tussenvonnis is al geoordeeld dat wettelijke rente niet verschuldigd is. Zie rov. 3.10-3.12. h. Gelet op voorgaande oordelen is het niet nodig dat het hof ingaat op het beroep van FCIB c.s. op de klachtplicht en op rechtsverwerking. Zie rov. 3.13. In cassatie 2.22 Bij procesinleiding van 30 augustus 2023 heeft Corbiere c.s. tijdig cassatieberoep ingesteld van het tussenvonnis en het eindvonnis. FCIB c.s. heeft een verweerschrift ingediend en haar standpunt schriftelijk toegelicht. Corbiere c.s. heeft gerepliceerd. 3Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel van Corbiere c.s. bestaat uit een inleiding (onder A, p. 2-8 van de procesinleiding) en klachten (onder B, p. 8-41 van de procesinleiding). 3.2 De (vele) klachten zijn verdeeld over de onderdelen 1-9. Een overzicht van de thematiek daarvan, volgens de in de procesinleiding gekozen titels, is dienstig: 1. “Uitleg art. A2.2.17 en A2.2.19 Algemene Voorwaarden” 2. “Kosten gemaakt en redelijk?” 3. “Beoordeling ‘toerekenbaarheid’ van USD 29.310.766,80 aan Doeleinden onbegrijpelijk” 4. “Redelijke wijze verdeling kosten over non-compliant rekeninghouders” 5. “De gehanteerde stelplicht en bewijslast” 6. “De toetsing van de onredelijke bezwarendheid en aan art. 6:248 lid 2 BW” 7. “Geen aandacht voor ontbreken grondslag en onredelijkheid Maintenance Fee” 8. “Bankrelatie niet beëindigd of opgezegd; FCIB maakte na uitspreken noodregeling omzet en winst” 9. “Beklagprocedure werd geëntameerd door onjuiste inlichtingen FCIB c.s.” De (in noten opgenomen) verwijzingen in de onderdelen neem ik hierna grotendeels niet over. Op die verwijzingen sla ik acht bij de behandeling van de klachten. 3.3 De onderdelen 1-3 vertonen op punten enige overlap, althans de onderdelen 2-3 liggen tot op zekere hoogte in het verlengde van wat in onderdeel 1 naar voren wordt gebracht. Onderdeel 1 (“Uitleg art. A2.2.17 en A2.2.19 Algemene Voorwaarden”) 3.4 Onderdeel 1 bestaat uit de subonderdelen 1.1-1.8, waarvan het eerste een inleiding is zonder klachten. 3.5 De subonderdelen 1.2-1.6 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Naar ik begrijp, richten deze subonderdelen zich per saldo alle tegen rov. 3.6 EV. 3.5.1 Subonderdeel 1.2 bevat kennelijk een overkoepelende klacht. Daarin wordt geklaagd dat ’s hofs oordelen (in rov. 2.22 en 2.24 TV en/althans) in rov. 3.6 EV onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zijn. De overwegingen uit rov. 3.6 EV zijn niet verenigbaar met ’s hofs eerdere overwegingen in rov. 2.22 en 2.24 TV. Dit wordt in het subonderdeel als volgt toegelicht. In rov. 2.22 TV verlangt het hof een onderscheid tussen enerzijds kosten ten behoeve van de doeleinden en anderzijds andere kosten ter afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf. Enkel de kosten voor de doeleinden komen voor vergoeding in aanmerking voor zover redelijk, in redelijkheid gemaakt en op redelijke wijze doorbelast. In rov. 2.24 TV oordeelt het hof dat de onderbouwing door FCIB c.s. dat de kosten in het kader van de doeleinden zijn gemaakt onvoldoende was, waarmee het hof tot uitgangspunt neemt dat die redelijkheidstoetsen enkel moeten worden toegepast op kosten gemaakt voor de doeleinden en niet op andere kosten. In rov. 3.6 EV oordeelt het hof evenwel dat het geen scherp onderscheid verlangt tussen kosten gemaakt voor de doeleinden en andere kosten, en dat het er enkel om gaat dat de wijze waarop FCIB c.s. de totale kosten aan de doeleinden toerekent redelijk moet zijn. Het hof vervormt aldus in meerdere opzichten de aanvankelijke uitleg. 3.5.2 Subonderdeel 1.3 bevat, zo begrijp ik, een uitwerking van subonderdeel 1.2. Ten eerste verlangt het hof in rov. 2.22 en 2.24 TV wel een primair onderscheid tussen (
  10. i)te vergoeden kosten voor de doeleinden en (
  11. ii)niet te vergoeden andere kosten ter afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf. Enkel op categorie (
  12. i)moest de drievoudige redelijkheidstoets toegepast worden. Dit onderscheid verlaat het hof in rov. 3.6 EV met de overweging dat een scherp onderscheid tussen kosten voor de doeleinden en andere kosten niet valt te maken. Die twee benaderingen zijn reeds onverenigbaar met elkaar en daarom onbegrijpelijk. Ten tweede introduceert het hof in rov. 3.6 EV een (nieuwe) toets waarin alleen hoeft te worden bepaald of de wijze waarop de totale kosten (ter afwikkeling van het bankbedrijf) aan de doeleinden kunnen worden toegerekend, redelijk is. Ook dit verhoudt zich niet begrijpelijk tot de eerdere uitleg door het hof, die zich juist niet richt op de totale kosten en bovendien geen toerekeningstoets inhoudt. 3.5.3 Ook subonderdeel 1.4 bevat, zo begrijp ik, een uitwerking van subonderdeel 1.2. Het is onbegrijpelijk dat het hof tot uitgangspunt neemt dat moet worden nagegaan of het redelijk was dat FCIB c.s. bij het doorbelasten is uitgegaan van het bedrag van $ 29.310.766,80. Het gaat er immers om welk deel van die kosten (voor zover gemaakt) heeft gezien op de doeleinden en welk deel op andere kosten ter afwikkeling van het bankbedrijf. 3.5.4 Subonderdeel 1.5 klaagt dat, voor zover het hof met zijn uitlegoordeel in rov. 3.6 EV heeft willen terugkomen van zijn eerdere uitlegoordeel in rov. 2.22 en 2.24 TV, het hof eraan voorbij ziet dat het die eerdere uitlegbeslissing uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft gegeven en dus als bindende eindbeslissing kwalificeert, dat terugkomen van een bindende eindbeslissing slechts mogelijk is indien die beslissing berust op een feitelijke of juridische onjuiste grondslag, alsmede dat de rechter die voornemens is terug te komen van een bindende eindbeslissing partijen de gelegenheid moet geven zich daarover uit te laten. In ieder geval is ’s hofs oordeel in rov. 3.6 EV onvoldoende gemotiveerd, omdat het niet motiveert dat en waarom zijn uitlegoordeel in rov. 2.22 TV zou zijn gebaseerd op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Bovendien heeft het hof partijen niet in de gelegenheid gesteld zich over het terugkomen van die beslissing uit te laten, en hun stellingen daarop aan te passen. 3.5.5 Ten slotte wordt in subonderdeel 1.6 geklaagd dat het hof in ieder geval een verrassingsbeslissing heeft gegeven, omdat partijen in het licht van ’s hofs uitleg in rov. 2.22 en 2.24 TV en het partijdebat niet erop bedacht hoefden te zijn dat beslissend zou zijn of de totale kosten aan de doeleinden kunnen worden toegerekend. Het partijdebat heeft zich vanwege ’s hofs uitleg in rov. 2.22 en 2.24 TV niet op die toerekeningsmaatstaf toegespitst of kunnen toespitsen, terwijl die toerekeningsmaatstaf in (rov. 3.6 van) het eindvonnis beslissende betekenis krijgt. Het partijdebat heeft zich ook niet gericht op die toerekeningsmaatstaf. Integendeel, zoals blijkt uit het “hierna in middelonderdeel 2.3-2.32” weergegeven partijdebat namen partijen juist tot uitgangspunt dat eerst een onderscheid moest worden gemaakt tussen (
  13. i)kosten voor de doeleinden en (
  14. ii)andere kosten ter afwikkeling van het bankbedrijf, en hebben zij ten aanzien van categorie (
  15. i)gedebatteerd over de vraag of die kosten voldoen aan de drievoudige redelijkheidstoets. Partijen hebben geen enkele stelling gewijd aan de vraag of de in totaliteit gemaakte kosten toerekenbaar zouden zijn aan de doeleinden. Behandeling 3.6 De subonderdelen slagen gedeeltelijk, gelet op het volgende. 3.6.1 Ik stel het volgende voorop. In rov. 2.20 TV heeft het hof onder andere overwogen dat FCIB c.s. de inhouding van 15% van het banktegoed heeft gebaseerd op art. A2.2.17 en A2.2.19 van de algemene voorwaarden, dus de kostenbedingen. FCIB c.s., zo overweegt het hof, stelt dat het gaat om de vereffeningskosten die zij daadwerkelijk heeft gemaakt en heeft de aard en omvang van de kosten onderbouwd met overzichten die zij als producties 20-21 in eerste aanleg heeft overgelegd. FCIB c.s. stelt onder verwijzing naar die overzichten dat de totale kosten in de periode van 1 april 2007 tot en met 31 december 2013 gelijk waren aan $ 29.310.766,80 en dat dit 15% is van het totale banksaldo op 31 december 2013, aldus nog steeds het hof. Vermeldenswaard, zo voeg ik toe, is dat FCIB c.s. vooral in eerste aanleg ook heeft gesproken over een aanspraak op vergoeding van “schade”, bestaand uit kosten die de bank heeft moeten maken om de gelden op de bankrekeningen van de non-compliant rekeninghouders te blijven aanhouden. 3.6.2 Het hof is FCIB c.s. gevolgd in het betoog dat de kostenbedingen een grondslag bieden voor de bedoelde inhouding. In rov. 2.22 TV formuleert het hof een maatstaf op basis van uitleg van de kostenbedingen. FCIB was volgens het hof bevoegd: “om redelijke kosten die zij in redelijkheid heeft gemaakt op een redelijke wijze door te belasten aan haar rekeninghouders, althans voor zover het kosten betreft die zijn gemaakt voor het open-/aanhouden van de rekeningen en ter afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden.” Daarbij gaat het hof ervan uit, nog steeds in rov. 2.22 TV: “dat FCIB in het kader van de afwikkeling van haar bankbedrijf mogelijk ook andere kosten heeft gemaakt, zoals kosten ter beëindiging van haar relatie met werknemers, opdrachtnemers, correspondentbanken en kosten in verband met haar eigen strafzaken. Daar zullen de bedingen in de algemene voorwaarden niet voor zijn bedoeld, althans dat hoefden Corbiere c.s. redelijkerwijs niet te begrijpen.” 3.6.3 Kort en goed: bij de “kosten” waarop die bevoegdheid van FCIB ziet, gaat het om (
  16. i)de categorie kosten gemaakt voor de doeleinden, niet (ook) om (
  17. ii)de categorie andere kosten gemaakt voor de afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf. In de sleutel van categorie (
  18. i)staat dan ook het vervolg in rov. 2.24 TV, waar het hof ingaat op de vraag of de opgegeven kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt in het licht van de in rov. 2.22 TV gegeven uitleg aan de kostenbedingen, en onder meer overweegt: “dat uit de door FCIB overgelegde kosten-overzichten niet zonder meer blijkt in hoeverre het daarbij gaat om kosten die zien op het open-/aanhouden van de rekeningen en ter afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden als zojuist bedoeld en voorts dat het op die overzichten aan een onderbouwing van die kosten ontbreekt. FCIB zal ter toelichting en onderbouwing op die punten een akte mogen nemen en Corbiere c.s. zullen daarop bij antwoordakte mogen reageren.” Hetzelfde geldt logischerwijs voor het vervolg in rov. 2.25 TV, waarin het hof ingaat op de vraag naar de redelijkheid van de wijze waarop FCIB de kosten aan haar rekeninghouders heeft doorbelast, en onder meer overweegt: “De vraag naar de redelijkheid van de 15%-inhouding kan echter niet los worden gezien van de kosten die FCIB per saldo mag doorbelasten waarover na aktewisseling zal worden beslist. Het Hof ziet aanleiding om de beslissing over de redelijkheid van de 15%-inhouding en/of er reden is tot matiging, eveneens aan te houden tot na de aktewisseling.” 3.6.4 Ik maak nu een sprongetje naar het eindvonnis. Nadat het hof (
  19. a)in rov. 3.4 EV oordeelt dat FCIB c.s. voldoende heeft onderbouwd dat zij in de periode 2007-2013 daadwerkelijk kosten heeft gemaakt in de orde van grootte van $ 27 miljoen, en (
  20. b)in rov. 3.5 EV oordeelt het redelijk te achten dat FCIB c.s. in die periode deze kosten heeft gemaakt, komt het hof (
  21. c)in rov. 3.6-3.7 EV tot het oordeel het redelijk te achten dat FCIB c.s. bij het doorbelasten aan de non-compliant rekeninghouders is uitgegaan van het in rov. 3.2 genoemde bedrag van $ 29.310.766,80., Onder c gaat het hof ook (en voor het eerst in het eindvonnis) in op het onderscheid tussen enerzijds kosten gemaakt door FCIB c.s. voor de doeleinden en anderzijds andere kosten gemaakt door FCIB c.s. voor de afwikkeling van het bankbedrijf, waarover nader onder 3.6.5-3.6.10 hierna. Bezien tegen deze achtergrond begrijp ik dat ’s hofs oordeel onder b betrekking heeft op twee aspecten. Ten eerste: de grondslag van de (volgens het oordeel onder
  22. a)daadwerkelijk gemaakte kosten (kon FCIB c.s. die kosten in redelijkheid maken voor de afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf?). Ten tweede: de omvang van die kosten (waren die kosten op zichzelf ook in omvang redelijk?). Daarbij is nog niet aan de orde in hoeverre die kosten zijn gemaakt voor de doeleinden. Die laatste kwestie snijdt het hof, zoals gezegd, voor het eerst aan in rov. 3.6(-3.7) EV. Daarna oordeelt het hof (
  23. d)in rov. 3.8 EV dat FCIB c.s. de vergoeding op een redelijke wijze heeft verdeeld over de diverse non-compliant rekeninghouders, door bij al die rekeninghouders een vast percentage van het banktegoed in rekening te brengen (15%) ongeacht de hoogte van hun banktegoed en ongeacht andere bijzonderheden, zoals de mate waarin zij aan de uitkeringsprocedure hadden meegewerkt of de redenen waarom zij dat niet hadden gedaan. Dat wordt gevolgd (
  24. e)in rov. 3.9 EV door de slotsom dat de kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden voldoet aan de in het tussenvonnis geformuleerde drievoudige redelijkheidstoets, alsook dat, anders dan Corbiere c.s. heeft aangevoerd, daarvoor niet nodig is dat FCIB c.s. per kostensoort stelt en bewijst dat de kosten daadwerkelijk door FCIB zijn gemaakt voor de doeleinden. 3.6.5 Deel van het onder 3.6.4 sub c hiervoor bedoelde oordeel van het hof is dus rov. 3.6 EV. Daarin bereikt het hof de (vervolg)vraag of het redelijk was van FCIB c.s. bij het doorbelasten van kosten aan rekeninghouders uit te gaan van het eerder genoemde bedrag van $ 29.310.766,80. “Bij die beoordeling stelt het Hof voorop dat het in het tussenvonnis onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds: kosten die zijn gemaakt voor de volgende doeleinden (hierna: de doeleinden): a. het open-/aanhouden van de rekeningen; en b. de afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden, en anderzijds: andere kosten (hierna: andere kosten), zoals kosten ter beëindiging van de relatie met bankmedewerkers, opdrachtnemers, correspondentbanken en kosten in verband met de eigen strafzaken.” Daarop volgt de gewraakte passage, nog steeds in rov. 3.6 EV: “De overwegingen in het tussenvonnis moeten zo worden begrepen dat het Hof geen scherp onderscheid verlangt tussen kosten die gemaakt zijn voor de doeleinden en andere kosten. Het is immers niet goed mogelijk een dergelijk scherp onderscheid te maken. Om de doeleinden te kunnen verwezenlijken, moet FCIB blijven bestaan en als zij blijft bestaan, moet zij diverse soorten kosten blijven maken of gaan maken, waaronder bijvoorbeeld personeelskosten die anders niet gemaakt hadden behoeven te worden. Van diverse soorten kosten kan men redelijkerwijs van mening verschillen over de vraag of en zo ja, hoe die moeten worden toegerekend aan de doeleinden. Het gaat er bij de beoordeling van de kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden slechts om dat de wijze waarop FCIB c.s. de totale kosten (die zij daadwerkelijk heeft gemaakt) aan de doeleinden toerekent, redelijk moet zijn. Iets anders heeft het Hof niet bedoeld.” 3.6.6 Ik bezie die gewraakte passage nu nader. 3.6.7 Denkbaar, maar niet kenbaar, is dat het hof daarin onder andere heeft willen constateren dat het in de daaraan voorafgaande passage in rov. 3.6 EV genoemde “onderscheid” nog niet meebrengt dat door FCIB c.s. opgegeven afzonderlijke kostenposten (zoals personeelskosten in periode
  25. t)altijd ofwel integraal tot de ene categorie kosten ofwel integraal tot de andere categorie kosten behoren. Het kan immers heel wel zo zijn dat een bepaalde kostenpost (zoals dus personeelskosten in periode
  26. t)slechts ten dele behoort tot de ene categorie kosten, die voor vergoeding aanmerking komt, en ten dele tot de andere categorie kosten, die niet voor vergoeding in aanmerking komt. In zoverre ontbreekt dan dus een ‘scherp onderscheid’: niet tussen de twee kostencategorieën (die het hof wel degelijk scherp heeft onderscheiden in het tussenvonnis), wél tussen de eventuele componenten van afzonderlijke kostenposten. Dit is te verenigen met het tussenvonnis. Zie onder 3.6.2-3.6.3 hiervoor. 3.6.8 Maar ook als dit met welwillendheid in die gewraakte passage in rov. 3.6 EV kan worden gelezen, valt m.i. niet te ontkomen aan de conclusie dat het hof daarin en ook in rov. 3.7 EV, bij de beoordeling van de kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden, een benadering hanteert die wezenlijk verschilt van het in rov. 2.22 en 2.24(-2.25) TV opgezette beoordelingskader als uiteengezet onder 3.6.2-3.6.3 hiervoor. Alles wijst erop - en Corbiere c.s. mocht daarvan gelijk FCIB c.s. uitgaan na het tussenvonnis, zoals zij beiden ook hebben gedaan - dat het hof in rov. 2.22 en 2.24(-2.25) TV nog verlangde dat per afzonderlijke door FCIB c.s. opgegeven kostenpost zou worden beoordeeld of, en zo ja: in hoeverre, die post door FCIB aan de desbetreffende rekeninghouders kan worden doorbelast. Waarbij FCIB tot doorbelasting bevoegd is indien en voor zover het gaat om redelijke kosten die zij in redelijkheid heeft gemaakt “voor het open-/aanhouden van de rekeningen en ter afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden”, en die op redelijke wijze worden doorbelast aan de desbetreffende rekeninghouders. Daarbij draait het dus mede om de aard van de kosten: waarop hebben die betrekking, op de doeleinden of op andere kosten voor de afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf? Dit in het tussenvonnis bij wege van bindende eindbeslissing geformuleerde beoordelingskader behelst toch echt een andere exercitie, en is beduidend minder toeschietelijk voor FCIB c.s., dan genoemde benadering waartoe het hof zich beperkt in rov. 3.6(-3.7) EV. Want daarin redeneert het hof, als sluitstuk van die gewraakte passage, opeens vanuit de holistisch ingestoken toets of “de wijze waarop FCIB c.s. de totale kosten (die zij daadwerkelijk heeft gemaakt) aan de doeleinden toerekent, redelijk” is. Wat het daarmee bedoelt, wordt nader duidelijk uit rov. 3.7 EV. Daarin bespreekt het hof mede FCIB’s projected wind down expenses over 2017-2019 (productie 20) en wind down expenses over 2014-2016 (productie 22). En komt het vervolgens tot bevestigende beantwoording van die in rov. 3.6 EV bereikte (vervolg)vraag, nu het hof, gezien de in rov. 3.7 EV geschetste achtergrond, het redelijk acht via een percentage een deel van de kosten die FCIB c.s. daadwerkelijk maakt (kennelijk dus: voor genoemd bedrag van $ 29.310.766,80) toe te rekenen aan de non-compliant rekeninghouders; en wel omdat deze rekeninghouders die kosten hebben veroorzaakt, oftewel vanwege de handelwijze van deze rekeninghouders. Dit staat derhalve los van (een beoordeling van) de afzonderlijke posten waaruit de door FCIB c.s. opgegeven kosten zijn opgebouwd en de aard van de desbetreffende kosten; daarnaar kijkt het hof verder niet. In wezen bedoelt het hof met die holistisch ingestoken toets dus of het redelijk is dat FCIB c.s. genoemd bedrag van $ 29.310.966,80 aan de non-compliant rekeninghouders heeft toegerekend. Illustratief is ook rov. 3.9, laatste zin EV: “Anders dan Corbiere c.s. hebben aangevoerd, is daarvoor [het voldoen van de kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden aan de in het tussenvonnis geformuleerde drievoudige redelijkheidstoets, A-G] niet nodig dat FCIB c.s. per kostensoort stelt en bewijst dat de kosten daadwerkelijk door FCIB zijn gemaakt voor de doeleinden.” 3.6.9 Rov. 2.24(-2.25) TV laat zien dat naar ’s hofs oordeel uit de door FCIB c.s. overgelegde kostenoverzichten niet zonder meer bleek in hoeverre het daarbij ging om kosten gemaakt voor de doeleinden, oftewel om “kosten die zien op het open-/aanhouden van de rekeningen en ter afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden als zojuist bedoeld.” Ook expliciteerde het hof daarin dat het op die overzichten aan een onderbouwing van die kosten ontbrak. Daarom kreeg FCIB c.s. van het hof de mogelijkheid ter toelichting en onderbouwing op die punten een akte te nemen, waarop Corbiere c.s. bij antwoordakte mocht reageren. Aldus is FCIB c.s. onder meer in de gelegenheid gesteld uit te leggen bij welke kostenposten in de door FCIB c.s. overgelegde kostenoverzichten het (partieel) gaat om kosten die zien op het open-/aanhouden van de rekeningen en ter afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden, alsmede te onderbouwen dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. FCIB c.s. heeft vervolgens op 26 april 2022 een akte na tussenvonnis genomen, waarin zij aankondigde “gedetailleerd” in te gaan op de kosten die FCIB aan de rekeninghouders heeft doorbelast met oog ook voor de aard van de desbetreffende kosten (nr. 2.6), en vervolgens is ingegaan op de verschillende kostenposten (nrs. 2.9-2.23). Corbiere c.s. heeft daarop uitvoerig gereageerd in een antwoordakte na tussenvonnis van 16 augustus 2022. In paragraaf III daarvan is Corbiere c.s. ingegaan op afzonderlijke kostenposten, eveneens met oog voor de aard van de desbetreffende kosten. Zoals het hof in rov. 3.6 EV ook constateert, kan men (dus) “[v]an diverse soorten kosten (…) redelijkerwijs van mening verschillen over de vraag of en zo ja, hoe die moeten worden toegerekend aan de doeleinden.” Dat moet derhalve worden beoordeeld, met inachtneming ook van de aard van de desbetreffende kosten. Alleen zo kan de ‘drievoudige redelijkheidstoets’ als bedoeld in rov. 2.22 en 2.24(-2.25) TV volledig worden toegepast. 3.6.10 In zoverre slagen de subonderdelen 1.1-1.4: daarmee wordt rov. 3.6 EV succesvol bestreden, waardoor ook rov. 3.7 EV - dat voortbouwt op althans onverbrekelijk samenhangt met rov. 3.6 EV - onderuit gaat. Het hof meent in rov. 3.6(-3.7) EV dat het niet meer behoefde toe te komen aan het partijdebat - derhalve ook aan de stellingen van Corbiere c.s. - over die (mate van) ‘doorbelastbaarheid’ van afzonderlijke kostenposten, met inachtneming ook van de aard van de desbetreffende kosten, omdat het hof in het tussenvonnis niet iets anders zou hebben bedoeld dan het ervan maakt in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.5 en 3.6.8 hiervoor. Dit presenteert het hof als een uitleg van rov. 2.22 en 2.24(-2.25) TV, in het bijzonder de daarin vervatte bindende eindbeslissing. Die uitleg is gezien 3.6.1-3.6.9 hiervoor echter onbegrijpelijk, want niet te rijmen met wat het hof in rov. 2.22 en 2.24(-2.25) TV heeft overwogen en geoordeeld. Ik lees in het bestreden oordeel dus niet dat het hof daarmee beoogt terug te komen van die eindbeslissing. Blijkens rov. 3.6, laatste zin EV gooit het hof het in rov. 3.6(-3.7) EV juist over de boeg van wat het ter zake al zou hebben bedoeld in het tussenvonnis en bouwt het dáárop voort in het eindvonnis: een continuüm dus, geen breuklijn, in ’s hofs ogen. Daarop wijst ook dat het hof partijen niet de gelegenheid heeft gegeven zich uit te laten over een voornemen van het hof die eindbeslissing te heroverwegen, omdat die eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Daarom faalt subonderdeel 1.5, bij gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. Tot slot subonderdeel 1.6: dit treft doel. Gezien 3.6.1-3.6.9 hiervoor geeft het hof met die (onbegrijpelijke) uitleg in het bestreden oordeel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, nu Corbiere c.s. - gelijk FCIB c.s. - daarmee na het tussenvonnis gelet ook op het verloop van het partijdebat in redelijkheid geen rekening diende te houden en, zoals gezegd, ook geen rekening heeft gehouden. Dit behoeft geen verdere toelichting. 3.7 Daarmee kom ik toe aan de resterende subonderdelen van onderdeel 1. 3.8 Subonderdeel 1.7 houdt in dat ’s hofs oordeel onjuist althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof zijn oordeel in rov. 2.23 TV dat de kostenbedingen niet kennelijk onredelijk bezwarend respectievelijk in strijd met art. 6:248 lid 2 BW zijn juist baseerde op de uitleg dat die bedingen enkel zien op (redelijke en redelijkerwijs gemaakte) kosten die zijn gemaakt voor het open-/aanhouden van de rekeningen en ter afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden, en niet op andere kosten. Omdat het hof in rov. 3.6 EV tot een andere, bredere, uitleg komt, valt niet in te zien waarom het hof die bedingen desondanks (nog steeds) niet kennelijk onredelijk bezwarend of strijdig met art. 6:248 lid 2 BW acht. Het hof had bij die stand van zaken dus ten minste opnieuw moeten toetsen of de aldus uitlegde kostenbedingen de toets van de kennelijke onredelijkheid respectievelijk art. 6:248 lid 2 BW kunnen doorstaan. Behandeling 3.9 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.9.1 Het subonderdeel draait om de vraag of het hof, gegeven diens uitleg van de kostenbedingen in rov. 3.6 EV (over de band van uitleg van het tussenvonnis) die anders, want breder is dan diens uitleg van die bedingen in het tussenvonnis, in het eindvonnis (kenbaar) opnieuw had moeten bezien of die aldus in het eindvonnis uitgelegde bedingen de toets van kennelijke onredelijkheid respectievelijk art. 6:248 lid 2 BW kunnen doorstaan. Ik meen dat Corbiere c.s. (voldoende) belang mist bij het subonderdeel, nu genoemde uitleg door het hof van de kostenbedingen in rov. 3.6 EV (over de band van uitleg van het tussenvonnis), welke uitleg dus vertrekpunt vormt in het subonderdeel, door haar al met succes is bestreden in cassatie. Zie onder 3.6-3.6.10 hiervoor. Daarmee komt reeds de bodem aan het subonderdeel te ontvallen. Het behoeft daarom geen verdere bespreking. 3.10 Ten slotte subonderdeel 1.8. Dit klaagt dat, voor zover het hof in rov. 2.22 TV met zijn oordeel dat de kostenbedingen zien “op de vereffeningskosten van de daarop aangehouden tegoeden” zou hebben geoordeeld dat alle vereffeningskosten op grond daarvan in rekening mogen worden gebracht bij haar rekeninghouders, dit oordeel onbegrijpelijk/onvoldoende gemotiveerd is. En wel omdat (
  27. a)dit oordeel zich niet op begrijpelijke wijze verhoudt met het daaropvolgende oordeel van het hof dat “andere kosten” die te maken hebben met de afwikkeling van het bankbedrijf niet onder die bedingen vallen, en zich evenmin op begrijpelijke wijze verhoudt met de voorbeelden die het hof zelf geeft van deze “andere kosten”, waaruit juist volgt dat niet alle vereffeningskosten onder die bedingen vallen. En verder omdat (
  28. b)Corbiere c.s. heeft gesteld dat zij de kostenbedingen redelijkerwijs niet zo hoefde te begrijpen dat daaronder ook de kosten zouden vallen voor de afwikkeling van het bankbedrijf van FCIB, aan welke alsdan essentiële stelling het hof dan niet voorbij had mogen gaan. Behandeling 3.11 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.11.1 De passage “op de vereffeningskosten van de daarop aangehouden tegoeden” komt in rov. 2.22 TV niet voor. Het hof vermeldt in rov. 2.22 TV alleen iets over “kosten (…) ter afwikkeling en vereffening van de daarop [de rekeningen, A-G] aangehouden tegoeden”. Corbiere c.s. tilt nu “vereffeningskosten” uit een niet aldus in rov. 2.22 TV voorkomende passage en klaagt over een niet in het tussenvonnis voorkomend oordeel van het hof waarin “alle vereffeningskosten” op grond van de kostenbedingen in rekening mogen worden gebracht bij de rekeninghouders. Daarmee strandt het subonderdeel reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenvonnis. 3.12 Daarmee is onderdeel 1 behandeld. Onderdeel 2 (“Kosten gemaakt en redelijk?”) 3.13 Onderdeel 2 bestaat uit de subonderdelen 2.1-2.33, waarvan het eerste een inleiding is zonder klachten. 3.14 De subonderdelen 2.2-2.33 richten zich tegen rov. (3.1-3.3
  29. en)3.4-3.5 EV. 3.15 Subonderdeel 2.2 wordt voorafgegaan door het kopje “Algemene klacht” en houdt in dat verschillende overwegingen en oordelen van het hof in rov. 3.1-3.5 EV onjuist althans onvoldoende gemotiveerd zijn. Daartoe wordt het volgende aangevoerd: a. Het hof miskent dat een partij die zich ter onderbouwing van een vordering beroept op producties in de processtukken zelf duidelijk moet maken op welke feiten uit die producties een beroep wordt gedaan. Dit is klacht a. b. In ieder geval is ’s hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat zonder nadere motivering - die ontbreekt - niet valt in te zien waarom het hof de verwijzing door FCIB c.s. naar “loonverzamelstaten, grootboekrekeningen, declaraties en facturen” voldoende acht voor het oordeel dat FCIB c.s. haar stelling dat zij in de periode van 2007 tot en met 2013 daadwerkelijk alle opgegeven kosten heeft gemaakt in de orde van grootte van $ 27 miljoen voldoende heeft onderbouwd, en dat de betwisting daarvan door Corbiere c.s. onvoldoende is onderbouwd. Dit is klacht b. c. Voorts/Evenmin valt in te zien waarom de in rov. 3.4 EV genoemde vier gezichtspunten in dit verband relevant zijn, althans waarom die ’s hofs oordeel kunnen dragen. Dat er kosten zijn gemaakt voor complianceonderzoeken, dat dit doorgaans veel en gespecialiseerd werk vereist, dat er veel geprocedeerd is tussen FCIB c.s. en een veelheid aan partijen, en dat diverse soorten operationele kosten doorliepen, kan immers niet tot de conclusie leiden dat FCIB c.s. voldoende heeft onderbouwd dat het alle gestelde kosten tot een bedrag van afgerond $ 27 miljoen daadwerkelijk heeft gemaakt. Dit is klacht c. Aan het slot merkt het subonderdeel nog op: “Dat het hof met voornoemde overwegingen geen recht heeft gedaan aan het partijdebat werkt Corbiere c.s. hierna per door partijen onderscheiden kostenpost nader uit.” Behandeling 3.16 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.17 Te beginnen met klacht a. 3.17.1 Die strandt op het volgende. 3.17.2 Uit wat Corbiere c.s. hier aanvoert, blijkt niet dat het hof in het bestreden oordeel miskent dat een partij die zich ter onderbouwing van een vordering beroept op producties in de processtukken zelf duidelijk moet maken op welke feiten uit die producties een beroep wordt gedaan. In rov. 3.3 EV vat het hof samen wat FCIB c.s. bij akte na tussenvonnis naar voren heeft gebracht, waaronder (volgens het hof) de onderbouwing van de aangepaste opstelling met loonverzamelstaten, grootboekrekeningen, declaraties en facturen. FCIB c.s. heeft in de akte na tussenvonnis (van 27 pagina’
  30. s)wel een en ander uiteengezet met betrekking tot wat zij daaraan ontleent. Het is mogelijk dat daaraan iets schort, maar Corbiere c.s. maakt hier, bezien tegen de achtergrond van wat FCIB c.s. naar voren heeft gebracht, in ieder geval niet afdoende duidelijk waaruit de door haar bedoelde miskenning door het hof in het eindvonnis blijkt. Dit wordt nog niet anders door de enkele verwijzing in de klacht naar een vindplaats in de antwoordakte na tussenvonnis zijdens Corbiere c.s., waarin zij bovendien met geen woord is ingegaan op de akte na tussenvonnis zijdens FCIB c.s. 3.17.3 Voor zover Corbiere c.s. bedoelt dat de rechter behoudens een expliciete en specifieke vermelding in een processtuk van een aan een productie ontleend feit nóóit acht mag slaan op de (overige) inhoud van de desbetreffende productie en die (overige) inhoud nóóit aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen, slaagt dit niet. Zo strikt is het nou ook weer niet. Volgens art. 128 lid 1, eerste zin Rv kan de rechter immers mede feiten aan zijn beslissing ten grondslag leggen “die in het geding te zijner kennis zijn gekomen”, náást feiten die zijn “gesteld”. Dit vindt zijn grens in het vereiste van hoor en wederhoor. Over een schending dáárvan wordt hier door Corbiere c.s. niet geklaagd. 3.18 Dan klacht b. 3.18.1 Die strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. De eerste zin van rov. 3.4 EV luidt: “Hiermee hebben FCIB c.s. hun stelling dat zij in de periode van 2007 tot en met 2013 daadwerkelijk kosten hebben gemaakt in de orde van grootte van USD 27 miljoen, voldoende onderbouwd.” Met “Hiermee”, etc. verwijst het hof naar rov. 3.2-3.3 EV. Bij zijn oordeel dat FCIB c.s. die stelling voldoende heeft onderbouwd, dat Corbiere c.s. de betwisting van die stelling daar tegenover onvoldoende heeft onderbouwd en dat het hof die stelling dan ook als tussen partijen vaststaand aanneemt, slaat het hof - nog steeds in rov. 3.4 EV - ook acht op hetgeen het nog uiteenzet aan het slot, bij de vier gedachtestreepjes (“Bij dit oordeel slaat het Hof ook acht op het volgende:”, etc.). Kortom: anders dan de klacht veronderstelt, is het niet zo dat het hof “de verwijzing door FCIB c.s. naar ‘loonverzamelstaten, grootboekrekeningen, declaraties en facturen’” reeds “voldoende acht” voor het oordeel dat FCIB c.s. die stelling voldoende heeft onderbouwd en dat Corbiere c.s. de betwisting van die stelling onvoldoende heeft onderbouwd. 3.19 Tot slot klacht c. 3.19.1 Die strandt voor zover daarin wordt aangevoerd dat niet valt in te zien waarom de in rov. 3.4 EV opgesomde vier gezichtspunten relevant zijn. Onmiskenbaar substantieert het hof daarmee dat het in de rede ligt dat FCIB c.s. daadwerkelijk aanzienlijke kosten heeft gemaakt in verband met de afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf, waaraan niet afdoet dat die gezichtspunten op zichzelf nog niets zeggen over het precieze bedrag van die kosten. Die gezichtspunten kunnen aldus begrijpelijkerwijs bijdragen aan het oordeel in rov. 3.4 EV dat FCIB c.s. haar stelling dat zij in de periode 2007-2013 daadwerkelijk kosten heeft gemaakt in de orde van grootte van $ 27 miljoen voldoende heeft “onderbouwd”, en dat de betwisting van die stelling door Corbiere c.s. onvoldoende is “onderbouwd”. 3.19.2 De klacht strandt bovendien op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis, voor zover in de klacht wordt aangevoerd dat niet valt in te zien waarom die gezichtspunten het bestreden oordeel “kunnen dragen”. Het hof overweegt immers niet dat die gezichtspunten zijn oordeel dragen. Aan die gezichtspunten gaat vooraf: “Bij dit oordeel slaat het Hof ook acht op het volgende:”, etc. Dit wijst onmiskenbaar erop dat het hof die gezichtspunten als bijkomende argumenten beschouwt, dus in aanvulling op wat het uiteenzet in rov. 3.2-3.4, eerste drie zinnen EV. Zie ook onder 3.18.1 hiervoor. 3.20 De slotopmerking in het subonderdeel, geciteerd onder 3.15 hiervoor, behoeft hier geen separate behandeling; aan de daar beloofde uitwerking kom ik nu toe. 3.21 De subonderdelen 2.3-2.33 zijn toegespitst op afzonderlijke kostenposten. Ik bespreek ze achtereenvolgens, ten dele gezamenlijk. 3.22 Subonderdeel 2.3 wordt voorafgegaan door het kopje “Kosten groeps- en zustervennootschappen”. Geklaagd wordt onder (i)-(iii) over ’s hofs overwegingen in rov. 3.4-3.5 EV met betrekking tot door FCIB c.s. opgegeven kosten van FCIB’s groeps- en zustervennootschappen. Dit komt neer op het volgende. (
  31. i)Het hof onderzoekt in het geheel niet welke diensten precies bij de groeps- of zustervennootschappen zijn afgenomen, terwijl: (
  32. a)FCIB c.s. ten aanzien van de kosten van Transworld Oil Computer Centrum B.V. (hierna: TWOCC) ad $ 1.916.806 niet meer heeft gesteld dan dat het ging om “diverse diensten”, “manuren” van het personeel ten behoeve van FCIB en “onkosten” die verband houden met het leveren van diensten aan FCIB; (
  33. b)FCIB c.s. in dit verband nog heeft gesteld dat tussen FCIB en TWOCC een service level agreement bestond op grond waarvan TWOCC IT-ondersteuning verleende; (
  34. c)FCIB c.s. de kosten van T.W. Securities B.V. (hierna: T.W. Securities) ad $ 5.796.633,75 niet met meer heeft onderbouwd dan de stelling dat het “werkzaamheden” betrof van [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]) via T.W. Securities voor Transworld-groep; en (
  35. d)Transworld Oil Limited (hierna: TWO) “een aantal onkosten die voor FCIB zijn gemaakt (reis- en accomodatiekosten van proxy holders en adviseurs)” ad $ 21.444,71 heeft voorgeschoten. Uit die stellingen laat zich niet op begrijpelijke wijze afleiden dat die kostenposten allemaal zijn gemaakt voor de doeleinden en redelijk zijn, omdat zich niet op begrijpelijke wijze eruit laat afleiden waarvoor die kosten precies zijn gemaakt. (
  36. ii)Corbiere c.s. heeft bovendien uitvoerig betwist dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt respectievelijk redelijk zijn, althans gemaakt zijn in het kader van de doeleinden, kort gezegd omdat: (
  37. a)FCIB c.s. amper tot geen antwoord geeft op de vraag waarom een bedrag van bijna $ 7,8 miljoen is betaald aan de zustervennootschappen; (
  38. b)FCIB c.s. niet verduidelijkt welke mensen tewerkgesteld zouden zijn bij FCIB en wat hun back office-werkzaamheden zouden behelzen; (
  39. c)de stelling dat de werkzaamheden met instemming van CBCS zouden zijn voortgezet niet blijkt uit de daartoe overgelegde productie 62a van FCIB c.s.; (
  40. d)de kosten van T.W. Securities enkel zijn onderbouwd met een specificatie die erop neerkomt dat voor werkelijk iedere werkdag in de periode 2007-2013 geldt dat [betrokkene 4] acht uur voor FCIB zou hebben gewerkt, zonder op enige wijze te specificeren waaruit dat werk bestond; en (
  41. e)de door TWO voorgeschoten onkosten blijkens de overgelegde facturen bestaan uit talloze hotelovernachtingen in luxe hotels in Bermuda en volstrekt onduidelijk is op grond waarvan deze kosten voor rekening van FCIB zijn gebracht. In het licht van deze gemotiveerde betwisting valt niet in te zien waarom het hof desondanks meent dat FCIB c.s. voldoende heeft onderbouwd dat de gestelde kosten van de groeps- en zustervennootschappen daadwerkelijk zijn gemaakt (voor de doeleinden) en dat Corbiere c.s. haar betwisting onvoldoende heeft onderbouwd. In ieder geval heeft het hof in het licht van dit partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast. (iii) Corbiere c.s. heeft ter betwisting van de redelijkheid van de kosten alsmede dat de kosten betrekking hebben op de doeleinden verder erop gewezen: dat het alle schijn ervan heeft dat de oprichter van FCIB - [betrokkene 5] - FCIB heeft gebruikt om zijn naasten via deze betalingen te verrijken, nu hijzelf ook eigenaar is van “Transworld Group”; dat zijn zus [betrokkene 6] jarenlang directeur was van TWOCC; dat de naam [betrokkene 7] - waarschijnlijk [betrokkene 5] ’ broer - opvallend vaak voorkomt in de overgelegde facturen van TWOCC, terwijl bij het onderwerp “description” van zijn werkzaamheden (100 uur per maand, voor ieder jaar honderdduizenden dollars) niets is ingevuld en de facturen zien op talloze vluchten van en naar Curaçao voor [betrokkene 7] en zijn compagnons; dat de facturen van T.W. Securities allemaal zijn ondertekend door [betrokkene 6] ; dat de bedrijven allemaal via het familieconcern verweven zijn; dat de rechtbank Arnhem [betrokkene 5] en [betrokkene 6] alsmede FCIB heeft veroordeeld vanwege het onder meer illegaal runnen van een bankbedrijf en niet-melden van ongebruikelijke transacties; en dat de [familie] namens TWOCC eind 2012 nog facturen stuurde voor diensten die in 2007 zouden zijn verricht. Het hof gaat hierop in het geheel niet in, terwijl niet zonder nadere motivering valt in te zien waarom deze stellingen geen voldoende betwisting vormen van het betoog dat de kosten zijn gemaakt respectievelijk waarom de kosten toch redelijk zijn of ten behoeve van de doeleinden zijn gemaakt. In ieder geval heeft het hof in het licht van dit partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast. In ieder geval vormt de overweging dat er bij de personen die daarbij betrokken waren “vraagtekens” geplaatst kunnen worden geen voldoende respons, omdat blijkens voornoemde stellingen eenvoudigweg onder de ‘kosten’-noemer activiteiten van nauwe familieleden van [betrokkene 5] werden gefinancierd respectievelijk zij zonder enige tegenprestatie werden verrijkt. Daarom valt ook niet in te zien waarop het hof baseert dat die diensten wel zijn verricht. Behandeling 3.23 Het subonderdeel slaagt gedeeltelijk, gelet op het volgende. 3.23.1 Vooropgesteld: de vraag in hoeverre de (onderhavige) kosten specifiek verband houden met de doeleinden is in rov. 3.4-3.5 EV nog niet aan de orde. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Voor zover het subonderdeel iets anders tot uitgangspunt neemt, strandt het op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. Ik stel verder voorop dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV terecht ervan lijkt uit te gaan dat de beoordeling van de stellingen van FCIB c.s. en de beoordeling van de betwisting daarvan door Corbiere c.s. in essentie één beoordeling betreft, nu het gaat om communicerende vaten. Ook het subonderdeel lijkt daarvan uit te gaan. Dit rechtvaardigt een gezamenlijke bespreking van de in het subonderdeel onder (i)-(iii) weergegeven argumenten/klachten. 3.23.2 Ik onderscheid ten behoeve van het overzicht de verschillende groeps- en zustervennootschappen. - Te beginnen met TWOCC (opgegeven kosten: $ 1.916.806). Over de desbetreffende kosten heeft FCIB c.s. in nrs. 2.18.9.2-2.18.9.3 van de akte na tussenvonnis onder verwijzing naar producties 62d-62e gesteld dat tussen FCIB en TWOCC sinds 2002 een service level agreement bestaat op grond waarvan TWOCC IT-ondersteuning verleent aan FCIB. Vermeld wordt dat “twee typen diensten” werden geleverd en in rekening werden gebracht, te weten “manuren” en “onkosten”. Dit is rijkelijk vaag, terwijl het tegelijkertijd gaat om een aanzienlijke kostenpost. Producties 62d-62e bieden op het eerste gezicht, zonder toelichting, geen nader inzicht. Productie 62d bevat enerzijds een lijst van facturen en factuurbedragen (optellend tot slechts circa $ 1,7 miljoen), zonder specificatie van de aard van de kosten, en anderzijds een “Service Agreement”, waaruit weliswaar een en ander volgt met betrekking tot de aard van de overeengekomen diensten, maar aan de hand waarvan de gemaakte kosten niet kunnen worden gecontroleerd. Productie 62e bevat vervolgens facturen en bijlagen daarbij. Daaruit blijkt onder andere het aantal in rekening gebrachte uren en/of van gemaakte reiskosten, maar kan niet zonder meer worden opgemaakt of de kosten reëel zijn gemaakt ten behoeve van FCIB. - Dan T.W. Securities (opgegeven kosten: $ 5.796.633,75). Dit betreft een nog hogere post: grofweg een vijfde van het oorspronkelijk door FCIB c.s. berekende bedrag van circa $ 29 miljoen, waarvan FCIB c.s. volgens rov. 3.7, voor-voorlaatste zin EV mocht uitgaan. Over de desbetreffende kosten heeft FCIB c.s. in nrs. 2.18.9.4-2.18.9.5 van de akte na tussenvonnis onder verwijzing naar producties 62b-62c in essentie gesteld dat [betrokkene 4] na het uitspreken van de noodregeling als proxy holder werkzaamheden heeft verricht (naar ik begrijp via T.W. Securities). Producties 62b-62c bieden geen nader inzicht althans roepen vragen op. Productie 62b bevat alleen een kort staatje met facturen, optellend tot $ 5,796.633,75. Productie 62c bevat vervolgens facturen en (voor de periode vanaf 2007) bijlagen daarbij. Volgens die bijlagen heeft [betrokkene 4] álle werkdagen in de periode 2007-2013 acht uur voor FCIB gewerkt. De aannemelijkheid van deze (bijkans bovenmenselijke) mate van toewijding oogt tamelijk kwestieus. - Ten slotte TWO (opgegeven kosten: $ 21.444,71). Wat in nr. 2.18.9.5, tweede alinea van de akte na tussenvonnis te lezen valt, is op zichzelf niet onduidelijk. Blijkens de met productie 62g overgelegde facturen bestaan de door TWO voorgeschoten onkosten van FCIB c.s. evenwel uit talloze hotelovernachtingen in (luxe) hotels in Bermuda. Het blijft duister op grond waarvan deze kosten voor rekening van FCIB zouden zijn gebracht. Ook dit roept vragen op. 3.23.3 Gezien 3.23.2 hiervoor, en bezien tegen de achtergrond van de in het subonderdeel onder (ii)-(iii) bedoelde stellingen, klaagt Corbiere c.s. hier m.i. terecht dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans een ontoereikende motivering. En wel door te hoge eisen te stellen aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast althans doordat zonder nadere motivering, die ontbreekt, in rov. 3.4-3.5 EV (en elders in het eindvonnis) onduidelijk blijft waarom uit het partijdebat kan worden opgemaakt dat de door FCIB c.s. opgegeven kosten van FCIB’s groeps- en zustervennootschappen alle daadwerkelijk zijn gemaakt én redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt, niettegenstaande die stellingen van Corbiere c.s. (waarop FCIB c.s. vervolgens niet meer gericht heeft gereageerd). Kort gezegd: het gaat om grote bedragen, algemeen en niet zelden vaag geformuleerde stellingen van FCIB c.s. en door haar overgelegde producties die niet zelden vragen oproepen, met daar tegenover concrete en uitgewerkte stellingen van Corbiere c.s. met reële en sprekende punten die, ook waar het de redelijkheid van de desbetreffende kosten betreft, kenbare en adequate aandacht van het hof verlangden, maar in het eindvonnis niet (voldoende) hebben gekregen. Zie onder 2.21 sub a-b hiervoor. Kennelijk ziet het hof, aan het slot van rov. 3.5 EV, “vraagtekens” die verband houden met “integriteit” van personen die bij de groeps- en zustervennootschappen betrokken waren, al is onduidelijk (
  42. i)wat het hof daarmee nu precies bedoelt en (
  43. ii)waarom het hof daar dan precies overheen stapt (dit “voor lief” neemt). Deze overweging - ook al gaat het om een redelijkheidsoordeel - wijst dus juist op vraagtekens en levert geen dekkende motivering op, want zij is te dun om wezenlijk te raken aan de stellingen van Corbiere c.s. Dit een en ander onderstreept tevens dat het enkele feit dat FCIB niet is “vastgelopen”, anders dan het hof overweegt in rov. 3.5, laatste zin EV, nog niet betekent dat ‘dus’ aangenomen moet worden dat “de diensten” (ik begrijp: al hetgeen waarvoor FCIB c.s. ter zake kosten heeft opgegeven) “wel zijn verricht” door die groeps- en zustervennootschappen. 3.24 Subonderdeel 2.4 klaagt dat het hof (in rov. 3.5 EV) voorts eraan voorbijziet dat niet als algemene ervaringsregel in de zin van art. 149 lid 2 Rv of art. 128 lid 2 Rv geldt dat het duurder kan zijn om onder een service level agreement vallende diensten met betrekking tot geautomatiseerde banksystemen te gaan afnemen van een nieuwe dienstverlener. Dit betreft immers geen notoir feit dat ieder normaal ontwikkeld mens kent of uit voor ieder toegankelijke bronnen kan kennen. Integendeel, het betreft een feit dat enkel in gespecialiseerde kringen bekend zou kunnen zijn. Bovendien kan niet als algemeen feit worden aangenomen dat dergelijke diensten duurder kunnen zijn. Dit zal mede afhangen van de omvang en aard van de dienstverlening in kwestie, alsmede de tariefstelling van de nieuwe dienstverlener. Behandeling 3.25 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.25.1 Voor zover het subonderdeel redeneert vanuit een feit van algemene bekendheid, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. Daarin heeft het hof - zie rov. 3.5, aanhef en vierde gedachtestreepje EV - het oog op de verwante, maar te onderscheiden figuur van de algemene ervaringsregel (“Naar algemene ervaringsregels”, etc.). 3.25.2 Voor zover het subonderdeel wel redeneert vanuit laatstgenoemde figuur, strandt het eveneens. In het bestreden oordeel, dat draait om diensten met gebruik van geautomatiseerde banksystemen en wisseling van dienstverlener, doelt het hof slechts op de mogelijkheid van hogere kosten voor zulke diensten bij zo’n wisseling. Zie onder 2.21 sub b hiervoor. M.i. geeft deze - weinig spectaculaire - overweging geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over algemene ervaringsregels en behoefde zij evenmin nadere motivering. Daaraan doet niet af wat het subonderdeel ter zake aanvoert, zo het daarbij het bestreden oordeel al juist leest en aldus feitelijke grondslag heeft. 3.26 Subonderdeel 2.5 klaagt, tot slot, dat in ieder geval niet valt in te zien hoe het gegeven (zie rov. 3.5 EV) dat afname van dergelijke dienstverlening bij een nieuwe dienstverlener duurder kan zijn eraan kan bijdragen dat de door FCIB c.s. opgegeven kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en de diensten daadwerkelijk bij de groeps- en zustervennootschappen werden afgenomen. Dat die afname duurder kan zijn, betekent immers nog niet dat die afname ook in dit geval duurder was. Bovendien valt ook dan nog niet in te zien waarom dit kan bijdragen aan de conclusie dat de diensten daadwerkelijk van de groeps- en zustervennootschappen zijn afgenomen. Dit geldt te meer in het licht van subonderdeel 2.3 onder (i)-(iii). Behandeling 3.27 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.27.1 Het subonderdeel strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. In rov. 3.5 EV - daarin staat het bestreden oordeel - beantwoordt het hof niet de vraag of de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, maar of de kosten redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. Dit is iets anders. Zie onder 3.6.4 hiervoor. 3.28 Subonderdeel 2.6 wordt voorafgegaan door het kopje “Personeelskosten”. Geklaagd wordt over rov. 3.4-3.5 EV en met betrekking tot door FCIB c.s. opgegeven personeelskosten van afgerond $ 5,8 miljoen. De subonderdelen 2.7-2.9 bevatten hiervan een uitwerking. Dit betekent dat het onderhavige subonderdeel geen verdere bespreking behoeft. 3.29 De subonderdelen 2.7-2.8 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 3.29.1 Subonderdeel 2.7 klaagt als volgt. a. Allereerst motiveert het hof in rov. 3.5 EV zijn redelijkheidsoordeel enkel met de overweging dat de personeelskosten in 2013 hoog waren, omdat er toen veel personeel afvloeide. Die overweging is onbegrijpelijk, omdat het hof in rov. 2.22 TV heeft geoordeeld dat afvloeiingskosten van de werknemers juist niet doorbelast mochten worden aan de rekeninghouders. Dit is klacht a. b. Ook overigens kan deze overweging niet op begrijpelijke wijze het oordeel dragen dat de door FCIB c.s. opgegeven personeelskosten redelijk waren, nu: (
  44. i)het hof niets vaststelt over de inhoud van de door het personeel verrichte werkzaamheden; (
  45. ii)de door FCIB c.s. opgegeven personeelskosten zien op de periode 2006-2013, terwijl het hof enkel een overweging wijdt aan de personeelskosten in 2013; en (iii) niet valt in te zien waarom de personeelskosten hoog zouden zijn als gevolg van het afvloeien van personeel, omdat afvloeiing juist leidt tot lagere personeelskosten en FCIB c.s. zelf later heeft gesteld dat de kosten voor het afvloeien van personeel in de bewuste periode juist niet zijn gemaakt. Dit is klacht b. 3.29.2 Volgens subonderdeel 2.8 is ’s hofs oordeel dat de personeelskosten zijn gemaakt en in redelijkheid zijn gemaakt bovendien onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat FCIB c.s. daaromtrent enkel heeft gesteld dat die kosten zijn samengesteld uit “salarissen, ziektekostenverzekeringen, pensioenen en eventuele andere secundaire voorwaarden van het personeel van FCIB”, terwijl Corbiere c.s. ter betwisting daarvan - alsmede ter betwisting dat de kosten in het kader van de doeleinden zijn gemaakt - op het volgende heeft gewezen. (
  46. i)FCIB c.s. heeft niet onderbouwd wat de werknemers precies deden, of zij zich bezighielden met het aanhouden van de rekeningen en/of de afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden. (
  47. ii)De door FCIB c.s. als producties 54b-54d overgelegde grootboekrekeningen bevatten beschrijvingen die zonder nadere toelichting niet zijn te begrijpen en door FCIB c.s. niet nader zijn toegelicht, zodat niet valt te toetsen of die kosten zijn gemaakt en of zij redelijk zijn. (iii) De wél controleerbare posten zien op kosten voor kerstdiners, nieuwjaarsborrels en cafébezoek of kosten van zustervennootschappen. (
  48. iv)De werknemers hebben zich in de periode (april) 2007-2013 vooral ook beziggehouden met de andere rekeninghouders. In het licht van dit partijdebat valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom het hof (in rov. 3.4-3.5 EV) tot het oordeel komt dat FCIB c.s. voldoende heeft onderbouwd, en Corbiere c.s. onvoldoende onderbouwd heeft betwist, dat de personeelskosten allemaal zijn gemaakt en redelijk waren, nu de niet toegelichte stelling van FCIB c.s. dat die kosten zijn gemaakt en redelijk waren uitvoerig door Corbiere c.s. in de voornoemde zin gemotiveerd is betwist. In ieder geval heeft het hof in het licht van dit partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast. Behandeling 3.30 De subonderdelen falen, gelet op het volgende. 3.30.1 Vooropgesteld: de vraag in hoeverre de (onderhavige) kosten specifiek verband houden met de doeleinden is in rov. 3.4-3.5 EV nog niet aan de orde. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Voor zover subonderdeel 2.8 - zie in het bijzonder onder (
  49. i)- iets anders tot uitgangspunt neemt, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. 3.30.2 In lijn daarmee strandt ook klacht a. In rov. 2.22 TV geeft het hof voorbeelden van “andere kosten”, die FCIB niet mag doorbelasten aan rekeninghouders. Zie onder 3.6.2 hiervoor. Waar het hof in rov. 3.5 EV overweegt dat “[p]ersoneelskosten [hoog] waren in 2013, omdat er toen veel personeel afvloeide”, is dit onderdeel van iets anders: de vraag of de totale kosten (voor de afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf), zoals door FCIB c.s. opgegeven, redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. De tegenstrijdigheid tussen rov. 2.22 TV en rov. 3.5 EV die de klacht veronderstelt, is er bijgevolg niet. 3.30.3 Dan de rest, dus klacht b en subonderdeel 2.8 voor het overige. Deze lopen ook vast. 3.30.4 De grootboekrekeningen die FCIB c.s. als producties 54b-54d (bij haar akte na tussenvonnis) ter zake van de personeelskosten heeft overgelegd, zijn gedetailleerd. Deze producties onderkent het hof in rov. 3.4 EV. Daarop bouwt het voort in rov. 3.5 EV. Op welke relevante punten zij zonder nadere toelichting niet te begrijpen zijn (zodat niet valt te toetsen of die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en of zij redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt), heeft Corbiere c.s. niet concreet duidelijk gemaakt op de vindplaatsen waarnaar zij hier verwijst. 3.30.5 In rov. 3.4, aanhef en laatste gedachtestreepje EV stelt het hof onder meer vast dat gedurende de afwikkeling van de noodregeling diverse soorten operationele kosten doorliepen, zoals die kosten van personeel, kantoorruimte en IT (terwijl daar geen inkomsten meer tegenover stonden). Dit werkt naar de aard door in rov. 3.5 EV. En wordt door de subonderdelen niet bestreden. 3.30.6 Daarbij zij bedacht dat de noodregeling in 2006 is uitgesproken. Vanaf welk moment FCIB het bankbedrijf niet meer uitoefent en doende is met de afwikkeling van het bankbedrijf. Aldus reeds het hof in rov. 2.2.7 TV. Het ligt voor de hand dat het hof daarvan ook in rov. 3.4-3.5 EV uitgaat. Dit wordt door de subonderdelen niet bestreden. 3.30.7 Met de overweging in rov. 3.5 EV dat personeelskosten hoog waren in 2013, omdat er toen veel personeel afvloeide, doelt het hof - in lijn met de stellingname van FCIB c.s. - op extra kosten om bestaand personeel van FCIB ‘aan boord te houden’. Daaraan zien de subonderdelen voorbij. 3.30.8 Het is niet op voorhand uitgesloten dat (personeels)kosten voor kerstdiners, nieuwjaarsborrels en cafébezoek, alsook kosten van zustervennootschappen, daadwerkelijk ten behoeve van FCIB zijn gemaakt en redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. Corbiere c.s. heeft in hoger beroep, op genoemde vindplaatsen, niet concreet duidelijk gemaakt waarom op dit punt zou moeten worden getwijfeld. 3.30.9 De stelling dat FCIB’s werknemers zich in 2007-2013 (eerst en vooral) hebben beziggehouden met alle andere rekeninghouders heeft Corbiere c.s. betrokken op de vraag of het redelijk is alle kosten volledig door te belasten aan de rekeninghouders die eind 2013 nog een rekening aanhielden. Die vraag adresseert het hof niet in rov. 3.4-3.5 EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. 3.30.10 Bij het voorgaande zij nog bedacht dat het hof eerst in rov. 3.6-3.7 EV ingaat op de vraag of het redelijk was bij het doorbelasten van kosten aan rekeninghouders uit te gaan van het in rov. 3.2 EV genoemde bedrag van ruim $ 29 miljoen. In welk verband het hof aandacht besteedt aan het eerder gemaakte onderscheid tussen enerzijds kosten voor de doeleinden en anderzijds andere kosten voor de afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf. In rov. 3.4-3.5 EV speelt dit onderscheid nog niet. Zie onder 3.6.4 hiervoor. 3.30.11 Gelet op dit een en ander valt m.i. niet vol te houden dat wat klacht b en subonderdeel 2.8 voor het overige aanvoeren, de conclusie rechtvaardigt dat het hof met het bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in de klacht en het subonderdeel. 3.31 Subonderdeel 2.9 klaagt, tot slot, dat in het licht van “voornoemde stellingen” ’s hofs oordeel dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt evenmin kan steunen op diens overweging in rov. 3.4 EV dat tijdens de afwikkeling van de noodregeling de operationele kosten, zoals kosten voor personeel, kantoorruimte en IT, gewoon doorliepen. En wel omdat die overweging “in het licht van de hierboven genoemde partijdebat” niet tot de conclusie kan leiden dat de opgegeven personeelskosten daadwerkelijk allemaal zijn gemaakt. Behandeling 3.32 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.32.1 Het subonderdeel strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis, voor zover het subonderdeel veronderstelt dat ’s hofs bestreden oordeel enkel steunt op rov. 3.4, aanhef en laatste gedachtestreepje EV. Dit laatste is niet het geval. Zie onder 3.19-3.19.2 hiervoor. 3.32.2 Het subonderdeel loopt eveneens vast voor zover het ervan uitgaat dat de subonderdelen 2.7-2.8 slagen. Dit vertrekpunt is onjuist. Zie onder 3.30-3.30.11 hiervoor. 3.32.3 Overigens valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, evenmin in te zien waarom het in de subonderdelen 2.7-2.8 aangevoerde reeds meebrengt dat de bestreden overweging in rov. 3.4, aanhef en laatste gedachtestreepje EV op zichzelf de toets der kritiek in cassatie niet kan doorstaan. Te minder in het licht van 3.30-3.30.11 hiervoor. 3.33 Subonderdeel 2.10 wordt voorafgegaan door het kopje “Kantoorkosten”. Geklaagd wordt over rov. 3.4-3.5 EV en met betrekking tot door FCIB c.s. opgegeven kantoorkosten van afgerond $ 2,4 miljoen. De subonderdelen 2.11-2.12 bevatten hiervan een uitwerking. Dit betekent dat het onderhavige subonderdeel geen verdere bespreking behoeft. 3.34 Subonderdeel 2.11 klaagt als volgt. FCIB c.s. heeft ten aanzien van de door haar opgegeven kantoorkosten enkel gesteld dat zij zijn samengesteld uit huurkosten, utiliteitskosten, onderhoudskosten, bewakingskosten, kosten voor kantoorartikelen, post- en koerierskosten, autoverzekeringen en wegenbelasting voor auto’s van het personeel. En heeft daartoe vervolgens vier niet nader toegelichte grootboekrekeningen in haar akte na tussenvonnis gekopieerd en verwezen naar haar producties 55a-55f. Corbiere c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat FCIB c.s. niet voldoende heeft onderbouwd dat de kantoorkosten daadwerkelijk zijn gemaakt en in redelijkheid zijn gemaakt, alsmede betwist dat de kosten in het kader van de doeleinden zijn gemaakt, omdat: (
  50. i)de grootboekrekeningen zonder nadere toelichting niet te begrijpen zijn en FCIB c.s. geen enkele nadere toelichting heeft gegeven; (
  51. ii)in de spaarzame gevallen dat er wel een herkenbare term in de beschrijving van de grootboekrekeningen voorkomt, de kosten betrekking blijken te hebben op: (
  52. a)tapijtreiniging en toiletreiniging of kosten voor planten en bloemen; (
  53. b)huurkosten voor luxe huurauto’s; (
  54. c)kosten van aan de [familie] gelieerde bedrijven, zoals TWOCC en T.W. Securities; en (
  55. d)de kosten van een taxi van (vermoedelijk) een familielid van [betrokkene 5] van het vliegveld naar huis; (iii) in de grootboekrekeningpost uit 2011 een boekhoudkundige afschrijving in rekening wordt gebracht over een auto die is aangeschaft in 2006, dus niet in de periode van (april) 2007-2013; (
  56. iv)de kosten voor kantoorartikelen, post- en koeriersdiensten plotseling $ 140.000 hoger liggen dan FCIB c.s. in eerste aanleg nog betoogde, terwijl zij deze verhoging op geen enkele wijze heeft toegelicht. Uit dit partijdebat volgt immers dat op basis van de stellingen van FCIB c.s. niet valt vast te stellen of de kantoorkosten daadwerkelijk zijn gemaakt, althans of zij redelijk waren, terwijl Corbiere c.s. het maken daarvan alsmede de redelijkheid daarvan in ieder geval uitvoerig toegelicht heeft betwist. Het hof kon daarom niet zonder nadere motivering tot het oordeel komen dat FCIB c.s. voldoende heeft onderbouwd dat die kosten zijn gemaakt en Corbiere c.s. de betwisting daarvan onvoldoende heeft onderbouwd respectievelijk dat die kosten allemaal redelijk waren. In ieder geval heeft het hof in het licht van dit partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast. Behandeling 3.35 Het subonderdeel slaagt gedeeltelijk, gelet op het volgende. 3.35.1 Vooropgesteld: de vraag in hoeverre de (onderhavige) kosten specifiek verband houden met de doeleinden is in rov. 3.4-3.5 EV nog niet aan de orde. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Voor zover het subonderdeel iets anders tot uitgangspunt neemt, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. 3.35.2 De in het subonderdeel bedoelde stellingen van Corbiere c.s. onder (
  57. ii)en (
  58. iv)zijn m.i., afgezet ook tegen de door FCIB c.s. aangevoerde samenstelling van de post kantoorkosten, en in ieder geval in onderling(
  59. e)verband en samenhang bezien, als essentieel aan te merken bij de beantwoording van de vraag of de opgegeven kantoorkosten alle daadwerkelijk zijn gemaakt en redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. Deze stellingen, die ik teruglees in het procesdossier (en waarop FCIB c.s. vervolgens niet meer gericht heeft gereageerd), wijzen immers ten minste deels op (potentiële) knelpunten ter zake. Zij behoefden daarom een kenbare en adequate respons van het hof. Die ontbreekt evenwel, ook in rov. 3.4-3.5 EV. Inzake kantoorkosten lees ik in rov. 3.4 EV alleen iets bij het laatste gedachtestreepje (en dit is ter zake ontoereikend), in rov. 3.5 EV niets. 3.35.3 De in het subonderdeel bedoelde “stelling” van Corbiere c.s. onder (
  60. i)is m.i. niet als essentieel aan te merken, bij gebreke aan enige concretisering daarvan door haar (ook in hoger beroep): wat is dan precies niet te begrijpen daaraan? Zo ziet het hof het kennelijk ook. Het hof hoefde, zo meen ik, op die “stelling” niet nader te responderen. De in het subonderdeel bedoelde stelling van Corbiere c.s. onder (iii) wordt evenmin met succes opgebracht, reeds omdat die in wezen scharniert rond een argument - te weten: het jaar van aanschaf van het desbetreffende activum is hier bepalend - dat het hof op vanzelfsprekende gronden verwerpt. Dat geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde dus ook geen nadere motivering. In het algemeen wordt, anders dan Corbiere c.s. veronderstelt, onder (
  61. i)het optreden van schade en het maken van kosten in een bepaalde periode niet hetzelfde verstaan als (
  62. ii)het aangaan van verplichtingen of het doen van uitgaven; het eerste is mogelijk zonder het tweede, het tweede hoeft niet temporeel samen te vallen met het eerste. Waardevermindering van een activum in een bepaalde periode pleegt als afschrijving te worden geboekt en leidt tot afschrijvingskosten in die periode, ook al is bij die afschrijvingskosten geen sprake van een uitgave (op dat moment). Gelet ook op 3.6.2-3.6.3 hiervoor moet worden aangenomen dat het hof hier, bij de uitleg van de kostenbedingen, niets anders heeft beoogd. Er is immers geen indicatie voor dat het hof, hoewel dat op zichzelf rechtens mogelijk is waar het de uitleg en toepassing van een beding betreft, zou hebben willen afwijken van een gebruikelijke benadering van kosten-/schadebegroting. Corbiere c.s. draagt in dat verband in ieder geval ook niets aan. 3.35.4 Gezien 3.35.2 hiervoor klaagt Corbiere c.s. hier m.i. terecht dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans een ontoereikende motivering. En wel door te hoge eisen te stellen aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast althans doordat zonder nadere motivering, die ontbreekt, in rov. 3.4-3.5 EV (en elders in het eindvonnis) onduidelijk blijft waarom uit het partijdebat kan worden opgemaakt dat de door FCIB c.s. opgegeven kantoorkosten alle daadwerkelijk zijn gemaakt én redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt, niettegenstaande de in het subonderdeel bedoelde stellingen van Corbiere c.s. onder (
  63. ii)en (iv). Hieraan doet niet af dat het in rov. 3.5 EV gaat om een redelijkheidsoordeel. 3.36 Subonderdeel 2.12 klaagt, tot slot, als volgt. a. In het licht van “voornoemde stellingen” kan ’s hofs oordeel dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt evenmin steunen op diens overweging in rov. 3.4 EV dat tijdens de afwikkeling van de noodregeling de operationele kosten, zoals kosten voor personeel, kantoorruimte en IT, gewoon doorliepen. En wel omdat die overweging “in het licht van de hierboven genoemde partijdebat” niet tot de conclusie kan leiden dat de opgegeven kantoorkosten daadwerkelijk allemaal zijn gemaakt. b. Het hof heeft voorts in het licht van “voornoemd partijdebat” ten onrechte niet in rov. 3.5 EV (of elders) gemotiveerd waarom het maken van deze kantoorkosten redelijk is geweest. Aan de redelijkheid van die kosten wijdt het hof geen woord. Behandeling 3.37 Het subonderdeel behoeft geen verdere bespreking, gezien subonderdeel 2.11 en het gedeeltelijke slagen daarvan. Zie onder 3.35-3.35.4 hiervoor. Corbiere c.s. mist (voldoende) belang bij het subonderdeel. 3.38 Subonderdeel 2.13 wordt voorafgegaan door het kopje “IT en overige kosten”. Geklaagd wordt over rov. 3.4-3.5 EV en met betrekking tot door FCIB c.s. opgegeven kosten voor IT en ‘overige kosten’ van afgerond $ 3 miljoen. De subonderdelen 2.14-2.15 bevatten hiervan een uitwerking. Dit betekent dat het onderhavige subonderdeel geen verdere bespreking behoeft. 3.39 Subonderdeel 2.14 klaagt als volgt. FCIB c.s. heeft ter onderbouwing van de door haar opgegeven kosten voor IT en gerelateerde software, SWIFT, internet en netwerkonderhoud zonder nadere toelichting verwezen naar vijf regels grootboekposten, en heeft ter onderbouwing van de kosten voor accommodatie voor het personeel en gedetacheerden eveneens zonder nadere toelichting verwezen naar een reeks grootboekposten. Corbiere c.s. heeft ter betwisting dat die kosten daadwerkelijk gemaakt zijn en van de redelijkheid daarvan, alsmede ter betwisting dat de kosten in het kader van de doeleinden zijn gemaakt, het volgende aangevoerd. (
  64. i)FCIB c.s. heeft enkel wat grootboekposten in het geding gebracht met talloze transacties die niet te begrijpen zijn zonder nadere, in de posten zelf alsmede in de akte na tussenvonnis ontbrekende, toelichting. (
  65. ii)De spaarzame, wel te begrijpen grootboekposten onderstrepen dat FCIB c.s. allerhande kosten heeft opgevoerd die niets te maken hebben met de door haar genoemde kostenposten althans niet in redelijkheid zijn gemaakt. Zoals (
  66. a)kosten voor het lidmaatschap van een Curaçaose Yacht Club in de periode 2006-2012, een high society club waar men volgens de website discussieert over “sports, politics and of course boating”. (
  67. b)Een maandelijkse vergoeding van vliegtuigkosten aan TWO (een bedrijf van de [familie] ) van $ 166.500, terwijl een onderbouwing daarvan ontbreekt, maar die waarschijnlijk zal hebben gezien op de huur van privévliegtuigen. (
  68. c)De vergoeding in de periode 2007-2013 van overnachtingen in dure resorts op Curaçao ter hoogte van ruim $ 330.000, terwijl FCIB c.s. niet toelicht wie daarvan gebruik heeft gemaakt/waartoe deze kosten hebben gediend. En (
  69. d)een reeks afschrijvingen op meubels, apparaten, auto’s en andere goederen, zodat het hier in werkelijkheid geen gemaakte kosten betreft. (iii) De opgegeven kosten voor accommodatie voor het personeel en gedetacheerden wijken sterk af van het eerder in het geding gebrachte overzicht zonder dat FCIB c.s. voor het verschil enige verklaring geeft: in haar producties 20 en 29 ging het om $ 1,2 miljoen, in de akte na tussenvonnis opeens om $ 1,9 miljoen. Uit dit partijdebat volgt dat op basis van de stellingen van FCIB c.s. en de overgelegde documentatie ter onderbouwing daarvan niet valt vast te stellen of de IT kosten en de ‘overige kosten’ daadwerkelijk zijn gemaakt, althans of zij redelijk waren, terwijl Corbiere c.s. het maken daarvan alsmede de redelijkheid daarvan in ieder geval uitvoerig toegelicht heeft betwist. Het hof kon daarom niet zonder nadere motivering tot het oordeel komen dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt respectievelijk allemaal redelijk waren. In ieder geval heeft het hof in het licht van dit partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast. Behandeling 3.40 Het subonderdeel slaagt gedeeltelijk, gelet op het volgende. 3.40.1 Vooropgesteld: de vraag in hoeverre de (onderhavige) kosten specifiek verband houden met de doeleinden is in rov. 3.4-3.5 EV nog niet aan de orde. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Voor zover het subonderdeel iets anders tot uitgangspunt neemt, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. 3.40.2 De in het subonderdeel bedoelde stellingen van Corbiere c.s. onder (ii).a-c en (iii) zijn m.i., afgezet ook tegen de door FCIB c.s. aangevoerde samenstelling van de post kosten voor IT en ‘overige kosten’, en in ieder geval in onderling(
  70. e)verband en samenhang bezien, als essentieel aan te merken bij de beantwoording van de vraag of de opgegeven kosten voor IT en ‘overige kosten’ alle daadwerkelijk zijn gemaakt en redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. Deze stellingen, die ik teruglees in het procesdossier (en waarop FCIB c.s. vervolgens niet meer gericht heeft gereageerd), wijzen immers ten minste deels op (potentiële) knelpunten ter zake. Zij behoefden daarom een kenbare en adequate respons van het hof. Die ontbreekt evenwel, ook in rov. 3.4-3.5 EV. Inzake kosten voor IT en ‘overige kosten’ lees ik in rov. 3.4 EV alleen iets bij het laatste gedachtestreepje (en dit is ter zake ontoereikend), in rov. 3.5 EV niets. 3.40.3 De in het subonderdeel bedoelde “stelling” van Corbiere c.s. onder (
  71. i)is m.i. niet als essentieel aan te merken, bij gebreke aan enige concretisering daarvan door haar (ook in hoger beroep): wat is dan precies niet te begrijpen daaraan? Zo ziet het hof het kennelijk ook. Het hof hoefde, zo meen ik, op die “stelling” niet nader te responderen. Dit laatste geldt eveneens voor de in het subonderdeel bedoelde stelling van Corbiere c.s. onder (ii).d. In zoverre strandt het subonderdeel in lijn met 3.35.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting. 3.40.4 Gezien 3.40.2 hiervoor klaagt Corbiere c.s. hier m.i. terecht dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans een ontoereikende motivering. En wel door te hoge eisen te stellen aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast althans doordat zonder nadere motivering, die ontbreekt, in rov. 3.4-3.5 EV (en elders in het eindvonnis) onduidelijk blijft waarom uit het partijdebat kan worden opgemaakt dat de door FCIB c.s. opgegeven kosten voor IT en ‘overige kosten’ alle daadwerkelijk zijn gemaakt én redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt, niettegenstaande de in het subonderdeel bedoelde stellingen van Corbiere c.s. onder (ii).a-c en (iii). Hieraan doet niet af dat het in rov. 3.5 EV gaat om een redelijkheidsoordeel. 3.41 Subonderdeel 2.15 klaagt, tot slot, als volgt. a. In het licht van “voornoemde stellingen” kan ’s hofs oordeel dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt evenmin steunen op diens overweging in rov. 3.4 EV dat tijdens de afwikkeling van de noodregeling de operationele kosten, zoals kosten voor personeel, kantoorruimte en IT, gewoon doorliepen. En wel omdat die overweging “in het licht van de hierboven genoemde partijdebat” niet tot de conclusie kan leiden dat de opgegeven kosten voor IT en ‘overige kosten’ daadwerkelijk allemaal zijn gemaakt. b. Het hof heeft voorts in het licht van “voornoemd partijdebat” ten onrechte niet in rov. 3.5 EV (of elders) gemotiveerd waarom het maken van deze kosten voor IT en ‘overige kosten’ redelijk is geweest. Aan de redelijkheid van deze kosten wijdt het hof geen woord. Behandeling 3.42 Het subonderdeel behoeft geen verdere bespreking, gezien subonderdeel 2.14 en het gedeeltelijke slagen daarvan. Zie onder 3.40-3.40.4 hiervoor. Corbiere c.s. mist (voldoende) belang bij het subonderdeel. 3.43 Subonderdeel 2.16 wordt voorafgegaan door het kopje “Juridische kosten”. Geklaagd wordt over rov. 3.4-3.5 EV en met betrekking tot door FCIB c.s. opgegeven juridische kosten van afgerond $ 3,5 miljoen. De subonderdelen 2.17-2.21 bevatten hiervan een uitwerking. Dit betekent dat het onderhavige subonderdeel geen verdere bespreking behoeft. 3.44 De subonderdelen 2.17-2.18 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 3.44.1 Subonderdeel 2.17 klaagt als volgt. FCIB c.s. heeft ter onderbouwing van de opgegeven juridische kosten aangevoerd dat deze bestaan uit kosten van het advocatenkantoor SPIGT betreffende: advisering over, en het voeren van, gerechtelijke procedures tegen rekeninghouders die uitkeringen van banktegoeden vorderen; “het bijstaan van FCIB wanneer derdenbeslagenen in procedures waarin beslag op banksaldi was gelegd”; en overige ad hoc-advisering over de afwikkeling van de FCIB-bankrekeningen en vereffening van banksaldi. [betrokkene 4] bevestigt dit in zijn verklaring. FCIB c.s. heeft als productie 57b de facturen van SPIGT - zonder toelichting - in het geding gebracht. Verder stelde FCIB c.s. dat het bedrag van $ 3,5 miljoen niet zou zien op de kosten voor de strafzaak tegen FCIB in Nederland. Corbiere c.s. heeft betwist dat de kosten daadwerkelijk allemaal gemaakt zijn althans allemaal redelijk waren, alsmede betwist dat de kosten in het kader van de doeleinden zijn gemaakt, nu: (
  72. i)de onderbouwing van FCIB c.s. van de juridische kosten uit niets meer bestaat dan talloze facturen waarbij gefactureerd wordt op steeds hetzelfde dossier met de nietszeggende naam “FCIB/Noodregeling” en een gespecificeerd overzicht ontbreekt van de werkzaamheden die zouden zijn verricht; (
  73. ii)het aldus voor Corbiere c.s. - en het hof - onmogelijk is na te gaan welke werkzaamheden SPIGT daadwerkelijk heeft uitgevoerd en in hoeverre die kosten de drievoudige redelijkheidstoets van het hof kunnen doorstaan; (iii) FCIB c.s. eerder had aangegeven dat SPIGT ook geadviseerd had over de intrekking van de bankvergunning, maar dit later onbenoemd liet. In het licht van dit partijdebat valt niet in te zien waarom het hof desondanks meent dat FCIB c.s. de juridische kosten wel allemaal voldoende heeft onderbouwd en Corbiere c.s. haar betwisting onvoldoende heeft onderbouwd. De onderbouwing van FCIB c.s. was zo gering, dat zij geen verdere aanknopingspunten voor de betwisting bevatte dan Corbiere c.s. heeft gedaan. In ieder geval heeft het hof in het licht van dit partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast. 3.44.2 Daarbij komt, zo klaagt subonderdeel 2.18, dat het hof in rov. 3.4 EV geen nadere overweging wijdt aan de juridische kosten. Het oordeel dat deze kosten zijn gemaakt, rust slechts op de overweging dat de kosten voldoende zijn onderbouwd en onvoldoende onderbouwd zijn betwist. Het hof heeft aan de juridische kosten in het kader van de vraag of zij zijn gemaakt dus geen inhoudelijke overweging gewijd. Dit had in het licht van “voornoemd partijdebat” wel van het hof verwacht mogen worden. In ieder geval heeft het hof in het licht van dit partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast. Behandeling 3.45

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.