ECLI:NL:PHR:2025:1003
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/01234 Zitting 20 mei 2025 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, hierna: de verdachte Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 27 maart 2023 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 17 november 2021 bevestigd. Dat brengt mee dat het hof de verdachte wegens ‘wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben’ heeft veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr, waarvan 44 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft het hof aldus beslissingen genomen inzake de vorderingen van twee benadeelde partijen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte hebben M.J. van Berlo en R.J. Baumgardt, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel betreft het oordeel van het hof dat het door [verbalisant 1] in strijd handelen met de Ambtsinstructie niet kan leiden tot een onrechtmatige uitoefening van de bediening als bedoeld in art. 180 Sr. Het tweede middel houdt in dat de redelijke termijn is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de tenlastelegging, de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer, alsmede passages uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep. Voorts citeer ik uit de pleitnotities van de raadsman.
Tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsvoering, processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep, pleitnotities 5. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: ‘hij op of omstreeks 26 juni 2021 te [plaats] , zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen meerdere, althans een, (opsporings)ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] , hoofdagent bij politie eenheid Rotterdam en/of [verbalisant 2] , agent bij politie eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter staandehouding van verdachte voor overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet en/of ter aanhouding van verdachte op heterdaad voor overtreding van artikel 287/302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 300 Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 7 Wegenverkeerswet, door
De eigen waarneming van de politierechter gedaan ter terechtzitting van 17 november 2021, te weten: “Ik zie dat de verbalisant aan de bestuurderszijde zijn arm door het openstaande portierraam heeft. Ik zie dat het voertuig hard wegrijdt. Ik zie dat de verbalisant aan de bestuurderszijde wordt meegetrokken door het voertuig. Ik zie dat hij op twee benen naast het voertuig mee rent. Ik zie dat hij vervolgens op de grond valt en dat hij daarbij op zijn billen op de straat terechtkomt.”
2.
Het proces-verbaal van bevindingen, (…), van politie-eenheid Rotterdam, Rotterdam-Rijnmond, inhoudende als relaas van de [verbalisant 2] : “Op 26 juni 2021 reed ik samen met [verbalisant 1] op de [a-straat] in [plaats] . Ik zag een Seat rijden. Ik herkende de bestuurder ambtshalve als zijnde: [verdachte] . Op donderdag 22 april 2021 kreeg ik een ANPR-HIT dat verdachte zou rijden terwijl hij een rijontzegging had. [verdachte] is niet in het bezit van een rijbewijs en heeft meerdere antecedenten voor het rijden zonder rijbewijs. Gelet op het feit dat [verdachte] telkens rijdt zonder een rijbewijs, deelde ik hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht was op de vragen die ik hem zou stellen. Ik vorderde van [verdachte] een geldig identiteitsbewijs. Ik zag dat het voertuig achteruitreed. Ik zag vervolgens dat het voertuig in de richting reed van collega [verbalisant 1] . Ik zag dat [verbalisant 1] aan de bestuurderszijde hing terwijl het voertuig reed. Ik zag vervolgens mijn collega rollen over de grond. Na een korte achtervolging wist ik bij [verdachte] te komen. Ik vertelde dat hij was aangehouden. Ik zag vervolgens collega [verbalisant 1] mij helpen met de aanhouding. Vervolgens kwamen meerdere collega’s ter pIaatse.”
3.
Het proces-verbaal van bevindingen, (…), van politie-eenheid Rotterdam, Rotterdam-Rijnmond, inhoudende als relaas van de [verbalisant 1]: “Ik, hoofdagent van de politie Rotterdam reed samen met [verbalisant 2] , agent van de politie Rotterdam. Ik zag dat [verdachte] zijn voertuig startte. Ik boog voorover door het openstaande portierraam richting [verdachte] . Ik probeerde [verdachte] via het portierraarn uit zijn voertuig te trekken. Ik voelde dat [verdachte] tegenstribbelde. Ik voelde dat het voertuig naar voren reed. Ik voelde de snelheid snel omhooggaan. Ik werd tientallen meters vanuit het portierraam meegesleurd. Op een gegeven moment rolde ik over de straat. Ik zag het voertuig richting de [b-straat] rijden. Ik zag [verdachte] uitstappen en ik zag dat [verdachte] er rennend vandoor ging. Wij zijn boven op hem gedoken om hem te boeien. [verdachte] verzette zich stevig bij het aanzetten van de boeien. Ik voelde hevige pijn in mijn rechterbeen, rechterknie en mijn rechterarm.”
4.
Het proces-verbaal van verhoor, (…), van politie-eenheid Rotterdam, inhoudende als verklaring van aangever [verbalisant 1]: “V: Je zegt in je proces-verbaal dat de verdachte tegenstribbelde. Waar bestond dat uit?
A: Ik zag en voelde dat hij met zijn volle gewicht de andere kant op leunde.”
5.
Het proces-verbaal van bevindingen, (…), van politie-eenheid Rotterdam, inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] of één van hen: “Ik, [verbalisant 3] , zag dat de verdachte tegenstribbelde op de grond. Ik zag dat de verdachte niet meewerkte. Ik zag dat collega [verbalisant 1] een hand in de boeien hand. Ik zag dat hij de tweede hand niet in de boeien kreeg, omdat de verdachte zich bleef verzetten.”
6.
Een ander geschrift, te weten een FARR-verklaring, bevattende medische informatie van [verbalisant 1] , opgemaakt door de [arts] op 29 juni 2021, inhoudende: “Betrokkene verteld tijdens zijn werk op 26-06-2021 tijdens een aanhouding meegesleurd te zijn door auto van verdachte. Daarbij meerdere letsels opgelopen:
2, 3, 5, 7. Betreft een bloeduitstorting 6. Betreft zwelling/kneuzing van linker elleboog.’ 8. Het hof heeft de bewijsmiddelen als volgt aangevuld: ‘– Bewijsmiddel 2 dient als volgt te worden aangevuld:
Na de zin “ [verdachte] is niet in het bezit van een rijbewijs en heeft meerdere antecedenten voor het rijden zonder rijbewijs.”, dient te worden toegevoegd: “Op zaterdag 26 juni 2021 omstreeks 17.25 uur, zag ik dat het voertuig op de [a-straat] in [plaats] werd geparkeerd. Collega [verbalisant 1] , bevraagde het kenteken middels het politie-systeem MEOS. Ik zag op MEOS, BLUESPOT een politiefoto van [verdachte] . De politiefoto kwam overeen met de bestuurder in het voertuig. Nadat [verdachte] zijn voertuig tot stilstand bracht, benaderde ik hem.”’ 9. Het hof heeft – door de overwegingen van de politierechter tot de zijne te maken – onder meer het volgende overwogen: ‘2.1.2. Beoordeling (…) Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte door de verbalisanten is benaderd in verband met overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet, hij had namelijk een rijontzegging en overigens ook geen rijbewijs. [verbalisant 2] heeft daarover vragen gesteld aan de verdachte en vervolgens een geldig identiteitsbewijs gevorderd van de verdachte. Daarna is aan de verdachte verteld dat hij zou worden bekeurd en dat zijn voertuig in beslag werd genomen. Hierin ligt besloten dat de politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hem feitelijk op dat moment staande hielden en werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
Voor zover [verbalisant 1] in strijd met de Ambtsinstructie heeft gehandeld, kan dit niet tot vrijspraak leiden, omdat dit niet afdoet aan de bewezenverklaring. Niet is aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.’ 10. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 17 november 2021 houdt onder meer het volgende in: ‘De verdachte verklaart:
Ik werd staande gehouden en toen vroegen ze om mijn gegevens. De agenten hebben mij niet verteld dat ik ben aangehouden. Ze hebben mij alleen verteld dat mijn auto in beslag werd genomen. Toen startte ik de auto en reed ik achteruit. Toen ik vooruitkeek zag ik een agent met een pistool. Ik heb dat nog nooit in het echt gezien. Daardoor ben ik erg geschrokken en ben ik doorgereden. Ik raakte helemaal in paniek. Ik voelde een paar klappen, maar verder heb ik niet gelet op wat daar gebeurde. Ik weet niet of ik nou met een voorwerp werd geslagen. Op het politiebureau zag ik dat ik dat ik een bult had. Ik heb vervolgens een paar nachten hoofdpijn gehad.
U vraagt mij waarom ik voor de zoveelste keer zonder rijbewijs reed en ik ook nog een rijontzegging had. Ik dacht niet na. Ik stapte gewoon in en ik ging gewoon rijden. Ik heb niet nagedacht over de gevolgen van het rijden zonder rijbewijs.
U vraagt mij of ik het letsel van [verbalisant 1] heb gezien. Het is niet gebeurd zoals de agenten het hebben opgeschreven. De agent heeft opgeschreven dat ik over zijn been ben gereden, maar dat is niet gebeurd.
De officier van justitie toont de videobeelden van het incident.
De politierechter bekijkt de beelden en neemt het volgende waar:
Ik zie dat het grijze voertuig achteruitrijdt uit het parkeervak en dat een verbalisant aan de bestuurderszijde een wapen richt op de bestuurder van dat voertuig. Ik zie dat de andere verbalisant aan de rechterkant de auto induikt. Ik zie dat de verbalisant aan de bestuurderszijde zijn arm door het openstaande portierraam heeft. Ik zie dat het voertuig hard wegrijdt. Ik zie dat de verbalisant aan de bestuurderszijde wordt meegetrokken door het voertuig. Ik zie dat hij op twee benen naast het voertuig mee rent. Ik zie dat hij vervolgens op de grond valt en dat hij daarbij op zijn billen op de straat terecht komt. Als ik het goed zie, valt hij met de benen naar links en rolt hij daarna over de straat met de benen omhoog. Ik kan niet zo goed zien wat er met het rechterbeen gebeurt, het lijkt erop dat dit naar voren ligt. Ik zie in elk geval niet dat de auto over een hobbel rijdt.
De raadsman van de verdachte deelt mee:
Ik zie de schoen van zijn rechtervoet. Dat impliceert dat zijn been naar voren ligt.
De verdachte verklaart:
Ik weet zeker dat ik niet over hem heen ben gereden. Als ik over een been zou hebben gereden, dan zou ik dat wel gevoeld hebben. Ik wist wel dat er een agent naast mij was, maar ik wist niet wat hij aan het doen was. Ik stopte niet omdat ik paniek kreeg door het pistool dat op mij gericht was. Toen ik weg ging rennen zijn mijn sleutels uit mijn zak gevallen. Ik dacht dat de agenten mij voor een ander aan zagen. Ik had ‘s middags een joint gerookt van een vriend. U houdt mij voor dat de agenten noteren dat ik langzaam reageerde op alles en dat ik hier op zitting ook heel loom overkom, alsof ik onder invloed ben. Ik ben altijd heel rustig van mijzelf.
Het klopt dat ik positief ben getest op amfetamine. Ik heb een aantal weken van tevoren iets genomen. Ik hoop dat u de uitslag van de bloedtest heeft ontvangen, ik namelijk niet. U laat mij weten dat dit niet het geval is.
Als u mij vraagt wat ik van het letsel van de agent vindt en zijn verklaring dat het beangstigend was, zeg ik dat ik hetzelfde had. Ik dacht dat ik dood ging toen ik het wapen zag. In eerste instantie reed ik alleen naar achter. Ik wilde helemaal niet wegrijden. Als de agent geen pistool op mij had gericht, dan zou ik niet in paniek zijn geraakt en zou ik beter kunnen nadenken. U houdt mij voor dat de motor uit viel en dat ik daarna alsnog heb besloten om weg te rijden. De auto is een keer uitgevallen. Ik heb de auto toen opnieuw opgestart en ik ben toen weggereden.
U houdt mij voor dat ik mij heb verzet bij mijn aanhouding. Dat is niet zo. Er kwamen veel agenten op mij af. Terwijl ik rustig op de grond lag gingen de agenten juist aan mijn haren trekken en aan mijn nek. Daarna ben ik rustig opgestaan en ben ik meegelopen naar het busje.’ 11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2023 houdt onder meer het volgende in: ‘De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Het is zo lang geleden. Ik weet niet meer precies hoe het is gegaan.
Het klopt dat ik de agent met het pistool zag staan. Ik ben niet over het been van de agent gereden.
U houdt mij voor dat ik in eerste aanleg ben vrijgesproken van het over het been rijden.
U vraagt mij wat agent [verbalisant 1] tegen mij zei. Dat weet ik niet precies. Ik weet nog wel wat er gebeurd is. Ik blijf bij mijn verklaring die ik in eerste aanleg heb afgelegd.’ 12. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2023 blijkt dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover relevant, het volgende in: ‘1. Primair verzoek ik uw gerechtshof client vrij te spreken.
Artikel 181 De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 179 en 180 omschreven worden gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde categorie, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien zij de dood ten gevolge hebben.’ 16. De Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit, voor zover relevant, als volgt: ‘Artikel 7 1. Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd: a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken; b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf 1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en 2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of 3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn. c. tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden, indien er sprake is van een opdracht van het bevoegd gezag en een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere; d. tot het beteugelen van militaire oproerige bewegingen, andere ernstige militaire wanordelijkheden of muiterij indien de militair van de Koninklijke marechaussee in opdracht van de minister van Defensie dan wel de officier van justitie te Arnhem belast met militaire zaken in gesloten verband onder leiding van een meerdere optreedt.
Vervolgens liepen wij terug richting ons dienstvoertuig om het operationeel Centrum Rotterdam op de hoogte te brengen van deze staandehouding.
Ik verzoek het Operationeel Centrum voor een takelwagen ter inbeslagname van het genoemde voertuig.
Op dat moment liep collega [verbalisant 2] terug richting het genoemde voertuig. Vervolgens liep ik ook terug richting het voertuig. Wij stonden samen naast het raam van de bestuurder. Wij stonden tussen het voertuig van [verdachte] en een ander geparkeerd staande auto. Ik hoor collega [verbalisant 2] zeggen tegen [verdachte] dat zijn voertuig in beslag zou worden genomen, dat [verdachte] een proces verbaal zou krijgen voor het rijden zonder rijbewijs. Ik hoor [verdachte] aan collega [verbalisant 2] vragen, zakelijk weergegeven: "word ik aangehouden". Ik hoor collega [verbalisant 2] zeggen dat hij niet wordt aangehouden, alleen dat hij een proces verbaal krijgt en zijn auto wordt in beslag genomen.
Ik zag dat [verdachte] met zijn rechterhand de contactsleutel grijpen. Ik zag dat de sleutel nog in het contact zat. Ik zag dat [verdachte] zijn autosleutel weer losliet. Vervolgens zag ik dat [verdachte] opnieuw zijn autosleutel vastpakt en ik hoorde dat hij zijn voertuig startte. Direct zag ik dat [verdachte] zijn versnellingspook vast greep en ik zag dat het voertuig schuin achteruit reed.
Wij stonden op dat moment eigenlijk klem tussen het voertuig van [verdachte] en de geparkeerd staande auto.
Ik boog voorover door het openstaande portierraam richting [verdachte] . Ik probeerde [verdachte] via het portierraam uit zijn voertuig te trekken. Ik voelde dat [verdachte] tegenstribbelde en ik sloeg daarop met mijn rechtervuist [verdachte] op de linkerzijde van zijn gezicht.
Ondertussen reed het voertuig schuin achteruit. Ik hoorde dat de motor n enkele meters van het voertuig afsloeg en ik zag dat het voertuig schuin achter de geparkeerd staande voertuigen tot stilstand kwam.
Ik trok op dat moment mijn dienstwapen. Ik riep met harde stem tot [verdachte] : "blijf staan anders zal ik geweld gebruiken”. Ik hield mijn dienstwapen op zijn borst gericht. Ik zag dat hij mijn dienstwapen zag.
Kort daarna hoorde ik dat [verdachte] zijn voertuig opnieuw start en ik zag dat het voertuig ongeveer een meter achteruit reed. Ik hoorde dat het voertuig wederom af sloeg.
Ik rende direct richting de bestuurderszijde en ik boog opnieuw in het openstaande portierraam om [verdachte] uit het voertuig te trekken en gaf [verdachte] een tweede klap in zijn gezicht.
Ik zag dat [verdachte] naar voren zakte met zijn gezicht richting het stuur. Ik greep hem vast aan zijn bovenkleding.
Ik zag dat [verdachte] zijn auto opnieuw startte en zijn versnellingspook vast greep en ik voelde dat het voertuig naar voren reed. Ik hoorde de toeren van het voertuig omhoog gaan en voelde de snelheid snel omhoog gaan. Ik werd tientallen meters vanuit het portiers raam meegesleurd. Ik kon niet loslaten. Op een gegeven moment voel ik een autoband over mijn rechter bovenbeen gaan en ik rolde vervolgens over de straat. Ik stond direct weer op en ik zag het voertuig richting de [b-straat] rijden. Ik zag dat het voertuig rechtsaf de [b-straat] in rijden richting de Westzeedijk.’ 26. Uit dit proces-verbaal kan worden afgeleid dat [verbalisant 1] gepoogd heeft om verdachte uit het raam te trekken en hem daarbij met zijn vuist op de linkerzijde van zijn gezicht heeft geslagen. Vervolgens heeft [verbalisant 1] een dienstwapen getrokken en dat op de borst van de verdachte gericht. Uit de artikelen 7 en 10 van de Ambtsinstructie volgt niet rechtstreeks dat zich een situatie voordeed waarin het gebruik van het dienstwapen geoorloofd was. Ik neem daarbij in aanmerking dat de bewezenverklaring inhoudt dat de rechtmatige uitoefening van de bediening bestond in staandehouding. De verdachte is vrijgesproken van verzet tegen verbalisanten die werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening bestaande in de aanhouding van verdachte op heterdaad voor overtreding van artikel 287/302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 300 Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 7 Wegenverkeerswet. Staande houden is een lichte bevoegdheid, met als doel het stellen van vragen. Van vrijheidsbeneming is geen sprake, er is slechts sprake van vrijheidsbeperking. Zo bezien zijn ook de klappen in het gezicht van de verdachte in het kader van staande houden al moeilijk te plaatsen.
Het tweede middel 28. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn van de berechting is geschonden, nu het hof de stukken van het geding niet tijdig naar de Hoge Raad heeft gestuurd. Dit zou tot strafverlaging dienen te leiden.
Slotsom 31. Beide middelen slagen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het artikel was voordien het laatst gewijzigd door het Besluit van 22 maart 2002, Stb. 2002, 174. Het artikel is nadien gewijzigd door het Besluit van 26 januari 2021, Stb. 2021, 46, dat op 1 juli 2022 in werking is getreden (Stb. 2022, 194).
Zie het Besluit van 16 juli 2001, Stb. 2001, 387.
HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919, NJ 2014/529 m.nt. Schalken, onder verwijzing naar HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2808. Daarin is overwogen dat als uitgangspunt heeft te gelden ‘dat de ambtenaar die uitvoering geeft aan een opdracht die hem is verstrekt door een tot het geven van die opdracht bevoegde meerdere, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening zoals bedoeld in art. 180 Sr’.
Zie HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:724, NJ 2019/231; HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:236, NJ 2021/236 m.nt. Reijntjes en HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1569, NJ 2022/4 m.nt. Machielse.
Vgl. ook de conclusie van plv. A-G Van Wees van 18 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:328 (onder 2.7-2.11).
B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 337.
Keulen en Knigge, a.w., p. 344.
Vgl. de noot van Machielse bij HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1569, NJ 2022/4, randnummer 7. Machielse stelt zich op het standpunt dat art. 359a Sv beter recht kan doen ‘aan de nuanceringen die zich juist bij geweldsaanwending door de politie kunnen voordoen dan de benadering dat gebreken in proportionaliteit of subsidiariteit steeds aan een rechtmatige uitoefening van de bediening in de weg staan’.
Vgl. HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5513, NJ 2013/53 m.nt. Mevis.
Conclusie voor HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1569, NJ 2022/4 m.nt. Machielse, randnummer 6.1.
Keulen en Knigge, a.w., p. 340-341.
HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.3.