PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/03020 Zitting 30 september 2025 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 1 augustus 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 mei 2022 ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-263916-21 ten laste gelegde. Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18-216589-21 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bevestigd met aanvulling en verbetering van de gebezigde bewijsmiddelen en vermelding van art. 63 Sr. Bij dat vonnis is de verdachte wegens onder 1 “wederspannigheid”, onder 2 “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en onder 3 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van voorarrest. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. K.E. Wielenga, advocaat in Leeuwarden, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 1.3 In cassatie wordt geklaagd over de beslissing van het hof om het aanhoudingsverzoek af te wijzen en over de motivering van die beslissing. 1.4 Voordat ik overga tot de bespreking van het middel schets ik eerst het procesverloop. 2Het procesverloop 2.1 De verdachte is in eerste aanleg aanwezig geweest op de terechtzitting van de politierechter van 17 mei 2022. Tegen dat vonnis heeft hij op diezelfde dag nog hoger beroep ingesteld. 2.2 Op 1 juni 2023 is de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 18 juli 2023 in persoon aan de verdachte betekend. 2.3 Ter terechtzitting in hoger beroep is de verdachte niet verschenen. Zijn niet-gemachtigde raadsman heeft een aanhoudingsverzoek gedaan ter verwezenlijking van het aanwezigheidsrecht en heeft daartoe het volgende naar voren gebracht: “Twee weken geleden heb ik contact gehad met verdachte. Verdachte liet mij toen weten dat hij op vakantie was en pas eind augustus weer terug zou zijn. Op mijn vraag of hij mij wilde machtigen, kreeg ik als antwoord dat hij (verdachte) met vakantie was en pas eind augustus weer terug zou zijn. Uit het feit dat verdachte mij niet heeft willen machtigen, leid ik af dat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenst te maken. Derhalve verzoek ik om aanhouding van de zaak.” 2.4 Het hof beslist het aanhoudingsverzoek af te wijzen en overweegt in dat verband: “Het hof wijst het verzoek om aanhouding af en zal de zaak bij verstek behandelen. Daartoe overweegt het hof dat de dagvaarding geruime tijd voorafgaand aan de zitting in persoon aan verdachte is betekend. Verdachte heeft contact gehad met de raadsman. Uit de tekst van het bericht dat aan de raadsman is gestuurd, leidt het hof niet af dat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenst te maken. Daar komt bij dat het contact op initiatief van de raadsman tot stand is gekomen. De aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid is niet aannemelijk geworden.” 3Het middel 3.1 Het middel houdt de klacht in dat het hof heeft verzuimd uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op een aanhoudingsverzoek, althans dat de afwijzing van dat verzoek onbegrijpelijk gemotiveerd is. 3.2 In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat uit de overwegingen van het hof niet duidelijk wordt of het hof de vakantie van de verdachte als niet aannemelijk geworden omstandigheid beschouwt of dat het de wil van de verdachte om gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht niet aannemelijk geworden acht. Als het hof de vakantie onaannemelijk heeft geoordeeld, had het hof daarbij het ontbreken van bewijsstukken moeten betrekken en de verdediging eventueel de mogelijkheid tot overlegging van bewijsstukken moeten geven. Indien het hof het niet aannemelijk vond dat de verdachte aanwezig wilde zijn, had het uitdrukkelijker moeten motiveren waarom. Daarbij merkt de steller van het middel op dat de verdachte heeft aangegeven wanneer hij terug is, kennelijk met de bedoeling om kenbaar te maken wanneer hij beschikbaar zou zijn voor een nieuwe zitting. 4De bespreking van het middel 4.1 Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan ter terechtzitting worden gedaan door de verdachte of diens op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de ter terechtzitting niet-verschenen verdachte kan ter terechtzitting een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in art. 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging. Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds - dat wil zeggen: zonder tot die afweging van belangen over te gaan - afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is. Wanneer de rechter het verzoek niet afwijst op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing. 4.2 De raadsman heeft ter terechtzitting een aanhoudingsverzoek gedaan ter verwezenlijking van het aanwezigheidsrecht van de verdachte en daartoe medegedeeld dat hij twee weken voorafgaand aan de zitting contact heeft gehad met de verdachte, dat de verdachte toen heeft aangegeven tot eind augustus op vakantie te zijn en dat de verdachte hem op zijn vraag of de verdachte hem wilde machtigen antwoordde dat hij nog op vakantie was en eind augustus terug is. De raadsman maakt uit het contact dat hij met de verdachte had op dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. Dat leidt hij af uit het feit dat de verdachte hem in ieder geval op dat moment niet heeft willen machtigen en – zo begrijp ik met de steller van het middel – hij daarom en met het oog op de planning van een nieuwe zitting aangeeft eind augustus weer terug te zijn. Het hof heeft het verzoek tot aanhouding afgewezen. Volgens het hof is de dagvaarding ruim voor de zitting in persoon betekend, heeft de verdachte contact gehad met zijn raadsman en blijkt uit het bericht dat de verdachte aan de raadsman heeft gestuurd niet dat hij van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. Daar komt bij dat – volgens het hof – het contact op initiatief van de raadsman tot stand is gekomen. Op basis hiervan trekt het hof de conclusie dat de omstandigheid die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd niet aannemelijk is geworden. 4.3 Ik lees de overwegingen van het hof zo dat het hof het aanhoudingsverzoek afwijst omdat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte aanwezig wilde zijn op de zitting. Daarin ligt als kennelijk oordeel van het hof besloten dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Over het algemeen mag de rechter ervan uitgaan dat een verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn als de dagvaarding om te verschijnen in hoger beroep in persoon aan de verdachte is betekend, maar er ter zitting geen (al dan niet gemachtigde) raadsman of verdachte verschijnt, tenzij er duidelijke contra-indicaties bestaan. In dit geval doet zich de situatie voor dat de (niet-gemachtigde) raadsman van de verdachte uit hem door de verdachte verstrekte informatie afleidt dat de verdachte gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht, terwijl het hof op basis van diezelfde informatie oordeelt dat niet aannemelijk is dat de verdachte gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht. Geheel ondubbelzinnig was de eventuele afstand van het aanwezigheidsrecht kennelijk dus in ieder geval niet. 4.4 In het licht van het voorgaande heeft het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.