PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00294 Zitting 16 september 2025 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 25 januari 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnummer 20-001771-21) wegens "medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken en van het plegen van witwassen een gewoonte maken", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 135 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard (ter waarde van € 106.831,15). 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/
(2006)is de verkoop van creatine opgenomen. Volgens de administraties vond deze verkoop plaats in bulk en tegen consumentenprijzen. Deze combinatie heeft het hof niet aannemelijk geacht: een ondernemer (tussenhandelaar) die creatine in bulk bij de verdachte inkoopt, zal daar geen consumentenprijzen voor willen betalen, zo redeneert het hof. Het hof heeft daarnaast overwogen dat van de verkoop van creatine geen facturen zijn aangetroffen. Dat acht ik niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel, meen ik niet dat hetgeen door de verdediging, zonder verdere onderbouwing, is gesteld over de verkrijgbaarheid van creatine indertijd, het hof dwingt tot een nadere motivering van het vermoeden waartoe het is gekomen. Voor zover in cassatie wordt geklaagd dat het hof aan het ontbreken van facturen een al te vergaande consequentie verbindt, wordt mijns inziens miskend dat het hof deze omstandigheid ten grondslag heeft gelegd aan het vermoeden dat de in het (gebrekkige) kasboek vermelde verkoop in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden. De verklaringen van de getuige Heidriech (over de inkoop van creatine door de verdachte en zijn schoonvader) en de getuige [betrokkene 2] (dat zij creatine van de verdachte heeft gekocht) hebben het hof kennelijk niet tot een andersluidend oordeel gebracht. Ik merk op dat het hof wel aanwijzingen heeft gevonden voor de verkoop van enige gebruikershoeveelheden in 2004 en 2005. Tot slot maakt de omstandigheid dat de feiten hebben plaatsgevonden in 2004, 2005 en 2006, en dus lang geleden, niet dat het hof tot een ander oordeel had moeten komen. In dat kader leid ik overigens uit het eerder aangehaalde pleidooi van de raadvrouw af dat de verdachte reeds in 2010 is gevraagd naar de herkomst van de geldbedragen. Ten aanzien van de B.V. heeft het hof ook acht geslagen op de door het onderzoeksteam gemaakte reconstructies van het kasboek van de zonnestudio, waarbij zowel een opstelling inclusief de in de administratie vermelde in- en verkoop van creatine is gemaakt als een opstelling waarin deze buiten beschouwing zijn gelaten. Het hof heeft overwogen dat in beide gevallen de reconstructie in een negatieve kas resulteert. Op grond hiervan – en de omstandigheid dat de zonnestudio is opgezet met geld waarvan (ook) een vermoeden bestaat van criminele herkomst – heeft het hof geoordeeld dat ten aanzien van de kasstortingen op de SNS-rekening van de zonnestudio een vermoeden van criminele herkomst bestaat. Die reconstructies zijn niet onbelangrijk en doen mijns inziens bovendien af aan het belang van het oordeel van het hof over de aannemelijkheid van de opbrengsten uit de verkoop van creatine. Met de overwegingen naar aanleiding van de reconstructies stelt het hof immers vast dat, zelfs als het klopt wat de verdachte verklaart over de verkoop van creatine, er sprake was van een negatieve kas en er dus geen financiële ruimte was om contante stortingen van in totaal € 130.068.41 te doen.Met betrekking tot de contante stortingen op de rekening ten name van de eenmanszaak heeft het hof, nu het de verkoop van creatine niet aannemelijk heeft geacht en de stortingen daarmee geen traceerbare herkomst hebben, gelet op de hoogte van de stortingen en het gebrek aan legale bedrijfsactiviteiten, geconcludeerd tot het vermoeden dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Deze oordelen, die het vermoeden van witwassen zoals bedoeld in stap 1 van het beoordelingskader betreffen, acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. 3.10 Het hof heeft in zijn arrest de verklaringen van de verdachte en de [medeverdachte] over de herkomst van de kasstortingen in ogenschouw genomen. De verdachte heeft verklaard dat hij en [medeverdachte] een grote partij creatine hebben opgekocht en vervolgens in delen hebben verkocht aan derden via de sportschool waar zij veel winst op hebben gemaakt en dat een groot bedrijf van 100 kilo heeft gekocht. Ik maak uit de overwegingen van het hof op dat de verdachte niet heeft verklaard wie de kopers zouden zijn, en daar evenmin aanknopingspunten voor heeft gegeven. Het hof heeft overwogen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat de ingekochte creatine in bulk is doorverkocht tegen consumentenprijzen. Nu de kasadministratie gebrekkig is en geen facturen van de gestelde verkoop beschikbaar zijn, concludeert het hof dat (met uitzondering van een enkele gebruikershoeveelheid) niet is gebleken van de verkoop van creatine. Het hof heeft geoordeeld dat de verdacht geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de geldbedragen. Dit oordeel acht ik, nu de gestelde verkoop enkel gebaseerd kan worden op een (gebrekkige) kasadministratie, er geen stukken beschikbaar zijn die deze verkoop ondersteunen en door de verdachte evenmin aanknopingspunten zijn gegeven om, bijvoorbeeld bij afnemers van de creatine, nader onderzoek te doen naar de gestelde verkoop, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. 3.11 De eerste klacht faalt. Tweede deelklacht: inkomsten uit het fitnessbedrijf 3.12 Met de tweede deelklacht wordt opgekomen tegen overwegingen van het hof over enkele transacties op de bedrijfsrekening van het fitnessbedrijf van de verdachte. Volgens de steller van het middel is het onderscheid dat het hof heeft gemaakt tussen stortingen die wél of niét uit misdrijf afkomstig zijn onbegrijpelijk, omdat (
- i)dit onderscheid niet kan worden gemaakt op grond van de aanwending van de gestorte geldbedragen. Daarnaast worden de overwegingen van het hof over de door de verdediging gestelde (
- ii)lening van de getuige [betrokkene 2] aan het fitnessbedrijf en (iii) verkoop van inventaris ter discussie gesteld. 3.13 Over de inkomsten uit het fitnessbedrijf is namens de verdachte ter zitting bij het hof onder meer het volgende naar voren gebracht: “Concrete en min of meer verifieerbare verklaring, die niet op voorhand hoogst onaannemelijk is (…) - Fitness Cliënt had, samen met [medeverdachte] , een fitnesscentrum in [plaats] . (…) De rechtbank erkent ook dat het fitnesscentrum bestond en goed liep en inkomsten genereerde, en stelt dat slechts voor totaalbedrag van € 49.590 een vermoeden van witwassen bestaat. Voor de overige ± € 90.000,- bestaat dat vermoeden niet, aldus de rechtbank. Voor vier transacties van de bedrijfsrekening van het fitnesscentrum bestaat het vermoeden wel, stelt de rechtbank. Op die punten meent de verdediging echter dat (ook) geen witwasvermoeden bestaat, maar indien uw hof meent dat dat vermoeden wel bestaat, een voldoende concrete en min of meer verifieerbare verklaring door cliënt is afgelegd, die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is: - lening [betrokkene 2] € 15.000,- De verklaring van cliënt, namelijk dat een bedrag van € 15.000,- een lening door [betrokkene 2] betreft, is concreet en verifieerbaar. Sterker nog: getuige [betrokkene 2] heeft het bestaan van deze lening bevestigd bij de rechter-commissaris en verklaart op dat punt dat je het moet zien als een voorschot voor nog te leveren producten. Cliënt, [medeverdachte] en [betrokkene 2] kennen elkaar al ontzettend lang, zitten in dezelfde wereld, maar omdat zich geen schriftelijke bescheiden over deze lening, stelt de rechtbank dat er een witwasvermoeden bestaat met betrekking tot dit bedrag. Het OM heeft nagelaten - kasstortingen 16 oktober 2003 ad € 11.080,- en 13 november 2003 ad € 3.000,- Deze stortingen zijn toegelicht met de tekst 30-09-2003 verkoop zaak € 15.000,-. Ik begrijp niet waar het vermoeden van witwassen ontstaat, nu het voor de verdediging heel helder is dat deze stortingen opbrengsten betreffen uit de verkoop van materiaal uit de zaak. Daarover stelt de rechtbank dat die toelichting niet kan kloppen, omdat geen adresgegevens van de koper zijn aangetroffen en/of andere vastleggingen over de (verkoop van
- de)inventaris van het bedrijf. Dat is wel erg kort door de bocht en kan een witwasvermoeden niet rechtvaardigen. Als ik nu een bankstel uit mijn woning verkoop op marktplaats voor € 3.000,- en dat geld vervolgens stort op mijn bankrekening, heb ik daar ook geen verdere gegevens van, behalve wellicht de op marktplaats geüploade foto's van mijn oude bank. Bestaat er dan gelijk een witwasvermoeden tegen mij met betrekking tot die € 3.000,-?” 3.14 Het hof heeft ten aanzien van het fitnessbedrijf overwogen dat niet is gebleken dat er in het geheel geen reële bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden waarmee inkomsten (kunnen) zijn gegenereerd, maar dat uit het onderzoek wel is gebleken dat grote vraagtekens zijn te zetten bij de kasadministratie van het fitnesscentrum en de daarin opgenomen omzetten. Ten aanzien van een aantal stortingen op de rekening van het fitnessbedrijf heeft het hof geoordeeld dat wel sprake is van een witwasvermoeden. Met betrekking tot de kasstorting van € 15.000 met de toelichting ‘lening [betrokkene 2] ’ heeft het hof daartoe overwogen dat geen stukken zijn aangetroffen die op deze lening zien. De getuige [betrokkene 2] heeft zelf verklaard dat de € 15.000 diende als vooruitbetaling voor sportvoeding. Voor de twee stortingen (samen € 14.080) die zijn toegelicht met ’30-9-2003 verkoop zaak € 15.000’ is dit oordeel gebaseerd op de omstandigheid dat van de € 15.000 die zou zijn ontvangen bij de verkoop van het bedrijf geen vastleggingen zijn aangetroffen, zoals NAW-gegevens van de koper, verkochte bedrijfsonderdelen en/of inventaris. Blijkens de overwegingen van het hof heeft de timing van de stortingen, vlak voor een daaropvolgende girale betaling ten behoeve van de aankoop van een huis respectievelijk betalen van een belastingaanslag, bijgedragen aan het vermoeden dat sprake is van witwassen, naar ik begrijp omdat daarvoor behoefte was aan giraal geld met een (schijnbaar) legale oorsprong. Hoewel ik met de steller van het middel eens ben dat het witwasvermoeden niet uitsluitend kan worden gebaseerd op de aanwending van de kasstorting, meen ik dat het hof deze omstandigheid, bovenop het gebrek aan enige (primaire) vastlegging van de gestelde lening en verkoop, in zijn oordeel heeft mogen betrekken. Ik acht het oordeel van het hof dat ten aanzien van genoemde stortingen een vermoeden van witwassen bestaat niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Ik merk nog op dat het ontvangen van een lening in contanten en het ontbreken van een leenovereenkomst twee witwasindicatoren zijn. De door de verdachte afgelegde verklaringen over genoemde geldstortingen, die niet meer lijken in te houden dan hierboven is vermeld, heeft het hof (kennelijk) niet aangemerkt als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Voor zover hierover in cassatie wordt geklaagd, acht ik dat oordeel evenmin onbegrijpelijk. Het tijdsverloop waarop in dit kader een beroep wordt gedaan maakt dat wat mij betreft niet anders, nu van een bedrijf kan worden verlangd dat de administratie meer omvat dan de gebrekkige kasadministratie waarvan in het onderzoek is gebleken (of op zijn minst objectieve aanknopingspunten ter verificatie). Zoals hiervoor overwogen, leid ik uit de pleitnota van de raadsvrouw in hoger beroep bovendien af dat reeds in 2010 en 2011 rekestzittingen en een raadkamer gevangenhouding hebben plaatsgevonden, waarin de herkomst van de contante geldbedragen aan de orde is geweest. 3.15 De tweede deelklacht faalt. Derde deelklacht: inkomsten uit beveiligingswerkzaamheden 3.16 In de derde deelklacht wordt geklaagd over de overwegingen van het hof met betrekking tot door de verdediging gestelde inkomsten van de verdachte uit securitywerkzaamheden, meer specifiek (
- i)de overweging dat de verdachte zijn verklaring op dit punt niet voldoende heeft geconcretiseerd en (
- ii)de overweging dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte inkomsten uit securitywerkzaamheden heeft gegenereerd. Tot slot wordt onbegrijpelijk geacht (iii) de overweging van het hof over de door de verdediging gemaakte vergelijking met het strafrechtelijk onderzoek Wolf/Beretta, waarin de verdachte is vrijgesproken van het witwassen van geldbedragen, waarover hij heeft verklaard dat dit inkomsten uit securitywerkzaamheden zijn. 3.17 Namens de verdachte is over de beveiligingswerkzaamheden ter zitting bij het hof onder meer het volgende naar voren gebracht: Concrete en min of meer verifieerbare verklaring, die niet op voorhand hoogst onaannemelijk is (…) - Securitywerkzaamheden Cliënt heeft uitgebreid verklaard over zijn inkomsten uit de securitywerkzaamheden die hij in de tenlastegelegde periode, en ook daarvoor, deed. Ik ga de inhoud van die verklaringen uiteraard niet nogmaals herhalen, maar dat die verklaringen voldoende concreet zijn, durft de verdediging wel te stellen. Client verklaart over allerhande werkzaamheden: van beveiligingswerk bij de lokale discotheek tot het begeleiden van de koop van een appartement tussen een Engelsman en een Rus. Van beveiligingswerk voor een coffeeshophouder tot het begeleiden van juweliers naar Zwitserland. Van beveiligingswerk in de taxibranche tot het beveiligen van een notaris. Zo kan ik nog heel wat voorbeelden noemen van de werkzaamheden waarover cliënt uitgebreid heeft verklaard. Dan valt op dat in het onderzoek Wolf/Beretta zowel de rechtbank in 2018 alsook uw eigen hof in 2021 cliënt heeft vrijgesproken van het tenlastegelegde witwassen in de periode direct volgend op de tenlastegelegde periode in deze strafzaak. (…) Rechtbank en hof spreken over de verklaring van de verdachte en de overgelegde stukken. Die stukken zijn allen afkomstig uit onderzoek ‘Elftal’, onderhavige strafzaak dus. Op pagina 6 van het proces-verbaal van de inhoudelijke behandeling bij de rechtbank staat om welke stukken het gaat: - Verklaring [medeverdachte] ; - Verklaringen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] over het securitybedrijf van [verdachte] ; - Verklaring [betrokkene 7] , de accountant van [verdachte] . (…) De verdediging stelt dat zijn verklaring [de verklaring van de verdachte; VS] verifieerbaar is, maar al zeker min of meer verifieerbaar. Ik verwijs dan onder andere naar de hiervoor genoemde stukken waar de rechtbank en het Hof in Wolf/Beretta ook over spraken: de verklaringen van [medeverdachte] , maar ook de verklaringen van [betrokkene 6] , [betrokkene 5] en [betrokkene 7] . [betrokkene 5] en [betrokkene 6] bevestigen voor het bedrijf van cliënt werkzaam te zijn geweest. Uit het dossier blijkt bijvoorbeeld dat het salaris van [betrokkene 6] giraal werd overgemaakt (met de omschrijving “loon”) vanuit de rekening [rekeningnummer 7] op naam van cliënt. [betrokkene 7] deed de BTW-aangiftes voor [verdachte] in de periode rond 2006. Hij verklaart daar bij de RC uitgebreid over, zegt wetenschap te hebben van het feit dat cliënt securitywerkzaamheden verrichtte en merkt bovendien op dat het volgens hem gebruikelijk was dat er veel contant geld omging in die branche. Het feit dat die belastingaangiftes zijn gedaan en in de correspondentie met de Belastingdienst ook telkens werd gesproken over die werkzaamheden, maakt de verklaring min of meer verifieerbaar. Ook [betrokkene 1] heeft verklaard over de securitywerkzaamheden die cliënt uitvoerde. Dat zijn allemaal punten op basis waarvan de verklaring wel degelijk min of meer te verifiëren valt. Dat er geen 100% sluitend bewijs voor de verklaring van cliënt volgt, en niet op alle punten een verificatie valt uit te voeren, klopt. Maar dat is ook geen eis die uit de wet of jurisprudentie omtrent witwassen volgt. De rechtbank verwijt cliënt geen ‘man en paard’ genoemd te hebben, maar in de ogen van de verdediging kan en hoeft dat ook niet van hem te worden verlangd. Cliënt heeft duidelijk aangegeven geen namen van opdrachtgevers te willen noemen, en verklaart ook waarom hij dat niet wil/kan, echter heeft cliënt bijvoorbeeld wel verklaard over een klus voor een juwelier die in Zwitserland een horloge moest afgeven voor de koningin van Jordanië. Dat is nou bijvoorbeeld een punt waarop nader onderzoek gedaan had kunnen worden, maar niet is gebeurd. Jordanië heeft immers al sinds 1999 dezelfde koningin. Misschien was dat geen eenvoudig onderzoek, maar dat is dit hele dossier niet. En er was tijd genoeg om de benodigde rechtshulpverzoeken daarvoor uit te zetten. Cliënt heeft daarnaast verklaard over de lokale discotheken waarvoor hij werkzaam was. Ook op dat punt had het OM nader onderzoek kunnen doen in de ogen van de verdediging. Dat is aan het OM te wijten. Het is natuurlijk niet de verdediging die het OM moet wijzen op het eventueel nog te verrichten onderzoek haar aanleiding van de door cliënt afgelegde verklaringen. Tot slot (…) Cliënt verklaart bovendien uitgebreid over de herkomst van de bedragen. Dat samen met het feit dat - die verklaring wordt ondersteund door de inhoud van verschillende getuigenverklaringen ( [medeverdachte] , [betrokkene 6] , [betrokkene 5] , accountants); - de Belastingdienst al die jaren op de hoogte was van zijn werkzaamheden en akkoord was met de ingediende belastingaangiftes; - en cliënt in deze periode met verschillende accountants in zee ging en bij een bedrijf als [O] zijn administratie liet onderhouden maakt dat u – net als de rechtbank en het hof in onderzoek Wolf/Beretta, cliënt vrij zou moeten spreken van het onder feit 1 tenlastegelegde.” 3.18 Het hof heeft met betrekking tot de gestelde securitywerkzaamheden vastgesteld dat de administratie van het beveiligingsbedrijf van de verdachte zeer gebrekkig is (geweest). Er zijn kasstaten aangetroffen, maar geen primaire vastleggingen die hieraan ten grondslag liggen. Tijdens het onderzoek is niet gebleken voor wie is gewerkt, voor welk bedrag en onder welke voorwaarden. Daarnaast heeft het hof geconstateerd dat er verschillen bestaan tussen de kasstaten en mutaties op de bankrekeningen van de verdachte, dat in voorkomend geval de maandomzet in één (totaal)bedrag is verantwoord, dat de jaarrekening over 2005 t/m 2007 alle (pas) in 2008 zijn opgemaakt en is, zo stelt het hof illustratief, gebleken dat de scenario’s die uit de aantekeningen van de boekhouders volgen over de aanschaf van een auto in ieder geval niet kloppen. Het hof heeft geoordeeld dat voor de in de administratie van het beveiligingsbedrijf verantwoorde inkomsten geen enkele steun kan worden gevonden in ander objectief bewijs en dat ook overigens niet blijkt van feiten en omstandigheden die zouden kunnen duiden op werkelijke bedrijfsactiviteiten. Op grond daarvan bestaat volgens het hof het vermoeden dat de op de rekening van het beveiligingsbedrijf gestorte geldbedragen afkomstig zijn van enig misdrijf. Als ik het goed zie, keert het cassatiemiddel zich niet tegen dit oordeel van het hof. 3.19 De steller van het middel heeft zijn pijlen gericht op overwegingen van het hof waarin het de verklaring van de verdachte heeft beoordeeld. In dit kader heeft het hof geconstateerd dat de verdachte “louter de stelling [heeft] geponeerd” dat hij aanzienlijke contante inkomsten had uit ongebruikelijke en gevaarlijke beveiligingswerkzaamheden en dat hij zijn verklaring niet concreet of min of meer verifieerbaar heeft kunnen maken. Daarover heeft het hof overwogen dat de verdachte niet meer openheid van zaken heeft willen geven. Informatie over het aantal opdrachtgevers dat de verdachte heeft gehad, wie deze opdrachtgevers waren en hoeveel opdrachten de verdachte maandelijks vervulde, ontbreekt. Het hof heeft in zijn oordeel ook betrokken dat niet duidelijk is in welke periode de beveiligingswerkzaamheden zouden zijn aangevangen; de verdachte heeft hierover niet eenduidig verklaard. Tot slot heeft het hof overwogen dat geen enkele primaire vastlegging is aangetroffen met betrekking tot de gestelde werkzaamheden en ook dat de verdachte niet heeft kunnen uitleggen waarom hij zijn inkomsten niet op een verifieerbare manier heeft vastgelegd. Gelet op die feiten en omstandigheden, acht ik het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte niet concreet of min of meer verifieerbaar heeft gemaakt, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat de raadsvrouw ter illustratie in abstracte termen een aantal opdrachten heeft benoemd, nu het hof deze, kennelijk en niet onbegrijpelijk, niet heeft aangemerkt als concrete aanknopingspunten voor nader onderzoek door het openbaar ministerie. Voor zover in cassatie wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte over de beveiligingswerkzaamheden niet kwalificeert als “niet hoogst onaannemelijk”, berust dit mijns inziens op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft de verklaring van de verdachte ten aanzien van deze werkzaamheden “onvoldoende concreet, niet min of meer verifieerbaar en daarmee niet aannemelijk” geacht, hetgeen ik zo begrijp dat het hof de verklaring te weinig concreet en verifieerbaar acht en deze daarom onvoldoende tegenwicht biedt tegen het witwasvermoeden en geen aanleiding geeft voor het (laten) instellen van een nader onderzoek door het openbaar ministerie: er wordt niet voldaan aan stap (
- ii)uit het juridische kader, zodat aan stap (iii) niet toegekomen wordt. De verklaringen van de op verzoek van de verdediging bij de rechter-commissaris gehoorde getuigen [betrokkene 6] , [betrokkene 5] en de accountants hebben het hof op dit punt, kennelijk niet tot een ander oordeel gebracht. Ook dat acht ik niet onbegrijpelijk, omdat ook zij niet concreet en verifieerbaar verklaren over de herkomst van de gelden van de verdachte. Ik begrijp uit de overwegingen dat het hof vooral op zoek is naar antwoorden aan de ‘voorkant’: de kant van de opdrachtgevers en primaire vastlegging van de opdrachten en/of facturen: zo objectief mogelijk bewijs dat er daadwerkelijk werd betaald voor (legale) securitywerkzaamheden. Dat bewijs heeft het hof kennelijk niet gevonden. Tot slot merk ik op dat noch de omstandigheid dat de Belastingdienst, zo stelt de verdediging, jarenlang akkoord is gegaan met de aangiftes waarin inkomsten uit beveiligingswerkzaamheden werden opgegeven, noch de vrijspraak van de verdachte ter zake van witwassen in een door de verdediging aangehaald strafrechtelijk onderzoek, aan een veroordeling ter zake van witwassen in de onderhavige strafzaak in de weg staat. De rechter die de onderhavige strafzaak behandelt en beslist is niet aan deze oordelen gebonden. Ze maken het oordeel van het hof in de onderhavige zaak, waaraan de tenlastelegging in de onderhavige zaak ten grondslag ligt, wat mij betreft ook niet onbegrijpelijk. 3.20 Ook de derde deelklacht slaagt niet, zodat het middel in al zijn onderdelen faalt. 4Slotsom 4.1 Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Het arrest is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI-nummer ECLI:NL:GHSHE:2024:1399. Ten aanzien van een aantal gedachtestreepjes van het onder feit 1 primair ten laste gelegde is de verdachte door het hof (partieel) vrijgesproken. Het hof heeft voorts de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep ten aanzien van de feiten 3 en 5 t/m 9 (vrijspraak in eerste aanleg), de dagvaarding ten aanzien van feit 4 nietig verklaard, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde (schuldwitwassen) vanwege verjaring en de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde (gebruikmaken van een vals geschrift) en. Ik merk op dat in cassatie niet wordt geklaagd over de oordelen en overwegingen van het hof ten aanzien van de tweede en derde categorie.. Zie paragraaf 2.2.1 t/m 2.2.3 van het arrest. HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1153. Zie ook, onder meer, HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156; HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1005 en HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:167. Conclusie van A-G Aben van 18 februari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:234. Zie onder meer het overzicht van witwasindicatoren van het [M] , het kennis- en expertisecentrum van de FIOD (versie augustus 2025). Pleitnotitie, p. 2 en 3, blijkens het proces-verbaal van de zitting van 11 januari 2024 door de raadsvrouw voorgedragen en overgelegd. Dit gaat om € 130.068,41 wat betreft [C] B.V. en € 66.945,- wat betreft de [I] . Die (beweerdelijke) verkoop betreft € 53.834,96 respectievelijk € 65.120,- en verklaart dus hoe dan ook niet de volledige stortingen. Bovendien is de inkoopprijs nog niet in aanmerking genomen. Zie het arrest, par. 2.2.1 en 2.2.4.1. Het hof heeft, kort gezegd, vastgesteld dat in 2004 is een bedrag van € 150.000 onder de noemer ‘lening’ naar de SNS-rekening van de zonnestudio is overgeboekt door de verdachte vanaf een Luxemburgse rekening ten name van een op de Seychellen gevestigde Ltd. waarvan geen economische activiteiten bekend zijn geworden. De Luxemburgse rekening, waarvan de verdachte de economisch rechthebbende is en zijn moeder gemachtigde, is gevoed met contante stortingen in diverse valuta waarvan de herkomst onbekend is. Afgezien van vier overboekingen naar een Duitse bankrekeningen ten name van [C] Ltd onder de noemer ‘aflossing’ (die vervolgens door de verdachte zijn aangewend voor de girale aankoop van een auto), zijn tot de ontbinding van [C] B.V. in 2005 geen afschrijvingen aangetroffen die betrekking hebben op de afbetaling van de lening. Op grond van onder meer deze omstandigheden heeft het hof geconcludeerd dat een vermoeden bestaat dat, onder meer, het geldbedrag dat gemoeid was met de lening van € 150.000 uit enig misdrijf afkomstig was. Over de acht transacties (in totaal € 20.510,-) die hebben plaatsgevonden na staking van de bedrijfsactiviteiten wordt niet geklaagd. Pleitnotitie, p. 2, 4-6 en 8, blijkens het proces-verbaal van de zitting van 11 januari 2024 door de raadsvrouw voorgedragen en overgelegd.