← Nederland

ECLI:NL:PHR:2024:750

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00541 Zitting 10 juli 2024 CONCLUSIE R.H. de Bock In de zaak naar aanleiding van het verzoek van: [betrokkene] Prejudiciële vragen over het geven van inzage in processtukken en het verstrekken van afschriften daarvan door een gerecht na afloop van een procedure. 1Samenvatting In deze prejudiciële procedure gaat het om de vraag of de rechtbank mag of moet voldoen aan een verzoek om inzage in processtukken uit afgesloten verzoekschriftprocedures en/of afschriften daarvan te krijgen. In die procedures zijn ten aanzien van betrokkene (die inmiddels volwassen

  1. is)in het verleden kinderbeschermingsmaatregelen uitgesproken door de rechtbank (uithuisplaatsing, ondertoezichtstelling), zijn de ouders van betrokkene uit de ouderlijke macht ontzet, en is (destijds) Bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam benoemd tot voogdes. Betrokkene vraagt om deze informatie omdat hij bijna niets weet over zijn vroege jeugdjaren en niemand hem daarover iets kan of wil vertellen. Hij heeft die informatie nodig voor het vormen van zijn identiteit en om rust te krijgen. De rechtbank vraagt onder meer of er een juridische grondslag is om deze informatie aan betrokkene te verstrekken, en hoe het zit met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden. M.i. is het antwoord dat betrokkene op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in beginsel recht heeft op de informatie, omdat in de procesdossiers zijn eigen persoonsgegevens zijn verwerkt en de AVG een algemeen recht tot inzage in de eigen persoonsgegevens bevat. Uit art. 8 EVRM volgt dat dit recht op informatie in de persoonsgegevens over de eigen kindertijd heel zwaar weegt. Een mogelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden kan bij een dergelijk verzoek slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot het ontzeggen van inzage. Ook in de sociaalpsychologische literatuur is er veel aandacht voor het belang van informatie over de eigen kindertijd. De rechtbank zal voor elk procesdossier moeten beoordelen of er concrete belangen van derden zijn (bijvoorbeeld ouders of andere familieleden) die worden geraakt bij het verstrekken van informatie aan betrokkene. De derden zullen moeten worden geïnformeerd over het verzoek van betrokkene en in de gelegenheid moeten worden gesteld hun mening daarover te geven. De rechtbank zal dan moeten beoordelen of de belangen van die derden zo zwaar wegen, dat zij rechtvaardigen dat bepaalde stukken deels geanonimiseerd of onleesbaar worden gemaakt, of helemaal uit het dossier moeten worden verwijderd. Het helemaal ontzeggen van informatie uit het procesdossier aan betrokkene is echter niet toegestaan, omdat het fundamentele grondrecht van art. 8 EVRM van betrokkene niet in de kern mag worden aangetast. Gestreefd moet worden naar het zo volledig mogelijk verstrekken van alle informatie die zich in het dossier bevindt, waar het gaat om de eigen persoonsgegevens van betrokkene. Als er in een procesdossier stukken zitten die in het geheel geen betrekking hebben op betrokkene, is geen sprake van eigen persoonsgegevens en is er in beginsel geen recht op inzage in dat specifieke stuk. Gelet op de sociaalpsychologische wetenschappelijke literatuur over het inzien van kinderbeschermingsdossiers verdient het aanbeveling dat iemand die verzoekt om informatie over de eigen kindertijd ondersteuning door een vertrouwenspersoon wordt aangeboden bij het kennisnemen van het dossier. De informatie kan namelijk een grote impact hebben op een betrokkene, en heeft soms ook (juridische) toelichting nodig. Ook zal de rechtbank moeten toezien op een zorgvuldige samenstelling van het dossier, in die zin dat er geen persoonlijke aantekeningen in zitten en dat het behoorlijk geordend is. Inhoudsopgave 2. Feiten en procesverloop 3. Inleiding 4. Arrest Hoge Raad over openbaarheid van rechtspraak 5. Informatieverstrekking in lopende procedures aan minderjarigen (art. 290 jo. art. 811 Rv) 6. Andere instanties die beschikken over dossiers over betrokkene 7. Informatieverstrekking door de Raad voor de Kinderbescherming 8. Informatieverstrekking door een gecertificeerde instelling 9. Inzage in stukken uit afgesloten strafzaken 10. Inzage in processtukken die zijn gearchiveerd volgens de Archiefwet 11. Erkenning van het belang van afstammingsinformatie 12. Erkenning van het belang van informatie over de persoonlijke geschiedenis 13. Recht op informatie over de persoonlijke geschiedenis in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het kind (IVRK) 14. Recht op informatie over de persoonlijke geschiedenis volgens art. 8 EVRM 15. Art. 29 lid 2 Rv 16. Art. 838 Rv 17. Inzagerecht (art. 843a Rv en art. 194 Rv (nieuw)) 18. De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) 19. Gegevensverwerking bij de gerechten in procesdossiers 20. Toepassing van de AVG op verzoeken om inzage/afschrift in afgesloten jeugdbeschermingsdossiers 21. Wijze van verstrekking van de dossiers 22. Beantwoording van de prejudiciële vragen 23. Conclusie 2Feiten en procesverloop 2.1 Betrokkene, inmiddels meerderjarig, heeft bij e-mail van 6 januari 2023 de rechtbank Rotterdam het volgende verzocht: “Graag zou ik alle dossiers thuis gestuurd willen hebben omdat ik nog elke dag vecht tegen mijn verleden. Ik kan aan niemand vragen: “Wat is er gebeurd?” “Hoe zit het?”. Dat doet mij elke dag veel verdriet en pijn. Ik wil het door het lezen van alle dossiers van vroeger een plek geven.” 2.2 Het verzoek van betrokkene is gericht op het procesdossier van de procedure waarin zijn biologische ouders uit de ouderlijke macht zijn ontzet (thans: beëindiging van ouderlijk gezag), en op procesdossiers die betrekking hebben op kinderbeschermingsmaatregelen. Uit een uittreksel van 20 maart 2023 uit het Gezagsregister dat onderdeel is van het procesdossier blijkt dat op 16 augustus 2004 een ondertoezichtstelling is uitgesproken en dat een machtiging is gegeven tot plaatsing in een pleeggezin. Beide zijn meermaals verlengd. In 2009 zijn de ouders ontzet uit de ouderlijke macht over betrokkene en zijn vier broers en zussen. Tevens is (destijds) Bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam benoemd tot voogdes. 2.3 Bij beschikking van 4 oktober 2023 heeft de rechtbank het verzoek vooralsnog opgevat als een verzoek op grond van art. 290 Rv (rov. 2). De rechtbank heeft overwogen dat zij naar de huidige stand van zaken niet kan bepalen wie tot de kring van belanghebbenden horen (boven rov. 1). 2.4 De rechtbank heeft overwogen dat bij gerechten geregeld verzoeken binnenkomen tot inzage/afgifte van dossierstukken van (reeds lang) afgeronde civiele (jeugd)procedures, maar ook van afgeronde procedures die betrekking hebben op ouderlijk gezag en/of een contactregeling (hierna gezamenlijk: familie- en jeugdprocedures). De verzoekers betreffen niet zelden jeugdigen die, als zij meerderjarig zijn geworden, het dossier willen inzien om hen moverende redenen zoals bijvoorbeeld voor traumaverwerking of in zijn algemeenheid voor het verkrijgen van informatie over het eigen verleden. Die informatie kan ook nodig zijn voor verzoeken tot schadevergoeding of andere vormen van compensatie (rov. 3.1). 2.5 Verder overweegt de rechtbank dat er een kans bestaat dat betrokkene onderdelen van het procesdossier kan verkrijgen van andere instanties. De rechtbank heeft daar direct aan toegevoegd dat deze andere instanties mogelijk niet (alle) over de (volledige) informatie beschikken waarover de rechtbank beschikt, en dat voorkomen moet worden dat betrokkene ‘van het kastje naar de muur’ wordt gestuurd (rov. 3.2). 2.6 Vervolgens heeft de rechtbank een aantal overwegingen gewijd aan wetsbepalingen en jurisprudentie die mogelijk relevant zijn voor de beoordeling van verzoeken als die van betrokkene (rov. 3.3-3.4). Ook is opgemerkt dat de wijze waarop inzage of afgifte plaatsvindt en hoe (privacy)belangen van belanghebbenden hierbij dienen te worden afgewogen in het familie- en jeugdrecht, op dit moment onderwerp van gesprek zijn in de rechtspraak, met name binnen de expertgroep jeugdrechters (rov. 3.4). 2.7 Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van onduidelijkheden, en dat zij om die reden prejudiciële vragen wil stellen aan de Hoge Raad. De rechtbank heeft vervolgens vragen geformuleerd (rov. 3.6-3.7). 2.8 Op 22 december 2023 heeft een mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft betrokkene, vergezeld door zijn pleegvader, zijn verzoek nader toegelicht. Ook zijn de prejudiciële vragen besproken. 2.9 Op 5 februari 2024 heeft de rechtbank opnieuw een beschikking gegeven. De rechtbank heeft allereerst weergegeven hoe betrokkene zijn verzoek heeft onderbouwd en vervolgens geoordeeld dat die onderbouwing duidelijk is: “3.1. [Betrokkene] heeft zijn verzoek van 6 januari 2023 tijdens de mondelinge behandeling van 22 december 2023 als volgt nader onderbouwd. [Betrokkene] woont al heel lang bij zijn pleegouders; hij heeft de achternaam van zijn pleegvader aangenomen en heeft in 2021 zijn voornamen laten wijzigen. De (biologische) ouders van [betrokkene] hebben samen in totaal vijf kinderen; [betrokkene] en zijn twee zussen en twee broers. De ouders van [betrokkene] zijn in 2009 ontzet uit het ouderlijk gezag over hem. 3.2. [ Betrokkene] wil zoveel mogelijk te weten komen over zijn achtergrond. Hij beschikt niet over stukken uit het verleden. Hij weet niet wat er destijds is gebeurd. Hij kan dat aan niemand vragen. Hij zou graag willen weten wat er is gebeurd waardoor hij in zijn huidige situatie is terechtgekomen. [Betrokkene] zou zijn verzoek niet hebben gedaan als zijn ouders hem iets hadden verteld, maar dat hebben ze niet gedaan. Het blijft door zijn hoofd spoken. 3.3. [ Betrokkene] heeft toegelicht dat hij geen contact meer heeft met zijn moeder. Hij heeft nu wel weer contact met zijn vader, maar die wil hem niets vertellen. [Betrokkene] heeft geprobeerd informatie over het verleden van zijn vader te krijgen, maar hij heeft nu de hoop opgegeven dat zijn vader hem ooit iets zal vertellen. 3.4. [ Betrokkene] heeft diverse (half)broers en -zussen. Hij heeft alleen nog contact met een zus. Af en toe ziet hij twee van zijn broers voorbij komen, maar hij spreekt ze niet. 3.5. [ Betrokkene] heeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond om inzage in zijn dossiers gevraagd. Deze instelling heeft hem naar de rechtbank verwezen. 3.6. [ Betrokkene] heeft in het verleden wel enige informatie van zijn psychiater gekregen. Dit was enkel mondeling; hij mocht geen stukken inzien. 3.7. Namens [betrokkene] heeft zijn pleegvader tijdens de mondelinge behandeling aangevuld dat [betrokkenes] identiteit (nog) in ontwikkeling is. Omdat hij amper wat weet van vroeger is het moeilijk voor hem om relaties aan te gaan; hij weet zo weinig over zichzelf. De psychiater van [betrokkene] helpt hem stapjes op weg, maar [betrokkene] blijft met de vraag zitten wie hij nou eigenlijk is. Niemand kan hem dat vertellen. [Betrokkene] heeft trauma’s die zich wellicht goed laten verklaren door het verleden. Er moet rust in zijn leven komen en daarvoor behoort hij meer te weten over zijn verleden, zo vindt de pleegvader. 3.8. De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene] (met hulp van zijn pleegvader) zijn belang bij inzage/afgifte van stukken uit de dossiers duidelijk heeft onderbouwd. Voor zijn identiteitsontwikkeling en verwerking van trauma’s is het belangrijk dat hij zoveel mogelijk informatie krijgt over zijn verleden. Hij is zoekende naar wie hij is en heeft voor zijn geestelijk welzijn hierover rust en duidelijkheid nodig.” 2.10 De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene zich kan verenigen met het voornemen om de in de beschikking van 4 oktober 2023 vermelde prejudiciële vragen te stellen (rov. 3.10). Vervolgens heeft de rechtbank acht prejudiciële vragen gesteld (rov. 3.11). 2.11 Namens de griffier van de Hoge Raad zijn betrokkene en zijn pleegouders in de gelegenheid gesteld om schriftelijke opmerkingen in deze prejudiciële procedure in te dienen. Bij brief van 18 maart 2024 hebben zij laten weten dat daarvan geen gebruik wordt gemaakt. Wel wordt in deze brief de wens uitgesproken om op de hoogte te worden gehouden van het verloop en de uitkomst van de onderhavige prejudiciële procedure. 3Inleiding De prejudiciële vragen 3.1 De rechtbank heeft de volgende prejudiciële vragen gesteld (rov. 4.1): A. Is er een (rechtstreekse) wettelijke basis voor inzage/afschrift van stukken uit een dossier (anders dan vonnissen, arresten en beschikkingen) na afloop van een procedure? B. Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, kan dan ofwel art. 29 Rv, ofwel art. 290 Rv, ofwel art. 811 Rv ofwel art. 843a Rv, al dan niet analoog, worden toegepast? C. Als er een wettelijke basis is – al dan niet naar analogie – voor inzage/afschrift van dossierstukken na afloop van een procedure, hebben minderjarigen die tijdens de procedure weliswaar belanghebbend waren, maar niet processueel bekwaam vanwege hun minderjarigheid, dan ook recht op inzage/afgifte zodra ze meerderjarig zijn geworden? D. Heeft een recht op inzage van een belanghebbende na afloop van een procedure betrekking op alle informatie uit het dossier of moet bepaalde informatie worden verwijderd, zoals informatie die betrekking heeft op ouders of andere gezinsleden zoals broers en zussen? E. Is het doel van de aanvraag nog van belang (bijvoorbeeld voor een verwerkingsproces of voor het doen van een schadevergoedingsverzoek)? F. Moet wellicht onderscheid gemaakt worden tussen procedures die de destijds minderjarige zelf betroffen (bijvoorbeeld de ondertoezichtstelling) en procedures die tussen de ouders onderling dan wel tussen (een van) hen en de jeugdzorginstantie werden gevoerd? G. Dient bij de beoordeling van verzoeken tot inzage eventueel een parallel te worden getrokken met art. 5.1, tweede lid, onderdeel e, en vijfde lid, Wet open overheid (Woo)? En, zo ja, op welke wijze? H. In hoeverre speelt art. 8 EVRM bij de beoordeling van verzoeken tot inzage een rol?” Over welke informatie gaat het? 3.2 Om een beter zicht te krijgen op de problematiek die met de prejudiciële informatie aan de orde wordt gesteld, is het goed om scherp te hebben over welke informatie het eigenlijk gaat. 3.3 In dossiers in jeugdbeschermingszaken kan in het algemeen de volgende informatie worden gevonden: - Onderzoeksrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (‘raadsonderzoek’); - Verslagen van kindgesprekken; - Verzoek Raad voor de Kinderbescherming of Bureau Jeugdzorg tot ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing van een belanghebbende en eventuele broers en zussen; - Verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verzoek machtiging uithuisplaatsing van belanghebbende en eventuele broers en zussen; - Verweerschriften en/of pleitaantekeningen opgesteld door de advocaat van een of beide ouders; - Processen-verbaal van zittingen in het kader van de verzoeken tot (verlenging van) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing (al dan niet uitgewerkt); - Oproepingsberichten voor de zittingen bij de rechtbank; - Rechterlijke beschikkingen tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van belanghebbende en eventuele broers en zussen; - Verzoeken tot verlenging van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing; - Rechterlijke beschikking(
  2. en)tot verlenging van de ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing; - Plannen van aanpak en indicatiebesluiten van Bureau Jeugdzorg ten behoeve van een belanghebbende en eventuele broers en zussen; - Verzoekschrift van de Raad voor de Kinderbescherming of het openbaar ministerie tot het nemen van een gezagsbeëindigende maatregel, met bijlagen; - Verweerschrift en/of pleitaantekeningen opgesteld door de advocaat van een of beide ouders ten aanzien van het verzoek tot gezagsbeëindiging; - Proces-verbaal van de zitting over het verzoek tot gezagsbeëindiging; - Rechterlijke beschikking ten aanzien van de gezagsbeëindiging. 3.4 In veel jeugdbeschermingsdossiers zullen stukken zitten waarin – in hetzelfde stuk – zowel de situatie van een betrokkene als die van broers en zussen worden besproken of beoordeeld. Er kunnen echter ook stukken zijn die uitsluitend betrekking hebben op één van de kinderen, en waarin de andere kinderen wel worden genoemd maar niet verder besproken. Ook is het denkbaar dat in een dossier stukken zitten die specifiek betrekking hebben op de ouders of wellicht andere bekenden of familieleden van een betrokkene. Geen landelijk beleid 3.5 Met enige regelmaat hebben gerechten te maken met verzoeken om inzage in afgesloten dossiers. Die verzoeken kunnen betrekking hebben op civiele jeugdbeschermingszaken, zoals bijvoorbeeld ondertoezichtstelling al dan niet in combinatie met een uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging, maar ook op gezag- en omgangsprocedures en verdeling van zorg- en opvoedingstaken. Ook zou wellicht om inzage kunnen worden gevraagd in dossiers over afstammingszaken, zaken betreffende de registers van de burgerlijke stand, curatele, beschermingsbewind en mentorschap en op zorgrechtzaken. 3.6 Uit informatie die ik van de Expertgroep jeugdrecht heb ontvangen, komt naar voren dat er binnen de rechtbanken geen landelijk beleid bestaat hoe omgegaan moet worden met verzoeken om inzage in afgesloten dossiers. Wel lokaal beleid 3.7 Sommige rechtbanken [de rechtbank Gelderland] hanteren het volgende beleid: “Wanneer gevraagd wordt om inzage in (een of meerdere) dossiers, dient de verzoeker (die voorheen als partij of minderjarige bij de procedure was betrokken) de reden van zijn verzoek aan te geven. Vervolgens worden de betreffende dossiers opgevraagd bij het Archief [A-G: het gaat hier om het rechtbankarchief] en samen met het verzoek voorgelegd aan een rechter. De rechter beslist of het verzoek wordt toegewezen. Indien voor de verzoeker positief wordt beslist, gelden de volgende uitgangspunten: • het dossier dient in ieder geval geschoond te zijn van: ‑ alle aantekeningen van rechters/griffiers/administratie; ‑ bijlagen van verzoek- en verweerschriften en zelfstandig ingediende producties; ‑ rapporten van de Raad en/of OvJ; ‑ zittingsaantekeningen; • inzage (waar nodig geanonimiseerd) kan in ieder geval worden verkregen in: ‑ verzoek- en verweerschriften zonder bijlagen; ‑ journaalberichten of brieven zonder bijgevoegde producties; ‑ (tussen)beschikkingen. Alleen met uitdrukkelijke instemming van de rechter kunnen ook andere stukken worden ingezien. Naar aanleiding van de beslissing van de rechter, zal een griffiemedewerker en/of juridisch medewerker het dossier (tijdelijk) schonen en de stukken anonimiseren wat betreft persoonsgegevens van derden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de privacy van derden beschermd dient te worden en dat de rechter bepaalt welke informatie om die reden onleesbaar moet zijn.” 3.8 Opvallend in dit beleid van de rechtbank Gelderland is dat de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en/of van de officier van justitie dus uit het dossier worden verwijderd. Alleen met uitdrukkelijke instemming van de rechter kunnen deze stukken worden ingezien, althans dat is mijn begrip van dit beleid. Ook alle bijlagen van verzoek- en verweerschriften en zelfstandig ingediende producties worden verwijderd, evenals de zittingsaantekeningen. Hiermee blijft er eigenlijk niet veel over; betrokkene krijgt slechts de rechterlijke uitspraken (de beschikkingen) en de verzoek- en verweerschriften zónder bijlagen (en de journaalberichten of brieven zonder producties). 3.9 Uit een interne notitie van de rechtbank Rotterdam van februari 2023 blijkt dat de rechtbank Rotterdam een soortgelijke werkwijze aanhoudt als de rechtbank Gelderland. Kern daarvan is dat iedere belanghebbende in beginsel recht heeft op inzage in en afschrift van een dossier dat betrekking heeft op een procedure waarbij verzoeker betrokken is geweest, ook als hij destijds minderjarige was. Een gerechtsjurist bereidt de beslissing op het verzoek tot inzage voor en in beginsel neemt de rechter die bij de procedure betrokken was de beslissing. Voor het verstrekken van inzage of afschriften geldt een aantal uitgangspunten, zoals het schonen en anonimiseren van (een deel van
  3. de)dossierinformatie die betrekking heeft op anderen dan verzoeker. Als uitgangspunt geldt dat de privacy van derden beschermd moet worden. Zo wordt het dossier geschoond van interne stukken, van bijlagen van verzoek- en verweerschriften, van zelfstandig ingediende producties, en van rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming of van de officier van justitie. In ieder geval kan wél inzage worden verkregen in (waar nodig geanonimiseerd): verzoek- en verweerschriften zonder bijlagen, journaalberichten of brieven zonder bijgevoegde producties, (tussen)beschikkingen en verslagen van kindergesprekken. Er zijn verder twee mogelijkheden voor inzage: inzien van het dossier bij de rechtbank of het opvragen van een kopie van het dossier die kan worden opgehaald bij de rechtbank. Verder bevat het memo aandachtspunten voor de werkwijze van de griffie en administratie van de rechtbank en handvatten voor het anonimiseren van stukken. 3.10 Vermeldenswaardig is nog dat er binnen Europa een tendens is om op ruimere schaal het inzien van procesdossiers mogelijk te maken. In een Europees onderzoeksrapport uit 2013 is de volgende conclusie te lezen: “A growing number of countries, both EU and non-EU Member States, grant access to court files to third persons. The judiciary is no longer automatically excluded from provisions on the right to access public documents.”In die zin is het verlenen van toegang tot procesdossiers aan iemand als betrokkene een aspect van een bredere discussie. 4Arrest Hoge Raad over openbaarheid van rechtspraak 4.1 In het recente arrest van HR 21 april 2023 ging het ook over de verstrekking van gegevens door gerechten. Een advocaat had een rechtbank verzocht om informatie over alle procedures waarin een bepaalde, bij naam genoemde, persoon betrokken was. De rechtbank had het verzoek afgewezen. Tegen deze beslissing is cassatie in het belang der wet ingesteld. 4.2 In het arrest draait het om de afweging tussen het beginsel van openbaarheid van rechtspraak, en het recht op bescherming van persoonsgegevens, in het kader van civiele procedures. De Hoge Raad noemt in dit verband onder meer art. 6 lid 1 EVRM en art. 121 Grondwet, en benoemt de functie van openbaarheid van rechtspraak (publieke controle, het bevorderen van het vertrouwen in de rechtspraak en het bijdragen aan een eerlijk proces) (rov. 3.2.1-3.2.2). Tegenover deze belangen staat het recht op bescherming van persoonsgegevens dat is vervat in art. 8 EVRM, art. 10 Grondwet, art. 8 lid 1 Handvest van de EU, en dat nader is uitgewerkt in de AVG (rov. 3.3.1). Ook het nationale procesrecht kent verschillende bepalingen die de persoonlijke levenssfeer beschermen (art. 27 lid 1 Rv, 28 lid 1 aanhef onder b Rv, en art. 22a lid 3 Rv (rov. 3.3.2)). 4.3 De Hoge Raad overweegt dat voor civiele procedures geldt dat gerechten aan een ieder die daarom verzoekt, tijdig informatie moeten verschaffen over de plaats of de wijze van toegankelijkheid van een online zitting, en over het tijdstip van openbare zittingen. Daarbij moeten gerechten de zaken die ter zitting zullen worden behandeld en de namen van de behandelende rechters vermelden, behoudens voor zover het gerecht beslist dat ter bescherming van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen, geen informatie wordt verstrekt (rov. 3.4.1-3.4.5). Bij het verstrekken van informatie aan derden over openbare zittingen dienen effectieve openbaarheid van rechtspleging en de bescherming van persoonsgegevens zoveel mogelijk met elkaar verenigd te worden en dient rekening te worden gehouden met verschillende aspecten van de AVG (rov. 3.4.6). Art. 6 lid 1 sub e AVG biedt een grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens bij het verstrekken van informatie over openbare zittingen aan derden. Ook bespreekt de Hoge Raad nog enkele praktische aspecten van het recht op toegang tot informatie over openbare zittingen (rov. 3.4.7). 4.4 Vervolgens gaat de Hoge Raad uitgebreid in op het recht van een ieder op het ontvangen van uitspraken (rov. 3.5.1-3.5.4). Overwogen wordt dat de AVG een toereikende grondslag biedt voor het op de voet van art. 29 Rv verstrekken van een afschrift van een uitspraak aan een derde. Ook bespreekt de Hoge Raad het verstrekken van andere informatie over lopende procedures dan (specifieke) informatie over openbare zittingen (rov. 3.6.1-3.6.8). Het gaat hier om informatie uit de administratie van de bij een gerecht aanhangige zaken, zoals een overzicht van te behandelen zaken van bepaalde partijen (art. 15 Besluit orde van dienst gerechten (Bodg), zie daarover ook hierna onder 5.24 e.v.). Advocaten en andere betrokkenen moeten bijvoorbeeld in beginsel navraag kunnen doen of een procedure tussen bepaalde partijen aanhangig is. 4.5 Over het verstrekken van informatie over afgesloten zaken vermeldt de Hoge Raad ten slotte dat derden ten aanzien van afgesloten civiele procedures geen aanspraak hebben op andere informatie dan afschriften van gedane uitspraken, binnen de door art. 29 Rv getrokken grenzen. Een dergelijk recht kan ook niet worden ontleend aan het Bodg, omdat dit uitsluitend betrekking heeft op lopende zaken. De Hoge Raad vermeldt in dit verband niets over art. 843a Rv of art. 15 AVG. Slotsom 4.6 De slotsom is dat deze uitspraak niet rechtstreeks van belang is voor de vragen die nu voorliggen. Bij de voorliggende problematiek gaat het niet om het belang van openbaarheid van rechtspraak, maar om de rechten van een belanghebbende, die zélf onderwerp is van de gegevensverwerking door een gerecht. 4.7 Wel volgt uit de uitspraak dat uitgangspunt is dat een derde (waaronder ook betrokkene) ten aanzien van afgesloten zaken in beginsel geen aanspraak recht heeft op andere informatie dan afschriften van de rechterlijke uitspraken binnen de door art. 29 Rv getrokken grenzen. Dit vormt echter geen reden om de voorliggende vragen simpelweg ontkennend te beantwoorden omdat, zoals gezegd (zie onder 4.5), de Hoge Raad niets heeft overwogen over rechten die betrokkene wellicht kan ontlenen aan art. 843a Rv of de AVG. 5. Informatieverstrekking in lopende procedures aan minderjarigen (art. 290 Rv en art. 811 Rv) Recht op inzage in processtukken en afschriften daarvan uit lopende verzoekschriftprocedures (art. 290 Rv) 5.1 Art. 290 lid 1 Rv bepaalt dat de verzoeker en iedere belanghebbende recht hebben op inzage en afschrift van het verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en de processen-verbaal. 5.2 Uit de tekst en de plaatsing in het wettelijk systeem volgt dat deze bepaling slechts betrekking heeft op processtukken in lopende procedures. Dat blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis van art. 290 lid 1 Rv, waarin wordt gewezen op het belang dat de rechter niet beslist aan de hand van stukken die voor belanghebbenden onbekend zijn. Voor de situatie waarop de prejudiciële vragen betrekking hebben, het verkrijgen van inzage in processtukken in een afgesloten procedure, biedt art. 290 Rv dus geen grondslag. Recht op inzage en afschrift voor minderjarige voor bepaalde stukken (art. 811 lid 1 Rv) 5.3 Specifiek voor zaken betreffende minderjarigen is als lex specialis ten opzichte van art. 290 Rv van belang art. 811 Rv. Ook art. 811 Rv ziet uitsluitend op het recht op inzage of afschrift tijdens een lopende procedure. Dat volgt ook uit de verwijzing in art. 811 lid 1 naar art. 290 Rv. 5.4 In art. 811 lid 1 Rv is bepaald dat in zaken betreffende minderjarigen als belanghebbenden bij het recht op inzage en afschrift, als bedoeld in art. 290 Rv, worden aangemerkt (
  4. a)de verzoekers, (
  5. b)ouders en voogden, (
  6. c)degenen die de minderjarige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden en die uit dien hoofde een nauwe persoonlijke betrekking met het kind hebben, en (
  7. d)de minderjarige van twaalf jaren of ouder, tenzij de rechter is gebleken dat hij niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Minderjarigen zijn in hun betreffende zaken dus belanghebbenden, en voor zover een wettelijke bepaling minderjarigen procesbekwaam maakt (zie voor gesloten jeugdhulp bij minderjarigen ouder dan 12 jaar art. 6.1.1 lid 2 Jeugdwet, en voor jeugdhulp bij minderjarigen ouder dan 16 jaar art. 7.3.5 lid 3 Jeugdwet), ook formeel partij. De bepaling specificeert dat deze belanghebbenden recht hebben op inzage en afschrift van de stukken overgelegd door (
  8. i)de Raad voor de Kinderbescherming, (
  9. ii)het openbaar ministerie en (iii) een deskundige op verzoek van de rechter. 5.5 Art. 811 Rv geldt uitsluitend voor de hiervoor genoemde bescheiden. Voor andere stukken die in de procedure worden overgelegd geldt de algemene inzage- en afschriftregeling van art. 290 lid 1 Rv. 5.6 Van belang is met name dat art. 811 lid 1 Rv een eigen recht geeft aan een minderjarige (die tevens belanghebbende
  10. is)op inzage en afschrift van de in de bepaling genoemde stukken. Dat betekent dat de minderjarige dit recht kan uitoefenen zonder tussenkomst van een wettelijk vertegenwoordiger of een bijzondere curator, zo is af te leiden uit een beschikking van de Hoge Raad uit 2014. Daarin werd overwogen dat als de minderjarige niet op grond van een bijzondere wettelijke bepaling procesbekwaam is of een eigen recht is toegekend op bepaalde stukken (vgl. art. 811 lid 1, aanhef en onder d, Rv), hij of zij zich daarvoor dient te wenden tot zijn of haar wettelijk vertegenwoordiger(s). 5.7 Voor de stukken die níet onder de reikwijdte van art. 811 lid 1 Rv vallen zal de minderjarige dus een beroep moeten doen op zijn of haar wettelijke vertegenwoordiger(s), zo volgt uit het arrest (tenzij de minderjarige op grond van een andere wettelijke bepaling procesbekwaam is). Dit betekent dat voor zover art. 811 Rv van toepassing is, niet van belang is dat een minderjarige niet procesbekwaam is (vgl. de prejudiciële vraag onder C). 5.8 Art. 811 Rv is van overeenkomstige toepassing verklaard in het scheidingsprocesrecht indien voorzieningen verzocht worden die minderjarigen betreffen (art. 825 Rv en art. 827 lid 2 Rv). Dat betekent dat minderjarigen van twaalf jaar en ouder ook in echtscheidingszaken een eigen recht hebben op inzage en afschrift van de in art. 811 lid 1 Rv genoemde stukken. Ook de bijlagen vallen onder art. 811 lid 1 Rv 5.9 Het recht op inzage en afschrift van art. 811 lid 1 Rv heeft betrekking op álle stukken die door de Raad voor de Kinderbescherming, het openbaar ministerie of een door de rechter benoemde deskundige zijn overgelegd. Dat betekent dat ook bijlagen bij die stukken onder de reikwijdte van de bepaling vallen. Art. 811 lid 1 Rv heeft geen betrekking op bescheiden die niet in de procedure zijn overgelegd. Uitzondering op het recht op inzage en afschrift wegens bescherming persoonlijke levenssfeer (art. 811 lid 2 Rv); Wet open overheid (art. 5.1 lid 2 sub e Woo) 5.10 Wel kan de uitzonderingsbepaling van lid 2 van art. 811 Rv van belang zijn. Die houdt in dat de rechter inzage of afschrift kan weigeren op een van de gronden genoemd in art. 5.1, lid 2 onder e, en lid 5 van de Wet open overheid. Art. 5.1, lid 2 onder e, Wet open overheid noemt als weigeringsgrond ‘de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer’. In het vijfde lid van art. 5.1 Wet open overheid staat dat in uitzonderlijke gevallen openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege kan blijven, indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Deze weigeringsgrond ziet op onvoorziene situaties waar openbaarmaking van informatie onwenselijk wordt geacht (‘onevenredige benadeling’), maar die niet onder een van de uitzonderingsgronden van art. 5.1 lid 1 of 2 valt. 5.11 Terzijde is op te merken dat de Wet open overheid niet van toepassing is op gerechten (‘met rechtspraak belaste organen’), aangezien gerechten geen bestuursorganen zijn (art. 2.2 lid 1 onder a Woo), en ook niet daarmee gelijk gesteld zijn (art. 2.2 lid 2 Woo). Een inzagerecht in een afgesloten procedure kan dus niet worden gebaseerd op de Wet open overheid. Overigens kan, anders dan onder de Wob, op grond van art. 5.5 lid 1 Wet open overheid wel informatie worden opgevraagd die betrekking heeft op de betrokkene zélf. Andere regelingen die betrekking hebben op gegevens over een verzoeker, zoals art. 15 AVG, hebben echter voorrang (“onverminderd het elders bij wet bepaalde”); art. 5.5 lid 1 Woo is een vangnetbepaling. 5.12 Op grond van de verwijzing in art. 811 lid 2 Rv naar art. 5.1, lid 2 onder e, Wet open overheid kan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden er dus toe leiden dat niet álle stukken bedoeld in lid 1 aan een belanghebbende ter inzage of afschrift worden verstrekt. Hierbij komt het aan op een belangenafweging, zoals blijkt uit de toepasselijke bepalingen uit de Wet open overheid. 5.13 En de verwijzing in art. 811 lid 2 Rv naar art. 5.1 lid 5 Wet open overheid biedt een grondslag om inzage of afschrift te weigeren met het oog op de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene zélf. 5.14 Bij de afweging of op grond van lid 2 van art. 811 Rv inzage of afschrift moet worden geweigerd, zal met grote terughoudendheid gebruik gemaakt moeten worden van de weigeringsmogelijkheid. Het is immers een basaal uitgangspunt dat de rechter beslist op stukken waar alle belanghebbenden kennis van hebben kunnen nemen (art. 6 EVRM). Bescherming persoonlijke levenssfeer van een ander via art. 22a lid 2 Rv 5.15 Als het gaat om in de procedure overgelegde stukken die buiten het toepassingsbereik van art. 811 lid 1 Rv vallen (bijvoorbeeld omdat het gaat om stukken die door een gecertificeerde instelling in de procedure zijn overgelegd), kan strikt genomen geen toepassing worden gegeven aan de weigeringsgrond van art. 811 lid 2 Rv. Uitgangspunt is dan art. 290 Rv, dat aan alle belanghebbenden een algemeen recht verschaft op inzage en afschrift van de processtukken. Een minderjarige moet zich in beginsel wenden tot zijn wettelijk vertegenwoordiger voor gebruik van dit inzagerecht. 5.16 In die situatie kan echter wel een weigeringsgrond worden ontleend aan art. 22a lid 2 Rv. Daarin is bepaald dat de rechter, indien kennisneming van stukken door een partij de persoonlijke levenssfeer van een ander onevenredig zou schaden, kan bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen. 5.17 Art. 22a Rv is opgenomen in de Derde afdeling van het Eerste boek van Rv, waarin de ‘algemene voorschriften voor procedures’ zijn opgenomen (art. 19-35 Rv). Art. 22a Rv geldt dus ook voor verzoekschriftprocedures, waaronder procedures over minderjarigen. 5.18 Om het recht op hoor en wederhoor (art. 6 EVRM) toch te waarborgen in een geval waarin een partij geen kennis dient te nemen van bepaalde informatie, kan een derde van deze informatie kennisnemen. Die derde treedt dan op als gemachtigde van de desbetreffende partij. Het ligt voor de hand dat de partij voor wie een dergelijke beperking van inzage geldt, een voorstel mag doen voor een aan te wijzen gemachtigde. Vrees voor het schaden van lichamelijke of geestelijke gezondheid (art. 22a lid 1 Rv) 5.19 Relevant is ten slotte ook art. 22a lid 1 Rv. Die bepaling houdt in dat de rechter, indien de vrees bestaat dat kennisneming van stukken door een partij haar lichamelijke of geestelijke gezondheid zou schaden, kan bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen. Voor alle duidelijkheid: deze bepaling is er niet voor bedoeld dat de partij via de gemachtigde alsnog kennis kan nemen van de stukken (zie over een dergelijke constructie hierna onder 21.1 e.v.). Het gaat erom dat ondanks het niet kunnen kennisnemen van de stukken door de partij zelf, toch een eerlijke procedure in de zin van art. 6 EVRM kan plaatsvinden. 5.20 Bij de bepaling van art. 22a lid 1 Rv kan de rechter aanknopen in situaties dat het geven van inzage of afschrift in processtukken aan de minderjarige in een jeugdbeschermingsprocedure diens lichamelijke of geestelijke gezondheid zou kunnen schaden (zie ook hierna onder 21.1 e.v.). De bepaling kan zowel worden toegepast als het gaat om stukken die onder de reikwijdte van art. 811 lid 1 Rv vallen, als daarbuiten (art. 290 Rv). 5.21 Ook hier ligt het voor de hand dat degene voor wiens gezondheid wordt gevreesd, een voorstel kan doen voor een aan te wijzen gemachtigde. Uitzonderingen gelden voor zowel minderjarigen als meerderjarigen 5.22 Met het oog op de prejudiciële vraag onder C is volledigheidshalve nog op te merken dat de weigeringsgrond van art. 811 lid 2 Rv geldt voor de in lid 1 van het artikel genoemde belanghebbenden, waaronder dus minderjarigen. 5.23 Maar de specifieke bepalingen van art. 22a lid 1 Rv (vrees voor het schaden van gezondheid betrokkene) en art. 22a lid 2 Rv (bescherming persoonlijke levenssfeer derden) gelden zowel voor minderjarigen als voor meerderjarigen, omdat het gaat om algemene bepalingen die gelden voor álle procedures. Het Bodg 5.24 Art. 11 RO bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de orde van dienst binnen de gerechten. Dat is gedaan met het Bodg. Het Bodg bevat in paragraaf 6 van hoofdstuk 1 bepalingen over inzage in stukken uit rechtszaken. Art. 18 Bodg is een dergelijke bepaling en bepaalt voor (bijvoorbeeld) civiele zaken waarin recht op inzage van stukken bestaat, dat het bestuur van een gerecht de tijden en de wijze waarop inzage kan plaatsvinden vaststelt bij reglement. Art. 18 is afgeleid van art. 17 Bodg dat een vergelijkbaar voorschrift bevat voor strafzaken. Gezien zijn bewoordingen kent art. 18 Bodg geen zelfstandig recht op inzage toe, maar biedt het slechts een grondslag om bestaande rechten op inzage in een reglement (praktisch) uit te werken. Art. 15 Bodg bevat verder voorschriften over de administratie van de bij een gerecht aanhangige zaken, zoals civiele verzoekschriftprocedures. Deze bepaling ziet niet op inzage in processtukken. 5.25 Gerechten hebben verschillende procesreglementen vastgesteld die uitvoering geven aan art. 18 Bodg. Procesreglementen hebben naar hun aard betrekking op lopende rechtszaken. Procesreglement Civiel Jeugdrecht en het Procesreglement Gezag en Omgang 5.26 In procesreglementen hebben gerechten nadere regels opgenomen over de verstrekking van processtukken aan minderjarige belanghebbenden. Volgens die nadere regels worden processtukken rechtstreeks verstrekt aan de minderjarige, zonder tussenkomst van een wettelijk vertegenwoordiger of bijzondere curator. 5.27 Zo bepaalt art. 2.2. van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht dat door de rechtbanken wordt gehanteerd, dat minderjarigen van 12 jaar of ouder in civiele jeugdrechtzaken een afschrift van de verzoekschriften zonder bijlagen ontvangen. Als het gaat om zaken die betrekking hebben op gesloten jeugdhulp, ontvangt de minderjarige van twaalf jaar of ouder alsmede de minderjarige jonger dan twaalf jaar die in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen, steeds een eigen kopie van het verzoekschrift mét alle bijlagen, zo bepaalt art. 2.2. Verder bepaalt art. 1.17 van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht dat de rechtbank een partij desgewenst in de gelegenheid stelt om kennis te nemen van het door de rechtbank aangelegde dossier in haar zaak. 5.28 Ter toelichting is in bijlage C (Toelichting Procesreglement Civiel Jeugdrecht) het volgende vermeld: “Dient de minderjarige een eigen verzoekschrift met bijlagen te krijgen? (2.2) In zaken die geen betrekking hebben op gesloten jeugdhulp is er voor gekozen de minderjarige een eigen verzoekschrift zonder bijlagen te sturen. Het is aan de Raad of de GI het verzoek met de minderjarige te bespreken. In de rapportages staan dikwijls ook gegevens over anderen zoals zijn ouders en broers en zusjes. Indien echter de minderjarige om toezending van de bijlagen verzoekt, kan daaraan worden voldaan, zeker als de minderjarige zestien jaar of ouder is (conform de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming). In zaken die betrekking hebben op gesloten jeugdhulp ontvangt de minderjarige van twaalf jaar of ouder alsmede de minderjarige die jonger is dan twaalf jaar die in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen steeds een eigen verzoekschrift met bijlagen. De achterliggende gedachte is dat deze minderjarigen ingevolge artikel 6.1.2 lid 2 van de Jeugdwet bekwaam zijn in rechte op te treden en dus zelfstandig procespartij zijn.” 5.29 Bij zaken die geen betrekking hebben op gesloten jeugdhulp is het uitgangspunt dus toezending van het verzoekschrift zonder bijlagen aan de minderjarige. Desgevraagd kan een minderjarige wél de bijlagen ontvangen, “zeker” als hij of zij zestien jaar of ouder. 5.30 Maar in zaken die wel betrekking hebben op gesloten jeugdhulp ontvangt een minderjarige van twaalf jaar of ouder, maar ook de minderjarige die jonger is dan twaalf jaar die in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen, ook zonder dat hij of zij erom heeft gevraagd, een eigen verzoekschrift mét bijlagen. De verklaring voor dat laatste is, zo blijkt uit de geciteerde toelichting in het procesreglement, dat als het gaat om gesloten jeugdhulp de betrokkene in zo’n geval volgens de Jeugdwet zelfstandig procespartij is. Het zou dan in strijd zijn met art. 6 EVRM, zo voeg ik toe, om de betrokkene volledige inzage te onthouden (vgl. ook het onder 5.6 besproken arrest van de Hoge Raad). 5.31 Onder jeugdrechters is er discussie over de op art. 2.2 van het Procesreglement gebaseerde praktijk om (ongevraagd) een afschrift van het verzoekschrift toe te zenden aan minderjarigen. Soms kan er heel heftige informatie in een verzoekschrift staan. Een enkele keer vraagt de Raad voor de Kinderbescherming of een gecertificeerde instelling (dat is een door de overheid goedgekeurde organisatie die taken uitvoert op het gebied van jeugdbescherming en jeugdreclassering) om het verzoekschrift om die reden niet door te sturen, waar de rechtbank dan gevolg aan geeft. Het wordt vooral problematisch geacht dat een minderjarige dergelijke post ontvangt, zonder enige toelichting of begeleiding. De informatie in het verzoek- of verweerschrift kan een kind ook verder betrekken in de strijd tussen ouders of de strijd tussen ouder(
  11. s)en de gecertificeerde instelling. 5.32 Mede om deze reden is het praktijk dat de Raad voor de Kinderbescherming doorgaans een inhoudelijk summier verzoekschrift indient. De onderliggende informatie is dan opgenomen in de bijlagen, die de minderjarige niet ontvangt. Het ‘kale’ verzoekschrift is dan minder belastend. 5.33 In de praktijk blijken gecertificeerde instellingen deze werkwijze niet te hanteren; door hen ingediende verzoekschriften bevatten wél geregeld voor de minderjarige belastende informatie. Gezinsvoogden lijken niet altijd te weten dat verzoekschriften ook naar de minderjarigen gaan. De expertgroep jeugdrechters bezint zich op dit moment op aanpassing van de bepalingen in het Procesreglement Civiel Jeugdrecht die hiermee verband houden. 5.34 M.i. zou het Procesreglement Civiel Jeugdrecht kunnen worden aangevuld met een tweetal uitzonderingsbepalingen. De eerste uitzondering zou kunnen zien op het niet-rechtstreeks verstrekken van stukken wanneer die tot een onevenredige aantasting van de persoonlijke levenssfeer van een derde leiden (conform art. 22a lid 2 Rv). De tweede uitzondering zou kunnen inhouden dat stukken niet rechtstreeks worden verstrekt wanneer de vrees bestaat dat kennisneming door een belanghebbende haar lichamelijke of geestelijke gezondheid zou schaden. Voor beide uitzonderingen zou kunnen worden bepaald dat betrokkene desverzocht een gemachtigde kan voorstellen die kennis kan nemen van de stukken. Dat kan een advocaat of arts zijn, of iemand anders die daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen (art. 22a lid 1 en lid 2 Rv, zie onder 5.17 e.v.). 5.35 Voor verzoeken tot beëindiging van gezag in eerste aanleg geldt het Procesreglement Gezag en Omgang. Art. 1.17 van dit procesreglement bepaalt dat de rechtbank een partij desgewenst in de gelegenheid stelt om kennis te nemen van het door de rechtbank aangelegde dossier in haar zaak. Verder bepaalt art. 2.6 van dit reglement dat de rechtbank een afschrift van het verzoekschrift aan belanghebbenden en aan de Raad voor de Kinderbescherming verstrekt. Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven 5.36 In hoger beroep geldt een andere regeling. Daar worden processtukken namelijk níet ongevraagd naar een minderjarige toegestuurd. Zie art. 1.1.17 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven: “Stukken worden niet ongevraagd aan minderjarigen gestuurd en desgevraagd slechts met inachtneming van artikel 811 lid 1 en onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)”. Zoals gezegd geeft art. 811 lid 1 Rv minderjarigen van twaalf jaar of ouder in beginsel wel het recht op inzage en afschrift van enkele specifiek genoemde stukken (zie onder 5.3 e.v.). Verder bepaalt art. 1.1.27 van dit procesreglement: “Belanghebbenden hebben recht op inzage in het griffiedossier van hun zaak.” Slotsom 5.37 In het hypothetische geval dat betrokkene (als minderjarige van twaalf jaar of ouder) tijdens een lopende procedure om inzage of afschrift had gevraagd van de processtukken had hij op grond van art. 811 lid 1 jo. art. 290 Rv daar in beginsel recht op gehad. Hij zou dan zowel de door de Raad voor de Kinderbescherming in het geding gebrachte stukken als – in de procedure over de ontzetting van zijn biologische ouders uit de ouderlijke macht – die van het openbaar ministerie hebben ontvangen. 5.38 In beginsel zouden ook de bijlagen bij de verzoekschriften van de Raad voor de Kinderbescherming en het openbaar ministerie daaronder zijn gevallen (zie onder 5.9). Dat hij daarvan afschrift zou hebben gekregen, volgt ook uit art. 2.2 van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht. 5.39 Het is echter ook mogelijk dat de rechter op grond van een in het kader van art. 811 lid 2 Rv te maken belangenafweging zou hebben geoordeeld dat een deel van die stukken wegens een te grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van zijn biologische ouders, zonder hun toestemming, niet rechtstreeks aan hem kunnen worden verstrekt. Voor stukken die niet onder de reikwijdte van art. 811 Rv vallen zou die conclusie kunnen zijn getrokken op grond van art. 22a lid 2 Rv. De stukken hadden dan wel aan een derde ter kennisneming kunnen worden verstrekt (zie onder 5.15 e.v.). 5.40 Verder zou de rechter op grond van art. 22a lid 1 Rv hebben kunnen oordelen dat de vrees bestaat dat het verstrekken van inzage in alle stukken de geestelijke of lichamelijke gezondheid van betrokkene zou kunnen schaden. Ook in dat geval hadden de stukken wel aan een derde kunnen worden verstrekt (zie onder 5.19 e.v.). 6Andere instanties die beschikken over dossiers over betrokkene 6.1 Informatie over betrokkene is niet alleen te vinden in de civiele dossiers van de rechtbank. Ook andere organisaties zullen informatie over hem in dossiers hebben opgeslagen. Dat zullen in ieder geval zijn de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling die tot voogdes van betrokkene was benoemd en waarvan betrokkene onder toezicht was gesteld (namelijk Bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam). Ook zullen er wellicht strafrechtelijke dossiers zijn waarin (summierlijk) gegevens over betrokkene zijn opgenomen, nu de biologische ouders van betrokkene strafrechtelijk zijn veroordeeld. Ten slotte is het mogelijk (maar dat doet zich in het voorliggende geval niet voor) dat er zoveel tijd is verstreken dat de rechtbank de dossiers niet meer in haar archieven heeft, maar deze heeft overgebracht naar een zogenoemde archiefbewaarplaats. 6.2 Dit roept de vraag op of betrokkene zich ook tot deze instanties zou kunnen wenden met een verzoek om informatie. Ook rijst de vraag welke afwegingskaders deze instanties gebruiken als om informatie wordt verzocht en welke informatie (naar verwachting) dan zou worden verstrekt. 6.3 Om deze vragen te kunnen beantwoorden zal hierna worden besproken of iemand als betrokkene aanspraak kan maken op informatieverstrekking door achtereenvolgens de Raad voor de Kinderbescherming (hoofdstuk 7), de gecertificeerde instelling (hoofdstuk 8), de strafrechter (hoofdstuk 9) en een archiefbewaarplaats (hoofdstuk 10). 7Informatieverstrekking door de Raad voor de Kinderbescherming 7.1 Ook de Raad voor de Kinderbescherming beschikt over informatie over de kinder- en jeugdtijd van mensen die te maken hebben gehad met beschermingsmaatregelen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft als taak om de gezonde en stabiele ontwikkeling van kinderen te beschermen, zo is vermeld in het Kwaliteitskader van de Raad. Ter vervulling van deze taak is aan de Raad een veelheid van wettelijke taken opgedragen: beschermingstaken, taken rond gezag en omgang na een echtscheiding, taken rond het afstaan en adopteren van kinderen, pleegouderschap en afstammingsvragen, taken rond strafbare feiten gepleegd door jongeren en taken rond schoolverzuim. De Raad oefent deze taken uit namens de minister voor Rechtsbescherming (art. 1:238 lid 2 BW). 7.2 De Raad kan de rechter verzoeken een minderjarige onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling (art. 1:255 BW). De gecertificeerde instelling kan na een ondertoezichtstelling schriftelijke aanwijzingen geven die zien op de verzorging en opvoeding van de minderjarige ingeval de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemt met dan wel niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van een hulpverleningsplan of plan van aanpak ten behoeve van de minderjarige (art. 1:263 lid 1 BW). Verder kan de Raad een verzoek doen tot uithuisplaatsing van een minderjarige die onder toezicht is gesteld (art. 1:265 BW e.v., met name art. 1:265b lid 2 BW). Ook kan de Raad een verzoek doen tot beëindiging van het ouderlijk gezag (art. 1:266 BW e.v.). Bij de uitoefening van deze bevoegdheden is de Raad als procespartij betrokken en ontvangt hij dus de processtukken die tijdens deze procedures worden uitgewisseld. 7.3 Naast deze processuele bevoegdheden heeft de Raad voor de Kinderbescherming een adviserende taak bij een voornemen van een gecertificeerde instelling om een ondertoezichtstelling te verlengen ingeval een uithuisplaatsing minstens twee jaar heeft geduurd (art. 1:265j lid 3 BW). Ook in het kader van een verzoek om beëindiging van het ouderlijk gezag dat door het openbaar ministerie wordt gedaan heeft de Raad een adviserende taak. Kwaliteitskader Raad voor de Kinderbescherming 7.4 Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden maakt de Raad voor de Kinderbescherming gebruik van gegevens die betrekking hebben op de minderjarige en andere betrokken personen, zoals de (pleeg)ouders van de minderjarige. In het Kwaliteitskader Raad voor de Kinderbescherming 2023 heeft de Raad vastgelegd op welke wijze bij hem dossiervorming en privacybewaking is vormgegeven ten aanzien van deze gegevens, met name in het licht van de AVG. Voor deze zaak zijn vooral de volgende onderdelen van belang: - de Raad voor de Kinderbescherming maakt voor een minderjarige waarmee hij bemoeienis heeft een dossier aan. Hij registreert daarin onder meer binnengekomen en uitgaande stukken, waaronder ook processtukken vallen (in de passages wordt genoemd dat een dossier van de Raad (volledig) uit processtukken kan bestaan); - ingeval van een gezagsbeëindigende maatregel of een screening van een pleeggezin wordt het dossier voor onbeperkte tijd bewaard. Ingeval van een beschermingsonderzoek geldt een bewaartermijn van 100 jaar na de geboorte van het kind; - een dossier wordt in zijn geheel bewaard. De langste bewaartermijn in een dossier geldt; - in de privacyverklaring van de Raad voor de Kinderbescherming wordt aangegeven wat de mogelijkheden voor inzage in dossiers zijn. Privacyverklaring Raad voor de Kinderbescherming 7.5 Uit de genoemde privacyverklaring van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat personen voor wie een dossier is aangemaakt, kunnen verzoeken om inzage in of om een kopie van hun dossier. Als het dossier ook persoonsgegevens van andere personen bevat, vraagt de Raad wat zij vinden van het verzoek: 7.6 Het is formeel de minister van Rechtsbescherming die als bestuursorgaan een besluit neemt over het verlenen van inzage of kopie van een dossier dat berust bij de Raad. 7.7 Uit informatie die ik heb ingewonnen bij de stafdienst van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat er jaarlijks ongeveer 500 verzoeken om inzage in afgesloten dossiers worden gedaan (dit betreft ook nog lopende dossiers). Deze verzoeken worden op lokaal niveau behandeld. De verzoeken zijn voor een deel afkomstig van mensen die het dossier willen inzien dat informatie over hun kindertijd bevat, maar kan ook door andere belanghebbenden zijn gedaan, zoals ouders, grootouders, partners. 7.8 Uit de (mondelinge) informatie die ik heb gekregen kwam verder het volgende naar voren. 7.9 In de meeste gevallen worden de verzoeken behandeld als een AVG-verzoek. Alleen als er in het verzoek specifiek wordt verwezen naar de Wet open overheid, wordt het als een Woo-verzoek behandeld (op grond van art. 5.5 lid 1 Woo, zie onder 5.11). De Raad merkt op dat de behandeling van AVG en Woo verzoeken binnen de Raad in de praktijk verschillend is vanwege de verschillende juridische kaders, waardoor deze niet precies gelijk worden behandeld. 7.10 De werkwijze is doorgaans dat per dossier wordt beoordeeld of er persoonsgegevens van derden in zijn verwerkt, waarvoor de dossiers pagina voor pagina worden doorgelopen. Van de verwerking van persoonsgegevens van derden is eigenlijk altijd sprake, alleen al omdat de meeste dossiers bij de Raad gericht zijn op het verzamelen van informatie over het gezin. De informatie over een bepaald persoon (kind) is daarom eigenlijk altijd verweven met informatie over andere gezinsleden. Terzijde merk ik op dat de hiervoor door de Raad in de Privacyverklaring gebruikte term ‘kinddossier’ eigenlijk niet helemaal de lading dekt, omdat het in feite een ‘gezinsdossier’ is. 7.11 Gezinsleden of andere derden over wie informatie in het dossier is opgenomen, worden benaderd om hun zienswijze te geven. Als wordt ingestemd met vrijgeven, wordt de informatie verstrekt aan de verzoeker. Als níet wordt ingestemd (doorgaans omdat niet wordt gereageerd) worden álle persoonsgegevens die betrekking hebben op derden weggelakt. Dat geldt niet alleen voor namen maar ook voor bepaalde passages. De namen van betrokken raadsmedewerkers worden soms, maar niet altijd, geanonimiseerd. Strafrechtelijke gegevens worden niet verstrekt, zo heb ik begrepen. 7.12 Verder was het voorheen praktijk dat een betrokkene werd uitgenodigd om op kantoor bij de Raad voor de Kinderbescherming in de dossiers te kijken. Daar was dan een raadsmedewerker bij aanwezig, die betrokkene begeleidde en zo nodig van aanvullende informatie voorzag. Nu de dossiers grotendeels digitaal zijn geworden, is die praktijk echter deels verlaten en worden de dossiers digitaal ter beschikking gesteld, zonder dat er begeleiding is tijdens het kennisnemen van de informatie. Dit geldt niet voor adoptiedossiers van de Raad voor de Kinderbescherming: voor deze dossiers vindt wel begeleiding bij inzage plaats, althans dat heb ik begrepen. 7.13 Al met al wordt de problematiek rond het verstrekken van informatie uit dossiers binnen de Raad als tamelijk complex gezien. De gedachte leeft dat er wellicht een specifieke wettelijke regeling moet komen, net als die er is voor de gecertificeerde instellingen (namelijk de Jeugdwet, zie hierna hoofdstuk 8). De Raad valt niet onder de Jeugdwet, omdat de Raad niet kwalificeert als een gecertificeerde instelling noch als een jeugdhulpverlener. Rechtspraak 7.14 Inzage in een dossier van de Raad was aan de orde in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 28 oktober 2020. In deze zaak had een vader op grond van art. 15 AVG verzocht om de verstrekking van een afschrift van het dossier van de Raad over zijn zoon. De minister voor Rechtsbescherming willigde het verzoek van de vader in. In hoger beroep overwoog de Afdeling dat het verzoek van de vader betrekking had op correspondentie tussen de moeder en de Raad voor de Kinderbescherming (briefcorrespondentie en e-mails). Vervolgens oordeelde de Afdeling dat art. 15 AVG (zie daarover nader onder 18.5 e.v.) alleen een grondslag biedt voor inzage in persoonsgegevens van verzoeker zelf, in dit geval de vader. Het toewijzende besluit van de minister zou echter tot gevolg hebben dat óók persoonsgegevens van moeder aan de vader zouden worden verstrekt, omdat een aantal documenten persoonsgegevens van beiden bevatte. Deze persoonsgegevens van moeder waren bovendien voor een deel zeer persoonlijk. Onderdeel van de documenten was bijvoorbeeld een persoonlijk relaas van de moeder over de contacten met de vader. Dit bracht de Afdeling tot het oordeel dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat het verstrekken van de persoonsgegevens van de vader door middel van het verstrekken van documenten met onder meer informatie over de moeder was toegestaan op grond van art. 15 AVG. Ook oordeelde de Afdeling dat onduidelijk is gebleven of de verwerking van de persoonsgegevens, waaronder ook verstrekking moet worden verstaan, in overeenstemming met art. 6 van de AVG plaatsvindt. Het besluit van de minister werd dan ook vernietigd. Hierna zal nader worden ingegaan op deze aspecten van de AVG (zie onder 18.20). 7.15 In relatie tot de voorliggende vragen is te constateren dat het in deze zaak ging om een verzoek van een ouder in het gezinsdossier. Daarmee is de context voor het afwegingskader wezenlijk anders dan bij een verzoek van een kind, althans een volwassene die informatie wil over zijn kindertijd. Daarvoor gelden specifieke uitgangspunten, zoals hierna nog zal worden besproken. 7.16 Verder is nog te noemen een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 20 februari 2019. Daar ging het om een kind dat inzage wilde in screeningdossiers van zijn pleegouders bij wie hij tien maanden in huis had gewoond. Met toepassing van toen nog geldende Wet bescherming persoonsgegevens wees de Afdeling het verzoek af, omdat het ging om persoonsgegevens van de pleegouders en niet van het kind zelf. 8Informatieverstrekking door gecertificeerde instellingen 8.1 De Jeugdwet bevat verschillende verplichtingen tot het verstrekken van informatie over de jeugd van een betrokkene door een jeugdhulpverlener en een gecertificeerde instelling. Deze verplichtingen zijn te vinden in paragraaf 7.3 van de Jeugdwet (art. 7.3.1 lid 1 in verbinding met art. 7.3.2 en 7.3.10-7.3.12b). De inhoud van paragraaf 7.3 is voor een groot deel gebaseerd op gelijksoortige bepalingen uit de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Betrokkene-begrip 8.2 Voor de reikwijdte van de verplichtingen op grond van paragraaf 7.3 van de Jeugdwet is bepalend of sprake is van ‘een betrokkene’. In paragraaf 7.3 wordt onder een betrokkene verstaan: een persoon aan wie rechtstreeks jeugdhulp wordt verleend, ten aanzien van wie de verlening van jeugdhulp wordt voorgesteld, of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt uitgevoerd of de uitvoering daarvan wordt voorgesteld (art. 7.3.1 lid 2). Personen ten aanzien waarvan geen sprake is van (een voornemen tot het initiëren van) jeugdhulp, een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (zoals een ouder van het betrokken kind), vallen dus niet onder het betrokkenebegrip. De parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Hoge Raad bevestigen dit. Deze (andere) personen hebben daarom geen recht op informatie op grond van de informatieplicht van art. 7.3.2 lid 1 of het inzagerecht van art. 7.3.10 van de Jeugdwet (zie hierna) en kunnen ook geen verzoek doen tot vernietiging of verwijdering van gegevens uit het dossier op de voet van art. 7.3.9 van de Jeugdwet. Zij kunnen zich echter wel beroepen op de Wbp (oud) of de AVG, zo overwoog de Hoge Raad in een arrest uit 2021. 8.3 Uit hetzelfde arrest – waarin een vader verzocht om gegevens van hem en zijn dochter te verwijderen uit een (afgesloten) dossier van een jeugdbeschermingsinstelling – is af te leiden dat de Hoge Raad art. 7.3.1 lid 2 Jeugdwet ruim opvat. Onder het betrokkenebegrip vallen namelijk óók personen aan wie rechtstreeks jeugdhulp is verleend, ten aanzien van wie de verlening van jeugdhulp is voorgesteld, of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is uitgesproken of de uitvoering daarvan is voorgesteld. Daarmee blijven verplichtingen op grond van paragraaf 7.3 van de Jeugdwet relevant, ook als niet langer sprake is van (een voornemen tot het initiëren van) jeugdhulp, een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. 8.4 Deze ruime lezing wordt ook ondersteund door art. 7:456 BW (het inzagerecht bij geneeskundige behandelingen), waarop het inzagerecht van art. 7.3.10 is gebaseerd. Op grond van art. 7:456 BW kan een patiënt natuurlijk ook ná de zorgverlening inzage in en afschrift van de gegevens uit zijn dossier vragen (voor zover het dossier nog niet is vernietigd). Tjong Tjin Tai merkt met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis nog op dat bij inzage op grond van art. 7:456 BW een hulpverlener “op grond van de zorg van een goed hulpverlener desgewenst uitleg of begeleiding” zal “moeten geven over het uitoefenen van dit inzagerecht”. Informatieplicht 8.5 Art. 7.3.2 lid 1 Jeugdwet bevat een ruime en zelfstandige informatieplicht voor jeugdhulpverleners. Zonder dat een betrokkene daartoe een verzoek hoeft te doen, licht een jeugdhulpverlener de betrokkene op een duidelijke wijze in, die past bij zijn bevattingsvermogen. Een jeugdhulpverlener overlegt verder tijdig met de betrokkene over het voorgenomen onderzoek, de voorgestelde jeugdhulp, de ontwikkelingen omtrent de jeugdhulp en over de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Een jeugdige die de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, wordt op zodanige wijze ingelicht als past bij zijn bevattingsvermogen. Art. 7.3.2 lid 2-3 bevatten nadere voorschriften over de informatieplicht van art. 7.3.2 lid 1. Voor zover het verstrekken van inlichtingen kennelijk ernstig nadeel voor de betrokkene oplevert, kunnen inlichtingen worden onthouden, en indien het belang van betrokkene dit vereist, dient de jeugdhulpverlener of de gecertificeerde instelling de desbetreffende inlichtingen aan een ander te verstrekken (art. 7.3.2 lid 4). Ten aanzien van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering geldt het voorgaande voor medewerkers van gecertificeerde instellingen (art. 7.3.1 lid 1). Dossiervorming 8.6 Informatie over een betrokkene wordt geregistreerd in een dossier. Art. 7.3.1 lid 1 in verbinding met art. 7.3.8 lid 1 Jeugdwet bepaalt namelijk dat de jeugdhulpverlener en de medewerker van de gecertificeerde instelling een dossier inrichten met betrekking tot de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Het dossier bevat aantekeningen van gegevens over de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en uitgevoerde verrichtingen, alsmede andere gegevens voor zover opname daarvan noodzakelijk is voor een goede hulpverlening aan de betrokkene. In beginsel wordt een dossier twintig jaar bewaard, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de laatste wijziging in het dossier heeft plaatsgevonden, of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een goed jeugdhulpverlener voortvloeit (art. 7.3.8 lid 3). In een dossier van een gecertificeerde instelling kunnen ook processtukken zijn opgeslagen, nu een gecertificeerde instelling betrokken kan zijn in procedures over ondertoezichtstellingen en beëindiging van gezag (art. 1:259-1:261, 1:262b-263, 1:265b-265c, 1:265e, 1:265g-1:265i en 1:265k BW). Inzagerecht in dossiers 8.7 Voor inzage in dossiers bevat de Jeugdwet een specifieke regeling in art. 7.3.10-7.3.12b. Het uitgangspunt is dat de jeugdhulpverlener en de medewerker van de gecertificeerde instelling aan de betrokkene desgevraagd inzage in en afschrift van de gegevens uit het dossier verschaffen, maar dit blijft achterwege voor zover dat noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander (art. 7.3.1 lid 1 in verbinding met art. 7.3.10). Een verzoek kan ook betrekking hebben op een gedeelte van een dossier. 8.8 Tegen beslissingen van jeugdhulpverleners en gecertificeerde instellingen die zij hebben genomen op grond van paragraaf 7.3 van de Jeugdwet staat op grond van art. 7.3.17 een civielrechtelijke rechtsgang open. Datzelfde geldt volgens art. 7.3.17 Jeugdwet voor beslissingen op inzageverzoeken op grond van de AVG. 8.9 Onduidelijk is of art. 7.3.10 moet worden beschouwd als een (bijzondere en/of aanvullende) concretisering van de AVG, of als een bijzondere regeling die derogeert aan de AVG. In ieder geval is art. 7.3.10 Jeugdwet in 2018 gewijzigd ter uitvoering van de AVG. Privacyreglement gecertificeerde instelling 8.10 De gang van zaken bij een verzoek om inzage van een dossier is door gecertificeerde instellingen nader geregeld in een door Jeugdzorg Nederland opgesteld ‘Privacyreglement Gecertificeerde Instelling’ (daarin zijn overigens ook tal van andere regels over gegevensverwerking door GI’s te vinden). In art. 11 van het Privacyreglement is een regeling gegeven voor inzage en afschrift voor ‘de cliënt’. Deze regels stemmen in grote lijnen overeen met het hiervoor geschetste kader dat art. 7.3.10 van de Jeugdwet biedt. ‘De cliënt’ is in art. 1 sub f van het reglement gedefinieerd als: “een jeugdige ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt uitgevoerd of de uitvoering daarvan wordt voorgesteld en zijn ouder(s).” 8.11 Vermeldenswaardig is wat er in het reglement vermeld is in de toelichting op art. 11 van het reglement: “1. en schriftelijk stuk kan informatie bevatten over anderen dan degene die inzage vraagt: In het cliëntdossier komen naast de gegevens van de cliënt ook gegevens van anderen voor. Het gaat dan om de jeugdige en zijn ouders, maar ook regelmatig om stiefouders, pleegouders, broers, zussen, grootouders, etc. Daarnaast heeft de GI ook contact met andere hulpverleners, met school, etc. De gegevens van de verschillende personen en instanties zijn vaak zo nauw met elkaar verbonden dat het scheiden van de gegevens niet mogelijk en niet wenselijk is. Door deze samenhang en het door elkaar lopen van de gegevens van de verschillende personen, is het moeilijk om iedere persoon apart inzage te verlenen in zijn eigen gegevens, zonder dat daarbij gegevens van anderen worden prijsgegeven. Dit gemengde karakter van de dossiers brengt met zich mee dat soms weigering van inzage ter bescherming van anderen dan de cliënt nodig kan zijn. Als gegevens van bijvoorbeeld andere gezinsleden dermate verweven zijn met de gegevens van de cliënt dat zij moeilijk te scheiden zijn, dan worden zij geacht de cliënt zelf te betreffen en niet de ‘derde’. Anders ligt het voor gegevens die dermate los staan van de cliënt, dat er sprake is van ‘voldoende zelfstandigheid’. De hulpverlener moet in dat geval afwegen of de persoonlijke levenssfeer van de derde zou worden geschaad, als inzage wordt verleend aan de cliënt. De belangen van de diverse personen moeten tegen elkaar worden afgewogen. Vervolgens wordt bepaald of de cliënt inzage krijgt in (een gedeelte van) het dossier. Het belang van de jeugdige staat daarbij uiteraard voorop. Als de ander, op wie de persoonsgegevens betrekking hebben, toestemming geven, kan inzage worden verschaft. Deze persoon kan zich echter niet altijd op schending van zijn privacy beroepen en op die manier de inzage van de cliënt blokkeren. Uitgangspunt blijft namelijk openheid naar de cliënt toe. Alleen indien het belang van de ander dan de cliënt zwaarwegend is, moet de hulpverlener inzage aan de cliënt weigeren. 2. Een informant kan belang hebben bij het feit dat niet bekend wordt dat hij die informatie heeft verstrekt. In bepaalde gevallen kan iemand die informatie aan de GI heeft verstrekt, er belang bij hebben dat niet bekend wordt dat de informatie van hem afkomstig is. Het kan zowel gaan om informatie van particulieren als van beroepskrachten. Uitgangspunt blijft ook hier openheid naar de cliënt. In principe zal voor beroepskrachten eerder gelden dat zij niet anoniem informatie kunnen verstrekken. Het is wel van belang dat een hulpverlener van de GI vooraf aan de informant meldt dat de informatie in principe wordt besproken met de jeugdige en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger.” 8.12 Zowel het vermelde onder 1 als onder 2 bieden m.i. nuttige aanknopingspunten voor het bieden van inzage in afgesloten procesdossiers door een gerecht. In de eerste plaats omdat een handvat wordt geboden voor het maken van een onderscheid tussen (
  12. i)gegevens van andere gezinsleden die zodanig verweven zijn met de gegevens van de verzoeker (cliënt) dat zij daarvan niet zijn te scheiden, en (
  13. ii)gegevens die dermate losstaan van verzoeker dat sprake is van zelfstandige gegevens. 8.13 In de tweede plaats omdat als uitgangspunt wordt gegeven dat ook informatie die derden hebben verstrekt in beginsel voor verstrekking in aanmerking kan komen. Ook dit biedt een aanknopingspunt voor de inzage in afgesloten procesdossiers. 8.14 Verder noem ik nog de weigeringsgrond van lid 4 van art. 11 van het Privacyreglement, dat informatieverstrekking kan worden geweigerd indien de gecertificeerde instelling hierdoor niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen. In de toelichting op deze bepaling wordt onder meer genoemd “gevallen waarin gevreesd moet worden voor het toebrengen van psychische schade aan de jeugdige”. 8.15 Uit informatie die ik heb ingewonnen bij Jeugdzorg Nederland blijkt dat bij de GI’s meerdere inzageverzoeken per week binnenkomen. Een ruime meerderheid van die verzoeken is afkomstig van een ouder; een minderheid is afkomstig van iemand als betrokkene, die meer te weten wil komen over zijn of haar persoonlijke geschiedenis. Informatieverzoeken kunnen betrekking hebben op zowel lopende als afgesloten dossiers. De verzoeken worden door de individuele GI’s behandeld, aan de hand van het eerder genoemde privacyreglement. 8.16 Als er een informatieverzoek binnenkomt, komt het geregeld voor dat een GI aan de verzoeker vraagt of toestemming is verleend door de derden over wie het dossier (ook) informatie bevat. Verzoeker moet dan een verklaring kunnen laten zien van die derde. Als het gaat om een lopend dossier, kan de hulpverlener ook zelf om toestemming van de derde vragen. Als die toestemming er niet is, wordt per dossierstuk nagegaan of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden met zich brengt dat informatie uit het dossier moet worden verwijderd of zwart gemaakt. Dat laatste gebeurt niet met de namen van familieleden, maar wel als het gaat om bijvoorbeeld een persoonlijkheidsonderzoek van een ouder of specifieke informatie over een broertje of zusje. Als het gaat om inzage in een afgesloten dossiers, benadert de GI de betrokken derden niet zelf; het is aan verzoeker om voor toestemming te zorgen. 8.17 Bij informatieverzoeken zoals die van betrokkene in de voorliggende procedure, biedt de GI ondersteuning aan bij het inzien van het dossier. De betrokkene krijgt dan – desgewenst – begeleiding bij het inzien van de dossiers. Die begeleiding kan worden geboden door een jeugdbeschermer die het gezin (nog) kent, of door bijvoorbeeld een gedragswetenschapper. Zij kunnen ook eventuele vragen beantwoorden en de betrokkene voorzien van contextuele informatie. 8.18 Al met al worden de inzageverzoeken getypeerd als ‘het leveren van maatwerk’, en ‘tijdrovend’. Hoewel heel belangrijk, moet dat laatste ook worden gezien in het licht van personeelstekorten. Rechtspraak 8.19 Een concreet voorbeeld van een op de UAVG gebaseerd verzoek van een moeder om inzage in persoonsgegevens waarover een gecertificeerde instelling beschikte is te vinden in een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden: “5.4 Het in artikel 15, lid 3 van de AVG bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet, op grond van het bepaalde in het vierde lid, geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen. Inzage moet dan ook worden geweigerd indien de persoonlijke levenssfeer van een derde daardoor zou worden geschaad. Met name in een dossier als het onderhavige, zijn de gegevens van verschillende personen vaak zo nauw verbonden met gegevens over de jeugdige of anderen dat het onderscheiden ervan vaak niet mogelijk is. Het is daardoor moeilijk om iedere persoon apart inzage te verlenen in zijn eigen gegevens zonder dat daarbij gegevens van anderen worden prijsgegeven. De GI moet in zo een geval afwegen of de persoonlijke levenssfeer van de derde zal worden geschaad bij het verstrekken van inzage. De belangen van de diverse personen moeten dan tegen elkaar worden afgewogen. 5.5 Zoals door de GI ter zitting in hoger beroep nader is toegelicht, zijn aan [verzoekster] alle gegevens verstrekt die rechtstreeks op haar betrekking hebben. De GI heeft geen gegevens (van [verzoekster]) verstrekt die aan de orde zijn gekomen in de contacten die de GI heeft onderhouden met [verweerder] of [de minderjarige], omdat verstrekking niet mogelijk zou zijn zonder daarbij de belangen van [verweerder] en [de minderjarige] te schaden. Gegevens uit contactjournaals van [verweerder] en [de minderjarige] kunnen, nog daargelaten de vraag hoe ruim het begrip “gegevens” zou moeten worden opgevat, naar het oordeel van het hof niet worden verstrekt zonder daarbij de belangen van deze personen te schaden. Het voorstel van [verzoekster], om de namen van [verweerder] en [de minderjarige] in dat verband onzichtbaar te maken, geeft gelet op de context van deze gegevens, (in het geheel) geen waarborg voor de bescherming van deze belangen. Het is voor een ieder immers duidelijk om welke personen het gaat. 5.6 Eventuele persoonlijke aantekeningen van de jeugdbeschermer vallen naar het oordeel van het hof in beginsel niet onder het inzagerecht van [verzoekster]; dit betreft slecht een persoonlijk hulpmiddel voor de jeugdbeschermer. Voor zover deze aantekeningen tot actie hebben geleid, zullen zij in nadere stukken zijn verwerkt, die vervolgens wel aan [verzoekster] zijn verstrekt.” 8.20 Ook hier is dus het probleem gesignaleerd van het verweven zijn van persoonsgegevens in de dossiers waarom het hier gaat. Voor wat betreft de belangenafweging die het hof maakt is op te merken dat het hier niet gaat om een verzoek van het kind zelf, maar om een verzoek van moeder om informatie over het kind. Dat heeft invloed op de inhoud van de belangenafweging, alleen al omdat de hierna nog te bespreken doorwerking van het IVRK en art. 8 EVRM niet (op dezelfde wijze) speelt (zie hoofdstuk 13 en 14). Slotsom 8.21 Iemand als betrokkene kan op grond van art. 7.3.10 Jeugdwet in beginsel aanspraak maken op een kopie van zijn dossier dat berust bij de gecertificeerde instelling die betrokken is geweest bij de jegens hem uitgevoerde of opgelegde jeugdbeschermingsmaatregelen. Als uitzondering geldt dat verstrekking achterwege blijft voor zover dat noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander (zie hiervoor onder 8.7). Maar ook psychische schade aan de jeugdige en onveiligheid kunnen een weigeringsgrond opleveren (zie onder 8.14). 8.22 Uit de door de rechtbank geschetste gang van zaken blijkt dat de gecertificeerde instelling waarom het hier gaat, Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, betrokkene heeft verwezen naar de rechtbank. Wat de reden hiervoor is geweest, is niet vermeld. 8.23 Voor het verlenen van inzage door de rechtbank doet dat ook eigenlijk niet ter zake. Maar van belang is wel dat de dossiers die berusten bij Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond zeker niet één-op-één dezelfde informatie zullen bevatten als de rechtbankdossiers. De dossiers bij Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond bevatten naar alle waarschijnlijkheid ook gespreksverslagen met ouders en/of kinderen, rapportages van hulpverleners, eventuele mailwisselingen tussen hulpverleners en ouders of andere familieleden, financiële gegevens over het gezin, en jaarlijkse plannen/evaluaties over de verleende pleegzorg aan betrokkene. Daarmee is zeker niet uit te sluiten dat betrokkene ook een zelfstandig belang heeft bij inzage in de jeugdzorgdossiers. 9Inzage in stukken uit afgesloten strafzaken 9.1 In de voorliggende zaak zijn de biologische ouders van betrokkene strafrechtelijk veroordeeld. Dat betekent dat er ook een strafrechtelijk dossier is. Daarmee rijst de vraag of er mogelijkheden zijn voor betrokkene om informatie uit de strafzaak te krijgen. 9.2 Hierbij is wel van belang dat de strafrechtelijke veroordeling van de biologische ouders van betrokkene niet ziet op hun handelen ten opzichte van betrokkene of diens broers en zussen. 9.3 Een algemene grondslag voor het verkrijgen van een afschrift van een strafrechtelijke uitspraak voor iedere derde, dus ook door betrokkene, is te vinden in art. 365 lid 4 Sv. De bepaling houdt in dat de voorzitter desgevraagd een afschrift van het vonnis en van het proces-verbaal van de terechtzitting verstrekt aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van de voorzitter ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het vonnis is gewezen of van de derden die in het vonnis of in het proces-verbaal worden genoemd, geheel of gedeeltelijk moet worden geweigerd. In het laatste geval kan de voorzitter een geanonimiseerd afschrift of een uittreksel van het vonnis en het proces-verbaal verstrekken. 9.4 Lid 5 van art. 365 Sv bepaalt dat onder het vonnis zijn begrepen de stukken die aan de uitspraak zijn gehecht, en dat van andere tot het strafdossier behorende stukken geen afschrift of uittreksel wordt verstrekt. Zowel voor de route van lid 3 als die van lid 4 geldt dus dat wel de aan de uitspraak gehechte stukken kunnen worden verkregen, maar níet andere tot het strafdossier behorende stukken. Overigens is onduidelijk welke stukken bedoeld zijn met ‘stukken die aan de uitspraak zijn gehecht’. 9.5 De regeling van art. 365 lid 4 Sv beoogt aan te sluiten bij de regeling voor civiele uitspraken in art. 29 lid 2 Rv, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis. Net als voor art. 29 lid 2 Rv geldt ook voor art. 365 lid 4 Sv dat het alleen een grondslag biedt voor het verkrijgen van een afschrift van de uitspraak, en dus niet voor het verkrijgen van inzage in het (afgesloten) procesdossier (zie ook hoofdstuk 15). 9.6 Maar er zijn ook verschillen tussen art. 365 lid 4 Sv en art. 29 lid 2 Rv. Bij een verzoek op grond van art. 29 lid 2 Rv is het de griffier die afschrift verstrekt (met een beperkte afwegingsruimte, zie hierna onder 15.1). Bij art. 365 lid 4 Sv is het de voorzitter van de strafkamer die een beslissing neemt. De voorzitter heeft wél afwegingsruimte, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis: “De voorzitter van de strafkamer heeft de bevoegdheid om ingevolge artikel 365, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering het verzoek van ieder ander dan de verdachte om verstrekking van een afschrift van het vonnis geheel of gedeeltelijk af te wijzen ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het vonnis is gewezen of van derden die in het vonnis worden genoemd. Om deze belangenafweging op een goede wijze te kunnen maken heeft de voorzitter inzicht nodig in de overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan het verzoek van de derde. Gesteld kan daarom worden dat het recht van de derde om ingevolge artikel 365, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering een afschrift van een vonnis te verzoeken, een plicht veronderstelt in zijn verzoek te motiveren om welke redenen hij dit afschrift wenst. Degene die zijn verzoek niet of nauwelijks motiveert, loopt het risico dat zijn belang onvoldoende kan worden meegewogen.” 9.7 Als betrokkene op de voet van art. 365 lid 4 Sv zou verzoeken om een afschrift van het strafvonnis, zal hij dus moeten motiveren waarom hij dat wil. 9.8 In de praktijk blijkt soms op grond van een belangenafweging een negatieve beslissing te worden gegeven op een verzoek om afschrift van een strafrechtelijke uitspraak. 9.9 Voor wat betreft de afweging van belangen in een geval als dat van betrokkene, verwijs ik naar wat hierna zal worden besproken over de belangenafweging in het kader van de AVG (zie onder 20.12 e.v.). De mogelijkheden om inzage te krijgen in een afgesloten strafdossier (dus niet de uitspraak maar het dossier) op basis van art. 51b Sv of art. 39f van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, laat ik verder onbesproken. Beide bepalingen zien op het inzagerecht voor slachtoffers. Als gezegd is betrokkene geen slachtoffer in de strafzaak van zijn ouders. Slotsom 9.10 De slotsom is dat als het gaat om het verkrijgen van informatie uit een afgesloten strafzaak betrokkene op grond van art. 365 lid 4 Sv kan verzoeken om een (geanonimiseerd) afschrift van het strafrechtelijke vonnis waarin zijn ouders zijn veroordeeld. Ook kan hij verzoeken om het proces-verbaal van de terechtzitting. Hij zal moeten toelichten waarom hij dat wil. Uitgangspunt is verstrekking, maar de voorzitter van de strafkamer kan beslissen tot gehele of gedeeltelijke weigering vanwege de bescherming van de belangen van de ouders, van het slachtoffer in de strafzaak of vanwege de bescherming van betrokkene zelf. De bepaling geeft echter geen recht op inzage in een afgesloten strafdossier. 10Inzage in processtukken die zijn gearchiveerd volgens de Archiefwet 10.1 Uit de Archiefwet volgt dat dossiers van gerechten (‘archiefbescheiden’) na twintig jaar moeten worden overgebracht naar het Nationaal Archief en/of Regionaal Historische Centra in provinciehoofdsteden, als deze bescheiden niet voor vernietiging in aanmerking komen (art. 12 lid 1 Archiefwet). ‘Overbrengen’ houdt hier in feite in dat de archiefbescheiden worden afgegeven. Een wetsvoorstel dat nu aanhangig is, regelt onder meer dat de termijn voor het overbrengen tien jaar in plaats van twintig jaar wordt. 10.2 Gerechtsbesturen moeten, in hun hoedanigheid van ‘zorgdrager’, archiefbescheiden overbrengen naar rijksarchiefbewaarplaatsen (art. 12-13 en 26 Archiefwet in verbinding met art. 41 lid 1 Archiefwet). Voor het primaire proces van gerechten zijn dat het Nationaal Archief in Den Haag en/of de rijksarchiefbewaarplaatsen bij de Regionaal Historische Centra in andere provinciehoofdsteden. De rijksarchiefdienst is belast met het beheer van rijksarchiefbewaarplaatsen (art. 25 lid 2 sub a Archiefwet). 10.3 Gerechten zijn verplicht om een zogenoemde selectielijst te ontwerpen waarin ten minste wordt aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging in aanmerking komen (art. 5 lid 1 Archiefwet). In de daartoe opgestelde selectielijst ‘Primair proces van ‘de Rechtspraak’, is per soort zaak vermeld welke archiefbescheiden wel of niet moeten worden bewaard. Voor processtukken uit verzoekschriftprocedures over ondertoezichtstelling en gezag(sbeëindiging) is bepaald dat de volgende stukken blijvend worden bewaard: verzoekschrift, gedingstukken, het verweer, deskundigenberichten, stukken over zittingen en het horen van getuigen, stukken over het beëindigen van een procedure, gerechtelijke uitspraken, declaraties, correspondentie (over toevoeging), en stukken over de voorbereiding op een zitting. Dit betekent dat feitelijk het gehele procesdossier wordt bewaard. 10.4 Als archiefbescheiden zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, kan op grond van de Archiefwet ‘een ieder’ toegang krijgen tot deze archiefbescheiden (art. 14). Daarvoor moet een verzoek worden gedaan bij de beheerder van de desbetreffende archiefbewaarplaats.Uit art. 17 lid 1 Archiefwet volgt verder dat de beheerder van de archiefbewaarplaats belast is met het ter raadpleging of gebruik beschikbaar stellen van de daar berustende archiefbescheiden aan de verzoeker. Het inzagerecht is niet onbeperkt. Zo kan een beperking gelden met het oog op de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer (art. 15 lid 1 sub a Archiefwet). Hoe hiermee in de praktijk wordt omgegaan, is mij niet bekend. 10.5 De AVG en de UAVG bevatten verschillende bepalingen die van belang zijn voor inzage in archiefbescheiden die zich bevinden in een archiefbewaarplaats. Zo volgt uit art. 89 lid 3 AVG in verbinding met nr. 156 van de preambule van de AVG dat lidstaten het inzagerecht van art. 15 AVG voor archiefbescheiden die zich bevinden in archiefbewaarplaatsen kunnen beperken. Nederland heeft dat gedaan met art. 45 UAVG. Art. 45 lid 1 UAVG bepaalt dat art. 15 AVG niet van toepassing is bij de verwerking van persoonsgegevens die deel uitmaken van archiefbescheiden als bedoeld in de Archiefwet en die berusten in een archiefbewaarplaats. Het inzagerecht van art. 15 AVG geldt dus niet. In plaats hiervan bepaalt art. 45 lid 2 UAVG dat een betrokkene het recht heeft om inzage te verkrijgen in de archiefbescheiden, tenzij verzoeken om inzage zodanig ongericht zijn dat deze in redelijkheid niet kunnen worden ingewilligd. Als ik het goed zie, dan bestaan het inzagerecht van art. 14 Archiefwet en dat van art. 45 lid 2 UAVG naast elkaar. Art. 15 AVG is wél van toepassing als de archiefbescheiden nog niet zijn overgebracht naar archiefbewaarplaatsen. Dat processtukken tot die tijd worden bewaard in (interne) archieven van gerechten maakt dat niet anders. 10.6 Inzage in persoonlijke dossiers die zijn gearchiveerd volgens de Archiefwet is een actueel onderwerp. Zo heeft de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van de Tweede Kamer op 3 april 2024 overleg gevoerd met de Minister voor Rechtsbescherming over inzage in persoonlijke dossiers bij interlandelijke en binnenlandse adoptie. De Tweede Kamer heeft in het kader van interlandelijke adoptie vervolgens op 11 april 2024 met overgrote meerderheid van stemmen (121/150) een motie aangenomen die de regering onder andere verzoekt “te zorgen voor laagdrempelige en onbeperkte toegang tot het eigen dossier van geadopteerden”. Verder heeft de Tweede Kamer op dezelfde dag naar aanleiding van de tragedie van binnenlandse afstand en adoptie in de periode 1956-1984, waarbij moeders onder druk van de Staat hun kinderen afstonden, een motie aangenomen, eveneens met overgrote meerderheid van stemmen (145/150). Deze laatste motie verzoekt de regering onder andere het volgende: “• een uiterste inspanning te leveren om te bewerkstelligen dat alle dossiers en archieven hierover van overheids- en private instellingen naar het Nationaal Archief overgedragen worden; • ervoor te zorgen dat er voor de betrokken afgestane en afstandsmoeder gezamenlijk onbeperkte en volledige toegang is tot zowel het eigen afstands- als adoptiedossier, en slechts indien nodig hiervoor een wetswijziging voor te bereiden;” 10.7 Daarna heeft de minister voor Rechtsbescherming op 14 juni 2024 in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer aangegeven hoe de regering invulling geeft aan deze moties. Wat betreft de motie over interlandelijke adoptie meldt de Minister dat dossiers worden overgebracht naar het Nationaal Archief en dat bij het lopende wetgevingstraject over de lopende transformatie van het (huidige) interlandelijk adoptiesysteem een onderzoek plaatsvindt naar mogelijkheden om problemen bij inzage van dossiers te verminderen. 10.8 In reactie op de tweede motie meldt de Minister dat dossiers van (binnenlands) geadopteerden in tranches worden overgebracht naar het Nationaal Archief door de Raad voor de Kinderbescherming. Daarbij merkt de Minister op dat is gebleken dat een deel van dossiers informatie bevat over rechtszaken, waaronder straf- en civiele procedures. Hoe daarmee om te gaan, is kennelijk onderwerp van gesprek tussen de Minister en de Raad voor de Kinderbescherming, en de Minister schrijft dat de Commissie Advies Informatiehuishouding Justitie en Veiligheid wordt gevraagd om hierover een advies uit te brengen. Over toegang tot dossiers die het Nationaal Archief of Regionale Historische Centra beheren, merkt de Minister het volgende op: “De toegang tot dossiers die door het NA of een RHC worden beheerd, is gebaseerd op de toepasselijke wet- en regelgeving, zoals de Archiefwet en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en jurisprudentie. De betreffende dossiers zijn beperkt openbaar omwille van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals het voorkomen van persoonsgegevens van derden in de dossiers. De mogelijkheden van onbeperkte toegang tot en inzage in dossiers zijn hierdoor beperkt. Daarnaast kunnen er voor private archieven aanvullende beperkingen gelden voor inzage door belanghebbenden. Binnen de kaders van de AVG onderzoek ik of en in hoeverre een wetswijziging kan bijdragen aan de behoefte om dossiers volledig te kunnen inzien. Ter voorbereiding hierop wordt met belanghebbenden geïnventariseerd welke problematiek zij hierbij momenteel ervaren. Ik streef ernaar uw Kamer komend najaar over de voortgang te informeren.” 10.9 Ik maak hieruit op dat adoptiedossiers die volgens de Archiefwet zijn gearchiveerd op dit moment – ondanks het bepaalde in art. 45 lid 2 UAVG – beperkt openbaar zijn, maar dat dit in de toekomst mogelijk anders wordt. Recente berichtgeving bevestigt dit. Slotsom 10.10 Als een betrokkene inzage vraagt in een afgesloten procesdossier dat zich niet meer bevindt in de archieven van een rechtbank, zal op grond van art. 14 Archiefwet en/of art. 45 lid 2 UAVG het verzoek moeten worden gedaan aan de archiefbeheerder van het Nationaal Archief en/of Regionaal Historische Centra in provinciehoofdsteden. Daar worden de dossiers min of meer integraal bewaard. De rechtbank heeft dan geen zeggenschap meer over het dossier. 11Erkenning van het belang van afstammingsinformatie Afstammingsinformatie 11.1 In de literatuur en rechtspraak is algemeen erkend dat afstammingsinformatie voor mensen (niet enkel kinderen) van essentieel belang is. Onder afstammingsinformatie kan in de eerste plaats ‘statusvoorlichting’ worden verstaan, dat wil zeggen voorlichting over het feit dat een of beide ouders niet de biologische ouder(
  14. s)zijn. Afstammingsinformatie houdt in de tweede plaats de eigenlijke informatie in over de biologische ouder(s). Daarbij gaat het om feitelijke gegevens, zoals naam en woonplaats, biometrische gegevens, zoals oog- en haarkleur en medische informatie, zoals erfelijke afwijkingen. Ook kan het gaan om informatie over de omstandigheden waaronder bijvoorbeeld adoptie heeft plaatsgevonden. 11.2 In de literatuur wordt een onderscheid gemaakt tussen het maatschappelijke en het juridische belang van het afstammingsrecht. Aan het maatschappelijke belang van het afstammingsrecht kunnen vier dimensies worden onderscheiden: - de identificatiefunctie: op wie lijk ik?; - de sociologische functie: bij welke gezinseenheid hoor ik?; - het psychologische belang: je achtergrond (‘wortels’) kennen; - het medische belang: ziekte(
  15. n)(her)kennen en daardoor mogelijk eerder een diagnose kunnen stellen of genezen. 11.3 Al deze dimensies spelen een rol bij het belang van afstammingsinformatie. Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting 11.4 Het belang van afstammingsinformatie is ook erkend in Nederlandse wetgeving. Zo is in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting neergelegd dat personen informatie kunnen krijgen over een donor. De memorie van toelichting benadrukt dat het kennisnemen van dergelijke informatie van cruciale betekenis is voor de ontwikkeling en het welzijn van mensen. 11.5 Art. 2 lid 1 en 3 van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting bepaalt dat de (rechts)persoon die kunstmatige donorbevruchting verricht of doet verrichten verplicht is de volgende gegevens binnen een door de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting te bepalen termijn te verstrekken aan deze stichting: a. Medische gegevens die van belang kunnen zijn voor de gezonde ontwikkeling van het kind; b. Fysieke kenmerken, opleiding en beroep alsmede gegevens omtrent de sociale achtergrond en een aantal persoonlijke kenmerken (niet herleidbaar tot de individuele donor); c. Geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, burgerservicenummer en woonplaats. 11.6 Ook de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, de woonplaats en de tijdstippen waarop de donorbevruchtingen hebben plaatsgevonden bij wie kunstmatige donorbevruchting heeft plaatsgevonden, moeten worden verstrekt (art. 2 lid 2). Hetzelfde geldt voor de vraag of de identiteit van de donor van zaad van een ander dan de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de vrouw, bekend is aan de vrouw (idem). 11.7 Art. 3 regelt de verstrekking van informatie door de genoemde stichting. Allereerst geldt dat deze stichting de hiervoor onder b genoemde gegevens van de betrokken donor op verzoek verstrekt aan degene die weet of vermoedt dat hij is verwekt door en ten gevolge van kunstmatige donorbevruchting en die de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt (lid 1). Het gaat dan dus om informatie die niet herleidbaar tot de individuele donor. 11.8 Persoonsidentificerende gegevens van de donor worden aan degene die weet of vermoedt dat hij is verwekt door en ten gevolge van kunstmatige donorbevruchting en die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt op zijn verzoek verstrekt, nadat de donor daarmee schriftelijk heeft ingestemd (lid 2). Verstrekking blijft bij gebrek aan toestemming uitsluitend achterwege als zwaarwegende belangen van de donor meebrengen dat verstrekking niet behoort plaats te vinden, waarbij de mogelijke gevolgen van niet-verstrekking voor de verzoeker in aanmerkingen moeten worden genomen (idem). 11.9 De Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting is recent gewijzigd. Een belangrijke aanpassing is dat voortaan met een zogenoemde donorcode zal worden gewerkt. Aan de donorcode is informatie over de donor gekoppeld. Een andere aanpassing is het creëren van de mogelijkheid voor personen die door kunstmatige donorbevruchting zijn verwekt om persoonsidentificerende gegevens te krijgen van elke andere persoon die is verwerkt door kunstmatige donorbevruchting waarbij gebruik is gemaakt van zaad- of eicellen van dezelfde donor. Toestemming van deze andere persoon is daarvoor vereist (art. 3b). Ten slotte is de mogelijkheid opgenomen voor artsen om persoonsidentificerende gegevens te krijgen over personen die door kunstmatige donorbevruchting zijn verwekt, als een arts constateert dat de desbetreffende donor een erfelijke aandoening heeft (art. 3c). Wetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming 11.10 Een andere wetgevingsontwikkeling is de regeling voor het verstrekken van afstammingsinformatie en informatie over de ontstaansgeschiedenis van een persoon in het voorstel voor de Wet kind, draagmoederschap en afstamming. De memorie van toelichting vermeldt dat kennisneming van deze informatie van groot belang is: “Het geven van voorlichting aan een kind over diens afstamming is belangrijk voor het geestelijk welzijn en de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind” 11.11 Het gaat bij dit wetsvoorstel specifiek om de volgende informatie: “(…) kennis over de afkomst van een kind betreft in ieder geval informatie over de genetische ouders van het kind (waaronder mogelijke zaadcel- of eiceldonoren) en over de eventuele niet-genetisch verwante geboortemoeder. Het kan dan gaan om persoonsidentificerende gegevens, medische gegevens, en gegevens die een beeld geven van de persoon van de betrokkene. In geval van draagmoederschap gaat het hierbij bijvoorbeeld om informatie over de geboortemoeder van het kind en wie de donor is geweest van de zaadcel- of eicel als deze niet van de juridische ouders zelf afkomstig is, en informatie over het bestaan van eventuele genetische (half-)broers of zussen. Daarnaast behoort ook informatie over de ontstaansgeschiedenis tot afstammingsinformatie, waarbij gedacht kan worden aan de gegevens over instanties die hebben bemiddeld of medische assistentie hebben verleend tijdens het draagmoederschapstraject. De regering onderkent dat de mogelijkheden tot controle op deze informatieplicht beperkt zullen zijn. Het opnemen van deze plicht in de wet wordt wél wenselijk geacht, aangezien het een duidelijke aanwijzing geeft wat in onze samenleving van ouders of anderen die belast zijn met het gezag over een kind wordt verwacht.” 11.12 Het begrip afstammingsinformatie wordt dus ruim omschreven; daaronder valt ook informatie over de ontstaansgeschiedenis. Dit is bepaald iets anders dan informatie over de genetische herkomst; in feite gaat het over informatie over de persoonlijke geschiedenis (waarover hierna hoofdstuk 12). Dat is een aanzienlijke verruiming van het begrip afstammingsinformatie. Waarbij dan is aan te tekenen dat de persoonlijke geschiedenis of ontstaansgeschiedenis van een kind bij draagmoederschap nog tamelijk beperkt zal zijn (zie ook de geciteerde passage uit de memorie van toelichting). 11.13 Het wetsvoorstel sluit op dit punt aan bij het rapport Kind en ouders in de 21ste eeuw van de Staatscommissie Herijking Ouderschap. In dat rapport uit 2016 adviseerde de commissie om de term ‘afstammingsinformatie’ te vervangen door ‘informatie over de ontstaansgeschiedenis’. Toegelicht werd dat ‘informatie over de ontstaansgeschiedenis’. naast afstammingsinformatie tevens informatie over personen en instanties bevat die betrokken zijn geweest bij het ontstaan van een kind, maar die niet genetisch verwant zijn met het kind. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de IVF-draagmoeder en de kliniek waarin de bevruchting heeft plaatsgevonden, zo schreef de commissie. 11.14 Het wetsvoorstel regelt in het bijzonder dat ouders de verplichting hebben om een kind voor te lichten over diens afstamming (art. 1:247 lid 3 BW) en dat voogden toezien op de voorlichting van het kind over diens afstamming (art. 1:248 BW). 11.15 Daarnaast bevat het wetsvoorstel bepalingen over een zogenoemd draagmoederschapsregister (art. 1:223-225 BW). In dit register kunnen bepaalde persoonsgegevens worden opgenomen, waaronder bijzondere persoonsgegevens van het kind, de wensouders, de draagmoeder en van gebruikte gametendonoren (art. 1:223 lid 4 BW). Van de levensgezel van de draagmoeder kunnen ook persoonsgegevens worden opgenomen (art. 1:223 lid 4 BW). Tevens worden in het register rechterlijke beschikkingen die betrekking hebben op het draagmoederschap en de draagmoederschapsovereenkomst opgenomen (art. 1:223 lid 5 in verbinding met art. 1:216 BW). Welke gegevens tenminste worden opgenomen in het register wordt (later) bepaald bij algemene maatregel van bestuur (art. 1:225 BW van het wetsvoorstel). Wat betreft bijzondere persoonsgegevens kan het gaan om gezondheidsgegevens die raken aan de redenen voor het draagmoederschap, genetische gegevens voor DNA-verwantschapsonderzoek, en (indirect) informatie over ras, etnische afkomst en over iemands seksuele gerichtheid. 11.16 Het voorgestelde art. 1:224 BW bepaalt dat de houder van het draagmoederschapsregister op verzoek gegevens verstrekt over de ontstaansgeschiedenis en afstamming aan een kind dat de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt. Daarbij zal het kind deskundig worden begeleid (art. 1:224 lid 2 BW). De memorie van toelichting vermeldt hierover het volgende: “Tevens wordt een verplichting neergelegd voor de houder van het register tot het bieden van op maat gesneden begeleiding bij de toegang tot het register. Het karakter van deze begeleiding zal verschillen al naar gelang de leeftijd en behoefte van het kind.” 11.17 De regeling van het draagmoederschapsregister is faciliterend van aard. Daarmee wordt bedoeld dat niet gecontroleerd wordt of de gegevens juist zijn, maar slechts dat de opslag van gegevens in een register mogelijk wordt gemaakt. Dat betekent dat er geen zekerheid bestaat over de juistheid van de gegevens. In de memorie van toelichting is in dit verband te lezen: “(…) In de begeleiding bij de dossierinzage zal het kind worden geïnformeerd over de mate van betrouwbaarheid van de gegevens. Daarbij is het voor ouders en kind altijd mogelijk om naderhand een DNA-test uit te voeren. Eventuele onzekerheid die daarnaast kan bestaan over de biologisch/genetische afstamming is vergelijkbaar met de onzekerheid die feitelijk voor iedereen bestaat. Voor het wegnemen van dat laatste stuk onzekerheid ligt de verantwoordelijkheid in de eerste plaats bij de ouder, zoals ook tot uitdrukking wordt gebracht in de regeling. Het belang van juiste afstammingsinformatie wordt benadrukt in de voorlichting die betrokkenen volgen.” 11.18 In deze passage wordt dus gesproken over “begeleiding bij dossierinzage”, terwijl tevens wordt genoemd het verstrekken van – wat ik noem – contextuele informatie. In dit geval: het verstrekken van informatie over de betrouwbaarheid van de gegevens. EVRM en Europees Verdrag inzake de adoptie van kinderen (herzien) 11.19 Het belang van afstammingsinformatie is al vele jaren erkend in de rechtspraak van het EHRM. In deze uitspraken gaat het bijvoorbeeld om gevallen waarin iemand een vaderschapsclaim wil controleren, of de identiteit van zijn of haar anoniem gebleven biologische ouder wil vaststellen. Uit deze rechtspraak komt naar voren dat het antwoord op de vraag of een beperking van art. 8 EVRM uiteindelijk evenredig wordt gevonden onder meer kan afhangen van de mate waarin wél informatie is verstrekt. 11.20 Verder bevestigt art. 22 lid 3 van het Europees Verdrag inzake de adoptie van kinderen (herzien) het belang van afstammingsinformatie: “The adopted child shall have access to information held by the competent authorities concerning his or her origins. Where his or her parents of origin have a legal right not to disclose their identity, it shall remain open to the competent authority, to the extent permitted by law, to determine whether to override that right and disclose identifying information, having regard to the circumstances and to the respective rights of the child and his or her parents of origin. Appropriate guidance may be given to an adopted child not having reached the age of majority.” Arrest Valkenhorst 11.21 Het recht om te weten van welke ouders men afstamt, is door de Hoge Raad erkend in het arrest Valkenhorst I. Overwogen werd dat het aan grondrechten als het recht op respect voor het privé leven, het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en het recht op vrijheid van meningsuiting ten grondslag liggende algemene persoonlijkheidsrecht, mede omvat het recht om te weten van welke ouders men afstamt. Dit recht heeft ook internationaal erkenning gevonden in art. 7 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989, zo overwoog de Hoge Raad (rov. 3.2). 11.22 Het recht om te weten van welke ouders men afstamt is niet absoluut, en moet wijken voor de rechten en vrijheden van anderen wanneer deze in het gegeven geval zwaarder wegen (rov. 3.3.). Bij de afweging van de wederzijdse rechten en belangen geldt echter dat het zwaartepunt ligt bij het belang van het kind: “3.4.3 Wat betreft de onderlinge rangorde tussen enerzijds het recht van een meerderjarig natuurlijk kind als […] om te weten door wie het is verwekt, en anderzijds het (in het recht op respect voor haar privé leven besloten) recht van de moeder om zulks ook tegenover haar kind verborgen te houden, moet — anders dan het Hof klaarblijkelijk tot uitgangspunt heeft genomen — worden geoordeeld dat het recht van het kind prevaleert. Behalve door het vitaal belang van dit recht voor het kind wordt deze voorrang daardoor gewettigd dat de natuurlijke moeder in de regel mede verantwoordelijkheid draagt voor het bestaan van dat kind.” 11.23 Hoewel dus sprake is van een belangenafweging, gaat het recht van een meerderjarig kind op informatie over de identiteit van zijn of haar biologische moeder in het algemeen vóór op het recht van de biologische moeder om haar identiteit verborgen te houden. Arrest statusvoorlichting 11.24 Uit het bedoelde recht op informatie kan voortvloeien dat een (in dit geval) moeder verplicht wordt om aan haar kind ‘statusvoorlichting’ te geven, dat wil zeggen het kind te vertellen wie zijn biologische vader is, zo oordeelde de Hoge Raad in een arrest uit 2016. Overwogen werd onder meer het volgende: “5.1.3 Uit het recht op private life, in het bijzonder het recht op persoonlijke identiteit, vloeit eveneens voort dat een kind het recht heeft te weten van wie het afstamt (EHRM 20 december 2007, 23890/02, EHRC 2008/34). Dat recht is tevens gewaarborgd in de art. 7 en 8 IVRK. 5.1.4 (…) Tot de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind behoort het geven van informatie over zijn afstamming (‘statusvoorlichting’). Het is daarom aan de ouder die het gezag uitoefent om het kind die informatie te geven. In beginsel is het aan deze ouder voorbehouden het daartoe geschikte moment te bepalen. Daarbij dient evenwel het belang van het kind voorop te staan. Ouderlijk gezag is immers weliswaar een aan de ouders toekomend ‘recht’, maar dit recht is gegeven in het belang van het kind en kan daarom niet los worden gezien van de verplichting dat belang te dienen (HR 25 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2714, NJ 1999/379). 5.1.5 In een geval als het onderhavige, waarin het kind is verwekt met zaad van een (aan de ouders bekende) donor die niet het gezag over hem uitoefent, kan het belang van het kind met het oog op effectuering van het recht op omgang met zijn biologische vader meebrengen dat het kind te horen krijgt dat degene met wie het omgang zal hebben zijn vader is. Indien de rechter van oordeel is dat een zodanig geval zich voordoet, kan hij bepalen dat het kind voorafgaand aan een volgend moment van omgang statusvoorlichting zal krijgen. In zoverre prevaleert in dat geval het rechterlijk oordeel omtrent hetgeen het belang van het kind bij het kennen van zijn afstamming met het oog op de omgang meebrengt, boven het recht van de ouders te bepalen op welk moment het kind die informatie zal krijgen.” 11.25 Het recht op informatie wordt dus in verband gebracht met het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind (rov. 5.1.4). Het rechterlijk oordeel dat het in het belang van het kind is om op een bepaald moment statusvoorlichting te krijgen, prevaleert boven het recht van de ouders om dat moment te bepalen (rov. 5.1.5). Arresten DNA-onderzoek 11.26 Het uitgangspunt dat het recht van een kind op informatie over de identiteit van zijn of haar ouder prevaleert boven het belang van anonimiteit van een ouder, is herhaald in het arrest X/Y uit 2022, waarin betrokkene verzocht dat een persoon van wie aannemelijk was dat het zijn verwekker was, DNA-materiaal zou afstaan. De Hoge Raad overwoog het volgende: “3.1.2 Het recht op informatie over de eigen (biologische) afstamming is een fundamenteel recht dat wordt beschermd door internationale mensenrechtenverdragen, onder meer door art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), als onderdeel van het recht op bescherming van het privéleven. De mogelijkheid om informatie te verkrijgen over de eigen afstamming is van belang voor het vormen en ontwikkelen van een eigen identiteit en persoonlijkheid. Het belang bij bescherming van dit recht wordt niet minder, maar neemt veeleer toe naarmate een persoon ouder wordt. 3.1.3 Tegenover het recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, staat het recht van de potentiële ouder om de afstammingsrelatie verborgen te houden, alsmede het recht van een persoon om niet tegen zijn wil aan een DNA-test te worden onderworpen. Die rechten zijn eveneens fundamentele rechten die besloten liggen in het recht op bescherming van het privéleven en die als zodanig eveneens worden beschermd door art. 8 EVRM. Indien het recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, botst met het recht van de mogelijke ouder om dat verborgen te houden dan wel niet mee te werken aan een DNA-test, moet volgens de rechtspraak van het EHRM door middel van een belangenafweging worden vastgesteld welk van deze rechten prevaleert, waarbij aan de lidstaten een margin of appreciation toekomt. 3.1.4 Over de onderlinge rangorde tussen enerzijds het recht van een meerderjarig kind om te weten door wie het is verwekt en anderzijds het recht van de moeder om zulks ook tegenover haar kind verborgen te houden, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 april 1994 geoordeeld dat het recht van het kind prevaleert. In dat arrest is overwogen dat deze voorrang, behalve door het vitale belang van dit recht voor het kind, daardoor wordt gewettigd dat de moeder in de regel mede verantwoordelijkheid draagt voor het bestaan van dat kind. Deze overweging doet evenzeer opgeld in de verhouding tussen een kind en een persoon van wie aannemelijk is dat hij de biologische vader van het kind kan zijn. Daarom heeft ook in die verhouding te gelden dat het recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming voorgaat, ook indien deze informatie moet worden verkregen door middel van een bij de vermoedelijke biologische vader af te nemen DNA-test. De — relatief geringe — inbreuk van een DNA-onderzoek op de lichamelijke integriteit van de vermoedelijke biologische vader wordt in een zodanig geval gerechtvaardigd door het zwaarwegende belang van het kind om te weten wie zijn biologische vader is.” 11.27 En in een uitspraak van 31 maart 2023 overwoog de Hoge Raad over een verzoek van een beweerde biologische vader tot medewerking aan een DNA-onderzoek door de juridische ouders om zekerheid te verkrijgen over het biologisch vaderschap het volgende: “3.4 (…) Voorts is ook het recht van een kind op informatie over de eigen (biologische) afstamming een fundamenteel recht, dat wordt beschermd door – onder meer – art. 8 EVRM, als onderdeel van het recht op bescherming van het privéleven. (…)” 3.5 (…) Het belang van het kind dient (…) [bij de belangenafweging in het kader van de vraag of voorafgaand aan de beoordeling van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling een onderzoek naar het biologische vaderschap dient plaats te vinden, A-G] voorop te staan, in welk verband in het bijzonder gewicht toekomt aan het antwoord op de vraag of het kind in het concrete geval belang erbij heeft dat (op dat moment) wordt vastgesteld van wie het biologisch afstamt. 3.6 Het recht van een kind om te weten van wie het biologisch afstamt, brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat het in een concreet geval in het belang van het kind is dat (op dat moment) wordt vastgesteld of een ander dan de juridische vader de biologische vader is. Onder omstandigheden kunnen de nadelige gevolgen voor het kind van vaststelling van biologisch ouderschap de afwijzing rechtvaardigen van een verzoek van de beweerde biologische vader tot het bevelen van een dergelijk onderzoek. Daarbij is van belang dat vaststelling van biologisch ouderschap veelal ook kan plaatsvinden wanneer het kind op een leeftijd is waarop het zelf kan bepalen of het wil weten van wie het afstamt. (…) 3.7 De rechter moet dus, alvorens een onderzoek naar het biologische vaderschap te bevelen, aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordelen of het kind (op dat moment) belang heeft bij vaststelling van het biologische ouderschap, en dit belang afwegen tegen eventuele andere, mogelijk in tegengestelde richting wijzende belangen van het kind, zoals het belang bij een stabiele en ongestoorde leef- en opvoedingssituatie bij de juridische ouders. Verder moet de rechter ook de door art. 8 EVRM beschermde belangen van anderen in die afweging betrekken, zoals het belang van de beweerde biologische vader bij zekerheid over zijn biologische vaderschap met het oog op de door hem verzochte omgangsregeling en het belang van de juridische ouders bij een ongestoord gezinsleven. Daarbij dient de rechter de belangen van het kind voorop te stellen (zie hiervoor in 3.4, slot).” 11.28 Ook in deze arresten wordt het belang van het kind om te weten wie de biologische ouders zijn dus vooropgesteld. Voor wat betreft het moment waarop een onderzoek moet worden bevolen tot vaststelling van biologisch ouderschap moet een belangenafweging worden gemaakt. Ook daarbij dient de rechter de belangen van het kind voorop te stellen. Slotsom 11.29 Het recht op afstammingsinformatie en statusvoorlichting is sinds lange tijd erkend in de rechtspraak van de Hoge Raad. Dat geldt ook indien deze informatie moet worden verkregen door middel van een bij de vermoedelijke biologische ouder af te nemen DNA-test. Of informatie of medewerking aan zo’n ouderschap in een concreet geval via de rechter kan worden afgedwongen, hangt af van een belangenafweging. Daarbij moeten de belangen van het kind voorop worden gesteld. 11.30 Ook in wetgeving is het recht op afstammingsinformatie vastgelegd. Te noemen zijn de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (zie onder 11.4 e.v.) en het Wetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming (zie onder 11.10 e.v.). 11.31 In de parlementaire toelichting op het Wetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming is expliciet benoemd het belang van begeleiding bij inzage door een kind van het dossier in het draagmoederschapsregister (zie onder 11.10). Ook is gewezen op het belang van het verstrekken van contextuele informatie (zie onder 11.18). 12Erkenning van het belang van informatie over de persoonlijke geschiedenis 12.1 Het is echter niet alleen afstammingsinformatie die van belang is voor de ontwikkeling van een eigen identiteit. Ook informatie over de persoonlijke geschiedenis is daarvoor essentieel. Denk aan informatie over de omstandigheden waarin iemand is geboren, zijn geboorteplek en de genetische verwanten zoals ouders, broertjes en zusjes, grootouders, maar bijvoorbeeld ook onder welke omstandigheden en met wie iemand is opgegroeid. 12.2 Een voorzichtige aanzet voor dit ruimere begrip van informatieverstrekking al te vinden in het rapport van de Staatscommissie Herijking Ouderschap, waarin werd gesproken over ‘informatie over de ontstaansgeschiedenis’ (zie onder 11.13). 12.3 Het belang van informatie over de eigen persoonlijke geschiedenis is gelegen in wat wel wordt genoemd de ‘narratieve identiteit’. Bou-Sfia schrijft hierover het volgende: “Een belangrijk onderdeel van identiteit is de narratieve identiteit. Dat omvat het persoonlijke verhaal van individuen en de vragen die iemand zichzelf stelt over ‘what sort of person he or she is, what is most important, and with what or whom she identifies in securing a sense of self.’ Het is ook voor minderjarigen belangrijk om zichzelf in een verhaal te kunnen plaatsen, zowel naar zichzelf toe als naar anderen. Minderjarigen hebben behoefte ‘aan een narratieve identiteit, een coherent levensverhaal en inzicht in afstamming.’ Het persoonlijke verleden vormt een belangrijk aspect van de narratieve identiteit, met inbegrip van de afstamming. Soms wordt benadrukt dat het persoonlijke verhaal meer behelst dan afstammingskennis. Het ziet onder meer ook op aspecten uit de vroege kinderjaren, ook wel aangeduid met het brede begrip ‘ontstaansgeschiedenis’. Daaronder vallen de omstandigheden waarin een minderjarige is geboren, inclusief de redenen voor ‘afstand van het kind’, het besluit tot medisch geassisteerde zwangerschap en geboorte en adoptie. Hetzelfde geldt voor belangrijke beslissingen die tijdens de kinderjaren zijn gemaakt over de zorg over minderjarigen.” 12.4 Het belang van informatie over de persoonlijke geschiedenis is ook uitgebreid beschreven in sociaalpsychologische literatuur. Sinds enkele decennia is het een algemeen erkend inzicht dat het voor het ontwikkelen van een stabiel zelfbeeld van essentieel belang is om kennis te hebben van het eigen verleden. Mensen die als kind die in de jeugdzorg hebben gezeten, missen die kennis vaak. Zij zijn dan aangewezen op de informatie die over hen is opgeslagen in dossiers. Het kennis kunnen nemen van die informatie is van wezenlijk belang voor de persoonlijke ontwikkeling. Zie bijvoorbeeld de volgende passage in een wetenschappelijke publicatie uit 2020 (de verwijzingen naar andere literatuur zijn weggelaten): “The development of stable, explicable life narratives about where we come from and what has happened to us is recognized as essential to the construction of the self. The development of autobiographical memories, particularly in childhood and adolescence, sets the stage for the definition of an individual's identity. Children and young people in care often lack such narratives, especially where their experience has been complex, disrupted or traumatic. They may not be able to answer basic questions such as ‘Why am I in care?’ or may have been presented with multiple, conflicting stories about their early lives. This ‘discoherence’ can lead to feelings of anger, frustration and guilt and may have negative impacts on sense of worth and belonging. In contrast, proactive reminiscence and collaborative memory curation has multiple benefits, including positively enhancing a child's self-perception and educational outcomes. Since the 1980s, life story work has been widely accepted as the principal mechanism to support children and young people to engage with their personal histories in this way. However, evidence suggests that delivery has been, and remains, uneven or nonexistent. As a result, later in life, care leavers may turn to the records written about them by social workers, carers and associated professionals to fill gaps in their memories and to manage and process unresolved identity needs.” 12.5 Aan de UCL (London Global University) heeft in de jaren 2017-2019 het zogenoemde MIRRA Project gelopen (Memory-Identity-Rights in Records-Access).In de studie is onderzocht wat de behoeften zijn van mensen die informatie willen achterhalen over hun kindertijd in de jeugdzorg. 12.6 Uit het onderzoek kwam onder meer naar voren dat de informatie uit jeugdbeschermingsdossiers niet altijd kan dienen als vervanging voor het geheugen, omdat er bij de samenstelling van de dossiers weinig aandacht is geweest voor het vastleggen van ‘story telling’. Zo ontbraken vaak vroege jeugdfoto’s. ‘Story-telling’ is ook niet het doel geweest waarmee de dossiers zijn samengesteld; dat doel was (en
  16. is)specifiek juridisch of professioneel (vanuit het perspectief van de kinderbescherming) van aard. De dossiers konden ook niet altijd aanknopingspunten bieden voor belangrijke vragen waarmee mensen worstelden (‘waarom is dit mij overkomen?’). Alle dossiers bleken (op detailniveau) onjuiste of tegenstrijdige informatie te bevatten. Een grote gemene deler was ten slotte dat in alle dossiers de eigen stem van het kind o

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.