ECLI:NL:PHR:2024:751
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/01740 Zitting 14 mei 2024 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 29 april 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. ‘verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd’ en 2. ‘verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede 160 uren taakstraf, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/01739. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Th.J. Kelder, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld. Bij aanvullende schriftuur is (binnen de – verlengde – termijn) het eerste middel ingetrokken, zijn het tweede, derde en vierde middel vernummerd tot eerste, tweede en derde middel en is het tweede middel aangevuld. Ik ga bij de bespreking uit van de aanvullende schriftuur.
Uw Raad heeft eerder arrest gewezen in deze zaak (HR 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:805). In het bestreden arrest dat destijds voorlag was het vonnis bevestigd met aanvulling van gronden. Aan de conclusie van A-G Aben voor dat arrest ontleen ik het volgende: ‘5. In cassatie kan op basis van de door het hof bevestigde vaststellingen van de rechtbank onbetwist van het volgende worden uitgegaan. [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) en [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) zijn beiden en los van elkaar betrokken geweest bij een (bedrijfs)ongeval waardoor zij letselschade hebben opgelopen. De verdachte heeft als juridisch adviseur namens [A] Juristen, waarvan hij samen met [aangever 5] (hierna: [aangever 5] ) vennoot was, de letselschadezaken van zowel [aangever 1] als [aangever 2] in behandeling genomen en hen bijgestaan in de procedures. Op de derdengeldenrekening van [A] Juristen zijn door respectievelijk [B] en [C] bedragen gestort die in beide gevallen een voorschot op de schade-uitkering behelsden, bestemd voor respectievelijk [aangever 1] en [aangever 2] . Buiten kijf staat dat de door [B] en [C] betaalde bedragen niet in zijn geheel zijn doorbetaald aan [aangever 1] en [aangever 2] .’ 5. In cassatie werd geklaagd dat de bewezenverklaarde wederrechtelijke toe-eigening niet uit de bewijsvoering kon volgen. Uw Raad overwoog het volgende: ‘2.4. Uit de bewijsvoering blijkt kort gezegd dat ten behoeve van [aangever 1] en [aangever 2] naar de derdengeldenrekening van [A] Juristen overgemaakte geldbedragen niet (geheel) aan de begunstigden zijn doorbetaald en dat de verdachte, die verantwoordelijk was voor de bijgeschreven bedragen, toegang had tot deze gelden.
Hieruit kan echter niet zonder meer volgen dat de verdachte zich de desbetreffende geldbedragen op de derdengeldenrekening van de maatschap wederrechtelijk heeft toegeëigend. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd’.
Bewezenverklaring, bewijsvoering, passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting en de pleitnota 7. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: ‘1. hij op tijdstippen in de periode van 21 oktober 2008 tot en met 18 juni 2011 te [plaats] opzettelijk geldbedragen, die toebehoorden aan [aangever 1] , en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn beroep als juridisch dienstverlener, anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat [A] Juristen gerechtigd was om de op de derdenrekening ontvangen voorschotten te verrekenen met door [A] Juristen gemaakte buitengerechtelijke kosten en dat de gelden derhalve niet wederrechtelijk zijn toegeëigend. Tot slot bepleit de raadsman dat er voorschotten contant aan [aangever 1] en [aangever 2] zijn doorbetaald.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Verantwoordelijkheid verdachte Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het de verdachte was die betrokken is geweest in de afhandeling van de letselschadezaken van [aangever 1] en [aangever 2] (en als gevolg daarvan verantwoordelijk was voor het beheer van de daartoe overgemaakte voorschotten) en aldus of hij als heer en meester over de ontvangen voorschotten heeft kunnen beschikken. Het hof komt tot de conclusie dat dit het geval is.
Zo heeft [aangever 3] , de gemachtigde van [aangever 1] , in zijn aangifte verklaard dat [aangever 1] in zijn letselschadezaak juridisch werd bijgestaan door de verdachte. Over de zaak [aangever 1] heeft hij alleen met de verdachte gesproken. Besprekingen over de letselschade afwikkeling voerde hij met de verdachte en [aangever 1] . Ook [betrokkene 3] , de zus van [aangever 1] , heeft verklaard dat de contacten over de zaak van [aangever 1] steeds zijn gelopen via de verdachte en dat de verdachte het er nooit over heeft gehad dat de zaak was overgedragen aan [aangever 5] . [betrokkene 2] , werkzaam als letselschadebemiddelaar bij [B] , heeft verklaard dat hun contactpersoon bij [A] Juristen [betrokkene 1] was. [aangever 5] heeft verklaard dat hij vrijwel geen bemoeienis heeft gehad met het dossier van [aangever 1] en dat de verdachte de zaak nooit aan hem heeft overgedragen. [aangever 2] heeft verklaard dat hij met de verdachte een overeenkomst heeft gesloten op 12 mei 1998 om zijn belangen te behartigen. Afgesproken is dat de verdachte voor hem de geleden letselschade zou afwikkelen. [aangever 2] heeft verklaard dat hij vanaf 2009 maandelijks contact met de verdachte heeft gehad en dat de verdachte in 2011 ook bij hem thuis is geweest.
Uit de verklaringen van [aangever 3] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [aangever 2] komt naar voren dat het de verdachte was die de letselschadezaken van [aangever 1] en [aangever 2] behandelde. Dit sluit tevens aan bij de verklaring van [betrokkene 1] , die tussen april 2005 en maart 2007 werkzaam is geweest bij [A] Juristen. Hij heeft verklaard dat de verdachte alle letselschadezaken behandelde en dat [aangever 5] de arbeidszaken deed. Ook heeft hij verklaard dat de verdachte de gehele (financiële) administratie van [A] Juristen deed. De verdachte is in de zomer van 2006 gevallen met zijn fiets, maar dit heeft niet tot zijn afwezigheid op het werk geleid.
De verklaringen van de verdachte dat hij na een fietsongeluk in 2006 de behandeling van de zaak [aangever 1] en verder ook de hele financiële administratie, waaronder het verrichten van betalingen en overboekingen, aan [aangever 5] heeft overgedragen, wordt tegengesproken door de hiervoor vermelde verklaringen. Al die verklaringen wijzen erop dat de verdachte degene was die de zaken van [aangever 1] en [aangever 2] behandelde, ook na 2006. [aangever 5] was weliswaar net als de verdachte gemachtigd ten aanzien van de derdengeldenrekening van [A] Juristen, maar daaruit volgt niet dat hij verantwoordelijk was voor de afhandeling van de gelden die ten behoeve van klanten van de verdachte op die derdengeldenrekening werden overgemaakt.
Gelet op het voorgaande trekt het hof de conclusie dat het de verdachte is geweest die persoonlijk verantwoordelijk was voor de juiste afwikkeling van de gelden die ten behoeve van zijn klanten werden overgeboekt naar de derdengeldenrekening van [A] Juristen en als feitelijk heer en meester kon beschikken over de aan [aangever 1] en [aangever 2] toekomende gelden.
Verrekening kosten Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte, in zijn functie als letselschadejurist bij [A] Juristen, gerechtigd was om de buitengerechtelijke kosten te verrekenen met de ontvangen voorschotten.
In de zaak [aangever 2] heeft de verdachte een zaak tegen het UWV voor [aangever 2] aangespannen en met [aangever 2] was afgesproken dat deze declaraties ingehouden konden worden op de voorschotten van [C] . Dit betroffen twee declaraties van respectievelijk € 1.762,- en € 766,36. Het hof stelt vast dat uit het dossier niet is gebleken dat er meer facturen, ten aanzien van buitengerechtelijke kosten, verrekend zijn. Bovendien heeft [aangever 2] ontkend dat er -met uitzondering van de UWV declaraties- op zijn verzoek afspraken zijn gemaakt over het verrekenen van voorschotten met buitengerechtelijke kosten.
Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het betoog van de verdediging dat de verdachte gerechtigd was om door [aangever 2] nog niet betaalde buitengerechtelijke kosten te verrekenen met ten behoeve van hem ontvangen voorschotten en dat zulke verrekeningen hebben plaatsgevonden.
In de afhandeling van de letselschadezaak van [aangever 1] kan het hof niet uitsluiten dat met [B] en/of [aangever 1] is overeengekomen (een bepaald bedrag aan) buitengerechtelijke kosten te kunnen verrekenen. Echter, de (mogelijke) omvang van het uiteindelijk vastgestelde bedrag waarvoor dit zou gelden, ligt in elk geval aanzienlijk lager dan de aan [aangever 1] toekomende resterende bedragen.
Contante uitbetalingen Het hof ziet zich daarnaast voor de vraag gesteld of [A] Juristen (een deel van) de voorschotten contant aan [aangever 1] en [aangever 2] heeft doorbetaald.
De verdachte heeft kopieën van kwitanties overlegd die als bewijs zouden dienen voor zijn stelling dat [A] Juristen gelden aan [aangever 1] en [aangever 2] contant heeft doorbetaald.
Aan of ten behoeve van [aangever 1] zou op 25 maart 2011 een bedrag van € 10.000,- zijn betaald. [betrokkene 3] heeft echter verklaard nooit een bedrag van € 10.000,- ontvangen te hebben en de kwitantie niet te herkennen. Ook [aangever 3] heeft verklaard niet bekend te zijn met contante uitbetalingen aan [aangever 1] . Het hof stelt vast dat uit het dossier niet is gebleken dat er op of rond 25 maart 2011 met een bedrag van € 10.000,- corresponderende opnames zijn gedaan van bankrekeningen van [A] Juristen of van de verdachte. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, acht het hof niet aannemelijk geworden dat genoemde contante betaling van € 10.000,- aan of ten behoeve van [aangever 1] heeft plaatsgevonden.
Aan [aangever 2] zou in totaal € 15.500 contant zijn betaald (€ 7.500 op 29 maart 2010, € 4.500,- op 24 juni 2010 en € 3.500,- op 1 november 2010). [aangever 2] heeft echter verklaard dat hij nooit contante voorschotten van de verdachte heeft ontvangen. Anders dan de rechtbank, stelt het hof vast dat uit het dossier niet is gebleken van corresponderende opnames van bankrekeningen van [A] Juristen of van de verdachte. Hieruit concludeert het hof dat er geen contante betalingen ten behoeve van [aangever 2] hebben plaatsgevonden.
Wederrechtelijke toe-eigening Het hof ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of er, met in achtneming van het voorgaande, sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening van voorschotten die voor [aangever 1] en [aangever 2] bestemd waren.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van toe-eigenen in de zin van verduistering sprake is indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort.
De verdachte heeft via de derdenrekening van [A] juristen, ten behoeve van welke rekening hij gemachtigd was, de gelden van respectievelijk [B] en [C] ontvangen met een bepaald doel, namelijk om deze gelden aan te wenden ten behoeve van de afwikkeling van de letselschade van [aangever 1] en [aangever 2] en beide klanten het hen toekomende bedrag te betalen. Het hof leidt uit het verhandelde ter terechtzitting af dat de gelden grotendeels zijn aangewend voor andere doeleinden. Zo worden de ontvangen voorschotten van respectievelijk [B] en [C] deels in diverse transacties overgeboekt naar een rekening op naam van de verdachte (- [002] ). Over deze rekening verklaart de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat dit een rekening was die in beheer was bij [aangever 5] . Het hof ziet geen bevestiging in het dossier voor deze stelling. Het hof stelt vast dat het de verdachte was die de afschriften van deze rekening op zijn huisadres ontving, en dat hij derhalve op zijn minst genomen moet hebben geweten wat zich op deze rekening afspeelde.
Op de rekeningafschriften van de derdengeldenrekening is te zien dat er van de ontvangen voorschotten ook diverse consumptieve uitgaven worden gedaan, zoals de aanschaf van concertgebouwkaarten, het betalen van telefoonkosten en het doen van kledingaankopen, evenals overboekingen naar bijvoorbeeld [D] , de eenmanszaak van de verdachte. Naar het oordeel van het hof duiden – in ieder geval enkele van – deze overboekingen van de ontvangen voorschotten van [B] en [C] erop, dat deze ten gunste zijn gekomen van de verdachte. Ook voor zover deze transacties niet ten gunste van de verdachte zijn gekomen, geldt overigens dat hij in ieder geval die rekening beheerde en dat het niet anders kan dan dat hij moet hebben geweten dat dergelijke transacties plaatsvonden. Daar komt bij dat die consumptieve uitgaven volledig in strijd zijn met de strikte regels die gelden voor het beheer van een derdengeldrekening, waarbij immers uitgangspunt is dat bedragen die op een dergelijke rekening worden gestort, niet mogen worden vermengd met het eigen vermogen van de beheerder van die rekening.
Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat met de ontvangen voorschotten ten behoeve van [aangever 1] en [aangever 2] , naast de hiervoor genoemde transacties, ook meermaals tekorten op de derdengeldenrekening zijn gedekt. Gelet op het. voorgaande kan worden geconcludeerd dat door deze transacties en door het met de voorschotten aanvullen van tekorten op de rekening, teruggave van de gelden aan [aangever 1] en [aangever 2] onmogelijk werd, gemaakt, dan wel aanmerkelijk werd bemoeilijkt.
Het hof concludeert, gelet op het voorgaande, dat er sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening van diverse van [B] en [C] ontvangen geldbedragen, die ten gunste moesten komen van [aangever 1] en [aangever 2] . (…) Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de. bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.’ 9. Naar aanleiding van de overweging in het bestreden arrest waarin over een aanvulling op het bestreden arrest wordt gesproken, is op 1 november 2022 om toezending van de aanvulling verzocht. Een griffier heeft daar op 2 november 2022 als volgt schriftelijk op gereageerd: ‘Naar aanleiding van uw brief van 1 november 2022 met bovengenoemd kenmerk bericht ik u dat het door u opgevraagde stuk, zijnde de aanvulling op het verkort arrest d.d.29 april 2022, houdende door het hof gebruikte bewijsmiddelen, ontbreekt. De reden hiervan is gelegen in de omstandigheid dat de bewijsmiddelen zich in de voetnoten van het arrest bevinden en de passage van de bewijsmiddelenbijlage per abuis in het arrest is blijven staan. Derhalve kan dit stuk niet worden aangeleverd.’ 10. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehouden op 18 maart 2022 houdt onder meer het volgende in: ‘De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
U houdt mij voor dat de Hoge Raad de strafzaak en ontnemingszaak heeft terugverwezen naar het hof. U houdt mij voor dat mijn standpunt is dat ik vanaf 2006 zelf geen handelingen heb verricht op de derdengeldenregeling, dat [aangever 5] dit gedaan moet hebben en voor zover de betalingen aan partijen niet zijn gedaan dan heeft dat te maken met het feit dat de gelden verrekend zijn met honorarium en kosten. Dat klopt, ik sta daar nog volledig achter. Halverwege 2006 heb ik de dossiers overgedragen. Het gesprek op 4 mei 2011 over de zaak [aangever 1] heb ik nog wel gevoerd. [aangever 5] en [aangever 3] zijn al eerder in contact geweest met verzekeraars. Zij hebben de zaak afgewikkeld, daar ben ik niet betrokken bij geweest. Ik heb de schade feitelijk afgewikkeld met het gevoerde gesprek over het bepalen van de schade. De schade betrof € 260.000,-. Er is een verschil ontstaan van € 40.000,-. Deze zaak is afgewikkeld en alles is keurig gefactureerd. Na 2007 is er door mij niets meer gefactureerd. Er is een klap op gegeven en uiteindelijk is er aan [aangever 1] betaald. De schade is afgewikkeld door twee ondeskundige mensen. Ik heb geen aktes opgemaakt. De verzekeraar heeft als gevolg van deze ondeskundigheid de € 40.000,- die ze hadden moeten betalen niet betaald. Zo is het verschil ontstaan.
U houdt mij voor dat u heeft gezien dat tot 2007 is gefactureerd voor werkzaamheden en u vraagt mij of die facturen toen direct zijn betaald. Nee, die zijn niet betaald. De verzekeraars stoppen na de 1e of 2e declaratie met betalen. Hierdoor ben je genoodzaakt afspraken te maken om een deel van de schade-uitkering met het honorarium te verrekenen. U houdt mij voor dat er geen overeenkomst is gemaakt. Het is opvallend dat [aangever 1] niet in verweer komt maar zijn zwager [aangever 3] . Hij wil mij in de wielen rijden. Waar het op neer komt is dat je met de klant afspreekt dat je mag verrekenen en aan het einde van de rit komt het altijd goed.
U vraagt mij of de facturen na 2007 niet verzonden waren. Ik heb die zaken niet behandeld. Het enige wat ik misschien nog gedaan kan hebben is een begeleidend gesprek gevoerd met [aangever 1] . Er zijn door mij geen facturen meer opgemaakt. Ik maakte een urendeclaratie en die gaf ik vervolgens aan [aangever 5] . Vanaf het laatste kwartaal van 2006 heeft [aangever 5] het op zich genomen.
De oudste raadsheer houdt mij voor dat op de derdengeldenrekening opmerkelijke dingen gebeurden. Dat ben ik met u eens. De oudste raadsheer houdt mij voor dat op de derdengeldenrekening in december 2009 een honorarium van € 865,- wordt overgeboekt, naar mijn rekening. Ik weet niet waarvoor dat is. Mijn declaraties legde ik bij [aangever 5] neer en zo kreeg ik een bedrag binnen. Het gebeurde vaker dat vanaf de derdengeldenrekening een betaling werd gedaan naar een rekening van de maten. U houdt mij voor dat het bedrag was overgeboekt naar mijn privérekening eindigend op - [002] . Dat is niet mijn privérekening. Toen [aangever 5] mijn taak overnam wilde hij een bankpas. Ik had nog een rekening waar ik niets mee deed. Alles wat op de rekening eindigend op - [002] gebeurde in die periode komt voor rekening van [aangever 5] . Ik heb geen enkele boeking meer op die rekening gedaan.
U houdt mij voor dat de omschrijving van deze overboeking 'honorarium/onkosten' was. Ik heb die overboeking niet gedaan. [aangever 5] betaalde mij 80 tot 90% van de keren contant uit. U vraagt mij hoe de overige 10 tot 20% van de betalingen zijn verricht. Ik heb een hoop declaraties niet betaald gekregen. Mijn privérekening betrof een Rabobankrekening eindigend op - [001] . Ik weet het niet meer precies allemaal, het is alweer 10 jaar geleden. U vraagt mij of ik de keren dat ik niet contant kreeg uitbetaald werd uitbetaald op die rekening. Ik heb mij niet zo bezig gehouden met mijn inkomen. Mijn vrouw had namelijk een inkomen en ik wilde de zaak laten groeien. Wat ik u kan zeggen is het rekeningbeeld dat u ziet is gecreëerd door [aangever 5] .
U vraagt naar welke rekening de overige 20% van de door mij gedane declaraties werden uitbetaald. Naar de rekening eindigend op - [001] .
De oudste raadsheer houdt mij voor dat mijn standpunt is dat dat de zakelijke rekening op mijn naam feitelijk in gebruik was bij [aangever 5] . Bij de maatschap, waarvan [aangever 5] alle administratie deed. De oudste raadsheer houdt mij voor dat de rekeningafschriften van deze rekening aan mij geadresseerd waren (p. 891). Dat zal dan zo wezen, dan nam ik de afschriften mee en gooide deze op het bureau van [aangever 5] . Ik controleerde deze niet, we vertrouwen elkaar immers blind.
De jongste raadsheer vraagt mij waarom ik een eindgesprek voerde als ik vanaf 2007 geen bemoeienis meer met de zaak had. Omdat [aangever 5] zo'n gesprek niet kan voeren. [aangever 5] en [aangever 3] hebben mij gevraagd om het gesprek te voeren.
De oudste raadsheer vraagt mij naar mijn telefoonnummer en provider in de periode 2009-2010. Dat is het [telefoonnummer] bij Vodafone. De oudste raadsheer houdt mij voor dat op de rekeningafschriften, waarvan ik zojuist heb verklaard dat deze rekening in gebruik was bij de maatschap, afschrijvingen ten behoeve van deze telefoon te zien is. Dat klopt, die werd door de maatschap betaald. Ik heb dat telefoonnummer tot 2019 gehad.
Ik heb 1 à 2 keer, hooguit 3 keer na 2007 bij een gesprek gezeten. U houdt mij voor dat mijn telefoonabonnement werd doorbetaald door de maatschap terwijl ik geen betrokkenheid in de maatschap meer had. Ik deed inderdaad niets meer met de letselschadezaken, maar ik deed meer dan dat. Bij het aangaan van de maatschap betroffen de letselschadezaken het grootste deel van mijn werk. Tegen 2007 betrof dat misschien nog 30% van mijn werk. Ik werkte wel op kantoor.
De advocaat-generaal houdt mij voor dat ik verklaar na 2006 geen bemoeienis met de rekening die gekoppeld was aan mijn eenmanszaak heb gehad. Feitelijk niet. Op een gegeven moment kreeg ik bijna niet betaald en als ik al betaald werd dan was dit contant. In 2010-2011 ben ik op vakantie geweest en ik had geen zin om met een berg contact geld rond te lopen. Ik heb de pas terug gevraagd. Op die manier heb ik geld opgenomen van de rekening in de periode dat ik in Frankrijk was.
De advocaat-generaal houdt mij voor dat uit het dossier blijkt dat ik van wielersport houd en dat er in 2008 een betaling is gedaan aan [betrokkene 4] (p. 887). [aangever 5] hield ook van fietsen. De advocaat-generaal houdt mij voor dat er veel betalingen zijn verricht in [plaats] . Daar woonde [aangever 5] ook.. oh nee in [plaats] , maar hij kwam wel twee keer per week bij mij eten. In maart 2011 is [aangever 5] naar [plaats] verhuisd.
In 2006 zijn er wielerspullen ingekocht en zijn er wat uitgaande facturen op naam van de eenmanszaak opgemaakt, zowel voor mij als voor [aangever 5] . Dat verliep via de rekening eindigend op [002] . U vraagt mij of dit soort transacties ook van de derdengeldenrekening werden gedaan. Dat weet ik niet. U vraagt mij of ik het normaal vind dat men van de derdengeldenrekening ook andere betalingen doet dan waarvoor deze rekening is bestemd. Nee, behalve honorariumbetalingen. (…) De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.’ 11. De overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in: ‘Verhoudingen binnen [A] , betrokkenheid [verdachte] bij afwikkeling schadedossiers en verrekening facturen bij afwikkeling schadeadfwikkeling (…) 10. De verklaringen afgelegd ten overstaan van de rechter commissaris door meerdere getuigen geven steun aan de verklaring van [verdachte] (o.a, getuigen [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] ). Getuige [betrokkene 8] heeft eveneens verklaard bij de Rechter-commissaris (RC) over de aankopen door [aangever 5] waarbij betaald is door [aangever 5] vanaf bankrekening [003] , zijnde een rekening op naam gesteld van [verdachte] , maar feitelijk in gebruik bij [A] Juristen en aldus ook bij [aangever 5] . (…) Bankrekening [003] 23. Uit het strafdossier lijkt te volgen dat de rekening met bankrekeningnummer [003] (- [002] ) van betekenis is bij het ten laste gelegde. Deze bankrekening is weliswaar op naam van [verdachte] gesteld, maar was al geruime tijd in gebruik bij [A] . [verdachte] geeft aan dat [aangever 5] na verloop van tijd (medio 2006) wilde beschikken over een bankrekening waarbij hij (in relatie tot de maatschap) al dan niet via een bankpas bestedingen konden doen. Hierbij is de bestaande rekening - [002] in beeld gekomen die door [verdachte] nauwelijks werd gebruikt. Via de rekening werden bijvoorbeeld zakelijke kosten voldaan (zie overgelegde stukken), alsook gerelateerde uitgaven. Als productie heeft [verdachte] aankoopbewijzen en betaalbewijzen van deze rekening aangeleverd, waaruit blijkt dat [aangever 5] met een betaalpas behorende bij deze zakelijke rekening eindigend op - [002] uitgaven heeft gedaan. Deze uitgaven door (en ten behoeve van) [aangever 5] zijn overigens gedaan medio 2009, dus in de ten laste gelegde periode.
Wederrechtelijk toe-eigenen door [verdachte] ?
Zo verklaart [aangever 2] onder meer dat hij in 2009 een bedrag van EUR 2.000,= heeft ontvangen, en niet meer dan dat (pag. 540). Uit het door [verdachte] als productie 1 bij brief van 4 april 2014 aangeleverd bankafschrift en de verklaring van [aangever 2] zelf over zijn bankrekeningnummer (pag. 541) volgt echter dat [aangever 2] op 22 mei 2009 nog een bedrag van EUR 7.500,= heeft ontvangen. Dit is aanzienlijk meer dan EUR 2.000,=. Daar komt bij dat [aangever 2] betwist één of meer contante betalingen zoals vermeld op pag. 152-154 te hebben ontvangen (in totaal EUR 15.500,=). Deze betalingen hebben wel plaatsgevonden. En uit de door [verdachte] als productie 3 bij de brief van de raadsman d.d. 4 april 2014 verstrekte mailwisseling volgt ook dat [aangever 2] wel degelijk contante betalingen wenste te ontvangen en ook heeft ontvangen.
Van de ontvangen betalingen is EUR 23.000,= daadwerkelijk aan [aangever 2] doorbetaald. Deze e-mailcorrespondentie met [aangever 2] is afkomstig van de back-up harde schijf (back-up HDD) van [A] Juristen, welke nog aanwezig was in de oude server van [A] Juristen. Een kopie van deze bestanden moet aanwezig zijn op de taperobot (zie e-mail [verdachte] nov. 17). Politie en OM hebben ondanks een uitdrukkelijk en herhaald aanbod van [verdachte] om deze tape-robot te doen onderzoeken zulks om hen moverende redenen geweigerd onderzoek te doen verrichten (kennelijk alleen omdat het te veel werk zou zijn). [verdachte] betwist met klem dat eerder overgelegde kwitanties vals zouden zijn. [verdachte] draagt geen kennis van valsheid van de kwitanties.
Het is [aangever 5] die in ieder geval vanaf juli 2006, na het fietsongeluk van [verdachte] , de financiën in belangrijke mate voor zijn rekening nam en dus ook de contante betalingen aan [aangever 2] voorbereidde, het opstellen van de kwitanties inbegrepen. Waar het openbaar ministerie het standpunt mocht innemen dat hier aan de orde zijnde kwitanties niet echt zijn, en deze aan een strafrechtelijke veroordeling ten grondslag wenst te leggen, zal wettig en overtuigend bewezen moeten worden geacht dat deze vals zijn. Daarvoor is meer nodig dan alleen de blote stelling van de ontvanger dat het geld niet zou zijn ontvangen, te meer daar wel vaker contante betalingen werden gedaan. Contante betalingen werden niet alleen verricht door [verdachte] , maar ook door [aangever 5] , zoals eenduidig naar voren is gekomen bij de ten overstaan van de rechter-commissaris gehoorde getuigen.
Bovendien is niet gebleken dat de kwitanties in de andere kwestie, de zaak [aangever 1] vals zijn, waarover zo meer.
Zaak [aangever 1] (…) 41. Terug naar de afspraken met [aangever 1] . Op 16 augustus 2004 is tussen [aangever 1] en [A] een overeenkomst van opdracht gesloten. Op deze overeenkomst, welke onbetwist is (RC verklaring [aangever 1] punt 8), is ook een verrekening-beding van toepassing (pag. 146/147).
En ook ten aanzien van dit dossier stelt [verdachte] zich op het standpunt dat hij conform de onderliggende overeenkomst heeft gehandeld. Bij verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris verklaart [aangever 1] ook de overeenkomst van c.q. machtiging tot verrekening van uitgekeerde schadebedragen te hebben ondertekend (pag. 146; RC punt 8). [aangever 1] sluit niet uit de overeenkomst / opdrachtbevestiging met [A] pag. 147 te hebben getekend (RC punt 9). Opmerkelijk genoeg stelt [aangever 1] wel niet de vaststellingovereenkomst te hebben getekend op p. 181 en wel die op p. 180. (schadebedrag en slotuitkering zijn in beide stukken wel gelijk). Onduidelijk is hoe en waarom [aangever 1] tot deze stelling komt. Een toelichting door hem met enig detail ontbreekt.
En niet blijkt dat [betrokkene 3] niet EUR 10.000,-- contant heeft ontvangen in de zaak [aangever 1] op 25 maart 2011 (p. 148). [betrokkene 3] is op 2 februari 2016 nogmaals gehoord door de RC. Getuige wordt geconfronteerd met de kwitantie (p. 148). Getuige verklaart: "U vraagt mij of ik deze kwitantie herken. Nee. U vraagt mij of ik de handtekening of de paraaf van de ontvanger herken. Je zou zeggen dat die van mij is, maar er zit een krulletje in en er staat een punt achter. Ik denk niet dat die paraaf van mij is.” Ten eerste verklaart getuige; je zou zeggen dat die van mij is. De RC vraagt dan ook nog aan getuige om haar paraaf te plaatsen. Getuige plaats haar paraaf en voorziet die duidelijk van een punt (zie aanhangsel getuigenverhoor 16 febr. 2016). Getuige verklaart voorts dat zij bij [A] nooit kwitanties zou hebben gezien. [verdachte] stelt dat er regelmatig werd gewerkt met kwitanties. Of de opmerking van getuige in haar geval juist is, laat zich thans niet meer onderzoeken. Bij gebrek aan de toegang tot nadere delen van de administratie verkeert [verdachte] verder in de onmogelijkheid dit nader onderbouwen.
De vergoeding van de [E] is gevolgschade die [B] indien de bedragen reëel zijn volledig dient te compenseren. Dit is niet zo in de vaststellingsovereenkomst opgenomen en geregeld. Het "gat" in de letselschadeuitkering bij [aangever 1] is ontstaan nu [B] niet meer uitkeerde de door [A] Juristen in de periode 2000 t/m 2007 gedeclareerde [E] . Het deel van de [E] , wat sedert oktober 2008, als was verrekend met de voorschotten onder algemene titel op de schade-uitkering, ontbreekt aldus in de door [aangever 3] namens [aangever 1] overeengekomen vaststellingsovereenkomst met [B] . [verdachte] ontkent met klem betrokken te zij bij de "valse" vaststellingsovereenkomst (pag. 69). [aangever 3] heeft uiteindelijk een vaststelling-overeenkomst tot stand gebracht.
Niet kan [verdachte] worden verweten gelden te hebben verduisterd onderdeel van een vaststellingsovereenkomst die niet als zodanig door [verdachte] tot stand zou zijn gebracht. En nogmaals [aangever 3] en [aangever 5] hebben in deze zelf geïntervenieerd. Zie verklaring [aangever 5] van 27 december 2011 (pag. 232): "..Dat is rond april 2011 en dan komt [aangever 3] op bezoek. Hij verteld dat e.e.a. met de zaak van [aangever 1] afgewikkeld zou kunnen worden....en ik zag dat deze brief een vaststellingsovereenkomst bevatte....”. [aangever 5] verklaart vervolgens dat hij niet in gesprek is gegaan met [verdachte] over de afwikkeling, maar dat hij zelf als rechercheur aan de slag is gegaan. Daarbij is [aangever 5] volgens eigen zeggen in gesprek gegaan met [B] .
Men is aan de slag gegaan met de afwikkeling buiten [verdachte] om en waarbij nog geen eindafrekening was overeengekomen/vastgesteld.
Tegenwoordig zijn: mr. H.C. Plugge, voorzitter, mr. F.P. Geelhoed en mr. A.M. Hol, leden, en mr. L. Knoop, griffier.
Voorts is aanwezig mr. S.M.A.F. Tielens, advocaat-generaal. (…) De verdachte/betrokkene antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [plaats] , wonende te [a-straat 1] te [geboorteplaats] .
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. R.A. Kaarls, advocaat te 's-Gravenhage. (…) Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken: (…) De voorzitter verklaart het onderzoek in de ontnemingszaak gesloten en deelt mede dat op 15 april het onderzoek in de strafzaak wordt gesloten en dat in beide zaken uitspraak zal worden gedaan ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 april 2022 te 09.00 uur.’ 14. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 15 april 2022, houdt onder meer het volgende in: ‘Rolnummer: 22-001646-21 Parketnummer: 09-715696-12 (…) Proces-verbaal van de op 15 april 2022 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof.
Tegenwoordig zijn: mr. H.C. Plugge, voorzitter, en mr. L. Knoop, griffier.
Voorts is aanwezig mr. S.M.A.F. Tielens, advocaat-generaal.
De voorzitter doet uitroepen dat uitspraak wordt gedaan in de zaak tegen de verdachte, genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [plaats] , wonende te [a-straat 1] te [geboorteplaats] .
De verdachte noch zijn raadsman is ter terechtzitting verschenen.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit.
Dit proces-verbaal is door de voorzitter en de griffier vastgesteld en ondertekend [BFK: twee handtekeningen]’ 15. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 29 april 2022, houdt onder meer het volgende in: ‘Rolnummers: 22-001646-21 en 22-001647-21 (PO) (…) Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 april 2022.
Tegenwoordig zijn: mr. F.W. van Lottum, voorzitter mr. G. Knobbout en mr. V.M. de Winkel, leden en mr. M. Rouw, griffier.
Voorts is aanwezig mr. L.L. van Delft, advocaat-generaal.
De voorzitter doet uitroepen dat uitspraak wordt gedaan in de zaak tegen de verdachte, genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [plaats] , wonende te [a-straat 1] te [geboorteplaats] .
De verdachte noch zijn raadsman is ter terechtzitting verschenen.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit.’ 16. Art. 345 Sv, in hoger beroep van toepassing op grond van art. 415, eerste lid, Sv, luidt als volgt: ‘1. Na afloop van het onderzoek wordt dit door den voorzitter gesloten verklaard en wordt hetzij aanstonds de uitspraak gedaan, hetzij door den voorzitter mondeling medegedeeld, wanneer zij, volgens de bepaling der rechtbank zal plaats vinden.
A-G Paridaens vermeldt dat de mededeling dat op 11 juni 2021 het onderzoek is gesloten ‘wordt ondersteund door de omstandigheid dat het hof op 25 juni 2021 een tussenarrest heeft gewezen en de sluiting van het onderzoek op 11 juni 2021 al is aangekondigd in het proces-verbaal van de laatste zitting vóór 11 juni 2021, te weten de zitting van 2 juni 2021’. Nu buiten twijfel staat dat dit ontbrekend proces-verbaal inhoudelijk niet van belang kan zijn voor de uitkomst van de zaak ‘moet worden aangenomen dat de verdachte geen belang bij cassatie heeft’. Uw Raad deed de zaak af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
Bespreking van het tweede middel 24. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van beide feiten niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Zij zou berusten op feiten en omstandigheden die redengevend zijn maar die niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, terwijl het hof ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid heeft aangegeven aan welke bewijsmiddelen het die feiten en omstandigheden heeft ontleend. Voorts zou de bewijsvoering niet alle onderdelen van de bewezenverklaarde feiten ondersteunen en – mede gelet op het gevoerde verweer – niet de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte zich opzettelijk de bewezenverklaarde geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Op de rekeningafschriften van de derdengeldenrekening is te zien dat er van de ontvangen voorschotten ook diverse consumptieve uitgaven worden gedaan, zoals de aanschaf van concertgebouwkaarten, het betalen van telefoonkosten en het doen van kledingaankopen, evenals overboekingen naar bijvoorbeeld [D] , de eenmanszaak van de verdachte. Naar het oordeel van het hof duiden - in ieder geval enkele van - deze overboekingen van de ontvangen voorschotten van [B] en [C] erop, dat deze ten gunste zijn gekomen van de verdachte. Ook voor zover deze transacties niet ten gunste van de verdachte zijn gekomen, geldt overigens dat hij in ieder geval die rekening beheerde en dat het niet anders kan dan dat hij moet hebben geweten dat dergelijke transacties plaatsvonden. Daar komt bij dat die consumptieve uitgaven volledig in strijd zijn met de strikte regels die gelden, voor het beheer van een derdengeldrekening, waarbij immers uitgangspunt is dat bedragen die op een dergelijke rekening worden gestort, niet mogen worden vermengd met het eigen vermogen van de beheerder van die rekening.
Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat met de ontvangen voorschotten ten behoeve van [aangever 1] en [aangever 2] , naast de hiervoor genoemde transacties, ook meermaals tekorten op de derdengeldenrekening zijn gedekt.16 Gelet op het. voorgaande kan worden geconcludeerd dat door deze transacties en door het met de voorschotten aanvullen van tekorten op de rekening, teruggave van de gelden aan [aangever 1] en [aangever 2] onmogelijk werd, gemaakt, dan wel aanmerkelijk werd bemoeilijkt.
Voetnoot 16: ‘Rekeningafschriften p. 604 t/m 608.’ 32. De steller van het middel voert aan dat de in de voetnoot vermelde bankafschriften de door het hof genoemde feiten en omstandigheden niet ondersteunen. De eerste twee bankafschriften betreffen de maanden augustus en september 2007 en vallen daarmee buiten de tenlastegelegde periode; de laatste drie afschriften ‘betreffen weliswaar de tenlastegelegde periode, maar houden niet meer in dan enkele bij- en afschrijvingen op de rekening van [A] Juristen-Derdengelden’.
Het hof wijst ook slechts op de verklaring van de verdachte in verband met een verweer waar het hof geen geloof aan hecht. Ik attendeer er daarbij op dat de redengevende feiten en omstandigheden moeten worden onderscheiden van gevolgtrekkingen, die geheel of ten dele van feitelijke aard kunnen zijn. Het hof ‘leidt’ vaststelling (4) uit het verhandelde ter terechtzitting ‘af’ en meent dat vaststelling (7) daaruit ‘volgt’. Dat maakt duidelijk dat in zoverre van gevolgtrekkingen sprake is.
Daarvan bleek niet uit de bewijsvoering in het bevestigde vonnis (randnummers 19, 23). Uw Raad overwoog dat uit de bewijsvoering kort gezegd bleek dat ten behoeve van [aangever 1] en [aangever 2] naar de derdengeldenrekening van [A] juristen overgemaakte geldbedragen ‘niet (geheel) aan de begunstigden zijn doorbetaald en dat de verdachte, die verantwoordelijk was voor de bijgeschreven bedragen, toegang had tot deze gelden’. Hieruit kon volgens Uw Raad ‘niet zonder meer volgen dat de verdachte zich de desbetreffende geldbedragen op de derdengeldenrekening van de maatschap wederrechtelijk heeft toegeëigend’.
De enkele omstandigheid dat consumptieve uitgaven ten gunste van de verdachte zijn gekomen, impliceert ook nog niet dat hij zich geldbedragen toebehorend aan [aangever 1] en [aangever 2] zelf heeft toegeëigend. Bij transacties die ‘niet ten gunste van de verdachte zijn gekomen’ overweegt het hof ‘dat hij in ieder geval die rekening beheerde en dat het niet anders kan dan dat hij moet hebben geweten dat dergelijke transacties plaatsvonden’. Dat kan het kennelijk oordeel van het hof dat hij zich aan [aangever 1] en [aangever 2] toebehorende bedragen heeft toegeëigend – meen ik – ook niet dragen. Voor een veroordeling wegens het plegen van verduistering is vereist dat de verdachte zelf (als heer en meester) ‘beschikt’ over een goed dat aan een ander toebehoort.
Een en ander wordt niet anders in het licht van de vaststelling ‘dat die consumptieve uitgaven volledig in strijd zijn met de strikte regels die gelden voor het beheer van een derdengeldenrekening’. Ook uit die vaststelling volgt niet dat de verdachte zelf als heer en meester over aan [aangever 1] en [aangever 2] toekomende geldbedragen heeft beschikt.
In de onderhavige zaak is het niet de verdachte die de bedragen op de derdengeldenrekening heeft gestort; uit de rekeningafschriften blijkt van bedragen die afkomstig zijn van [C] . Daarbij valt uit de bankafschriften niet (zonder meer) af te [plaats] dat het telkens nadat [C] bedragen had overgemaakt niet mogelijk was deze bedragen aan [aangever 2] over te maken. Het zijn de bedragen die nadien telkens op andere rekeningen zijn overgemaakt alsmede de consumptieve bestedingen die teruggave hebben bemoeilijkt. Van dat overmaken en besteden heeft het hof (zie het voorgaand randnummer) evenwel niet voldoende duidelijk vastgesteld dat het om gedragingen van de verdachte gaat. Daarmee kan ook deze overweging de bewezenverklaring van beide feiten niet dragen.
Bespreking van het derde middel 59. Het derde middel bevat de klacht dat de strafoplegging niet naar behoren is gemotiveerd, nu het hof ten nadele van de verdachte in de strafmotivering zou hebben betrokken dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit, terwijl het Uittreksel Justitiële Documentatie waar het hof naar verwijst geen steun biedt voor de stelling dat de verdachte voorafgaand aan de onderhavige feiten onherroepelijk is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten De verdachte heeft zich bij de uitoefening van zijn beroep als juridisch dienstverlener meermalen schuldig gemaakt aan verduistering van gelden van twee van zijn klanten, [aangever 1] en [aangever 2] . Hij heeft aanzienlijke bedragen van door de verzekeraars uitgekeerde voorschotten ten aanzien van letselschade niet aan zijn klanten doorbetaald, terwijl zij daar wel recht op hadden. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij gedurende meerdere jaren twee kwetsbare personen, die beiden door een ongeval blijvend letsel hadden en slechts beperkt konden functioneren, structureel op die manier heeft gedupeerd. De verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie als juridisch dienstverlener en de vertrouwenspositie die hij met zijn klanten had, heeft hij geschaad. Het hof acht het kwalijk dat de verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.
Justitiële documentatie Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 maart 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit te plegen.’ 61. Het Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 maart 2022 bevindt zich bij de stukken van het geding. Onder het kopje ‘Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven’ wordt een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2018 vermeld die op 12 maart 2019 onherroepelijk is geworden. Van feit 1 en feit 2 is blijkens het uittreksel vrijgesproken, voor feit 3, met als pleegdatum 22 oktober 2013, is een voorwaardelijke geldboete opgelegd. Daarnaast vermeldt het uittreksel onder dat kopje de beslissing van een politierechter in de rechtbank Overijssel van 4 juni 2014 inzake een op 22 oktober 2013 gepleegd feit, met als status ‘Niet onherroepelijk’ alsmede twee zaken waarin de verdachte door de politierechter is vrijgesproken. Onder het kopje ‘Buitenlandse zaken’ staat een op 16 december 2020 onherroepelijk geworden veroordeling in België wegens deelneming aan een criminele organisatie met als pleegperiode 1 februari 2016 tot en met 20 mei 2019.
2.4.2 Als in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd – al dan niet soortgelijk – feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, moet de veroordeling of de strafbeschikking voor dat feit in beginsel onherroepelijk zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Maar als met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte ondanks een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo’n strafbaar feit – bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet ervan heeft weerhouden opnieuw zo’n strafbaar feit te begaan – moet de veroordeling of de strafbeschikking voor dat niet tenlastegelegde feit al onherroepelijk zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.’ 63. De strafbare feiten waarvoor de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld zijn begaan in de periode van 21 oktober 2008 tot en met 18 juni 2011 en in de periode van 1 mei 2009 tot en met 13 december 2011. De onherroepelijke veroordeling tot een voorwaardelijke geldboete en de veroordeling in België dateren van nadien. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.
Afronding 65. De drie middelen slagen. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Indien Uw Raad de zaak terugwijst, kan een schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn bij het hof aan de orde worden gesteld. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] , p. 177.
Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 3] afgelegd tegenover de rechter-commissaris op 29 juli 2014.
Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 1] , p. 275.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 225.
Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 5] door de rechter-commissaris op 12 januari 2015; Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 5] , p. 283.
Proces-verbaal van aangifte [aangever 2] , p. 540.
Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] , p. 271-272 Proces-verbaal van bevindingen, p. 912.
Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 2] , p. 610.
Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 2] , p. 609.
Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3] door de rechter-commissaris op 2 februari 2016.
Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 3] door de rechter-commissaris op 29 juli 2014.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 866-867.
Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 2] , p. 609.
HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253.
Rekeningafschriften p. 604 t/m. 608.
Zie over dat eerdere andere voorstel (bij klemmende redenen een termijn van zes weken) de conclusie van A-G Bleichrodt voor HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1801, noot 8.
Kamerstukken II 2022/23, 36 327, p. 965; verwijzing naar HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0011, NJ 2010/626 en HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4660, NJ 2011/184.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:458.
Alleen voor die situatie geldt de regeling van art. 345, derde en vierde lid, Sv. Na een tussenarrest wordt de zaak (per definitie) op de bestaande tenlastelegging opnieuw of verder onderzocht.
Vgl. HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1801.
HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387, m.nt. Buruma. Zie ook HR 1 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6237, NJ 2010/319.
In mei 2009 € 258,90; op 26 maart 2010 € 810,00; op 7 juni 2010 € 58,00; op 9 juni 2010 € 1.200,00; op 15 juni 2010 € 595,00; op 21 juni 2010 € 196,00; op 28 juni 2010 € 1.300,00; op 30 juni 2010 € 400,00 en op 2 juli 2010 € 4.000,00 Op 13 mei 2009 € 1,000,00; op 30 maart 2010 € 2.500,00; op 21 juni 2010 € 2.000,00; op 24 juni 2010 € 1.500,00; op 30 juni 2010 € 4.000,00.
Die onderbouwing is wel te vinden in het vonnis van de rechtbank dat door het hof is vernietigd. Daarin is overwogen dat ‘door [B] onder meer op 21 oktober 2008, 28 december 2009 en 18 maart 2011 bedragen van respectievelijk € 5.000,- € 15.000,- en € 7.500,- aan voorschotten ten gunste van [aangever 1] (zijn) uitgekeerd’ op de derdengeldenrekening, met verwijzing naar een proces-verbaal van bevindingen. Dat betekent naar het mij voorkomt evenwel nog niet dat belang bij cassatie ontbreekt. Vgl. HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0296 en de voorafgaande conclusie van A-G Machielse, randnummer 4.2. Zie HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133 voor een zaak waarin belang bij cassatie wel ontbrak.
Het afschrift van 3 juni 2009 vermeldt een tekort van € 2.649,04; het afschrift van 7 april 2010 vermeldt een tekort van € 4.520,25; het afschrift van 7 juli 2010 vermeldt een tekort van € 201,56.
Dat [B] in de bewezenverklaarde periode € 37.500,- heeft gestort op de derdengeldenrekening van [A] kan ook worden afgeleid uit een (niet in de voetnoten genoemde) pagina uit het proces-verbaal van bevindingen met antwoorden van [betrokkene 2] (vgl. voetnoot 4).
Vgl. in dit verband ook de beslissing van het hof in de ontnemingszaak, waarin het hof overweegt dat niet is ‘vast te stellen dat de bedragen, die als voorschot zijn overgemaakt op deze derdenrekening, alleen ten goede van de verdachte zijn gekomen’ en komt tot een pondspondsgewijze verdeling.
Vgl. Hofstee in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 321 Sr, aant. 1.2, die als voorbeelden noemt: ‘het verteren, uitgeven, verkopen, vernietigen, verbergen, ook het wegschenken’ (actueel t/m 9 oktober 2019). Zie ook de conclusie van A-G Aben voor het vorige arrest in de onderhavige zaak.
HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1370, NJ 1999/740 m.nt. ‘t Hart.
HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:593.