PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/02072 Zitting 27 augustus 2024 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 31 mei 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens primair “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geldboete van € 1000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van één jaar. 2. Namens de verdachte heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend, waarin drie middelen van cassatie worden voorgesteld. 3. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof weer. De bewezenverklaring en bewijsvoering van het hof De bewezenverklaring 4. Ten laste van de verdachte is primair bewezenverklaard dat: “hij op 16 juni 2019 te Leiden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Europaweg (N206) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, als volgt te handelen: hij, verdachte aldaar, - onvoldoende aandacht heeft gehad voor het besturen van zijn motorrijtuig, en - niet zoveel mogelijk rechts heeft gereden en vervolgens - op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen en vervolgens - in botsing is gekomen met een hem tegemoetkomende auto (Fiat 500), waardoor anderen te weten de bestuurder (genaamd 1) [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht en een passagier van die Fiat 2) [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan te weten ad 1) een kniefractuur en breuk van de (rechter) hiel en een breuk van twee voetbeenderen en ad 2) een sleutelbeenfractuur en meerdere huiddefecten op borstkas” De bewijsvoering van het hof 5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “I. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Eenheid Den Haag d.d. 16 juni 2019, onder nummer PL1500-2019163451-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven - (blz. 10) als verklaring van de verdachte Op zondag 16 juni 2019 omstreeks 17.30 uur reed ik als bestuurder van mijn personenauto met kenteken [kenteken 1] over de N206 richting Leiden. Ik reed denk ik 30 km per uur. Het was druk. Het volgende wat ik weet is dat ik wakker werd van een klap. Ik zag dat ik tegen een andere auto was aan gereden. 2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van de politie Eenheid Den Haag d.d. 16 juni 2019, onder nummer PL1500-2019163451-3.. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 14) als verklaring van [getuige] Op zondag (het hof begrijpt: 16 juni 2019) omstreeks 17.15 uur reed ik in mijn auto over de N206 vanuit de richting Leiden. Ter hoogte van hectometerpaaltje 10.0 zag ik links voor me vanuit tegengestelde richting een zwarte Mercedes aankomen vanuit de richting Zoetermeer. Deze auto viel me op omdat hij van zijn rijbaan afweek. De weg heeft daar een flauwe bocht maar ik zag dat het voertuig rechtdoor reed en niet de kromming van de weg volgde. Meteen daarna hoorde ik een klap. Ik schat dat ik en mijn voorliggers zo'n 45 km per uur reden. Voor mij reed een politiebusje. Het aangereden voertuig was een witte Fiat 500.Er stapte een man uit aan de bestuurderskant en twee meiden aan de bijrijderskant. 3. Een proces-verbaal van bevindingen van de politie Eenheid Den Haag d.d. 25 augustus 2019, met nr. PL1500-2019163451-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 22): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: Ik reed in een opvallend politievoertuig over de Europaweg (het hof begrijpt:: de N206) gaande in de richting van de Hofvlietweg te Leiden met een geschatte snelheid van 40 tot 60 kilometer per uur. Het was druk op de weg in beide richtingen. Direct voor mij reed een witte Fiat 500 met een tussenafstand van vijf meter. Ik zag dat er een zwarte Mercedes uit tegenovergestelde richting in een rechte lijn in de richting van de voorzijde van de Fiat reed.. Ik zag dat de Mercedes zijn baan had verlaten en over de dubbele doorgetrokken strepen reed. Ik zag dat de Mercedes in een rechte lijn op de Fiat afreed zonder snelheid te minderen. Ik zag dat de Mercedes frontaal tegen de voorzijde van de Fiat botste. 4 . Een proces-verbaal van verhoor slachtoffer van de politie Eenheid Den Haag d.d. 16 juni 2019, onder nummer PL1500-2019163451-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven - (blz. 18) als verklaring van [slachtoffer 1]: Ik reed op zondag 16 juni 2019 om 17.39 uur op de Europaweg te Leiden als bestuurder van een witte Fiat. Het was in een flauwe bocht. Ik denk dat ik 50 a 60 km per uur reed. Ik zag de auto en gelijk was de aanrijding. Hij kwam uit het niets en ineens op onze rijbaan waardoor hij frontaal op mij reed. Ik ben gewond geraakt. Mijn dochter [slachtoffer 2] had haar sleutelbeen gebroken. 5. Een verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse van Politie Eenheid Den Haag d.d. 25 augustus 2019 nr. 2019163451. Dit proces-verbaal houdt in -zaklelijk weergegeven- als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren: De Provincialeweg N206 bestaat ter hoogte van hectometerpaal 10.0 uit één rijbaan, verdeeld in (afgezien van een hier niet relevante doelgroep-rijstrook) twee rijsroken. De twee rijstroken waren middels een dubbel doorgetrokken streep verdeeld. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 80 km per uur. De bij het ongeval betrokken Mercedes [kenteken 1] vertoonde geen gebreken en/of bijzonderheden welke mogelijk van invloed zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval. Hetzelfde geldt voor de bij het ongeval betrokken Fiat 500 [kenteken 2]. 6. Een geschrift, inhoudende een letselbeschrijving betreffende [slachtoffer 1], d.d. 6 augustus 2019, opgemaakt en ondertekend door K. van den Hondel, forensisch arts KNMG, GGD Hollands Midden, als bijlage opgenomen bij proces-verbaal met nummer PL 1500-2019163451 (blz. 47) . Er was sprake van een breuk van de rechter knie waarvoor een operatie plaatsvond op 20-06-2019. Tevens een breuk van de rechter hiel en twee voetbeenderen (waar de enkel op steunt) die met gips behandeld zijn. 7. Een geschrift, inhoudende een letseIbeschrijving betreffende [slachtoffer 2], d.d. 23 augustus 2019, opgemaakt en ondertekend door M. Khargi, forensisch arts KNMG, GGD Hollands Midden, als bijlage opgenomen bij proces-verbaal met nummer PL 1500-2019163451 (blz. 49). Bij onderzoek werd het volgende letsel vastgesteld: een sleutelbeenbreuk rechts en meerdere huiddefecten (krassen/schrammen) op de borstkas in een patroon passend bij het dragen van de gordel. De verwachte genezingsduur is zes weken.” 6. Voorts heeft het hof ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen: “Nadere bewijsoverweging De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld zich niet te kunnen verenigen met het appel van de officier van justitie en zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, evenals in eerste aanleg, van de primair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman - kort gezegd - aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte zich ‘aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend’ heeft gedragen, nu niet kan worden vastgesteld waarom hij op de andere weghelft is geraakt en er aldus onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het aannemen van schuld in voornoemde zin: een enkel moment van afwezigheid is immers onvoldoende om te concluderen dat de verdachte met een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid heeft gehandeld, zo stelt de raadsman. Het hof overweegt als volgt. Voor beantwoording van de vraag of de gedragingen van de verdachte als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) van dien aard zijn dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, komt het aan op het geheel van diens gedragingen, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat de verdachte met zijn auto op een tweebaansweg, de Provincialeweg N206 (de Europaweg), reed waar het op dat moment vrij druk was voor het verkeer op de beide weghelften. De auto’s op de weg uit de tegemoetkomende richting van waar de verdachte reed, reden op dat moment met een snelheid van tussen de 40 en 60 km/u, met soms slechts 5 meter tussenruimte. De verdachte reed naar eigen zeggen op dat moment ten minste 30 km/u. Onder deze omstandigheden heeft de verdachte in een flauwe bocht niet zijn rijrichting behouden en is hij, in plaats van met de bocht mee te rijden, rechtdoor gereden en heeft hij vervolgens de dubbele doorgetrokken streep op de as van de weg met zijn gehele auto overschreden en is hij met onverminderde snelheid door blijven rijden om vervolgens frontaal met een tegenligger in botsing te komen. Dit verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich als verkeersdeelnemer aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aldus aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is. De verdachte heeft gesteld dat hij niet weet hoe het komt dat hij op de andere weghelft is geraakt en in frontale botsing met een tegenligger is gekomen; in dat licht heeft zijn raadsman aangevoerd dat er sprake is geweest van een enkel moment van afwezigheid. Het hof leidt uit voornoemde feiten en omstandigheden evenwel af dat de verdachte gedurende langere tijd dan een enkel kort moment afwezig (en aldus onvoorzichtig en onoplettend) is geweest. Ook overigens acht het hof op basis van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, niet aannemelijk dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend in het verkeer heeft gedragen, waardoor het onderhavige verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten.” Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan Het middel 7. Het eerste middel keert zich met drie deelklachten tegen het oordeel van het hof dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. Het juridisch kader 8. Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt als volgt: “Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.” 9. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan in cassatie slechts worden onderzocht of schuld als bedoeld in art. 6 WVW 1994 uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. Daarvoor zijn namelijk verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. 10. Van belang voor de beoordeling van de onderhavige zaak is dat een momentane onoplettendheid op zichzelf nog geen schuld in de zin van art. 6 WVW hoeft op te leveren. Ik verwijs daarvoor naar HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544, NJ 2008/440 en de doorwrochte conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga, die aan dit arrest voorafgaat. Voorts verdient opmerking dat uit bepaalde omstandigheden die aannemelijk zijn geworden – bijvoorbeeld wanneer de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde – kan volgen dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken. 11. De onderhavige zaak vertoont veel gelijkenis met HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252, m.nt. Knigge, waar de verdachte op een tweebaansweg met een snelheid van ongeveer 80 km per uur in een flauwe bocht plotseling en zonder enige aanleiding op de andere weghelft terechtkwam en in botsing kwam met een op die andere weghelft rijdende tegenligger. Zodanig verkeersgedrag kan volgens de Hoge Raad in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan verdachtes schuld in de zin van art. 6 WVW 1998 te wijten is. Tot eenzelfde oordeel kwam de Hoge Raad in zijn arrest van 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4835, NJ 2013/32, waarbij een bestuurder met ongeveer 80 kilometer per uur een dubbel doorgetrokken streep op de as van een tweebaansweg met zijn gehele auto had overschreden en met de voorzijde van zijn auto in botsing was gekomen met een tegenligger. De bespreking van het eerste cassatiemiddel 12. Het middel valt uiteen in twee deelklachten, die zich voor een gezamenlijke bespreking lenen. Volgens de eerste deelklacht is de overweging van het hof dat de verdachte “langere tijd dan een enkel kort moment afwezig (en aldus onvoorzichtig en onoplettend) is geweest”, innerlijk tegenstrijdig met de uit de bewijsvoering blijkende omstandigheid dat de afstand tussen de beide in tegengestelde richting rijdende auto’s erg kort was. In de toelichting op het middel wordt nog gesteld dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen moet worden afgeleid dat er bijzonder weinig tijd zat tussen het door de verdachte van rijbaan afwijken en het ongeluk. De tweede deelklacht houdt in dat de bewijsvoering zonder nadere motivering, die ontbreekt, de aanmerkelijke onvoorzichtigheid van de verdachte niet kan dragen. 13. Ik meen dat geen van beide deelklachten doel treft. Het hof heeft op grond van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk vastgesteld dat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.