ECLI:NL:PHR:2024:964
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/04547 Zitting 17 september 2024 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 29 november 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens 1 en 2. ‘de eendaadse samenloop van in het openbaar, mondeling of bij afbeelding tot enig strafbaar feit opruien en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht‘ alsmede 3. ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ veroordeeld tot 60 dagen gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft daarnaast twee maatregelen strekkende tot beperking van de vrijheid opgelegd, inhoudend – kort gezegd – een gebiedsverbod en een contactverbod, en deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. Gonzalez Bos, advocaat in Rotterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste en tweede middel bevatten klachten inzake de opgelegde maatregelen strekkende tot beperking van de vrijheid. Het derde middel bevat de klacht dat het arrest niet is gewezen door drie rechterlijke ambtenaren ‘van wie een als voorzitter optreedt’ althans dat na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting een ‘voorzitterswissel’ heeft plaatsgevonden. Het vierde middel bevat klachten inzake de bewezenverklaring van en kwalificatiebeslissing bij feit 3.
Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de inhoud van de stukken van het geding weer voor zover van belang voor de beoordeling van de middelen. Verder besteed ik aandacht aan de wetsgeschiedenis van art. 38v Sr en enkele arresten van Uw Raad inzake de vrijheidsbeperkende maatregel.
Vonnis, arrest, proces-verbaal van de terechtzitting en pleitnota 5. Ook in eerste aanleg zijn de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard. Door de politierechter is, naast een gevangenisstraf, een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor een periode van 3 jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen: ‘1. zich niet te bevinden binnen een straal van 100 meter van de [b-straat] te Rotterdam en de Coolsingel 40 (stadhuis) te Rotterdam, na vandaag; 2. zich te onthouden van direct of indirect contact met de heer A. Aboutaleb, geboren 29 augustus 1961 te Beni Side! in Marokko, na vandaag.’ De politierechter heeft voorts bepaald dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet en de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer wordt gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan gesteld op 1 week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden. En de politierechter heeft bepaald dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2022 verklaard – zakelijk weergegeven –:
Het klopt dat ik op 30 september 2021 te Rotterdam de tenlastegelegde filmpjes op mijn Facebookaccount [account] heb geplaatst.
Het kan zijn dat het bedreigend overkomt als ik de auto en het huis van de heer Aboutaleb film en daarbij Al-Qaida noem. Mijn opmerking dat ik hoop dat Al-Qaida aanslagen gaat plegen betreft geen fraaie opmerking.
Ik, burgermeester van Rotterdam, A. Aboutaleb, doe hierbij aangifte van bedreiging.
Op 4 oktober 2021 ontving politiefunctionaris [verbalisant] van een wijkbewoner een drietal filmpjes en een beeldschermafdruk. Deze filmpjes en beeldschermafdruk stonden op Facebook pagina genaamd [account] . Het Facebook bericht zou op 30 september 2021 om 20:47 uur zijn geplaatst.
Na onderzoek zou [account] niet zijn echte naam zijn, maar zou het gaan om een persoon genaamd: [verdachte] Geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] Woonachtig op de [a-straat 1] te [plaats] Op het eerste filmpje zou het volgende te horen zijn: “Zo dat is een mooie opname. We zijn hier in de straat van de allerbeste Burgemeester van de wereld. Kijk, dan lopen er nu even naar toe. De [b-straat 1] . Daar woont meneer Aboutaleb. (…) Nou, dit is dus de ingang van de woning van meneer Aboutaleb, gaan we ook nog even naar het Stadhuis waar die naar binnengaat. En ik hoop ook dat Al-Qaida aanslagen gaat plegen. Harstikke leuk.”
In het filmpje zou je zien dat deze [verdachte] het straatnaambord filmt waarop te zien is dat hij in de [b-straat] te Rotterdam stond. Hij zou vervolgens al filmend naar mijn woning zijn gelopen daarbij het bovenstaande commentaar geven. Op het filmpje is de woning te zien waar ik en mijn gezin woonachtig zijn.
Op het tweede filmpje zou het volgende te horen zijn: 'Zo, dan is dit de ingang van het Stadhuis.' Nou ja. Dan lopen we even via de binnenkant. Dan zullen we gelijk even het kenteken van het gepantserde Mercedes er even op zetten. Waar meneer Aboutaleb in gereden moet worden. Kijk dit is het kenteken. Zo dan is dat ook allemaal bekend. Dan kunnen we dat ook gelijk allemaal op Al-Jazeera zetten. Dat is de beste Burgemeester van de wereld. Die iedereen broodloos en kapot maakt, omdat hij in Marokko geboren is. Geweldig."
In het filmpje zou je zien dat deze [verdachte] het stadhuis filmt alsook het kenteken ( [kenteken] ) van de Mercedes van aangever.
Op het derde filmpje zou het volgende te horen zijn: "Dit is dus het adres waar die uitstapt, als die vanuit.de [b-straat 1] komt. Aan de andere kant staat er dus een Mercedes, dat is de beveiliging van de AIVD. Nou, toch wel even leuk dat het even allemaal op film staat. Dit is dus de Stadhuis van Rotterdam en de dienstingang. Dus voor belanghebbende is dit hartstikke leuk. En wie komt er aanlopen? Jawel. Daar zien we hem lopen. Onze beste Burgemeester van Rotterdam. Wat geweldig."
In het filmpje zou te zien zijn dat [verdachte] bij het Stadhuis stond.
Door de uitlatingen van deze [verdachte] in combinatie met het tonen van mijn privégegevens voel ik, burgermeester van Rotterdam A. Aboutaleb, mij bedreigd en beledigd.
Op dinsdag 19 oktober 2021 bekeek ik, verbalisant, drie video’s die de verdachte, te weten: [verdachte] op Facebook had geplaatst waarin hij de volgende uitlatingen deed richting de burgermeerster van Rotterdam A. Aboutaleb.
Eerste video In het eerste filmpje filmt de man het straatnaambord ' [b-straat] ', waarop hij naar de woning van de burgemeester loopt en zegt: "We zijn hier in de straat van de allerbeste Burgemeester van de Wereld. Kijk. dan lopen er nu even naar toe, De [b-straat 1] . Daar woont meneer Aboutaleb (...). Nou dit is dus de ingang van de woning van meneer Aboutaleb, gaan we ook nog even naar het Stadhuis waar die naar binnengaat. En ik hoop ook dat Al-Quida aanslagen gaat plegen. Harstikke leuk."
Tweede video In het tweede filmpje staat de man bij het stadhuis, loopt hij het binnenterrein op, filmt de auto met kenteken ' [kenteken] ' en zegt: "Zo dan is dit de ingang van het Stadhuis. Nou ja. Dan lopen we even via de binnenkant. Dan zullen we gelijk even het kenteken van het gepantserde Mercedes er even op zetten. Waar meneer Aboutaleb in gereden moet worden. Kijk dit is het kenteken. Zo dan is dat ook allemaal bekend. Dan kunnen we dat ook gelijk allemaal op Al-Jazeera zetten. Dat is de beste Burgemeester van de wereld. Die iedereen broodloos en kapot maakt, omdat hij in Marokko geboren is. Geweldig."
Derde video In het derde filmpje houdt de man de camera gericht op de dienstingang van het stadhuis en zegt: "Dit is dus het adres waar die uitstapt, als die vanuit de [b-straat 1] kom. Aan de andere kant staat er een Mercedes dat is de beveiliging van de AIVD. Nou toch wel even leuk dat het even allemaal op film staat. Dit is dus de Stadhuis van Rotterdam en de dienstingang. Dus voor belanghebbende is dit hartstikke leuk. En wie komt er aanlopen? Jawel. Daar zien we hem lopen. Onze beste Burgemeester van Rotterdam. Wat geweldig."
De bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.’ 8. Het bestreden arrest houdt verder het volgende in (met weglating van een verwijzing): ‘Motivering op te leggen straf en maatregel Ernst van de feiten Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan opruiing en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van de burgemeester van Rotterdam, de heer Aboutaleb. Met de politierechter is het hof van oordeel dat het in een democratische rechtsstaat van groot belang is dat een burgemeester zijn/haar werk zonder angst en beletsels in het kader van hun veiligheid kunnen verrichten. Feiten als deze dragen bij aan een klimaat waarin sommige politici zich uit angst beknot kunnen voelen in hun persoonlijke vrijheid en in hun privéleven en in hun uitingsvrijheid. Bovendien versterken deze feiten de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid.
Ook heeft de verdachte in een van de op Facebook geplaatste filmpjes de heer Aboutaleb in zijn eer en goede naam aangerand. De burgermeester, die een publieke taak heeft moet – in het belang van de openbare orde – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen vanuit het publiek.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 oktober 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, zij het lang geleden, onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Bij de hierna op te leggen straf heeft het hof in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht Daarnaast zal het hof ter voorkoming van verdere strafbare feiten aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van drie jaren opleggen, inhoudende een gebiedsverbod en een contactverbod met aangever, op straffe van hechtenis voor de duur van 1 week voor elke overtreding van een van de verboden zoals hierna nader omschreven. De verdachte had aanvankelijk een contactpersoon bij de gemeente Rotterdam met wie hij goed overweg kon en die zaken voor hem regelde bij de gemeente. Echter, na diens overlijden ging het mis. De verdachte voelde zich niet meer gehoord door de ambtenaren van de gemeente en zocht het vervolgens, zoals hij het noemde, hogerop, te weten bij aangever, door middel van de bewezenverklaarde gedragingen. Het gebieds- en contactverbod wordt opgelegd om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw op een vergelijkbare wijze te reageren uit onvrede over ambtenaren van de gemeente Rotterdam.
Het hof acht het noodzakelijk deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren nu er is voldaan aan het criterium van artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens aangever. Zo heeft de verdachte kort nadat aan hem een gedragsaanwijzing was opgelegd en deze op 15 oktober 2021 aan hem in persoon was uitgereikt weer een bericht op Facebook geplaatst over aangever (…). De enkele omstandigheid dat de verdachte nadien niet nog eens contact heeft gezocht met aangever maakt dat oordeel niet anders. Te meer daar de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat als hij zich niet gehoord voelt door ambtenaren bij de gemeente Rotterdam hij zich genoodzaakt voelt om het hogerop te zoeken, te weten bij aangever.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat, overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal en subsidiair bepleit door de verdediging, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. (…) BESLISSING Het hof: (…) Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal bevinden binnen een straal van 100 meter van de [b-straat] te Rotterdam en de Coolsingel 40 (stadhuis) te Rotterdam.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met A. Aboutaleb, geboren 29 augustus 1961 te Beni Sidel in Marokko.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Dit arrest is gewezen door mr. E. F. Lagerwerf-Vergunst, mr. M. Koole en mr. B. Stapert, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek. (…) mr. B. Stapert is buiten staat dit arrest te ondertekenen.’ 9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2022 houdt onder meer het volgende in: ‘Tegenwoordig zijn: mr. B. Stapert, voorzitter, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. M. Koole, leden, en mr. M.J.J. van den Broek, griffier. (…) De raadsman merkt op dat de reden van hoger beroep – naast de bewezenverklaring – ook is gelegen in de strafsoort en de strafmaat. (…) De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende: (…) U houdt mij voor dat de politierechter een vrijheidsbeperkende maatregel aan mij heeft opgelegd. Ik heb er geen behoefte aan om iedere keer voor de neus van de heer Aboutaleb te staan. Ik kom mijn afspraken na. Hetgeen mij verweten wordt is eenmalig geweest. U moet dat zo ook zien want het heeft totaal geen zin gehad. Ik loop nu naar de bode in het stadhuis als ik de burgemeester wil spreken; lukt het niet, dan is dat zo. Als u mij weer een gevangenisstraf oplegt, ga ik in cassatie. Het dragen van een enkelband is voor mij geen probleem; ik ben sowieso aan huis gekluisterd. Als u mij veroordeelt tot een voorwaardelijke straf dan zou dat een mooie stok achter de deur zijn. Als ik een taakstraf vanuit huis kan doen dan is dat een mogelijkheid. De strafbare feiten op mijn justitiële documentatie is uit de tijd dat ik mijn wilde haren nog had. (…) De advocaat-generaal vraagt mij hoe het slachtoffer er van op aan kan dat ik morgen niet weer iets plaats op Facebook. Als ik zeg dat ik het niet meer doe, dan doe ik het ook niet, want anders word ik door Allah gestraft. Mijn vrouw en kind zijn Nederland uitgezet, maar zij kunnen niet uit het brp-register worden geschreven en ik heb problemen met haar ziektekostenverzekering. De heer Aboutaleb heeft met mij problemen gekregen door zijn ambtenaren. Als ik het niet met de lagere ambtenaren kan regelen, dan zoek ik het hoger op. Nu heb ik een goed contact met [betrokkene 1] van de gemeente. Men hoeft absoluut niet meer bang te zijn. (…) De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis waarvan beroep en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren. Voorts vordert de advocaat-generaal dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd, in de vorm van een contactverbod met A. Aboutaleb, en een gebiedsverbod met betrekking tot het adres: [b-straat] en Coolsingel 40 (stadhuis) te Rotterdam, met per overtreding van de maatregel een week vervangende hechtenis, met een maximum van zes maanden. De advocaat-generaal heeft ook gevorderd dat de vrijheidsbeperkende maatregel direct uitvoerbaar wordt verklaard.
De advocaat-generaal legt de op schrift gestelde vordering aan het gerechtshof over.
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen.
Daarbuiten deelt de raadsman mede dat de verdediging blij is met de voorzet van de advocaat-generaal. Tevens vult hij aan: voor wat betreft de duur van de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf refereer ik mij aan uw oordeel: Voorts refereer ik mij aan uw oordeel voor wat betreft de nut en noodzaak van een eventueel op te leggen maatregel ex art. 38v van het Wetboek van Strafrecht.’ 10. De pleitaantekeningen houden onder meer het volgende in: ‘Feit 3 – belediging :
De uitlating van [verdachte] genoemd in de tenlastelegging van feit 3 wordt beschermd door het recht op vrije meningsuiting en is in zijn algemeenheid niet beledigend. [verdachte] is in zijn positie niet overtuigd van de kwaliteiten van de burgemeester en heeft dat – mogelijk prikkelend – verwoord. Nochtans kan die uitlating niet als belediging in de zin van artikel 266/267 WSr worden aangemerkt.
Persoonlijke omstandigheden :
Ter toelichting op de frustratie bij [verdachte] wordt opgemerkt, dat zijn partner [betrokkene 2] na een besluit tot ongewenstverklaring uit Nederland is verwijderd en dat sedertdien de terugkeer van zijn partner tegengewerkt wordt en [verdachte] met toepassing van de participatiewet feitelijk wordt gedwongen de huwelijksband met zijn partner te verbreken. [verdachte] krijgt met toepassing van de participatiewet slechts een halve uitkering en kan daarvan redelijkerwijs niet rondkomen. [verdachte] overlegt de beslissing van B&W van Rotterdam van 20 maart 2020 (bijlage 2).
Medische omstandigheden van [verdachte] : [verdachte] moet met zijn huidige medische beperkingen als detentie-ongeschikt worden aangemerkt. Tevens is [verdachte] niet of slechts zeer beperkt in staat een werkstraf te verrichten.
Redenen, waarom [verdachte] Uw Gerechtshof verzoekt het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende: primair verdachte vrij te spreken van al hetgeen hem tenlaste is gelegd subsidiair, voorzover Uw Gerechtshof tot enige bewezenverklaring zal komen, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen’ De vrijheidsbeperkende maatregel, wetsgeschiedenis en rechtspraak 11. Artikel 38v Sr houdt het volgende in: ‘1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:
1° waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2° waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
3.2 Contactverbod Bij een contactverbod gaat het om een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen. Te denken valt in het bijzonder aan een verbod op contact met slachtoffers of getuigen. De maatregel kan echter ook strekken tot een verbod om contact te hebben met andere personen die verantwoordelijk zijn voor structurele overlast in een buurt of tijdens voetbalwedstrijden, bijvoorbeeld een verbod samen te komen in de straat waar telkens strafbare feiten worden gepleegd of burgers anderszins worden lastig gevallen. Een contactverbod is niet eenvoudig te handhaven. Contact kan immers op veel manieren plaatsvinden, door middel van telefoneren, aanbellen, langslopen enzovoort. Vaak zal overtreding van het verbod daarom slechts vastgesteld kunnen worden met behulp van melding door de persoon die erdoor beschermd wordt. Technische ontwikkelingen kunnen eraan bijdragen dat overtredingen ook met nieuwe hulpmiddelen kunnen worden opgenomen (nummerherkenning en mobiele telefoons met camera e.d.). Ook wijkagenten die goed bekend zijn met groepen overlastgevers of vandalen kunnen overtreding van een contactverbod constateren. (…) 4Gevallen waarin de maatregel kan worden toegepast 4.1 Algemene toepasbaarheid maatregel In de praktijk doen zich strafbare feiten voor waarbij niet kan worden volstaan met geldboetes, taakstraffen of (lichte) vrijheidsstraffen, maar waar gerichte maatregelen nodig zijn om de omgeving te beschermen. Het kan hier gaan om situaties van aanhoudende overlast doordat personen strafbare feiten plegen die de leefbaarheid in bepaalde wijken aantast of om verdachten die – bijvoorbeeld bij bepaalde voetbalwedstrijden of tijdens het uitgaan – bij herhaling vernielingen aanrichten of openlijk geweld plegen. Tevens kan het gaan om een verdachte van een strafbaar feit, bijvoorbeeld eenvoudige mishandeling, die ernstig belastend gedrag jegens het slachtoffer of een getuige vertoont. In dergelijke situaties moet voorkomen worden dat de getuige of het slachtoffer ongevraagd op hinderlijke wijze met de verdachte dreigt geconfronteerd te worden.
Zoals aan de orde is gesteld in het spoeddebat over het bericht dat Eindhoven een pedoseksueel niet mag weren (Handelingen II 2009/10, blz. 3665–3674), zijn ook buiten deze gevallen situaties denkbaar waarin de rechtsorde door het gedrag van verdachte dusdanig geschokt is dat het gewenst is dat de rechter een gerichte vrijheidsbeperkende maatregel kan opleggen. Om die reden wordt – mede op grond van het advies van het openbaar ministerie – voorgesteld de sanctie niet te beperken tot bepaalde in de wet omschreven gevallen maar deze algemeen toepasbaar te maken. Het wordt aan het oordeel van de strafrechter overgelaten in welke concrete gevallen een wijkverbod, contactverbod of meldplicht een passende sanctie is.
De toepassing van de maatregel wordt wel beperkt door het wettelijk omschreven doel van de maatregel: de beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van strafbare feiten. Dit betekent dat de rechter de maatregel alleen kan opleggen indien hij oordeelt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen. (…) 6.3 Hoger beroep (…) Indien de rechter in eerste aanleg de dadelijke tenuitvoerlegging heeft bevolen, beoordeelt het gerechtshof of de dadelijke tenuitvoerlegging moet worden voortgezet. Wanneer het gerechtshof al snel tot het oordeel komt dat de maatregel niet in stand kan blijven, kan het gerechtshof het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid opheffen. In andere gevallen bepaalt het gerechtshof bij de bevestiging van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg of bij het opleggen van de (gewijzigde) maatregel of de directe tenuitvoerlegging moet worden voortgezet of moet worden bevolen. Het gerechtshof bepaalt dan opnieuw de duur en inhoud van de maatregel, met aftrek van de periode gedurende welke de maatregel al van kracht is geweest.
De totale duur van de maatregel mag op grond van artikel 38v, derde lid, Sr de periode van ten hoogste twee jaren niet overschrijden. Indien het gerechtshof de oplegging van de maatregel, anders dan de rechter in eerste aanleg, niet nodig acht, of als de verdachte van het onderliggende feit wordt vrijgesproken, beveelt het gerechtshof de beëindiging van de tenuitvoerlegging. Indien wegens het niet naleven van de maatregel vervangende hechtenis is ondergaan, kan er recht op schadeloosstelling zijn. Dit is beschreven in paragraaf 6.1. Ook bij het bepalen van de duur van de vervangende hechtenis die ten uitvoer wordt gelegd in het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, houdt het gerechtshof rekening met het aantal dagen gedurende welke de vervangende hechtenis mogelijk reeds is tenuitvoergelegd.
De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden (artikel 38w, derde lid, Sr). In het (theoretische) geval dat reeds vóór de behandeling van de zaak in hoger beroep de vervangende hechtenis geheel ten uitvoer is gelegd, kan het gerechtshof de maatregel en de vervangende hechtenis slechts bevestigen.’ 13. De nota naar aanleiding van het verslag bij voornoemd wetsvoorstel houdt onder meer het volgende in: ‘Met betrekking tot de door deze leden geschetste casus waarin een gebiedsverbod toegang tot het werk onmogelijk maakt, wil ik allereerst opmerken dat de kans zeer gering is dat een maatregel met een dergelijk verstrekkend gevolg zal worden opgelegd. De rechter zal bij het opleggen van de maatregel namelijk altijd streven naar een – in verhouding tot de belangen van beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van strafbare feiten – zo gering mogelijke beperking van de grondrechten van de verdachte. Bij een gebiedsverbod zal dus ook zeker rekening worden gehouden met de plaats waar de betrokkene werkt en woont. Een maatregel waardoor werken onmogelijk wordt, zal niet snel voldoen aan deze proportionaliteitstoets. Zo nodig kan de maatregel zodanig worden geformuleerd dat de betrokkene via een vastgestelde route zijn woning of werk kan bereiken. Voor een nadere uitwerking van de wijze waarop de rechter deze afwegingen maakt, verwijs ik graag naar het hierna volgende antwoord op vragen van de leden van de SP-fractie over de reikwijdte van het gebiedsverbod, het contactverbod en de meldplicht. (…) 3Inhoud van de maatregel De leden van de SP-fractie constateren dat de strafrechter met dit wetsvoorstel de bevoegdheid krijgt om bij een veroordeling voor in beginsel ieder denkbaar strafbaar feit aanvullend een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Zij vragen of bewust gekozen is om de toepassing niet te beperken tot overlastgevende of voor een slachtoffer belastende delicten. Ik kan vermelden dat inderdaad bewust is gekozen voor algemene toepasbaarheid van deze maatregel. Deze aanvullende sanctiemogelijkheid voor de rechter is bedoeld voor al die situaties waarin de maatschappij nieuwe strafbare feiten kunnen worden bespaard door gericht de vrijheid van de veroordeelde te beperken. De afweging of in een concreet geval oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel is aangewezen, is ter beoordeling van de strafrechter.
Zoals deze leden benadrukken is het van groot belang dat gestreefd wordt naar een zo gering mogelijke beperking van de grondrechten van de verdachte bij het opleggen van een gebiedsverbod, contactverbod of meldplicht. Ik ben het er dan ook mee eens dat rekening dient te worden gehouden met de woonplaats van betrokkene en de plaats waar deze werkt of naar school gaat. Zij vragen hoe dit wordt gewaarborgd aangezien dergelijke vereisten niet in het wetsvoorstel zelf zijn opgenomen. Daarnaast vragen zij in dit verband hoe een veroordeelde die van mening is dat de vrijheidsbeperkende maatregel verder gaat dan noodzakelijk, hiertegen kan ageren en binnen welke termijn de veroordeelde zijn zaak in hoger beroep kan voorleggen aan een rechter.
Het zal bij het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel zo zijn dat de rechter steeds zal beoordelen of de reikwijdte van het gebiedsverbod, het contactverbod of de meldplicht proportioneel is ten opzichte van het doel dat met de maatregel wordt beoogd. De inbreuk die de maatregel maakt op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk beschermd recht, is daarbij een wezenlijk punt van afweging. In het concrete geval zal beoordeeld worden of een inbreuk op een fundamenteel recht aanvaardbaar en proportioneel is. Zoals hierna in mijn reactie op concrete voorbeelden van deze leden nader wordt toegelicht, zal een beperking van de mogelijkheid voor de veroordeelde om naar zijn of haar werk of school te gaan deze toets zelden kunnen doorstaan. (…) De rechter zal bij het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel steeds moeten beoordelen of de reikwijdte van het gebiedsverbod, het contactverbod of de meldplicht proportioneel is ten opzichte van het doel dat met de maatregel wordt beoogd. (…) De leden van de SP-fractie hebben voorts vragen over de reikwijdte van het gebiedsverbod, het contactverbod en de meldplicht. Zij vragen meer duidelijkheid over welke verboden mogelijk zijn. In het bijzonder willen deze leden meer duidelijkheid hoe specifiek verboden omschreven zullen moeten worden en hoeveel ruimte voor interpretatie de strafrechter heeft. Hiertoe vragen deze leden ten aanzien van een tiental voorbeelden van gebiedsverboden toe te lichten of het de rechter is toegestaan deze op te leggen. Hiervoor heb ik beschreven op welke wijze de strafrechter bij de oplegging van de maatregel in elke concrete zaak de proportionaliteit toetst. De rechter zal telkens een afweging maken tussen de aard van het strafbaar feit, de omstandigheden van het geval, de persoon van de dader en de belangen van het slachtoffer en de samenleving.
Dit maakt het niet eenvoudig om in algemene zin uitspraken te doen of een bepaalde maatregel is toegestaan of niet. Wel kan worden vastgesteld dat met de beoordeling van de proportionaliteit door de rechter op een wijze die vergelijkbaar is met bestaande sancties zoals de bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling, en de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan, deze sanctie op de meest zorgvuldige wijze in het strafproces is ingebed. Met betrekking tot de door deze leden genoemde voorbeelden kan worden gezegd dat een algeheel verbod niet snel zal voldoen aan de eis van proportionaliteit. Van de voorbeelden die deze leden noemen, betreft dit het huisarrest, het verbod om gebruik te maken van het gehele openbaar vervoer en het verbod om in winkels of supermarkten te komen.
Indien de maatregel specifieker wordt geformuleerd of geen primaire levensbehoeften raakt, zal de vrijheidsbeperking eerder proportioneel kunnen zijn. Van de voorbeelden van deze leden gaat het dan om bijvoorbeeld het verbod om in één bepaalde supermarkt te komen of het verbod om in cafés in het centrum van Breda te komen op de donderdag-, vrijdag- en zaterdagavond.’ 14. In een arrest van 6 oktober 2015 heeft Uw Raad zich uitgelaten over de omstandigheden waaronder een vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd en over de motivering van de oplegging van die maatregel. Het hof had een vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende een gebiedsverbod tijdens voetbalwedstrijden opgelegd en daarbij overwogen dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan openlijke geweldpleging terwijl hij aanwezig was op de Arena Boulevard in de hoedanigheid van Ajaxsupporter en dat hij al eerder was veroordeeld wegens openlijke geweldpleging. Uw Raad overwoog onder verwijzing naar de wetstekst en een hiervoor weergegeven passage uit de memorie van toelichting dat de vrijheidsbeperkende maatregel ‘kan worden opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van het – opnieuw – begaan van strafbare feiten’ en dat het hof ‘de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd ter voorkoming van strafbare feiten en dat het daarbij acht heeft geslagen op een eerdere veroordeling van de verdachte ter zake van openlijke geweldpleging’. Uw Raad oordeelde dat het hof daarmee de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel toereikend had gemotiveerd.
En dat uit de bewijsvoering en het dictum kon worden afgeleid dat het hof tot het kennelijke oordeel was gekomen dat er rekening mee moest worden gehouden dat verdachte jegens het slachtoffer opnieuw een strafbaar feit zou plegen dan wel zich belastend naar haar zou gedragen. Hij wees erop dat de verdachte geacht kon worden te begrijpen waarom het hof tot oplegging had beslist, gelet op zijn verklaring ‘dat hij zich kan voorstellen dat zijn gedragingen gezien kunnen worden als stalking’. Hofstee attendeert er verder op dat de verdediging alleen in eerste aanleg heeft opgemerkt dat een contactverbod niet nodig zou zijn ‘en in hoger beroep niets heeft ingebracht tegen de eis van de advocaat-generaal om een contact- en gebiedsverbod conform het vonnis op te leggen’ (randnummer 11).
Uw Raad overwoog echter dat het hof gelet op de wettekst en een geciteerde passage uit de memorie van toelichting ‘en mede in aanmerking genomen dat de vrijheidsbeperkende maatregel ingevolge art. 38v, eerste lid onder 1° of 2°, Sr slechts kan worden opgelegd indien dit strekt tot de beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van het - opnieuw - begaan van strafbare feiten’, had dienen te motiveren waarom het de vrijheidsbeperkende maatregel had bevolen. Nu elke motivering van de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ontbrak, was het middel terecht voorgesteld.
In cassatie werd aangevoerd dat het hof een ontoelaatbare inbreuk had gemaakt op art. 8 EVRM door aan de verdachte een contactverbod van vijf jaren met zijn kinderen op te leggen. A-G Spronken merkte onder meer op dat de raadsman inzake het gevorderde contactverbod met zijn kinderen ten overstaan van het hof enkel had aangevoerd ‘dat een contact- en locatieverbod volgens de verdachte overbodig is en het alleen maar nog moeilijker zal maken om contact te hebben met zijn kinderen’ (randnummer 2.19). Uw Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat de aan de verdachte opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel – ook in het licht van het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven – proportioneel en noodzakelijk was, niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend gemotiveerd was.
Daarbij nam Uw Raad in aanmerking ‘dat, anders dan het middel kennelijk tot uitgangspunt neemt, het contact tussen de verdachte en zijn kinderen gedurende deze periode niet onmogelijk is, maar is beperkt tot contact waarbij de gezinsvoogd is betrokken en dat plaatsvindt in het kader van afspraken over de omgang met de kinderen’.
2.4.2 Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat het hof in hoger beroep een (al dan niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren) vrijheidsbeperkende maatregel oplegt, nadat de rechtbank in eerste aanleg ook al een vrijheidsbeperkende maatregel had opgelegd die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. In dat geval moet - mede gelet op de hiervoor onder 2.3.2 weergegeven wetsgeschiedenis - bij de berekening van de totale duur van de vrijheidsbeperkende maatregel, de periode worden meegerekend waarin de verdachte was onderworpen aan de in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. De termijn van de maatregel vangt aan op het ogenblik waarop het in eerste aanleg gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ingaat, te weten op de dag van de einduitspraak in eerste aanleg.
2.4.3 Het voorgaande geldt ook als de verplichtingen die in hoger beroep zijn verbonden aan die maatregel (in belangrijke mate) afwijken van de in eerste aanleg opgelegde verplichtingen (bijvoorbeeld in het geval dat de in eerste aanleg opgelegde verplichtingen een locatieverbod als bedoeld in artikel 38v lid 2, aanhef en onder a, Sr betreffen, terwijl het in hoger beroep een contactverbod als bedoeld in artikel 38v lid 2, aanhef en onder b, Sr betreft).
2.4.4 Bij de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bepaalt de rechter overeenkomstig artikel 38w lid 2 Sr de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel - dat wil zeggen: aan een aan die maatregel verbonden verplichting - wordt voldaan. Op grond van artikel 38w lid 3 Sr geldt van rechtswege dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt. (Vgl. HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:841.)De termijn van zes maanden omvat de periode waarin de verdachte vervangende hechtenis heeft ondergaan in verband met een in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Daarbij geldt dat in de executiefase moet worden bepaald welk deel van die zes maanden vervangende hechtenis al ten uitvoer is gelegd en welk deel daarvan nog resteert.
2.5.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof de in artikel 38v lid 2 en 38w lid 3 Sr bedoelde maximumduur van de vrijheidsbeperkende maatregel en de daaraan verbonden vervangende hechtenis niet in acht heeft genomen, omdat het hof - nadat de verdachte al ongeveer drie jaren was onderworpen aan de in eerste aanleg dadelijk uitvoerbaar verklaarde maatregel - in hoger beroep opnieuw aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaren heeft opgelegd en daarbij de totale duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis heeft bepaald op zes maanden, waardoor “de facto de totale duur” van die vervangende hechtenis twaalf maanden zou bedragen.
2.5.2 Het onder 2.2.3 weergegeven dictum moet zo worden begrepen dat het hof heeft bepaald dat de duur van de vrijheidsbeperkende maatregel in totaal vijf jaren is, en dat de duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis in totaal zes maanden is, te berekenen op de wijze zoals in 2.4 is weergegeven. Gelet daarop faalt de klacht. (…) 2.7.1 Opmerking verdient nog het volgende over gevallen als het onderhavige, waarin de verdachte (al) vóór de uitspraak in hoger beroep is onderworpen aan een vrijheidsbeperkende maatregel die in eerste aanleg is opgelegd en daarbij dadelijk uitvoerbaar is verklaard.
2.7.2 Hoewel geen rechtsregel de rechter daartoe verplicht, heeft het ter voorkoming van onduidelijkheden bij de tenuitvoerlegging de voorkeur dat het hof - als het deze maatregel opnieuw oplegt - in het dictum van het arrest beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van het arrest onderworpen is geweest aan een dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
2.7.3 Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat een door het hof gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel van rechtswege in de plaats treedt van een door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel. Het verdient in dat geval echter de voorkeur dat het hof het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op grond van artikel 6:6:6 Sv opheft ter voorkoming van onduidelijkheden bij de tenuitvoerlegging. Dit is in het bijzonder van belang als in hoger beroep andere verplichtingen aan de vrijheidsbeperkende maatregel worden verbonden dan in eerste aanleg of als het hof eerder het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op grond van artikel 6:6:6 Sv heeft geschorst.‘ Bespreking van het eerste middel 18. Het eerste middel, dat klaagt over de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen, valt uiteen in een aantal deelklachten. De eerste drie deelklachten betreffen het gebiedsverbod. De eerste deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken van een afweging tussen het doel van de maatregel en de gevolgen die de verdachte daarvan kan ondervinden in zijn dagelijks leven. In het bijzonder behoorde het hof volgens de steller van het middel aandacht te besteden aan de omstandigheid dat het gebiedsverbod tot gevolg heeft dat de verdachte ‘(meer dan) drie jaren geen toegang heeft tot een plaats met een publiek karakter en belangrijke maatschappelijke functie – het stadhuis – waar voor het dagelijks leven essentiële (overheids)diensten en documenten worden verleend/verstrekt’.
De tweede deelklacht houdt in dat de oplegging van het gebiedsverbod een ontoelaatbare inbreuk oplevert op het in artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM gewaarborgde recht op bewegingsvrijheid. De derde deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken van een afweging tussen het doel van de maatregel en de inbreuk op het door artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM gewaarborgde recht op bewegingsvrijheid, alsook het in artikel 125 lid 1 Grondwet besloten liggende recht op aanwezigheid bij de openbare gemeenteraadsvergaderingen en het in artikel 4 Grondwet en artikel 3 van het Eerste Protocol bij het EVRM gewaarborgde actief en passief kiesrecht, terwijl het hof evenmin overwegingen heeft gewijd aan de proportionaliteit en/of noodzakelijkheid van de maatregel zodat de oplegging lijdt aan een motiveringsgebrek.
Dat de verdachte beperkt is in de mogelijkheid om openbare raadsvergaderingen fysiek bij te wonen, brengt evenmin mee dat de opgelegde maatregel niet proportioneel is. Dat de verdachte is beperkt in zijn passief kiesrecht blijkt niet: de laatste verkiezingen voor de gemeenteraad waren op 16 maart 2022; de vrijheidsbeperkende maatregel is in eerste aanleg op 11 februari 2022 opgelegd. De in hoger beroep opgelegde maatregel is derhalve ten uitvoer gelegd voordat de volgende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. Ik merk nog op dat ter terechtzitting in hoger beroep ook niet is aangevoerd dat en waarom de verdachte een bijzonder belang had om openbare raadsvergaderingen fysiek bij te wonen of belemmerd zou zijn in zijn recht zich verkiesbaar te stellen voor de gemeenteraad.
Bespreking van het tweede middel 35. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te bevelen dat de periode waarin de vrijheidsbeperkende maatregel reeds van kracht was op grond van de door de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 11 februari 2022 bevolen dadelijke uitvoerbaarheid, in mindering dient te worden gebracht op de duur van de vrijheidsbeperkende maatregel die het hof bij arrest van 29 november 2022 heeft opgelegd.
Bespreking van het derde middel 40. Het derde middel bevat twee klachten met betrekking tot de samenstelling van de meervoudige kamer die het bestreden arrest heeft gewezen. Aangevoerd wordt (i) dat ‘het arrest in strijd met artikel 5 lid 2 Wet RO jo. artikel 6 lid 2 Wet RO niet is gewezen door drie rechterlijke ambtenaren "van wie een als voorzitter optreedt" en/of dit niet uit het arrest kan blijken’, althans (ii) dat ‘in strijd met (de ratio van) artikel 7 lid 1 Wet RO na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting een "voorzitterswissel" heeft plaatsgevonden.’ 41. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende (leden van) wetsartikelen van belang:
Artikel 5 Wet RO: ‘1. Op straffe van nietigheid geschiedt de uitspraak van vonnissen en arresten in burgerlijke zaken en strafzaken in het openbaar en bevatten deze beslissingen de gronden waarop zij berusten.
Bespreking van het vierde middel 48. Het vierde middel bevat een aantal deelklachten inzake het onder 3 bewezenverklaarde. De eerste deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel dat de bewezenverklaarde uitlating kan worden aangemerkt als een belediging in de zin van artikel 266/267 Sr blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel niet begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is. Gesteld wordt dat deze uitlating in het algemeen niet beledigend is en dat het hof daarom gehouden was nader aan te geven wat de context was waardoor deze uitlating een beledigend karakter zou kunnen krijgen.
Afronding 63. Alle middelen falen. In ieder geval het tweede en derde middel kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het artikel is laatstelijk gewijzigd door de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Stb. 2017, 82, in werking getreden op 1 januari 2020 (Stb. 2019, 507).
Kamerstukken II 2010/11, 32551, nr. 3, p. 5 t/m 7, 17 en 18.
BFK: vijf jaren volgens het huidige artikel 38v, derde lid, Sr.
Kamerstukken II 2010/11, 32551, nr. 6, p. 2, 7 en 8.
HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2916, NJ 2015/432.
HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, NJ 2017/143, m.nt. Vellinga-Schootstra.
HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1806, NJ 2019/469.
HR 9 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:637, NJ 2023/241, m.nt. Ten Voorde.
Vgl. HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2143. Uw Raad casseerde de verbeurdverklaring omdat deze ‘niet naar de eis der wet met redenen omkleed’ was.
Vgl. het genoemde HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2916, NJ 2015/342. Ik wijs er ook op dat Uw Raad in HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, NJ 2017/143, m.nt Vellinga-Schootstra overwoog dat ‘elke motivering van de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ontbreekt’.
Een zoekslag op https://www.rotterdam.nl/burgerzaken leert dat er zeven locaties ‘Burgerzaken’ zijn in de gemeente Rotterdam.
Zie https://www.rotterdam.nl/trouwen.
Zie https://www.kiesraad.nl/verkiezingen/gemeenteraden/stemmen/stempas.
Ik wijs er daarbij op dat via de website van de gemeente Rotterdam vergaderingen van de gemeenteraad kunnen worden bekeken (https://www.rotterdam.nl/gemeenteraad).
Vgl. https://www.kiesraad.nl/verkiezingen/adviezen-en-publicaties/publicaties/2021/11/01/uitgebreide-verkiezingskalender-gemeenteraadsverkiezingen -2022.
ABRvS 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0392, AB 2013/304 m.nt. Damen.
Zie https://www.rotterdam.nl/eerste-rijbewijs-aanvragen.
Zie https://www.rotterdam.nl/carola-schouten-kamdidaat-burgemeester.
Zie HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1611 en HR 7 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen alsmede (onder meer) HR 28 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:740 en HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:563. Vgl. in dit verband A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 64 e.v. Van Dorst en Borgers leiden uit rechtspraak van het EHRM af dat het in art. 5, vierde lid, EVRM neergelegde recht van eenieder aan wie door ‘arrest or detention’ zijn vrijheid is ontnomen ‘om de rechter te laten beslissen over de rechtmatigheid van zijn vrijheidsbeneming, noopt tot heroverweging van de klassieke opvatting inzake het point d’intérêt, point d’action.’ Zij menen dat dit niet betekent dat dit beginsel in andere context zijn betekenis heeft verloren. Uit hun bespreking volgt dat het beginsel vooral betekenis heeft in procedures die erop zijn ingericht dat de rechter ‘een einde kan maken aan de voortduring van een door de wet of het recht verboden maatregel van overheidswege’. Bij einduitspraken noemen zij een geval waarin belang ontbrak bij het instellen van een rechtsmiddel en rechtspraak inzake de inhaaldagvaarding.
Ik wijs in verband met de omstandigheid dat het hof (anders dan de politierechter) twee vrijheidsbeperkende maatregelen heeft opgelegd nog op HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:282. Daarin heeft Uw Raad overwogen dat de rechter aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel kan opleggen ‘waaraan meerdere in artikel 38v lid 2 Sr genoemde verplichtingen worden verbonden’. Tegen die achtergrond verstond Uw Raad de strafoplegging door het hof wat betreft de oplegging van de vrijheidsbenemende maatregel aldus ‘dat aan de verdachte één vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd’ (kort gezegd een locatieverbod en een contactverbod) ‘en dat de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan één van die verplichtingen wordt voldaan één week bedraagt, waarbij op grond van artikel 38w lid 3 Sr van rechtswege geldt dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt’. Het ligt in de rede de strafoplegging door het hof in de onderhavige zaak in dezelfde zin te verstaan.
Zie ook de conclusie van A-G Harteveld voorafgaand aan HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1316 (art. 81 RO) HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671, m.nt. Buruma. Zie ook HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8498, NJ 2004/201.
HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3143, NJ 2002/129; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3247. In de context van art. 137c Sr heeft Uw Raad wel gesproken van ‘in diskrediet’ brengen (HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510, NJ 2016/248 m.nt. Keijzer).
A.L.J. Janssens, Strafbare belediging, Amsterdam: Thela-Thesis 1998, p. 197-210.
In A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 111, wordt een indeling gemaakt in ‘scheldwoorden en in uitlatingen waarin op zichzelf geen onvertogen woord te bespeuren valt, maar waarin de eenvoudige belediging besloten ligt in de insinuatie van strafwaardig of immoreel gedrag’. In H.J.B. Sackers, ‘Wat je zegt ben je zelf. Naar aanleiding van enige “gewichtige rechtsgedingen” inzake belediging’, DD 2005/33 wordt nog weer een andere indeling gemaakt.
HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8498, NJ 2004/201.
HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671, m.nt. Buruma; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9960; HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1564; HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:274, NJ 2015/186, m.nt. Keijzer.
HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3106, NJ 2012/44, m.nt. Schalken.
Vgl. HR 17 januari 1927, NJ 1927, p. 189; HR 11 november 1929, NJ 1930, p. 152; HR 8 april 1935, NJ 1935, p. 997. Zie als meer recent voorbeeld HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7085, NJ 2013/49 m.nt. Mevis (‘waarom loog je’ en ‘jij moet niet liegen’.
HR 27 mei 1907, W. 8553.
HR 20 juni 1938, NJ 1939/87, m.nt. Taverne. Uit de conclusie van A-G Wijnveldt kan evenwel worden afgeleid dat het in de tenlastelegging opgenomen stuk uit nieuwsblad ‘De Harderwijker’ meer elementen bevatte die als belediging van de burgemeester van Harderwijk konden worden opgevat.
Vgl. in dit verband HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3143, NJ 2002/129.
Vgl. Janssens, a.w., p. 392-393. Janssens meent dat ‘een individueel persoon in de zin van art. 137c Sr (kan) worden beledigd op grond van de aldaar vermelde groepskenmerken’; ‘Miskenning van de waardigheid van een enkel individu kan zijn specifieke grond vinden in een van de in art. 137c Sr vermelde groepskenmerken en is dan strafbaar op grond van die bepaling. De inhoud van het beledigingsbegrip van art. 137c Sr verschilt in die optiek betrekkelijk weinig van dat van art. 266 Sr’. Daarvan uitgaand ligt het in de rede dat (omgekeerd) ook een diskwalificatie van een persoon op grond van het behoren tot een in art. 137c Sr omschreven groep onder art. 266 Sr kan vallen.
Sinds de inwerkingtreding van de wet van 15 mei 2019, Stb. 2019, 187 op 1 januari 2020 (Stb. 2019, 277) maakt de wet daarbij een uitzondering voor ‘leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen’. Dat begrip komt ook voor in art. 84 Sr; gedacht is aan leden van beide Kamers der Staten-Generaal, de provinciale staten, de gemeenteraden en de algemeen vertegenwoordigende lichamen op gewestelijk en deelgemeentelijk niveau (Kamerstukken II 1998/99, 26 468, nr. 3, p. 11-12).
HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2394, NJ 2017/472, m.nt. Rozemond.