PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/02274 Zitting 3 september 2024 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de verdachte. Inleiding
- De verdachte is bij arrest van 16 juni 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van witwassen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
- Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A. Darrazi, advocaat in Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel
- Het eerste middel komt met een motiveringsklacht op tegen de bewezenverklaring van medeplegen. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte “tezamen en in vereniging” handelde en dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de verdachte door het beschikbaar stellen van zijn bankrekening en pinpas een wezenlijke bijdrage aan het witwassen heeft geleverd.
- Uit de vijf door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte – voor het doorsluizen van geld dat werd verkregen door WhatsApp-fraude – zijn bankrekening en pinpas ter beschikking heeft gesteld aan anderen. Al het geld ging over zijn bankrekening. Uit die bewijsmiddelen heeft het hof m.i. kunnen afleiden dat de verdachte een cruciale rol heeft vervuld bij het verwerven, voorhanden hebben en omzetten van het geld. Het middel faalt. Het tweede middel
- Het tweede middel bevat de klacht dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is, gelet op het verzoek van de verdediging om de verdachte vanwege persoonlijke omstandigheden een taakstraf op te leggen.
- Ook dit middel faalt. In zijn strafmotivering heeft het hof op begrijpelijke wijze uiteengezet dat het heeft gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede dat en waarom het hof desondanks van oordeel is dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van één maand. Slotsom
- Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
- Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie is verstreken op 22 juni
- Gelet op de hoogte van de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering daarvan.
- Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Bewezen verklaard is dat “hij omstreeks 12 oktober 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen een geldbedrag, in totaal € 4.817,43, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wist(en) dat die geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.”