PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/03991 B Zitting 24 september 2024 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [klager], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de klager. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 2 oktober 2023 de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag ten aanzien van een Volkswagen Golf met [kenteken]. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en T. Straten, advocaat in Maastricht, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel en de ontvankelijkheid van het cassatieberoep 3.1 Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde, doordat zij heeft verzuimd uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op het verzoek van de raadsvrouw van de klager om de behandeling van de zaak aan te houden. De tweede deelklacht houdt in dat, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld zij geen beslissing hoefde te nemen op het aanhoudingsverzoek, omdat het beklag niet-ontvankelijk is en de klager er dus geen belang bij heeft om te worden gehoord naar aanleiding van het door hem ingediende klaagschrift, dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans niet zonder meer begrijpelijk is. 3.2 Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt, voor zover van belang, het volgende in: “De raadsvrouw deelt mee: Ik verzoek u de zaak aan te houden gelet op de afwezigheid van mijn cliënt. Hij zit momenteel gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Dordrecht. Zijn transportorder zou niet goed zijn doorgekomen. De rechter deelt mee: In het proces-verbaal nummer PL1700-2023162759-4 is opgenomen dat het Openbaar Ministerie reeds een last tot teruggave van de personenauto aan de eigenaar heeft gegeven omdat het belang van strafvordering zich hiertegen niet verzet. Een ander dan klager wordt aangemerkt als de eigenaar van de auto. De vraag is daarom allereerst of er nog beslag rust op de auto. De raadsvrouw deelt mee: op 10 juli heeft klager een bericht ontvangen dat hij niet is aangemerkt als eigenaar en hij hierover kan klagen. De officier van justitie deelt mee: op basis van het genoemde proces-verbaal kom ik tot de conclusie dat er geen beslag meer rust op de auto. Ik verzoek u klager niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsvrouw deelt mee: op basis van het proces-verbaal zou gesteld kunnen worden dat er geen beslag meer rust op de auto. Het is dan wel vreemd dat er een brief is gestuurd naar klager onder vermelding dat hij beklag kan indienen.” 3.3 De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in: “Procedure Op 21 juli 2023 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend. Het beklag is op 2 oktober 2023 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. E.M.L. Warmoeskerken en de raadsvrouw mr. G. Vermaak, die waarneemt voor mr. E.A. Blok, zijn gehoord. De klager is niet verschenen. Omdat klager gedetineerd zit verklaart de raadsvrouw desgevraagd dat zij is gemachtigd en de behandeling van de zaak kan worden voortgezet. Feiten Op 25 mei 2023 is te Rotterdam beslag gelegd, zonder een beslagene aan te wijzen, op het volgende voorwerp: - Personenauto, Volkswagen Golf, [kenteken]. Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv. Standpunt klager en standpunt officier van justitie Het klaagschrift strekt tot teruggave van het voertuig aan de klager. Volgens klager is ten onrechte het voertuig in beslag genomen en wenst hij te worden aangemerkt als eigenaar van de auto. De officier van justitie heeft op de terechtzitting haar schriftelijke standpunt gewijzigd. Zij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager. Daartoe is gesteld dat uit het dossier blijkt dat de officier van justitie M. Kuik de teruggave van de inbeslaggenomen auto aan de eigenaar heeft gelast, omdat er geen strafrechtelijke grondslag meer is voor de inbeslagname. Tevens heeft de officier vastgesteld dat een ander dan klager de eigenaar betreft. Omdat deze beslissing reeds is genomen staat er geen beslag meer open waarop beslist kan worden. Beoordeling klacht De klager heeft op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagname van de personenauto. Uit het dossier blijkt dat het Openbaar Ministerie reeds een last tot teruggave aan de eigenaar heeft gegeven omdat het belang van strafvordering zich niet verzet hiertegen. Een ander dan klager wordt aangemerkt als de eigenaar van de personenauto. Om die reden is het beslag geëindigd. Omdat uitsluitend kan worden beslist door de rechter op goederen waarop beslag rust, zal de klager niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift. Beslissing De rechtbank: verklaart de klager niet ontvankelijk in het beklag.” 3.4 Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. De wettelijke regeling ten aanzien van de raadkamerprocedure, die is neergelegd in art. 21 t/m 25 Sv, verbindt geen rechtsgevolg aan het verzuim te beslissen op een aanhoudingsverzoek met betrekking tot de behandeling in raadkamer. Wel kan een dergelijk verzuim onder omstandigheden vanwege strijd met de goede procesorde een reden zijn om de beschikking van de rechtbank te vernietigen. Of daarvoor aanleiding bestaat, hangt voornamelijk af van de vraag of het aanhoudingsverzoek is gemotiveerd en zo ja, op welke gronden het berust. 3.5 De steller van het middel betoogt dat het verzuim een beslissing te nemen op het aanhoudingsverzoek in het onderhavige geval zodanige strijd met een goede procesorde oplevert, dat het nietigheid van het onderzoek door de rechtbank in raadkamer tot gevolg heeft. Daartoe voert hij allereerst aan dat het aanhoudingsverzoek voldoende gemotiveerd is, nu de raadsvrouw van de klager heeft aangegeven dat de klager ten tijde van de behandeling van de zaak gedetineerd zat en dat zijn transportorder niet goed zou zijn doorgekomen. Daarnaast voert hij aan dat de klager door de afwijzing van het aanhoudingsverzoek in zijn belangen is geschaad, omdat hij geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om in de raadkamer te worden gehoord en zijn standpunt ten aanzien van het beklag aan de rechtbank voor te leggen. 3.6 Voorts klaagt de steller van het middel dat voor zover de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld dat de klager er geen belang meer bij had om te worden gehoord, omdat de enige mogelijke uitkomst was dat het beklag niet-ontvankelijk zou worden verklaard, dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans niet zonder meer begrijpelijk is. In dat verband wijst hij erop dat de klager in verband met de regeling van art. 116 lid 3 Sv wel ontvankelijk in zijn beklag was geweest als de rechtbank hem zou hebben aangemerkt als beslagene. Als de klager zou zijn gehoord in raadkamer, had hij de mogelijkheid gehad om zijn standpunt aan de rechtbank voor te leggen ten aanzien van de vraag of hij als beslagene moest worden aangemerkt. Dat het openbaar ministerie de klager op 10 juli 2023 een bericht als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv heeft gestuurd, maakt het oordeel van de rechtbank dat de klager geen beslagene is niet onbegrijpelijk, maar laat wel zien dat de klager er belang bij had om te worden gehoord, aldus de steller van het middel. 3.7 Art. 116 lid 2 en 3 Sv luidt: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.