← Nederland

ECLI:NL:PHR:2025:1093

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04065 Zitting 10 oktober 2025 CONCLUSIE M.H. Wissink In de zaak Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Achmea) tegen [verweerder] (hierna: [verweerder] ) Inhoudsopgave Inleiding en samenvatting (1.1-1.11) Feiten en procesverloop (2.1-2.9) Verkenning van de prejudiciële vragen (3.1-3.3) De relevante richtlijnen en de omzetting daarvan (4.1-4.22) De Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten (4.2-4.7) De Richtlijn verzekeringsdistributie (4.8-4.12.3) Omzettingsbepalingen in Wft en BGfo (4.13-4.22) 5. Ambtshalve onderzoek; afbakening van vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c (5.1-5.41) Relevante bepalingen in de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten, Wft en BGfo (5.5-5.17) Relevante bepalingen in de Richtlijn verzekeringsdistributie, Wft en BGfo (5.18-5.29) Nadere afbakening tot bepaalde schadeverzekeringen? (5.30-5.35) Conclusie (5.36-5.41) 6. Ambtshalve onderzoek; beantwoording van vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c (6.1-6.57) Geen taak voor de burgerlijke rechter? (6.5-6.16)De prejudiciële beslissing in Arvato I (6.17-6.20) Is er aanleiding voor ambtshalve onderzoek? (6.21-6.25) Welke bepalingen komen in aanmerking voor ambtshalve toepassing? (6.26-6.50) Beantwoording van vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c (6.51-6.57) 7. Wat indien ambtshalve onderzoek niet verplicht is? (vraag 2) (7.1-7.5) 8. Wat is een gepaste sanctionering? (vraag 4) (8.1-8.57) Doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctionering op de voet van Arvato I (8.3-8.6) Geen vernietigingssanctie? (8.7-8.16) De grondslag van vernietiging. Art. 1:23 Wft. Art. 6:193j lid 3 BW; bewijsvermoeden (8.17-8.28.2) Hoor en wederhoor; gedeeltelijke vernietiging (8.29-8.30) Niet-bindende richtlijnen; Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten (8.31-8.35) De consument beroept zich op de verzekering (8.36-8.37) Het arrest Ocidental. Samenloop met de Richtlijn oneerlijke bedingen (8.38-8.51) Beantwoording van vraag 4 (8.52-8.57) 9. Is artikel 78 BGfo in lijn met de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten? (vraag 1.b tweede gedeelte) (9.1-9.23) Art. 5 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en art. 78 lid 2 BGfo (9.3.1-9.9) De inbreukprocedure (9.10-9.12) Is art. 78 lid 2 BGfo verenigbaar met de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten? (9.13-9.14) Beantwoording van vraag 1.b tweede gedeelte (9.15-9.23) 10. Het verstrekken van informatie op een duurzame drager (vraag 3) (10.1-10.43) Toespitsing van de vraag (10.2-10.9) Duurzame drager (10.10-10.25) Verstrekken (10.26-10.35) De drie door de kantonrechter genoemde gevallen (10.36-10.41) Beantwoording van vraag 3 (10.42-10.43) 11. Conclusie 1Inleiding en samenvatting 1.1 De door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam gestelde prejudiciële vragen over informatieplichten bij op afstand gesloten verzekeringsovereenkomsten bouwen voort op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad in Arvato I. 1.2 Arvato I betreft de plicht van de rechter om, ter uitvoering van de Europese Richtlijn consumentenrechten, ambtshalve te onderzoeken of uit de stellingen van de handelaar en de overgelegde stukken genoegzaam blijkt dat aan (

  1. i)de informatieplichten waaraan de wet bij niet-naleving ervan specifieke sancties verbindt (art. 6:230m lid 1, onder e, f, h, i en j BW en art. 6:230v lid 3 BW) en (
  2. ii)de informatieplichten waaraan extra gewicht toekomt (de essentiële informatieplichten van art. 6:230m lid 1, onder a, b, c, e, f, g, h, o en p, BW) is voldaan op de wijze zoals voorgeschreven in art. 6:230v BW. Indien niet blijkt dat hieraan is voldaan, dient de rechter ambtshalve de in de wet aan schending van de desbetreffende verplichting verbonden sanctie toe te passen. Voorts kan de rechter gehouden zijn om bij een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten, de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te vernietigen op grond van art. 3:40 lid 2 BW. Daarbij geldt dat indien de consument niet in de procedure is verschenen, de rechter slechts kan overgaan tot gedeeltelijke vernietiging bestaande in een vermindering van de verplichtingen van de consument, aldus de Hoge Raad. De beslissing in Arvato I ziet op informatieplichten bij overeenkomsten tussen een handelaar en een consument als bedoeld in art. 6:230h BW die zijn gesloten op afstand dan wel buiten de verkoopruimte. 1.3 Art. 6:230m en 6:230v BW gelden niet voor op afstand gesloten verzekeringsovereenkomsten (zie art. 6:230h lid 2 onder b BW en art. 6:230w BW). Daarvoor gelden op basis van de Europese Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en Richtlijn verzekeringsdistributie wel informatieplichten, maar deze zijn opgenomen in het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (hierna: BGfo) dat is gebaseerd op de Wet financieel toezicht (hierna: Wft). De in deze zaak gestelde prejudiciële vragen komen erop neer welke van deze informatieplichten de rechter eventueel ambtshalve moet of mag onderzoeken en sanctioneren. Voorts wordt gevraagd of art. 78 lid 2 BGfo in overeenstemming is met het Unierecht en wordt verzocht om verduidelijking van het begrip duurzame drager. 1.4 Deze conclusie is als volgt opgebouwd. Eerst volgt een weergave van de feiten en het procesverloop in deze zaak (onder 2), van de prejudiciële vragen (onder 3) en van de inhoud van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie alsmede hun omzettting in het Nederlandse recht (onder 4). Vervolgens ga ik in op de ambtshalve toepassing van de bepalingen van deze richtlijnen en hun omzettingsbepalingen. Daartoe bezie ik onder 5 eerst op welke bepalingen van Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie de vragen van de kantonrechter betrekking hebben (vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte en 1.c). Daarna komt onder 6 aan de orde of er aanleiding is voor ambtshalve toepassing door de civiele rechter van bepalingen van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie en, zo ja, welke bepalingen de rechter ambtshalve moet toepassen. De prejudiciële beslissing van de Hoge Raad in Arvato I speelt hierbij een centrale rol. Dat geldt ook voor onder 8 te bespreken vraag of de rechter een schending van deze bepalingen ambtshalve moet sanctioneren en, zo ja, op welke wijze (vraag 4). Tussendoor wijd ik onder 7 een korte beschouwing aan de vraag of de rechter bepalingen die hij niet ambtshalve moet toepassen, wel ambtshalve mag toepassen, en de vraag of de consument zich op dergelijke bepalingen kan beroepen (vraag 2). Deze onderwerpen beslaan het grootste gedeelte van deze conclusie. Hierna resteren nog twee onderwerpen. Onder 9 bespreek ik de vraag of art 78 lid 2 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, dat inhoudt dat een schadeverzekeraar informatie eerst bij het verstrekking van de polis aan de cliënt verstrekt, in overeenstemming is met de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten (vraag 1.b tweede gedeelte). Onder 10 wordt nader ingegaan op het verstrekken van informatie op een duurzame drager (vraag 3). Tot slot volgt onder 11 de conclusie. 1.5 Ik kom in deze conclusie tot de volgende bevindingen. 1.6 De vragen van de kantonrechter die gaan over de verplichting tot ambtshalve toepassing (vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte en 1.
  3. c)betreffen de bepalingen uit de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie die zijn opgenomen in de tabellen in de nrs. 5.14 en 5.27 van deze conclusie. De Hoge Raad kan de beantwoording van de vragen echter beperken tot de feiten die spelen in de zaak tussen Achmea en [verweerder] en/of tot schadeverzekeringen zoals in deze zaak aan de orde is. 1.7 Evenals het geval was met de informatieplichten van de Richtlijn consumentenrechten waarover de Hoge Raad heeft geoordeeld in Arvato I, heeft de civiele rechter een ambtshalve taak bij de relevante informatieplichten van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en van de Richtlijn verzekeringsdistributie. Ik stel voor de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte en 1.c als volgt te beantwoorden (zie hierna in 6.57): De rechter dient (
  4. i)de informatieplichten van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en van de Richtlijn verzekeringsdistributie waaraan de wet een specifieke sanctie verbindt en (
  5. ii)de essentiële informatieplichten van deze richtlijnen ambtshalve toe te passen. Op grond van art. 6:193f onder e BW zijn als essentiële informatieplichten aan te merken de informatieplichten in de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie die zijn omgezet op basis van art. 4:20 Wft of art. 4:25b Wft in art. 57, art. 61 lid 1 onder d, art. 63a, art. 77 lid 1, art. 78 lid 1, art. 79 lid 1, art. 86f lid 2 onder k en art. 86i lid 1 onder a, b, c, d ,e , g en h, en lid 4 BGfo. Dit omvat tevens de informatieplichten waaraan de wet een specifieke sanctie verbindt. Ten aanzien van deze informatieplichten moet de rechter ambtshalve onderzoeken of uit de stellingen van de financiëledienstverlener en/of verzekeringsdistributeur en de overgelegde stukken genoegzaam blijkt dat daaraan is voldaan op de wijze zoals voorgeschreven in art. 4:19 lid 2 Wft. De rechter dient niet ambtshalve te toetsen of is voldaan aan de verplichting om deze informatie te verstrekken op een duurzame drager. De rechter dient evenmin ambtshalve te toetsen of het informatiedocument conform art. 65b BGfo is opgemaakt en verstrekt met daarin de informatie genoemd in art. 66b BGfo. 1.8 Voor zover het gaat om bepalingen over informatieplichten die de rechter niet ambtshalve moet toetsen (vraag 2), verzet het Nederlandse recht zich ertegen dat de rechter deze bepalingen toch ambtshalve toetst buiten, kort gezegd, de grenzen van de rechtsstrijd (zie hierna in 7.3). De consument kan zich op de bedoelde bepalingen beroepen (zie hierna in 7.5). 1.9 Evenals het geval was met de informatieplichten van de Richtlijn consumentenrechten waarover de Hoge Raad heeft geoordeeld in Arvato I, heeft de civiele rechter een ambtshalve taak bij de sanctionering van relevante informatieplichten van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en van de Richtlijn verzekeringsdistributie. Gezien art. 1:23 Wft kan een (gedeeltelijke) vernietiging van de overeenkomst niet worden gebaseerd op art. 3:40 lid 2 BW. Wel kan deze worden gebaseerd op art. 6:193j lid 3 BW, waarbij een bewijsvermoeden kan worden gehanteerd. Het voorgaande staat los van een mogelijk gebrek aan transparantie van de algemene voorwaarden van de verzekeraar op de grond dat deze niet vooraf aan de consument zijn verstrekt (de problematiek van het Ocidental-arrest). Ik stel voor vraag 4 over de ambtshalve sanctionering van de bij vraag 1.a, 1.b eerste gedeelte en 1.c bedoelde ambtshalve te toetsen bepalingen als volgt te beantwoorden (zie hierna in 8.57): (
  6. a)Indien uit het door de rechter verrichte onderzoek blijkt dat informatieplichten waaraan de wet een bijzonder sanctie verbindt, niet zijn nageleefd, dient de rechter ambtshalve de in de wet aan schending van de desbetreffende verplichting verbonden sanctie toe te passen. (
  7. b)De rechter kan gehouden zijn om ambtshalve een op afstand gesloten overeenkomst geheel of gedeeltelijk te vernietigen op grond van art. 6:193j lid 3 BW, indien sprake is van een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten, dat wil zeggen de informatieplichten van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten of van de Richtlijn verzekeringsdistributie die via art. 4:20 of 4:25b Wft zijn omgezet in art. 57, art. 61 lid 1 onder d, art. 63a, art. 77 lid 1, art. 78 lid 1, art. 79 lid 1, art. 86f lid 2 onder k en art. 86i lid 1 onder a, b, c, d, e, g en h, en lid 4 BGfo. Gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst kan bestaan in een vermindering van de verplichtingen, met name de betalingsverplichtingen, van de consument. (
  8. c)Opmerking verdient dat in geval van niet-naleving van een informatieplicht die valt zowel onder categorie informatieplichten waaraan de wet een specifieke sanctie verbindt, als onder de categorie essentiële informatieplichten, de rechter naast of in plaats van toepassing van de specifieke wettelijke sanctie kan overgaan tot (verdere) vermindering van de verplichtingen van de consument indien de specifieke wettelijke sanctie in de gegeven omstandigheden niet voldoet aan de eis dat deze doeltreffend, evenredig en afschrikkend is. (
  9. d)Bij een voldoende ernstige schending van een of meer van de hiervoor bedoelde essentiële informatieplichten van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten of van de Richtlijn verzekeringsdistributie kan de rechter aannemen dat de door de consument gesloten overeenkomst is tot stand gekomen als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in art. 6:193j lid 3 BW. De professionele wederpartij van de consument kan dit vermoeden weerleggen door feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit de rechter met voldoende zekerheid kan afleiden dat het ontbreken van de volgens de wet vereiste essentiële informatie in het concrete geval niet van invloed is geweest op de wilsvorming van de desbetreffende consument. (
  10. e)De rechter die overweegt een overeenkomst ambtshalve (geheel of gedeeltelijk) te vernietigen, dient op grond van de beginselen van hoor en wederhoor de verschenen partij(
  11. en)in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten. Indien de consument in de procedure is verschenen, heeft hij aldus ook de gelegenheid zich ertegen te verzetten dat de betrokken overeenkomst geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, hetgeen de rechter dan heeft te respecteren. In het geval de consument zich beroept op nakoming van de verzekeringsovereenkomst door de verzekeraar, kan de rechter ervan uitgaan dat de consument afziet van de mogelijkheid om de verzekeringsovereenkomst te vernietigen op grond van art. 6:193j lid 3 BW. (
  12. f)Indien de consument niet in de procedure is verschenen, kan de rechter slechts overgaan tot gedeeltelijke vernietiging bestaande in een vermindering van de verplichtingen van de consument. Het verdient aanbeveling dat de rechter zich bij de toepassing van de sanctie van gedeeltelijke vernietiging richt naar met het oog daarop op te stellen, niet-bindende richtlijnen. De rechter kan in een concreet geval van de richtlijnen afwijken, waartoe in het bijzonder aanleiding zal zijn indien de daarin opgenomen sanctie in de gegeven omstandigheden niet doeltreffend, evenredig en afschrikkend is. (
  13. g)Indien uit het door de rechter ambtshalve te verrichten onderzoekt blijkt dat de contractvoorwaarden niet tijdig aan de consument zijn verstrekt, dient de rechter voorts ambtshalve te toetsen:(
  14. i)of sprake is van een voldoende ernstige schending van de op art. 5 lid 1 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten gebaseerde plicht van een financiëledienstverlener om een consument te informeren over ‘de overige voorwaarden van de overeenkomst op afstand’ als bedoeld in art. 77 lid 1 onder s BGfo en of daaraan in het concrete geval − naast de in art. 6:230x BW genoemde specifieke sanctie van verlenging van de termijn voor het inroepen van het herroepingsrecht/ontbindingsrecht − een sanctie moet worden verbonden in de vorm van gehele vernietiging van de overeenkomst dan wel een gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst die kan bestaan uit een vermindering van de (betalings)verplichtingen van de consument, en (
  15. ii)of sprake is van een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen en, indien dat het geval is, dit beding te vernietigen op grond van art. 6:233 onder a BW. Wanneer de rechter de overeenkomst geheel heeft vernietigd op grond van art. 6:193j lid 3 BW, ontbreekt in beginsel belang bij vernietiging van het beding op grond van art. 6:233 onder a BW. 1.10 Er is redelijke twijfel mogelijk over het antwoord op de vraag of art 78 lid 2 BGfo in overeenstemming is met de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten (vraag 1.b tweede gedeelte). Ik stel voor dat de Hoge Raad deze vraag thans niet zelf beantwoordt, maar hierover op zijn beurt prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna in 9.23). 1.11 De vraag wanneer is voldaan aan de vereisten van een duurzame drager leent zich niet voor beantwoording bij wijze van een prejudiciële beslissing. Voor zover wordt gevraagd naar de maatstaven om te beoordelen of sprake is van een duurzame drager, behoeft deze vraag geen beantwoording omdat uit de Richtlijn verkoop op afstand, de Richtlijn verzekeringsdistributie en art. 1:1 Wft, gelezen in het licht van de rechtsprak van het HvJEU, reeds blijkt welke maatstaven de rechter dient te hanteren bij de beantwoording van deze vraag (hierna in 10.42). 2Feiten en procesverloop 2.1 In deze procedure dient het volgende tot uitgangspunt. 2.2 [verweerder] is een consument die een verzekeringsovereenkomst voor een auto heeft gesloten met Achmea (‘een handelaar’). Uit het overgelegde polisblad volgt dat het is verstrekt op 26 augustus 2021, terwijl de verzekering is ingegaan op 25 augustus 2021. Op het polisblad is vermeld dat algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. De overeenkomst is op afstand gesloten. 2.3 In deze procedure vordert Achmea [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 263,22, vermeerderd met rente en kosten. Hieraan heeft Achmea ten grondslag gelegd dat [verweerder] een gedeelte van de uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst verschuldigde premie en/of eigen risico en/of andere vergoedingen onbetaald heeft gelaten. Tegen [verweerder] is verstek verleend. 2.4.1 Bij tussenvonnis van 8 december 2023 (hierna ook: TV1) heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam overwogen dat hij ambtshalve dient te onderzoeken of Achmea heeft voldaan aan de informatieverplichting van art. 6:230x BW, de informatieplichten gebaseerd op art. 5 van Richtlijn 2002/65/EG betreffende verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en/of de informatieplichten gebaseerd op art. 18 e.v. van Richtlijn 2016/97 betreffende verzekeringsdistributie. De kantonrechter heeft voorts overwegingen gewijd aan Richtlijn 1993/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. 2.4.2 De kantonrechter heeft Achmea in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten: (
  16. a)welke informatie zij op welke manier voorafgaande/ten tijde van het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde heeft verstrekt, bijvoorbeeld door het overleggen van schermafdrukken van het bestelproces; (
  17. b)wanneer de overeenkomst is gesloten en of zij gedaagde, indien van toepassing, tijdig heeft gewezen op het ontbindingsrecht; en (
  18. c)of de hiervoor genoemde informatie en voorwaarden aan gedaagde zijn verstrekt op de voorgeschreven wijze, of de vordering is gegrond of had kunnen worden gegrond op een beding in de toepasselijke algemene voorwaarden en of dit beding eerlijk is. 2.5.1 Blijkens het tussenvonnis van 25 oktober 2024 (hierna ook: TV2) heeft Achmea een akte met producties genomen. In deze akte heeft Achmea het volgende gesteld: (
  19. i)[verweerder] heeft op 25 augustus 2021 een autoverzekering afgesloten bij FBTO, een handelsnaam van Achmea, door het invullen van het bestelproces op de website van FBTO. (
  20. ii)De essentiële gegevens van de overgelegde screenshots van een voorbeeldbestelproces zijn de afgelopen jaren niet gewijzigd, hooguit de lay-out, en de informatie die hierop te zien is ook de informatie is geweest die [verweerder] bij het sluiten van zijn verzekeringsovereenkomst onder ogen heeft gekregen. (iii) [verweerder] is precontractueel in kennis gesteld van:- de naam en het adres van FBTO en de statutaire naam en handelsnaam van Achmea;- de aard van de financiële dienstverlening van FBTO/Achmea;- de inschrijving van FBTO/Achmea in het door de toezichthouder gehouden register;- de omschrijving van het product van FBTO/Achmea;- de algemene voorwaarden van de verzekering door middel van een link;- het wettelijke ontbindingsrecht;- de interne klachtenprocedure. (
  21. iv)[verweerder] kon door de link aan te klikken de algemene voorwaarden lezen en bewaren en kon deze downloaden en opslaan op zijn computer en/of verzenden naar zijn e-mailadres. [verweerder] was verplicht een vinkje te zetten om akkoord te gaan met de inhoud van de algemene voorwaarden alvorens de verzekering af te sluiten. Uit de als productie 1 overgelegde schermafdrukken van de website en van het bestelproces blijkt dat deze informatie raadpleegbaar was op de website en/of in het bestelproces werd medegedeeld. Voorts blijkt daaruit dat [verweerder] tijdens het bestelproces in de gelegenheid is gesteld om de toepasselijke polisvoorwaarden als pdf-bestand te downloaden. (
  22. v)Op 26 augustus 2021 is aan [verweerder] een e-mail verzonden. Dit blijkt uit de als productie 3 overgelegde schermafdruk uit het systeem van Achmea, waarmee de verzending ‘is gelogd’. In deze e-mail is, samengevat, medegedeeld dat [verweerder] vanaf 25 augustus 2021 is verzekerd, de verzekering automatisch jaarlijks wordt verlengd, [verweerder] de hoofdbestuurder is, de bonus-maluskorting 40% bedraagt, de maandpremie € 131,61 inclusief assurantiebelasting bedraagt, hij geen schadevrije jaren heeft maar dat dit wordt nagevraagd bij Roy-data en daarna kan worden aangepast, de basisverzekering WA en de aanvullende module pechhulp binnenland van toepassing is, de premie met een automatische incasso binnen twee weken na de ingangsdatum wordt afgeschreven, dat de verzekering binnen 14 dagen kosteloos kan worden opgezegd en hij het polisblad, de voorwaarden en groene kaart(
  23. en)in MijnFBTO kan bekijken. Als bijlage bij dit e-mailbericht zijn het polisblad en alle voorwaarden van de verzekering aan [verweerder] toegezonden, zodat deze op een duurzame drager aan [verweerder] zijn verstuurd. (
  24. vi)[verweerder] kan zijn gegevens te allen tijde en ongewijzigd raadplegen door via zijn account in te loggen op de website. 2.5.2 In het tussenvonnis van 25 oktober 2024 heeft de kantonrechter vervolgens overwogen dat deze toelichting van Achmea is gevraagd in het licht van de overwegingen in het eerste tussenvonnis dat ambtshalve getoetst moet worden aan art. 6:230x BW en de informatieplichten gebaseerd op art. 5 van Richtlijn 2002/65 en art. 18 en 20 e.v. van Richtlijn 2016/97. De vraag is of dat geldt voor alle informatieplichten uit deze richtlijnen of dat er, net zoals in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad in Arvato I,onderscheid moet worden gemaakt tussen essentiële en niet-essentiële informatieplichten. Bovendien is niet duidelijk voor de kantonpraktijk, mocht er een verplichting tot ambtshalve toetsing bestaan, wanneer geacht mag worden dat de informatie is verstrekt op een duurzame drager, en als dat niet het geval is, wat de sanctie daarop zou moeten zijn, aldus de kantonrechter. 2.5.3 De kantonrechter heeft het voornemen uitgesproken hierover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad en deze vragen geformuleerd en toegelicht. De kantonrechter heeft Achmea in de gelegenheid gesteld op de geformuleerde prejudiciële vragen te reageren. Tegelijkertijd heeft de kantonrechter de vragen al aan de Hoge Raad gesteld met het verzoek deze niet eerder in behandeling te nemen dan nadat de kantonrechter heeft laten weten dat deze vragen ongewijzigd zijn, dan wel dat deze gewijzigd zijn naar aanleiding van de opmerkingen van Achmea, dan wel dat bepaalde vragen worden ingetrokken. 2.6 Bij akte van 20 december 2024 heeft Achmea zich uitgelaten over de prejudiciële vragen. 2.7 Bij tussenvonnis van 17 januari 2025 (hierna ook: TV3) heeft de kantonrechter overwogen dat de opmerkingen van Achmea niet leiden tot een wezenlijke (inhoudelijke) wijziging van de vragen. De kantonrechter heeft vervolgens de akte van Achmea ter kennisneming toegezonden aan de Hoge Raad. 2.8 De kantonrechter heeft de Hoge Raad verzocht de vragen in behandeling te nemen. 2.9 In de prejudiciële procedure heeft [verweerder] , na daartoe te zijn uitgenodigd, geen schriftelijke opmerkingen ingediend. Namens Achmea zijn schriftelijke opmerkingen (hierna: SO) ingediend door mr. D.A. van der Kooij. Namens de Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: NVB), als derde, zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door mrs. F.E. Vermeulen en B.F.L.M. Schim. Achmea heeft afgezien van een reactie op de schriftelijke opmerkingen van de NVB. 3Verkenning van de prejudiciële vragen 3.1 De kantonrechter heeft de volgende vragen aan de Hoge Raad gesteld: Vraag 1 a. Moet ambtshalve worden getoetst of bij het sluiten van een (schade)verzekeringsovereenkomst is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230x BW, de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de richtlijn 2002/65/EG en artikel 18 en verder van de richtlijn 2016/97 en/of de daarop gebaseerde nationale bepalingen in paragraaf 8.1.4 en verder BGfo en moet daarbij ook ambtshalve worden getoetst of is voldaan aan de verplichting om de (essentiële) informatie voor en na sluiting van de overeenkomst te verstrekken op een duurzame drager? b. Welke informatie van artikel 77 lid 1 BGfo is als essentieel aan te merken en is artikel 78 BGfo als uitzondering op artikel 77 BGfo in lijn met de richtlijn 2002/65 of geldt ook voor schadeverzekeringen dat de informatie voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst aan de consument moet worden verstrekt? [c.] Moet ook ambtshalve worden getoetst of het informatiedocument conform artikel 65b lid 1 BGfo is opgemaakt en conform lid 2 is verstrekt, met daarin de informatie genoemd in artikel 66b BGfo? Vraag 2 Als (het sluiten van) de overeenkomst niet ambtshalve hoeft te worden getoetst betekent dat dan ook dat niet ambtshalve mág worden getoetst en/of dat consumenten op schending van informatieplichten of het niet verstrekken daarvan op een duurzame drager zelf geen beroep kunnen doen? Vraag 3 Wanneer is voldaan aan de vereisten van een duurzame drager als genoemd in artikel 5 van de richtlijn 2002/65/EG en artikel 49a lid 2 en 78 BGfo? Vraag 4 Als niet of niet geheel is voldaan aan de informatieplichten, moet dan een sanctie worden opgelegd en zo ja, wat is dan een passende sanctie? Is daarbij een verschil te maken tussen het niet verstrekken van informatie (in het kader van de verplichting tot het verstrekken van informatie) of het niet verstrekken van contractvoorwaarden (in het kader van het toetsen of kernbedingen transparant en vervolgens oneerlijk zijn ingevolge de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EEG))? 3.2.1 Vraag 1.a bestaat uit twee deelvragen die informeren naar de plicht tot ambtshalve onderzoek van (
  25. i)de daarin bedoelde informatieplichten en van (
  26. ii)de verstrekking van deze informatie, voor en na het sluiten van de overeenkomst, op een duurzame drager. De eerste deelvraag betreft informatieplichten als zodanig, dat wil zeggen: wie moet waarover informatie geven aan de consument? De tweede deelvraag betreft eisen die worden gesteld aan het moment en de wijze waarop informatie wordt verstrekt. Ik vat beide samen onder de noemer: bepalingen over informatieplichten. In Arvato I zijn beide van belang geacht bij de beantwoording van de in die zaak gestelde prejudiciële vragen. 3.2.2 Vraag 1.b bestaat uit een eerste gedeelte over art. 77 lid 1 BGfo en een tweede gedeelte over art. 78 BGfo. Het eerste gedeelte van vraag 1.b informeert welke informatie uit art. 77 lid 1 BGfo als essentieel is aan te merken. Dit gedeelte van de vraag refereert aan de regel uit Arvato I dat ambtshalve moeten worden onderzocht of aan essentiële informatieplichten is voldaan. Het eerste gedeelte van vraag 1.b kan daarom gezamenlijk met vraag 1.a worden behandeld. 3.2.3 Ik duid de laatste vraag van vraag 1 aan als vraag 1.c. 3.3 De prejudiciële vragen stellen de volgende thema’s aan de orde. Dat zijn, ten eerste, de plicht (vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte en 1.c), dan wel de mogelijkheid (vraag 2), om ambtshalve te onderzoeken of bij het sluiten van verzekeringsovereenkomsten is voldaan aan de in deze vragen bedoelde bepalingen over informatieplichten en, ten tweede, de eventuele ambtshalve sanctionering van schending van die bepalingen (vraag 4). Ik behandel dit onder 5-8 van deze conclusie. Achmea (SO nr. 22) merkt terecht op dat het hierbij niet gaat om ambtshalve aanvulling van rechtsgronden als bedoeld in art. 25 Rv. Het gaat, kort gezegd, om ambtshalve onderzoek buiten de grenzen van de rechtsstrijd als bedoeld in art. 24 Rv. In appel verwijst het begrip ‘grenzen van de rechtsstrijd’ in dit verband overigens naar de omvang van het hoger beroep − dat wil zeggen de vraag of tegen de toe- of afwijzing van een bepaalde vordering in hoger beroep is opgekomen − en gaat het erom of de appelrechter een bepaling ambtshalve moet toepassen buiten het door de grieven ontsloten gebied. Ik spreek verder afwisselend van ambtshalve toetsing en van ambtshalve toepassing van een bepaling. In de derde plaats wordt gevraagd of artikel 78 BGfo in lijn is met de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten (vraag 1.b tweede gedeelte). Zie hierover paragraaf 9 van deze conclusie. In de vierde plaats wordt gevraagd naar een afbakening van het begrip duurzame drager (vraag 3). Dit wordt behandeld onder 10 van deze conclusie. 4De relevante richtlijnen en de omzetting daarvan 4.1 Ik schets hierna de inhoud van de door de kantonrechter genoemde Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en Richtlijn verzekeringsdistributie alsmede de omzetting daarvan in het Nederlandse recht. De Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten 4.2 De Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten uit 2002 (hierna: Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten) beoogt de wettelijke regelingen van de lidstaten inzake de verkoop op afstand van financiële diensten nader tot elkaar te brengen om zo de consumentenbescherming op dat gebied te versterken. Dit was nodig, omdat Richtlijn 97/7 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (die inmiddels is opgevolgd door de Richtlijn consumentenrechten), niet ziet op financiële diensten. In de memorie van toelichting bij de omzettingswet van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten – de voormalige Wet financiële dienstverlening (hierna: Wfd) − wordt opgemerkt dat er destijds voor is gekozen om een aparte richtlijn vast te stellen voor de verkoop op afstand van financiële diensten, omdat verscheidene onderwerpen en bepalingen in de Richtlijn 97/7 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten niet verenigbaar zijn met het karakter van financiële diensten of hieraan onvoldoende recht doen. Voornamelijk op het punt van de verplichting tot het verstrekken van informatie aan de consument en de bepalingen over het herroepingsrecht wijken de twee richtlijnen van elkaar af. 4.3 De Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten heeft tot doel om de goede werking van de interne markt te bevorderen door het voor consumenten mogelijk te maken om zonder discriminatie toegang te hebben tot een zo breed mogelijk aanbod van de in de Europese Gemeenschap verkrijgbare financiële diensten, zodat zij de dienst kunnen kiezen die het beste in hun behoeften voorziet. Om deze keuzevrijheid te garanderen, is een hoog niveau van consumentenbescherming nodig, om het vertrouwen van de consument in de verkoop op afstand te versterken (overweging 3). Blijkens de considerans (overweging 12) zou, indien de lidstaten tegenstrijdige of uiteenlopende regelingen zouden vaststellen om de consumenten bij de verkoop op afstand van financiële diensten te beschermen, zulks een negatief effect hebben op de werking van de interne markt en op de concurrentie tussen bedrijven in deze markt. In de evaluatiebepaling (art. 20 lid 1) wordt de Europese Commissie opgedragen “een gedetailleerde analyse te maken van de moeilijkheden die door consumenten en aanbieders worden ondervonden of kunnen worden ondervonden, in het bijzonder die welke voortvloeien uit verschillen tussen nationale informatie- en herroepingsbepalingen.” De richtlijn lijkt daarom niet uitsluitend oog te hebben voor de bescherming van consumentenbelangen, maar ook in zeker opzicht voor die van aanbieders van financiële diensten op afstand. 4.4 De richtlijn gaat zoveel mogelijk uit van volledige harmonisatie. De lidstaten mogen echter, in afwachting van verdere harmonisatie, strengere bepalingen inzake vooraf te verstrekken informatie handhaven of invoeren, wanneer deze bepalingen in overeenstemming zijn met het Unierecht (vgl. art. 4 lid 2). Het betreft dwingend recht (art. 12). 4.5.1 Over de omzetting van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten merk ik het volgende op. 4.5.2 De in de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten opgenomen bepalingen over informatieplichten zijn (voor zover omzetting nodig werd geacht) oorspronkelijk omgezet in art. 31 Wfd en daarop gebaseerde lagere regelgeving. De keuze om concrete informatieplichten een plaats te geven in lagere regelgeving sloot aan bij het bestaande stelsel van financieel toezichtrecht, waarin dergelijke verplichtingen reeds in diverse lagere regelingen waren opgenomen. De bepalingen met informatieplichten zijn bij de komst in 2007 van de Wft (de opvolger van de Wfd) omgezet in art. 4:19 lid 2, art. 4:20 leden 1 en 2, en art. 4:22 lid 1 Wft en concreet uitgewerkt in art. 49a lid 2 en art. 77 lid 1, art. 78 lid 1 en art. 79 lid 1 BGfo (zie nader in 5.14). 4.5.3 De bepaling over het herroepingsrecht van de richtlijn is aanvankelijk omgezet in art. 40 Wfd en nadien in art. 4:28 (oud) Wft als onderdeel van afdeling 4.2.5 (Overeenkomsten op afstand) Wft. Bij de omzetting van de Richtlijn consumentenrechten in 2014 is afdeling 4.2.5 Wft komen te vervallen en is de bepaling over het herroepingsrecht overgebracht naar art. 6:230x BW. Aan de verplaatsing van het herroepingsrecht naar het BW liggen overwegingen van wetssystematiek en wetscoherentie ten grondslag. 4.5.4 Enige andere bepalingen van Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten (bijvoorbeeld over betaalkaarten) werden omgezet in afdeling 7.1.9A BW, in aansluiting op daarin reeds bij de omzetting van de oorspronkelijke Richtlijn 97/7 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten geregelde onderwerpen. Bij de omzetting van de Richtlijn consumentenrechten zijn de bepalingen over overeenkomsten op afstand (voor financiële diensten) van afdeling 7.1.9A BW overgebracht naar afdeling 6.5.2b BW. 4.6.1 Over de sanctionering van de bepalingen van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten kan het volgende worden opgemerkt. 4.6.2 De richtlijn bepaalt dat de lidstaten doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties moeten vaststellen voor inbreuken op de richtlijn; daartoe kunnen zij met name bepalen dat de consument de overeenkomst op elk moment zonder kosten en zonder boete kan opzeggen (art. 11). 4.6.3 In de parlementaire geschiedenis van de Wfd (waarin de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten aanvankelijk was omgezet) is ten aanzien van de handhaving van financieel toezichtrecht in het algemeen aandacht besteed aan publiekrechtelijke, met name bestuursrechtelijke handhaving. Dit werd gezien als een aanvulling op het bestaande civiele recht (zie nader in 6.9.2). Ook bij de overgang van de Wfd naar de Wft ging de aandacht van de wetgever uit naar bestuursrechtelijke handhaving. Bij de omzetting van de Richtlijn consumentenrechten heeft de wetgever aandacht besteed aan zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke handhaving. Ik vermeld dit, omdat ter gelegenheid van die omzetting ook het herroepingsrecht van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten is geplaatst in afd. 6.5.2b BW (art. 6:230x BW). De in deze zaak relevante bepalingen over informatieplichten zijn echter niet in het BW opgenomen, maar blijven deel van het financieel toezichtrecht. 4.7 De Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten wordt met ingang van 19 juni 2026 ingetrokken en vervangen door Richtlijn (EU) 2023/2673. Daarbij worden de regels van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten gemoderniseerd en ondergebracht in een apart hoofdstuk van de Richtlijn consumentenrechten. De informatieplichten omvatten bijvoorbeeld ook de plicht van de handelaar om een e-mailadres op te geven. Voorts wordt het ontbindingsrecht (herroepingsrecht) van de consument nader geregeld voor alle gevallen waarop de Richtlijn consumentenrechten ziet. De voorgenomen omzettingswet is na een internetconsultatie in juli 2025 voor advies naar de Raad van State verzonden. Het wetsvoorstel voorziet erin dat de informatieplichten in de Wft en het BGfo geregeld blijven en dat het ontbindingsrecht in het BW geregeld blijft. De Richtlijn verzekeringsdistributie 4.8 De Richtlijn verzekeringsdistributie (ook wel: IDD als afkorting van insurance distribution directive) uit 2016 heeft tot doel de goede werking van de interne verzekeringsmarkt te bevorderen door een gelijk speelveld voor distributeurs van verzekeringsproducten te creëren en voor consumenten een gelijk beschermingsniveau te garanderen, zodat de consument kan vertrouwen op vergelijkbare normen, met name op het gebied van openbaarmaking van informatie (overweging 6). Tevens heeft de richtlijn als doel de sancties in geval van overtredingen van de richtlijn te harmoniseren. De richtlijn beoogt dus mede consumentenbescherming (vgl. overweging 3). In de evaluatiebepaling (art. 41 lid 1) wordt ook aandacht gevraagd voor de evenredigheid van de behandeling van de verschillende verzekeringsdistributeurs en de administratieve lasten voor de distributiekanalen. 4.9 Verzekeringsdistributie wordt in de richtlijn ruim omschreven en omvat onder meer het adviseren over, het voorbereiden van, en het sluiten van verzekeringsovereenkomsten. Een verzekeringsdistributeur kan zowel een verzekeringsonderneming (verzekeraar) als een verzekeringstussenpersoon zijn (art. 1 leden 1, 3, 6 en 8). 4.10 De Richtlijn verzekeringsdistributie strekt tot minimumharmonisatie (overweging 3 en art. 22 lid 2). Uit de richtlijn blijkt niet met zoveel woorden dat de daarin opgenomen bepalingen over informatieplichten van dwingend recht zijn, maar dit volgt wel uit de aard van die bepalingen – bepalingen over informatieplichten in consumentenbeschermende richtlijnen − en de wijze van omzetting in het Nederlandse recht, te weten in het financieel toezichtrecht. 4.11.1 Over de omzetting van de Richtlijn verzekeringsdistributie merk ik het volgende op. 4.11.2 De in de Richtlijn verzekeringsdistributie opgenomen bepalingen over informatieplichten zijn omgezet in art. 4:19 lid 2, art. 4:20 leden 1 en 2, art. 4:22 lid 1, art. 4:22a, art. 4:23 lid 1 onder c en art. 4:25b lid 3 Wft en concreet uitgewerkt in art. 49a, art. 57, art. 61 lid 1 onder d, art. 63a, art. 63b, art. 65b, art. 66b, art. 77, art. 78, art. 86f lid 2 onder k en art. 86i lid 1 onder a, b, c, d, e, g en h, en lid 4 BGfo (zie nader in 5.27). Deze keuze sluit aan bij de traditie om dergelijke plichten een plaats te geven in het financieel toezichtrecht. De voorganger van de richtlijn, de Richtlijn verzekeringsbemiddeling uit 2002, was aanvankelijk omgezet in de Wfd (en later in de Wft). De in de Richtlijn verzekeringsbemiddeling opgenomen bepalingen over informatieplichten zijn (evenals die over verkoop op afstand van financiële diensten) oorspronkelijk omgezet in art. 31 Wfd en daarop gebaseerde lagere regelgeving. De voorganger van de Richtlijn verzekeringsbemiddeling, de Richtlijn inzake verzekeringsagenten en assurantiemakelaars uit 1976, was omgezet in de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (Wabb). 4.12.1 Over de sanctionering van de bepalingen van de Richtlijn verzekeringsdistributie kan het volgende worden opgemerkt. 4.12.2 In art. 31 e.v bevat de richtlijn bepalingen over ‘sancties en maatregelen’. Naast strafrechtelijke sancties, kunnen ‘bestuursrechtelijke sancties en andere maatregelen’ worden opgelegd (art. 31 lid 1). Met ‘andere maatregelen’ lijkt te worden gedoeld op bestuursrechtelijke maatregelen, zoals een bevel om met de richtlijn strijdig gedrag te staken of intrekking van een inschrijving (vgl. art. 33 lid 2 onder b en c). De door de lidstaten vast te stellen bestuurlijke sancties en andere maatregelen dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn (art. 31 lid 1). 4.12.3 De voorloper van de Richtlijn verzekeringsdistributie, de Richtlijn verzekeringsbemiddeling, is aanvankelijk omgezet in de Wfd. Hiervoor geldt hetgeen hiervoor (in 4.6.3) reeds in verband met de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten is opgemerkt. Bij de implementatie van de Richtlijn verzekeringsdistributie in de Wft is in verband met art. 31 Richtlijn verzekeringsdistributie verwezen naar de maatregelen en sancties op grond van de Wft. Aan privaatrechtelijke handhaving is geen afzonderlijke aandacht besteed. Omzettingsbepalingen in Wft en BGfo 4.13 Ik bezie nu nader de omzetting van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie in de Wft en het BGfo. Wft 4.14.1 Afdeling 4.2.3 Wft (art. 4:18-4:45e Wft) bevat regels over zorgvuldige dienstverlening, die onder meer dienen tot implementatie van delen van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie. 4.14.2 Art. 4:19 Wft stelt algemene eisen aan informatie, waaronder in het tweede lid dat deze correct, duidelijk en niet misleidend is. 4.14.3 Art. 4:20 Wft bevat regels over zowel precontractuele informatieverstrekking (lid 1 en 2), als informatieverstrekking tijdens de looptijd van de overeenkomst (leden 3-5), steeds met een bevoegdheidsgrondslag voor het stellen van nadere regels, en bepaalt voorts dat informatie in gestandaardiseerde vorm mag worden verstrekt en dat de AFM ontheffing kan verlenen (lid 7). Art. 4:20 lid 1-5 Wft luidt: “1. Voorafgaand aan het adviseren, het verlenen van een beleggingsdienst, het verlenen van een nevendienst of de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product niet zijnde een financieel instrument verstrekt een beleggingsonderneming of financiëledienstverlener de consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, de cliënt informatie voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van die dienst of dat product. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in de vorige volzin bedoelde informatie. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de informatie die wordt verschaft met betrekking tot de uitoefening door de consument of cliënt van de in artikel 230x, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechten. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een financiële onderneming in daarbij te bepalen gevallen in afwijking van het eerste lid, eerste volzin, de in dat lid bedoelde informatie geheel of gedeeltelijk na het aangaan van de overeenkomst verstrekt. 3. Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een financieel product, financiële dienst of nevendienst verstrekt een beleggingsonderneming of financiëledienstverlener de consument, of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, de cliënt tijdig informatie over: a. wezenlijke wijzigingen in de informatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze wijzigingen redelijkerwijs relevant zijn voor de consument onderscheidenlijk de cliënt; en b. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de wijze waarop een financiële onderneming gedurende de looptijd van een overeenkomst informatie moet verstrekken. 5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de informatie, bedoeld in het derde lid, in daarbij aan te wijzen gevallen uitsluitend op verzoek van de consument onderscheidenlijk de cliënt wordt verstrekt. (…)” 4.14.4 Art. 4:22 lid 1 Wft bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het stellen van nadere regels met betrekking tot de informatieverstrekking door een financiële onderneming over een financieel product, financiële dienst of nevendienst. 4.14.5 Art. 4:22a Wft bepaalt dat de informatie wordt afgestemd op de wensen en behoeften van de cliënt. 4.14.6 Art. 4:23 lid 1 en 2 Wft bepalen dat de financiële onderneming duidelijk maakt of zij de cliënt adviseert over een verzekering en stelt enige algemene eisen aan het advies. 4.14.7 Art. 4:25b Wft bevat regels over de in acht te nemen transparantie over eventuele financiële belangen van de dienstverlener bij de transactie en een bevoegdheidsgrondslag voor het stellen van nadere regels: “1. Voorafgaand aan het verlenen van een financiële dienst inzake een financieel product, ter zake waarvan een verbod geldt voor het verschaffen of ontvangen van bepaalde provisies op grond van artikel 4:25a eerste lid, onderdeel b, informeert de financiëledienstverlener de consument of, indien het een verzekering betreft, de cliënt over: a. de aard en reikwijdte van de dienstverlening; b. de wijze waarop de financiëledienstverlener wordt beloond; c. de kosten van de dienstverlening die de consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt betaalt; d. de belangen van de financiëledienstverlener die van invloed kunnen zijn op de dienstverlening aan de consument of cliënt; en e. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen onderwerpen die relevant kunnen zijn voor de adequate beoordeling van de dienstverlening door de consument of cliënt. 2. Voorafgaand aan het verlenen van een financiële dienst inzake een financieel product, anders dan producten waarvoor het eerste lid geldt, informeert de bemiddelaar of adviseur, die het aanbevolen financieel product niet tevens aanbiedt, de consument of, indien het een verzekering betreft, de cliënt over: a. de aard en reikwijdte van de dienstverlening; b. de wijze waarop de bemiddelaar of adviseur, die het aanbevolen financieel product niet tevens aanbiedt, wordt beloond, alsmede in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, de hoogte van de beloning of vergoeding; c. de belangen van de bemiddelaar of adviseur, die het aanbevolen financieel product niet tevens aanbiedt, die van invloed kunnen zijn op de dienstverlening aan de consument of de cliënt; en d. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot vorm, inhoud, moment en wijze van verstrekking van de informatie, bedoeld in het eerste en tweede lid. (…)” BGfo 4.15 Deze hiervoor genoemde Wft-bepalingen zijn deels verder uitgewerkt in Hoofdstuk 8 (Zorgvuldige dienstverlening) BGfo. Afdeling 8.1 (Informatieverstrekking) bevat in paragraaf 8.1.1 onder meer nadere bepalingen over de wijze van informatieverstrekking door verzekeraars, adviseurs of bemiddelaars in verzekeringen (art. 49a BGfo). De kantonrechter verwijst naar paragrafen 8.1.4 e.v. BGfo. Deze bevatten regels over: - verplichte precontractuele informatie (par. 8.1.4, art. 57-63c BGfo), ter uitvoering van art. 4:20 lid 1 en 2 Wft, art. 4:22 lid 1 en 2 Wft, art. 4:25a lid 1 Wft en art. 4:25b lid 1 en 2 Wft; - precontractuele informatiedocumenten (par. 8.1.5, art. 64-66b BGfo), ter uitvoering van art. 4:22 lid 1 Wft;- informatie gedurende de looptijd van een overeenkomst (par. 8.1.6, art. 67-76 BGfo), ter uitvoering van onder meer art. 4:20 lid 3 onder b, lid 4 en lid 5 Wft en art. 4:22 lid 1 en 2 Wft; en - informatieverstrekking in het kader van een overeenkomst op afstand (par. 8.1.7, art. 77-80.0a BGfo), ter uitvoering van art. 4:20, lid 1, lid 2, lid 3 onder b, lid 4 en lid 5 Wft en art. 4:23 lid 5 onder e Wft. 4.16 Ik noem hieronder de bepalingen die zien op informatieverschaffing door (onder meer) een verzekeraar of tussenpersoon in het algemeen. Daarna komen enige specifieke situaties aan de orde. 4.17 Art. 49a BGfo regelt de wijze van verstrekking van de informatie bedoeld in art. 4:20 lid 1 en 2, art. 4:22 lid 1 en art. 4:25b lid 1 en 2 Wft (lid 1-5) en de taal waarin de informatie wordt verstrekt (lid 2). De informatie moet schriftelijk worden verstrekt (lid 1), maar mag onder omstandigheden op een andere duurzame drager (lid 2, 5 en 6) of via een website (lid 4-6) worden verstrekt. Art. 49a BGfo luidt: “1. Een verzekeraar, adviseur, bemiddelaar in verzekeringen, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent verstrekt de ingevolge deze afdeling en de artikelen 4:20, eerste en derde lid, 4:22, eerste lid, en 4:25b, eerste en tweede lid, van de wet aan de cliënt te verstrekken informatie schriftelijk en kosteloos, tenzij in deze afdeling of die artikelen anders wordt bepaald. 2. De financiëledienstverlener kan na uitdrukkelijke toestemming van de cliënt en indien dit past in de context waarin hij met de cliënt zaken doet, de informatie op een andere duurzame drager verstrekken. 3. De financiëledienstverlener verstrekt de informatie, bedoeld in het eerste lid, in de Nederlandse taal of in de taal waar het risico is gelegen of in elke andere taal die door partijen is overeengekomen. 4. De financiëledienstverlener kan, na toestemming van de cliënt, de ingevolge deze afdeling en de artikelen 4:20, eerste en derde lid, 4:22, eerste lid, en 4:25b, eerste en tweede lid, van de wet te verschaffen informatie die niet persoonlijk tot de cliënt is gericht via haar website verstrekken indien: a. het gebruik van de website past in de context waarin hij met de cliënt zaken doet; b. de cliënt elektronisch op de hoogte wordt gesteld van het adres van de website en de plaats op de website waar de informatie kan worden verkregen; c. de informatie actueel is en, zolang dat voor de cliënt van belang is, op de website toegankelijk blijft. 5. De verstrekking van informatie door de financiëledienstverlener aan de cliënt via een andere duurzame drager dan papier of via een website past in de context waarin de financiëledienstverlener met de cliënt zaken doet, indien is bewezen dat de cliënt regelmatig toegang heeft tot internet. Het gegeven dat de cliënt een e-mailadres opgeeft om zaken te kunnen doen geldt in ieder geval als bewijs hiervan. 6. Een financiëledienstverlener verstrekt informatie die aan de cliënt via een andere duurzame drager dan papier of via een website is verstrekt op verzoek schriftelijk en kosteloos aan de cliënt.” 4.18 Art. 57 BGfo bevat een algemene precontractuele informatieplicht ten aanzien van de identiteit en adres van de dienstverlener, de aard van de dienstverlening, zijn klachtenprocedure en inschrijving in een register: “1. Een financiëledienstverlener verstrekt een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt, voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product of financiële dienst ten minste de volgende informatie: a. zijn naam en adres en, indien de financiëledienstverlener een rechtspersoon is, de statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen; b. de aard van zijn financiële dienstverlening; c. voorzover artikel 4:17 van de wet van toepassing is: zijn interne klachtenprocedure, bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, onderdeel a, van de wet, en de erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten; en d. zijn inschrijving in het door de toezichthouder gehouden register. 2. Een bemiddelaar in hypothecair krediet, adviseur, bemiddelaar in verzekeringen, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent verstrekt de consument in aanvulling op de informatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, gegevens aan de hand waarvan deze inschrijving kan worden gecontroleerd.” Bij overeenkomsten op afstand is deze informatieplicht verwerkt in art. 77 lid 1 BGfo. 4.19 Art. 60, 61 en 63 BGfo bevatten in aanvulling op art. 57 BGfo algemene precontractuele informatieplichten van respectievelijk een levensverzekeraar, schadeverzekeraar en natura-uitvaartverzekeraar. Art. 62 BGfo regelt het geval dat een verzekerd risico is gelegen in een andere lidstaat. In verband met de onderhavige zaak wijs ik met name op art. 61 BGfo. Het eerste lid bevat een algemene precontractuele informatieplicht voor een schadeverzekeraar. Het tweede lid noemt een geval waarin de informatie na contractsluiting mag worden verstrekt. Art. 61 BGfo luidt: “1. Onverminderd artikel 57 verstrekt een schadeverzekeraar een cliënt voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een schadeverzekering, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie: a. zijn rechtsvorm; b. het recht dat op de overeenkomst van toepassing is, of de door de schadeverzekeraar voorgestelde rechtskeuze; c. de naam en het adres van de schade-afhandelaar, bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdeel e. van de wet; d. de aard van de vergoeding die zijn werknemers ontvangen die financiële diensten verlenen met betrekking tot schadeverzekeringen; e. de kenmerken van zijn dienstverlening; en f. de aard en het bedrag van de vergoeding die hij aan derden, niet zijnde adviseurs of bemiddelaars, betaalt voor het aanbrengen van een nieuwe cliënt. 2. In afwijking van het eerste lid kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt, of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis, indien de cliënt het recht heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst binnen veertien kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen te ontbinden en de cliënt is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.” 4.20.1 Art. 77-80 BGfo gaan over informatieverstrekking in het kader van een overeenkomst op afstand. 4.20.2 Art. 77 lid 1 BGfo bevat een lijst met precontractuele informatieplichten die gelden in afwijking van art. 57 BGfo, maar onverminderd de informatieplichten van de verzekeraar krachtens art. 60-63 BGfo: “1. In afwijking van artikel 57 en onverminderd de artikelen 60 tot en met 63 verstrekt een financiëledienstverlener een consument voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie: a. zijn naam en adres, de hoedanigheid waarin hij optreedt tegenover de consument en, indien de financiëledienstverlener een rechtspersoon is, de statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen; b. de aard van zijn financiële dienstverlening; c. voorzover artikel 4:17 van de wet van toepassing is: zijn interne klachtenprocedure, bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, onderdeel a, van de wet en de erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten; d. zijn inschrijving in het door de toezichthouder gehouden register; e. het nummer van de inschrijving in het handelsregister; f. de belangrijkste kenmerken van het financiële product; g. de risico’s die met het financiële product samenhangen; h. de totale kosten of, wanneer de exacte kosten niet kunnen worden genoemd, de grondslag voor de berekening van de kosten, zodat de consument de kosten kan verifiëren; i. de omstandigheid dat de consument andere bedragen verschuldigd kan zijn die niet via de financiëledienstverlener worden betaald of door hem worden opgelegd; j. de extra kosten voor het gebruik van een techniek voor communicatie op afstand; k. de wijze van betaling door de consument en de wijze van uitvoering van de overeenkomst op afstand; l. beperkingen in de geldigheidsduur van de verstrekte informatie; m. de minimale looptijd van de overeenkomst op afstand; n. het contractuele recht op tussentijdse beëindiging van de overeenkomst op afstand en de eventuele boete verbonden aan de uitoefening van dat recht; o. het feit dat het in artikel 4:28, eerste en tweede lid, van de wet bedoelde recht wel of niet van toepassing is, de duur van en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht, met inbegrip van informatie over het bedrag dat de consument gehouden kan zijn te betalen, de gevolgen van niet-uitoefening van dat recht en de wijze waarop dat recht kan worden uitgeoefend; p. het bestaan van op de overeenkomst op afstand toepasselijke garantiefondsen of andere compensatieregelingen die niet vallen onder richtlijn nr. 1994/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135) en richtlijn nr. 1997/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 084); q. de taal of de talen waarin de voorwaarden van de overeenkomst op afstand en de in dit artikel bedoelde informatie worden verstrekt, alsmede de taal of talen waarin de financiëledienstverlener zal communiceren gedurende de looptijd van de overeenkomst op afstand; r. het op de totstandbrenging van betrekkingen met de consument voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst op afstand toe te passen recht, het op die overeenkomst toe te passen recht en de bevoegde rechter; s. de overige voorwaarden van de overeenkomst op afstand; en t. indien hij gebruik maakt van een andere beroepsbeoefenaar, de naam en adres van deze beroepsbeoefenaar en, indien deze een rechtspersoon is, diens statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen, en de hoedanigheid waarin deze tegenover de consument optreedt. Art. 77 lid 2 en 3 BGfo bepaalt hoe aan deze informatieplichten uitvoering moet worden gegeven door een levensverzekeraar respectievelijk een natura-uitvaartverzekeraar. 4.20.3 Art. 78 lid 1 en 2 onder a BGfo noemt enige gevallen waarin de informatie na contractsluiting mag worden verstrekt: “1. Indien een overeenkomst op afstand op verzoek van de consument tot stand is gekomen met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand waarmee de in artikel 77 bedoelde informatie niet schriftelijk of via een andere duurzame drager als bedoeld in artikel 49, eerste lid, of artikel 49a, tweede lid, voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst kan worden verstrekt, kan de financiëledienstverlener de informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst op afstand aan de consument verstrekken. 2. In afwijking van artikel 77, eerste lid, aanhef, verstrekt de financiëledienstverlener een consument de in dat artikel bedoelde informatie: a. indien het een overeenkomst op afstand inzake een schadeverzekering betreft, uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis; b. indien het een overeenkomst op afstand inzake een levensverzekering, inzake een natura-uitvaartverzekering of een overeenkomst op afstand die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon betreft, uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis. (…)” 4.20.4 Art. 79 lid 1 BGfo bepaalt welke van de in art. 77 lid 1 BGfo bedoelde informatie in ieder geval moet worden gegeven bij een telefonisch gesloten overeenkomst op afstand. 4.20.5 Art. 80 BGfo bevat nog een bepaling over informatieverstrekking tijdens de looptijd van de overeenkomst. De consument mag de voorwaarden van de overeenkomst opvragen en verzoeken om een ander middel van communicatie op afstand te gebruiken. 4.21.1 Voorts wijs ik nog op de volgende bepalingen die gelden in specifieke situaties. 4.21.2 Art. 63a BGfo bevat in geval van koppelverkoop een informatieplicht die, kort gezegd, inhoudt dat wordt geïnformeerd dat een zaak of dienst ook zonder verzekering kan worden verkregen. 4.21.3 Art. 63b BGfo bepaalt, kort gezegd, dat een advies over een schadeverzekering moet uitleggen waarom een bepaalde schadeverzekering het beste aansluit bij de wensen en behoeften van de cliënt. 4.21.4 Art. 65b BGfo stelt eisen aan het door een schadeverzekeraar op te stellen informatiedocument als bedoeld in art. 20 lid 7 Richtlijn verzekeringsdistributie en art. 66b BGfo bepaalt de inhoud van dit document. 4.21.5 Art. 86f BGfo, opgenomen in afdeling 8.2.2 (‘Overige bepalingen met betrekking tot zorgvuldige dienstverlening’), schrijft voor dat een financiële dienstverlener in bepaalde gevallen voorafgaand aan het verlenen van een financiële dienst een vergelijkingskaart aan de cliënt geeft met informatie over, onder meer, de vraag of hij al dan niet adviseert en onafhankelijk is en hoe hij wordt beloond. 4.21.6 Art. 86i BGfo, eveneens opgenomen in afdeling 8.2.2, schrijft voor dat een adviseur die de aanbevolen schadeverzekering niet tevens aanbiedt of een bemiddelaar in schadeverzekeringen de cliënt informeert, kort gezegd, of hij objectief en onafhankelijk adviseert en hoe hij wordt beloond. 4.22 Na deze inventarisatie van de inhoud van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie, en de omzetting daarvan, bezie ik hierna welke (omzettings)bepalingen van deze richtlijnen ambtshalve toegepast moeten worden. Daartoe bezie ik hierna onder 5 eerst op welke bepalingen van deze richtlijnen de vragen van de kantonrechter precies betrekking hebben. 5Ambtshalve onderzoek; afbakening van vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c 5.1 Alvorens de prejudiciële vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c te kunnen bespreken, moet worden bezien op welke bepalingen van de relevante richtlijnen zij precies betrekking hebben. Vraag 1.a verwijst naar informatieplichten uit art. 6:230x BW, art. 3-6 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten, art. 18 e.v. Richtlijn verzekeringsdistributie en de daarop gebaseerde bepalingen in paragraaf 8.1.4 e.v. BGfo. De vragen 1.b eerste gedeelte en 1.c verwijzen specifiek naar de art. 77 lid 1 en 78 respectievelijk art. 65b lid 1 en 66b BGfo. 5.2 In de procedure bij de kantonrechter heeft Achmea in haar Akte uitlating prejudiciële vragen (hierna: Akte) voorgesteld de vragen te herformuleren en de eerste vraag toe te spitsen op een beperkt aantal informatieplichten. De kantonrechter heeft hierop overwogen (TV3, rov. 2) dat de door Achmea voorgestelde precisering niet tot een wezenlijke (inhoudelijke) wijziging van de vragen leidt, dat de vragen in het licht van art. 392 lid 1 Rv wat ruimer zijn geformuleerd dan Achmea voorstelt en dat de kantonrechter ervan uitgaat dat de procureur-generaal en de Hoge Raad de Akte van Achmea bij de beantwoording van de vragen zullen betrekken. 5.3 In haar schriftelijke opmerkingen heeft Achmea voortgebouwd op haar Akte en uiteengezet waarop de vragen naar haar mening precies betrekking hebben. 5.4 Dit alles geeft aanleiding te bezien of de in de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c genoemde bepalingen nader kunnen worden afgebakend. Ik bespreek eerst de afbakening van de vragen in verband met de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en vervolgens de afbakening in verband met de Richtlijn verzekeringsdistributie. Daarbij komen art. 6:230x BW en paragraaf 8.1.4. e.v. BGfo vanzelf aan bod. Daarna bezie ik of er reden is de beantwoording van de vragen te beperken tot schadeverzekeringen, zoals Achmea bepleit. Relevante bepalingen in de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten, Wft en BGfo 5.5 De kantonrechter verwijst naar de art. 3-6 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten. 5.6 Omdat de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c betrekking hebben op bepalingen over informatieplichten (hiervoor in 3.2.1 is uitgelegd wat ik onder deze term versta), kunnen bepalingen uit de door de kantonrechter genoemde artikelen waarin geen bepalingen over informatieplichten zijn opgenomen, buiten beschouwing worden gelaten. Ik loop de art. 3-6 hierop na. 5.7 Art. 3 omschrijft de door de aanbieder vooraf te verstrekken precontractuele informatie (lid 1) en bepaalt, kort gezegd, dat informatie transparant dient te zijn (lid 2) en dat precontractuele informatie over de inhoud van het contract correct moet zijn (lid 4). Lid 3 regelt de informatieplichten bij telefonisch contact. Dit zijn bepalingen over informatieplichten. 5.8 Art. 4 bepaalt dat aanvullende informatieplichten uit ander Unierecht (lid 1) of nationaal recht (lid 2) ook van toepassing zijn. Dit is op zichzelf een bepaling over informatieplichten. De kantonrechter vermeldt echter niet of dergelijke aanvullende bepalingen een rol spelen in deze zaak of in daarmee vergelijkbare gevallen. Voor zover de prejudiciële vragen betrekking hebben op dergelijke aanvullende informatieplichten, vind ik de vragen te onbepaald om daarop een concreet antwoord te formuleren. In volsta met de opmerking dat ten aanzien van aanvullende informatieplichten van Unierecht zal moeten worden beoordeeld of deze ambtshalve moeten worden toegepast en dat ambtshalve toepassing van aanvullende informatieplichten van louter nationaal recht niet voor de hand ligt (zie voor dit laatste bij het antwoord op vraag 2). Ik laat art. 4, leden 1-2, daarom verder buiten beschouwing. Voor het overige bevat art. 4 geen bepalingen over informatieplichten. 5.9.1 Art. 5 bepaalt dat de informatie van art. 3 lid 1 en 4 en de contractvoorwaarden vooraf worden verstrekt op papier of een ander duurzame drager (lid 1) en dat dit achteraf kan worden verstrekt als de overeenkomst op afstand op verzoek van de consument is gesloten met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand waarmee de contractvoorwaarden en de informatie niet overeenkomstig lid 1 kunnen worden verstrekt (lid 2). Dit zijn bepalingen over informatieplichten. 5.9.2 Art. 5 lid 3 houdt in dat (
  27. i)de consument gedurende de contractuele relatie te allen tijde het recht heeft om de contractvoorwaarden op papier te verlangen en dat (
  28. ii)de consument het recht heeft om het gebruik van een ander middel voor de communicatie op afstand te verlangen, tenzij dat niet met de gesloten overeenkomst of de aard van de verstrekte financiële dienst te verenigen is. Dit zijn naar mijn mening geen bepalingen over informatieplichten. 5.10 Art. 6, omgezet in art. 6:230x BW, regelt het herroepingsrecht. De informatieplicht daarover is echter opgenomen in art. 3 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en omgezet in Wft en BGfo. Art. 6 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en art. 6:230x BW blijven daarom buiten beschouwing. De informatieplicht ten aanzien van het herroepingsrecht (waaraan art. 6:230x lid 1 BW onder verwijzing naar art. 4:20 Wft refereert) en de sanctionering van een schending ervan op de voet van art. 6:230x BW komen hierna uiteraard wel aan bod. 5.11 Kortom, art. 3 leden 1-4 en art. 5 leden 1-2 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten bevatten bepalingen over informatieplichten die relevant kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c. 5.12 De prejudiciële vragen verwijzen naar de richtlijn en het BGfo, maar niet naar bepalingen uit de Wft die (mede) dienen ter omzetting van Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en die de grondslag zijn voor de relevante bepalingen van het BGfo. Ik meen dat ook de relevante bepalingen van de Wft moeten worden betrokken bij de beantwoording. Dit betekent dat voor de beantwoording van de prejudiciële vragen relevant zijn art. 4:19 lid 2, art. 4:20 leden 1 en 2, en art. 4:22 lid 1 Wft (zie nader de hieronder opgenomen tabel). 5.13 De prejudiciële vragen verwijzen naar verschillende bepalingen uit het BGfo. Van deze artikelen zijn voor de beantwoording van de prejudiciële vragen relevant de artikelen die een nadere omzetting vormen van art. 3 leden 1-4 en art. 5 leden 1-2 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten. Dit zijn art. 49a lid 2, art. 77 lid 1, art. 78 lid 1 en art. 79 lid 1 BGfo (zie nader de hieronder opgenomen tabel). 5.14 Het voorgaande brengt mee dat het bij de beantwoording van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c betrekking in beginsel gaat om de volgende bepalingen van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de omzetting daarvan (zie kolommen 1-4 in tabel 1). Niet alle bepalingen die volgens kolommen 1-4 voorwerp zijn van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c, zien op de situatie die zich feitelijk voordoet in de zaak tussen Achmea en [verweerder] . Kolom 5 geeft aan of een bepaling relevant is gezien de feiten van deze zaak. De Hoge Raad zou zijn beantwoording van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c kunnen beperken tot de bepalingen informatieplichten die feitelijk relevant zijn voor de zaak tussen Achmea en [verweerder] . Ik bespreek dit hierna in 5.15-5.17 en 5.37 e.v. Tabel 1 Bepalingen over informatieplichten in de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten 1 2 3 4 5 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten Bepalingen over informatieplichten Omzetting in Wft en in BGfo Feitelijk relevant in deze zaak? 3 lid 1 informatieplichten van de aanbieder over: 4:20 lid 1 77 lid 1 Ja punt 1 onder a identiteit, hoofdbedrijf en geografische adres aanbieder 4:20 lid 1 onder a Ja punt 1 onder b identiteit en geografische adres vertegenwoordiger aanbieder 4:20 lid 1 onder a Nee punt 1 onder c identiteit, hoedanigheid en geografische adres andere betrokken beroepsbeoefenaar 4:20 lid 1 onder a en t Nee punt 1 onder d inschrijving(snummer) in handelsregister 4:20 lid 1 onder e Ja punt 1 onder e bevoegde toezichthoudende autoriteit 4:20 lid 1 onder b en d Ja punt 2 onder a belangrijkste kenmerken dienst 4:20 lid 1 onder f Ja punt 2 onder b totale prijs, incl. belastingen en kosten 4:20 lid 1 onder h Ja punt 2 onder c risico’s en waardeschommelingen instrument 4:20 lid 1 onder g Nee punt 2 onder d externe belastingen en kosten 4:20 lid 1 onder i Ja punt 2 onder e geldigheidsduur verstrekte informatie 4:20 lid 1 onder l Ja punt 2 onder f wijze van betaling en uitvoering 4:20 lid 1 onder k Ja punt 2 onder g extra kosten voor communicatie op afstand 4:20 lid 1 onder j Ja punt 3 onder a herroepingsrecht 4:20 lid 1 onder o Ja punt 3 onder b minimumduur overeenkomst 4:20 lid 1 onder m Ja punt 3 onder c tussentijdse opzegging 4:20 lid 1 onder n Ja punt 3 onder d instructies voor uitoefening herroepingsrecht 4:20 lid 1 onder o Ja punt 3 onder e op aanbieder toepasselijk rechtsstelsel 4:20 lid 1 onder r Ja punt 3 onder f rechts- en forumkeuze 4:20 lid 1 onder r Ja punt 3 onder g taal 4:20 lid 1 onder q Ja punt 4 onder a buitengerechtelijke klachten- en beroepsprocedures 4:20 lid 1 onder c Ja punt 4 onder b garantiefondsen of andere compensatieregelingen die niet vallen onder Richtlijn 94/19/EG of 97/9/EG 4:20 lid 1 onder p Nee 3 lid 2 transparantievereiste 4:19 lid 2 Ja 3 lid 3 bij communicatie via spraaktechnologie 4:20 lid 1 en 2 79 lid 1 Nee 3 lid 4 correcte informatie 4:19 lid 2 Ja 5 lid 1 contractvoorwaarden 4:20 lid 1 77 lid 1 onder s Ja 5 lid 1 op papier of andere duurzame drager 4:22 lid 1 49a lid 2 Ja 5 lid 2 onmiddellijk na sluiten contract als eerder onmogelijk i.v.m. gebruikte techniek voor communicatie op afstand 4:20 lid 2 78 lid 1 Nee 5.15 Achmea betoogt dat sommige bepalingen van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten in deze zaak niet relevant zijn en daarom buiten beschouwing moeten blijven (SO nr. 20 onder verwijzing naar haar Akte). Deze bepalingen zijn in kolom 5 van tabel 1 met ‘Nee’ aangegeven. Het is volgens Achmea (SO nrs. 104-106 en Akte nr. 2.14) niet nodig om in te gaan op de informatieplichten bedoeld in art. 3 lid 1 punt 1 onder b (identiteit en adres van vertegenwoordiger van aanbieder), art. 3 lid 1 punt 1 onder c (identiteit, hoedanigheid, adres van andere betrokken beroepsbeoefenaar), art. 3 lid 1 punt 2 onder c (risico’s en waardeschommelingen instrument) en art. 3 lid 1 punt 4 onder b (garantiefondsen). Ook zijn volgens Achmea (Akte nrs. 2.10, 2.12 en 2.14) art. 3 lid 3 en art. 5 lid 2 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten niet relevant voor deze zaak. Deze bepalingen gaan over communicatie via spraaktechnologie dan wel via een andere techniek op afstand die beperkingen ten aanzien van de informatieverstrekking meebrengt. Dat speelt in het onderhavige geval niet. 5.16 Ik stel voorop dat de kantonrechter de vragen wat ruimer heeft bedoeld met het oog op andere gevallen dan de onderhavige zaak die in de praktijk spelen (zie hiervoor in 5.2). Voor zover de kantonrechter vragen heeft gesteld die betrekking hebben op bepalingen over informatieplichten die niet spelen in de zaak tussen Achmea en [verweerder] , heeft de Hoge Raad de mogelijkheid om de vragen niet te beantwoorden. Het antwoord is immers in zoverre niet nodig om de kantonrechter in staat te stellen om in deze zaak op de vordering van Achmea te beslissen (art. 392 lid 1 Rv). Het is echter denkbaar dat de Hoge Raad aanleiding ziet om een bepaalde vraag wel te beantwoorden, teneinde de kantonrechter handvatten te bieden voor de beoordeling van in de praktijk veel voorkomende kwesties. Ik zie daartoe op zichzelf wel aanleiding om de volgende redenen. 5.17 Achmea wijst er op zichzelf terecht op dat de in 5.15 bedoelde bepalingen over informatieplichten in dit geval niet spelen. Gezien het belang waarop de kantonrechter wijst, zie ik echter op zichzelf geen bezwaar om ook de deze informatieplichten (impliciet) in de beschouwing te betrekken bij de beantwoording van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c. Alle informatieplichten van art. 3 lid 1 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten worden in art. 4:20 Wft jo. 77 lid 1 BGfo namelijk op dezelfde manier behandeld. Het belang daarvan komt hierna (in 6.30 e.v.) nog aan de orde. Verder gaat het bij art. 3 lid 3 en art. 5 lid 2 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten om variaties op de hoofdregels van art. 3 lid 1 en art. 5 lid 1. Wat ten aanzien van art. 3 lid 1 en art. 5 lid 1 geldt, geldt mutatis mutandis ook ten aanzien van art. 3 lid 2 en art. 5 lid 2. Bovendien worden zowel art. 3 lid 1 en art. 5 lid 1 als art. 3 lid 2 en art. 5 lid 2 bestreken door art. 4:20 Wft. Relevante bepalingen in de Richtlijn verzekeringsdistributie, Wft en BGfo 5.18 Ik bezie nu welke bepalingen van de Richtlijn verzekeringsdistributie relevant zijn bij de beantwoording van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c. De kantonrechter verwijst naar de art. 18 e.v. van de Richtlijn verzekeringsdistributie. Daarmee heeft de kantonrechter kennelijk het oog op Hoofdstuk V over informatievereisten en gedragsregels (art. 17-25) van de Richtlijn verzekeringsdistributie. Ik bezie hierna in hoeverre art. 18-25 Richtlijn verzekeringsdistributie bepalingen over informatieplichten bevatten. 5.19 Art. 18 omschrijft de door een tussenpersoon (punt
  29. a)en verzekeringsonderneming (punt
  30. b)te verschaffen precontractuele algemene informatie. Art. 19 omschrijft de door een tussenpersoon (leden 1-3) en verzekeringsonderneming (leden 4-5) te verschaffen precontractuele informatie over belangenconflicten en betalingen. Dit zijn bepalingen over informatieplichten. 5.20 Bepaalde informatieplichten van art. 18 en art. 19 gelden ook voor nevenverzekeringstussenpersonen (art. 21) en bij deelname aan een verplicht bedrijfspensioenfonds (art. 22 lid 5). Dit zijn bepalingen over informatieplichten, maar zij behoeven naar mijn mening geen afzonderlijke bespreking naast de informatieplichten van de art. 18 en 19. Deze bepalingen zijn niet omgezet in Wft en BGfo. Nevenverzekeringstussenpersonen zijn vrijgesteld van het bepaalde in het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de Wft (art. 7 jo. 47 Vrijstellingsregeling Wft), en art. 22 lid 5 is omgezet in art. 21 van de Pensioenwet (Stb. 2018/147, p. 28). Deze bepalingen vallen buiten het bestek van de prejudiciële vragen en blijven verder buiten beschouwing. 5.21.1 Art. 20 lid 1, eerste alinea, verplicht de verzekeringsdistributeur, kort gezegd, om vooraf op basis van de door de klant verstrekte informatie de verlangens en behoeften van de klant vast te stellen en de klant objectieve informatie over het verzekeringsproduct te verstrekken, in een begrijpelijke vorm, om hem in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te nemen. Dit betreft een informatieplicht. Ik merk op dat de toepassing van deze informatieplicht sterk contextafhankelijk is en ambtshalve onderzoek ervan, indien vereist, daarom lastig kan zijn, met name in verstekzaken. 5.21.2 Art. 20 lid 4 verplicht de verzekeringsdistributeur, kort gezegd, om vooraf, rekening houdend met de complexiteit van het verzekeringsproduct en het soort klant, deze laatste in een begrijpelijke vorm de relevante informatie over het verzekeringsproduct te verstrekken om de klant in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te nemen. Art. 20 leden 5-8 werkt dit voor schadeverzekeringen uit in de vorm van bepalingen over het informatiedocument. Dit zijn bepalingen over informatieplichten. Ik merk op dat de toepassing van de informatieplicht van art. 20 lid 4 sterk contextafhankelijk is en ambtshalve toetsing ervan, indien vereist, daarom lastig kan zijn, met name in verstekzaken. Dit geldt niet zozeer voor de bepalingen over het informatiedocument. Het format van het informatiedocument is uitgewerkt in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1469. 5.21.3 Art. 20 bevat voor het overige geen bepalingen over informatieplichten. 5.22 De art. 21 en 22 lid 5 kwamen hiervoor (in 5.20) al aan bod. Art. 22 bevat voor het overige geen bepalingen over informatieplichten. 5.23 Art. 23 schrijft voor dat informatie wordt verstrekt op papier (lid 1 punt
  31. a)of een andere duurzame drager (leden 2, 3, 4 en 6) dan wel een website (leden 2, 3, 5 en 6). De informatie moet transparant, in de juiste taal en kosteloos worden verstrekt (lid 1 punt b-d). Lid 7 betreft telefonische contractssluiting. Dit zijn bepalingen over informatieplichten. 5.24 Art. 24 leden 1-2 schrijft de informatieverschaffing bij koppelverkoop voor. Dit zijn bepalingen over informatieplichten. Art. 24 bevat voor het overige geen bepalingen over informatieplichten. 5.25 Art. 25 betreft toezicht op producten en governancevereisten. Dit zijn geen bepalingen over informatieplichten. 5.26 Kortom, art. 18, art. 19 leden 1-5, art. 20 lid 1, eerste alinea, en art. 20 leden 4-8, art. 23 leden 1-7 en art. 24 leden 1-2 Richtlijn verzekeringsdistributie bevatten bepalingen over informatieplichten die relevant kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c. Deze bepalingen zijn omgezet in art. 4:19 lid 2, art. 4:20 leden 1-2, art. 4:22 lid 1, art. 4:22a, art. 4:23 lid 1 onder c en 4:25b lid 3 Wft en voorts in art. 49a, art. 57, art. 61 lid 1 onder d, art. 63a, art. 63b, art. 65b, art. 66b, art. 77, art. 78, art. 86f lid 2 onder k en 86i lid 1 onder a, b, c, d, e, g en h, en lid 4 BGfo (zie de tabel hieronder). 5.27 Het voorgaande brengt mee dat het bij de beantwoording van de prejudiciële vragen in beginsel gaat om de volgende bepalingen van de Richtlijn verzekeringsdistributie en de omzetting daarvan (zie kolommen 1-4 in tabel 2). Niet alle bepalingen die volgens kolommen 1-4 voorwerp zijn van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c, zien op de situatie die zich feitelijk voordoet in de zaak tussen Achmea en [verweerder] . Kolom 5 geeft aan of een bepaling relevant is gezien de feiten van deze zaak. De Hoge Raad zou zijn beantwoording van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c kunnen beperken tot de bepalingen informatieplichten die feitelijk relevant zijn voor de zaak tussen Achmea en [verweerder] . Ik bespreek dit hierna in 5.28-5.29 en 5.37 e.v. Tabel 2. Bepalingen over informatieplichten in de Richtlijn verzekeringsdistributie 1 2 3 4 5 Richtlijn verzekerings-distributie Bepalingen over informatieplichten Omgezet in Wft en in BGfo Feitelijk relevant in deze zaak? 18 informatie tussenpersoon resp. verzekeraar: 4:20 lid 1 57 Nee 18 punt a onder
  32. i)informatie tussenpersoon over identiteit, adres en hoedanigheid van verzekeringstussenpersoon 4:20 lid 1 57 lid 1 onder a Nee 18 punt a onder
  33. ii)informatie tussenpersoon of advies wordt verstrekt 4:20 lid 1 57 lid 1 onder b Nee 18 punt a onder iii) informatie tussenpersoon over buitengerechtelijke klachten- en beroepsprocedures 4:20 lid 1 57 lid 1 onder c Nee 18 punt a onder
  34. iv)informatie tussenpersoon over inschrijving in register en verificatie van inschrijving 4:20 lid 1 57 lid 1 onder d en lid 2 Nee 18 punt a onder
  35. v)informatie tussenpersoon over vertegenwoordiging van cliënt dan wel verzekeraar 4:20 lid 1 57 Nee 18 punt b onder
  36. i)informatie verzekeraar over identiteit, adres en hoedanigheid 4:20 lid 1 57 lid 1onder a Nee 18 punt b onder
  37. ii)informatie verzekeraar of verzekeraar advies wordt verstrekt 4:20 lid 1 57 lid 1 onder b Nee 18 punt b onder iii) informatie verzekeraar over buitengerechtelijke klachten- en beroepsprocedures 4:20 lid 1 57 lid 1 onder c Nee 19 informatie tussenpersoon en verzekeringsonderneming 4:20 lid 1, 4:25b lid 3 Nee 19 lid 1 Informatie tussenpersoon over: 4:25b lid 3 19 lid 1 punt a en b deelneming tussenpersoon in verzekeringsonderneming en vice versa 4:25b lid 3 86i lid 1 onder g & h Nee 19 lid 1 punt c onder
  38. i)objectief advies 4:25b lid 3 86i lid 1 onder a Nee 19 lid 1 punt c onder
  39. ii)exclusiviteit verzekeringsondernemingen 4:25b lid 3 86i lid 1 onder b Nee 19 lid 1 punt c onder ii)i geen objectiviteit en exclusiviteit 4:25b lid 3 86i lid 1 onder c Nee 19 lid 1 punt d aard vergoeding 4:25b lid 3 86i lid 1 onder d Nee 19 lid 1 punt e onder
  40. i)provisie klant 4:25b lid 3 86i lid 1 onder d Nee 19 lid 1 punt e onder
  41. ii)commissie verzekeringsonderneming 4:25b lid 3 86i lid 1 onder d Nee 19 lid 1 punt e onder iii) andere vergoeding 4:25b lid 3 86i lid 1 onder d Nee 19 lid 1 punt e onder
  42. iv)combinatie vergoeding 4:25b lid 3 86i lid 1 onder d Nee 19 lid 2 Informatie tussenpersoon over hoogte/berekening provisie klant 4:25b lid 3 86i lid 1 onder e Nee 19 lid 3 informatie tussenpersoon over eventuele andere betalingen 4:25b lid 3 86i lid 4 Nee 19 lid 4 informatie verzekeringsonderneming over aard vergoeding werknemers van de verzekeringsonderneming 4:20 lid 1; 4:25b lid 3 61 lid 1 onder d; 86f lid 2 onder k; 86i Ja 19 lid 5 informatie verzekeringsonderneming over eventuele andere betalingen 4:25b lid 3 86i lid 4 Nee 20 lid 1 informatie verzekeringsdistributeur over verzekeringsproduct, gepersonaliseerd advies 4:19 lid 2, 4:22a en 4:23 lid 1 onder c 63b Ja 20 lid 4 informatie verzekeringsdistributeur over verzekeringsproduct t.b.v. beslissing klant 4:19 lid 2; 4:22 lid 1 65b Ja 20 lid 5 informatie bij schadeverzekering gestandaardiseerd informatiedocument op duurzame drager, transparant 4:22 lid 1 49a lid 1, 2 en 4 Ja 20 lid 6-8 inhoud informatiedocument 4:22 lid 1 65b en 66b Ja 23 lid 1 onder a, lid 2-6 informatie van art. 18, 19 en 20 op papier, dan wel duurzame drager of website 4:22 lid 1 49a lid 1, 2, 4-6 Ja 23 lid 1 onder b Transparant 4:19 lid 2; 4:22 lid 1 49a lid 3 Ja 23 lid 1 onder c Taal 4:22 lid 1 49a lid 3 Ja 23 lid 1 onder d Kosteloos 4:22 lid 1 49a lid 1 Ja 23 lid 7 informatie verzekeringsdistributeur bij verkoop via telefoon 4:20 lid 1 en 2 77 en 78 Nee 24 lid 1-2 informatie verzekeringsdistributeur bij koppelverkoop 4:20 lid 1 63a Nee 5.28 Achmea betoogt dat sommige bepalingen van de Richtlijn verzekeringsdistributie in deze zaak niet relevant zijn en daarom buiten beschouwing moeten blijven (SO nr. 139 en Akte nrs. 2.16-2.17). Deze bepalingen zijn in kolom 5 van tabel 2 met ‘Nee’ aangegeven. Volgens Achmea zijn in deze zaak niet relevant de informatieplichten van de Richtlijn verzekeringsdistributie die rusten op een tussenpersoon (art. 18 punt a en art. 19 leden 1-3), de informatieplichten ten aanzien van andere betalingen door de klant dan premiebetalingen (art. 19 lid 5), de informatieplichten bij telefonische verkoop (art. 23 lid 7) en de informatieplichten bij koppelverkoop (art. 24 leden 1 en 2). Deze situaties doen zich in de onderhavige zaak namelijk niet voor. In haar schriftelijke opmerkingen (voetnoot 178) voert Achmea verder aan dat ook de algemene informatieplichten van de aanbieder als bedoeld in art. 18 punt b Richtlijn verzekeringsdistributie niet relevant zijn. In haar Akte werd deze bepaling nog wel als een relevante bepaling genoemd. Achmea laat art. 18 punt b echter in haar schriftelijke opmerkingen buiten beschouwing op de grond dat de nationale implementatiebepaling (art. 57 BGfo) is beperkt tot overeenkomsten die niet zijn gesloten op afstand, zoals volgt uit art. 77 lid 1 BGfo. 5.29 Achmea wijst er terecht op dat de in de 5.28 bedoelde informatieplichten in dit geval niet spelen. Gezien het belang waarop de kantonrechter wijst (zie hiervoor in 5.17), zie ik echter op zichzelf geen bezwaar om ook deze informatieplichten (impliciet) in de beschouwing te betrekken bij de beantwoording van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c. De informatieplichten van art. 18, art. 19 leden 1-5, art. 23 lid 7 en art. 24 leden 1 en 2 worden alle bestreken door art. 4:20 of 4:25b Wft. Het belang daarvan komt hierna (in 6.30 e.v.) aan de orde. Bovendien bestaat er enige overlap tussen de informatieplichten van de Richtlijn verzekeringsdistributie die zien op een ‘tussenpersoon’ (zie art. 18 punt a, onder (i), (
  43. ii)en (iii)) en die zien op een ‘verzekeringsonderneming’ (art. 18 punt b, onder (i), (
  44. ii)en (iii)). Verder worden zowel ‘tussenpersoon’ als een ‘verzekeringsonderneming’ bedoeld indien de norm zich richt tot de ‘verzekeringsdistributeur’ (zie art. 20 leden 1 en 4 en 24 leden 1-3). In zoverre is het door Achmea opgeworpen punt zonder belang. Het lijkt mij verder niet bezwaarlijk om ook de algemene informatieplichten van de aanbieder als bedoeld in art. 18 punt b Richtlijn verzekeringsdistributie in de beschouwing te betrekken, ook al wijkt art. 57 BGfo voor art. 77 BGfo in geval van een overeenkomst op afstand. De drie in art. 18 punt b Richtlijn verzekeringsdistributie genoemde informatieplichten worden in de kern ook genoemd in art. 3 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten (zie art. 3 lid 1, punt 1 onder a, punt 2 onder a en punt 4 onder a). Nadere afbakening tot bepaalde schadeverzekeringen? 5.30 Naast haar betoog dat een aantal bepalingen van de Richtlijn verkoop op afstand en van de Richtlijn verzekeringsdistributie buiten beschouwing kunnen worden gelaten bij de beantwoording van de vragen gezien de in deze zaak toepasselijke feiten, betoogt Achmea ook dat de beantwoording van vraag 1 moet worden toegespitst op schadeverzekeringsovereenkomsten zoals in deze zaak aan de orde is. Het is volgens haar namelijk niet evident dat de vraag op dezelfde wijze moet worden beantwoord voor elk soort verzekering; dat is ook niet doenlijk en niet nodig om op de vordering van Achmea te beslissen (Akte nr. 2.6; SO nr. 19). 5.31 De kantonrechter heeft vraag 1 bedoeld om ook andere verzekeringen, zoals zorgverzekeringen, te omvatten (rov. 9, onderaan p. 5 en bovenaan p. 6, TV2). Een zorgverzekering is ook een vorm van schadeverzekering. 5.32 De twee richtlijnen die in de prejudiciële vragen worden genoemd, geven op zichzelf geen aanleiding tot een nadere afbakening van de vragen zoals door Achmea wordt voorgesteld. De Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten spreekt in het algemeen van verzekering (zie art. 2 onder b). Deze richtlijn ziet bijvoorbeeld ook op overeenkomsten op afstand betreffende levensverzekeringen, nu daarvoor in art. 6 lid 1 afzonderlijk wordt bepaald wat het aanvangsmoment en de duur van herroepingstermijn is. Verder wordt in art. 6 lid 2 onder b bepaald dat het herroepingsrecht niet geldt bij reis- en bagageverzekeringspolissen of soortgelijke kortetermijnverzekeringspolissen met een looptijd van minder dan één maand. De Richtlijn verzekeringsdistributie ziet op allerlei soorten verzekeringen, met uitzondering van, kort gezegd, verzekeringen met betrekking tot buiten de Unie gesitueerde risico’s (art. 1 lid 6). Bovendien hoeft de in de artikelen 18, 19 en 20 bedoelde informatie niet te worden verstrekt wanneer de verzekeringsdistributeur distributieactiviteiten uitvoert met betrekking tot de verzekering van grote risico’s (art. 22 lid 1). Hierbij dient echter te worden bedacht dat de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten een ‘vangnetfunctie’ heeft ten opzichte van veel sectorale Unieregelgeving en dat sectorale wetgeving aanvullende of andere eisen kan stellen aan de informatieplichten van een aanbieder die in beginsel voorgaan. 5.33 Er liggen (deels in verband met art. 22 lid 1 Richtlijn verzekeringsdistributie) wel beperkingen besloten in art. 4:18 lid 1 Wft. Hierin is bepaald dat afdeling 4.2.3 Wft (art. 4:18-4:25e) niet van toepassing is op (
  45. a)herverzekeringsbemiddelaars, (
  46. b)financiële diensten met betrekking tot de verzekering van grote risico’s en (
  47. c)het aanbieden van premiepensioenvorderingen. Deze beperkingen werken uiteraard door in de beantwoording van de prejudiciële vragen. 5.34 Verder houden de voor deze zaak relevante bepalingen in het BGfo soms rekening met een bepaald soort verzekering. Zo wordt in art. 77, leden 2 en 3, BGfo, uiteengezet hoe bepaalde informatieplichten van art. 77 lid 1 worden vervuld in geval van levensverzekeringen of natura-uitvaartverzekeringen. 5.35 De situatie ligt wat gecompliceerder bij zorgverzekeringen (dat wil zeggen ziektekostenverzekeringen), waarvoor de kantonrechter apart aandacht vraagt. In de memorie van toelichting bij de Implementatiewet Richtlijn verzekeringsdistributie is opgemerkt dat ook zorgverzekeringen onder de Richtlijn verzekeringsdistributie vallen. Omdat zorgverzekeraars vallen onder het toezicht van de Nederlandse Zorgautoriteit (in plaats van de AFM), worden zij vrijgesteld van de Wft-artikelen over de informatieplichten, maar worden die artikelen wel van overeenkomstige toepassing verklaard in de Wet marktordening gezondheidszorg (hierna Wmg): “De richtlijn verzekeringsdistributie is ook van toepassing op ziektekostenverzekeraars en bemiddelaars in ziektekostenverzekeringen. De AFM is de bevoegde toezichthouder op grond van de Wft en de Nederlandse Zorgautoriteit houdt toezicht op ziektekostenverzekeraars op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Op grond van de Vrijstellingsregeling Wft zullen ziektekostenverzekeraars als bedoeld in de Wmg worden vrijgesteld van de artikelen uit de Wft die betrekking hebben op informatieverstrekking. Deze vrijstelling van de Wft zal betrekking hebben op alle ziektekostenverzekeringsovereenkomsten onafhankelijk van de vraag of die overeenkomsten worden gesloten op afstand. De Nederlandse Zorgautoriteit zal toezicht houden op de informatievereisten (onder meer het verstrekken van het informatiedocument door de verzekeraar aan de cliënt over de desbetreffende ziektekostenverzekering). Daarom wordt in de Wmg opgenomen dat het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4:20, eerste en tweede lid, en artikel 4:22 van de Wft (voor zover van toepassing op schadeverzekeraars) van overeenkomstige toepassing is op ziektekostenverzekeraars. De AFM zal toezicht blijven houden op de bemiddelaars in ziektekostenverzekeringen.” Een en ander is wetstechnisch geregeld in art. 44 Vrijstellingsregeling Wft (dat zorgverzekeraars vrijstelt van onder meer art. 4:20 lid 1 Wft) en in art. 43 lid 2 Wmg (dat onder meer art. 4:20 lid 1 Wft van overeenkomstige toepassing verklaard op ziektekostenverzekeraars). Conclusie 5.36 Ik kom tot de slotsom dat de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c betrekking hebben op de bepalingen over informatieplichten van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie die zijn genoemd in de tabellen in nrs. 5.14 en 5.27. 5.37 Ik concludeerde (in 5.17 en 5.29) dat er op zichzelf geen bezwaar is om ook de informatieplichten die zien op feitelijke situaties die zich niet in deze zaak voordoen, (impliciet) in de beschouwing te betrekken bij de beantwoording van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c. Mijn overwegingen daarvoor betreffen, kort gezegd, (
  48. i)de implementatie via art. 4:20 Wft en/of (
  49. ii)de inhoudelijke overeenstemming met voor de aanbieder/verzekeraar geldende informatieplichten. Op grond van deze overwegingen kan echter ook beargumenteerd worden dat het niet nodig is om ook de informatieplichten die zien op feitelijke situaties die zich niet in deze zaak voordoen, (impliciet) in de beschouwing te betrekken bij de beantwoording van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c. Immers, de beantwoording van deze vragen ten aanzien van de informatieplichten die zien op feitelijke situatie die zich in deze zaak wel voordoet, kan dan in beginsel worden getransponeerd naar de bedoelde de informatieplichten die zien op feitelijke situaties die zich in deze zaak niet voordoen. Ik heb mijn beschouwing (hierna onder 6) over de ambtshalve toetsing volledigheidshalve betrokken op alle bepalingen die zijn genoemd in de tabellen in nr. 5.14 en 5.27. Dit maakt het voor de Hoge Raad hopelijk eenvoudiger om te beslissen hoe de reikwijdte van zijn beantwoording van de vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c. zal worden afgebakend. 5.38 Ik vind het lastig om de betekenis van de vragen te overzien voor alle mogelijke verschillende soorten verzekeringsovereenkomsten. De prejudiciële vragen zien op de omzetting van de in de tabellen in nr. 5.14 en 5.27 bedoelde bepalingen van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie in de Wft en het BGfo. Hiervoor kwam reeds aan de orde dat bij zorgverzekeringen afzonderlijke wetgeving een rol speelt. Afzonderlijke of aanvullende regels gelden bijvoorbeeld ook bij pensioenverzekeringen, beleggingsverzekeringen en bepaalde uitvaartverzekeringen. Denk bijvoorbeeld aan de informatieplicht voor de aanbieder van een derdepijlerpensioenproduct (art. 65 en 66 Bgfo) die voortvloeit uit art. 13 lid 1 van de PRIIP’s Verordening, de informatieplicht voor de levensverzekeraar (art. 60 Bgfo) die voortvloeit uit de Richtlijn Solvabiliteit II en de informatieplicht van de pensioenverzekeraar die voortvloeit uit de Pensioenwet. Ik heb deze regels verder niet in mijn beschouwingen betrokken in deze conclusie. De regels die ik wel heb besproken, gelden onder meer voor de soort schadeverzekering die in deze zaak aan de orde is. 5.39 Het is denkbaar dat de Hoge Raad de beantwoording van de vragen beperkt tot het type geval dat in deze zaak aan de orde is, te weten een via internet op afstand gesloten overeenkomst van schadeverzekering voor een auto. Ook dan heeft beantwoording van de vragen betekenis voor andere gevallen. De beantwoording door de Hoge Raad van de vragen voor het type geval dat in deze zaak aan de orde is, zal daarom aanknopingspunten bieden voor de beantwoording van vergelijkbare vragen in ten aanzien van andere overeenkomsten. 5.40 Voor de volledigheid merk ik nog op dat Achmea heeft voorgesteld om in vraag 1.a het tijdselement dat ligt besloten in de woorden “bij het sluiten van” te schrappen (Akte nr. 2.7). Het moment waarop de informatie moet worden verstrekt, verschilt namelijk en volgt uit de betreffende bepalingen. Achmea wijst hier naar mijn mening terecht op. Bij de beantwoording van de vragen kan hiermee, waar nodig, rekening worden gehouden. Verder heeft Achmea (Akte nr. 2.30) voorgesteld om in vraag 1.d de woorden “en moet daarbij ook ambtshalve worden getoetst …. duurzame drager” te schrappen, omdat dit haars inziens al besloten ligt het eerste gedeelte van deze vraag. Het gaat hier om een redactionele kwestie die geen inhoudelijke gevolgen heeft. 5.41 Na deze uitgebreide voorbereidende werkzaamheden, kan de aandacht worden gericht op beantwoording van de prejudiciële vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c. 6Ambtshalve onderzoek; beantwoording van vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte, en 1.c 6.1 De vragen 1.a, 1.b eerste gedeelte en 1.c lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij stellen aan de orde, kort gezegd, of de rechter ambtshalve moet onderzoeken of is voldaan aan de bepalingen over informatieplichten die zijn opgenomen in de hiervoor weergegeven tabellen. 6.2.1 Dit punt is nog niet specifiek aan de orde gekomen in de rechtspraak van het HvJEU over de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie en in de rechtspraak van de Hoge Raad. 6.2.2 In de feitenrechtspraak zijn verschillende gevallen te vinden waarin de rechter heeft overwogen dat op verzekeringsovereenkomsten de informatieplichten van toepassing zijn zoals bedoeld in paragrafen 1 en 6 van afdeling 6.5.2b BW, art. 4:20 Wft en de paragrafen 8.1.1, 8.1.4, 8.1.6 en 8.1.7 BGfo, en dat de rechter er ambtshalve op moet toezien dat die voorschriften worden nageleefd. In de gevallen dat deze ambtshalve toetsing wordt toegelicht, overweegt de rechter dat het in lijn is met de rechtspraak van het HvJEU en de Hoge Raad over de ambtshalve toepassing van consumentenbeschermende bepalingen uit de Richtlijn consumentenrechten en de Richtlijn consumentenkrediet om ambtshalve te toetsen aan art. 4:20 Wft en de relevante bepalingen uit het BGfo, omdat het hier ook op Europese richtlijnen gebaseerde en consumentenbeschermende bepalingen betreft. Daarnaast wordt overwogen dat art. 4:20 Wft genoemd wordt in art. 6:193f onder e BW, zodat het niet of op onduidelijke wijze verstrekken van de informatie uit art. 4:20 Wft een oneerlijke handelspraktijk is (art. 6:193d jo. 6:193b lid 3 onder a BW) en vernietigbaar is (art. 6:193j lid 3 BW), en dat deze nationale bepalingen ook ambtshalve moeten worden toegepast. 6.2.3 De geschillencommissie Kifid zat tot 17 juni 2024 op de lijn dat zij gehouden was om ambtshalve te toetsen aan alle richtlijnen die consumentenbescherming bieden. Eerder overwoog zij dat, omdat de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten consumentenbescherming biedt en ambtshalve toetsing niet in deze richtlijn is uitgesloten, de commissie hieraan ambtshalve moet toetsen. In een uitspraak van 17 juni 2024, oordeelde de Commissie van Beroep Kifid (hierna ook: CvB) anders. Zij overwoog dat uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat er grenzen zijn aan de ambtshalve toetsingsverplichting. Of een bepaling uit een richtlijn die consumentenbescherming biedt, ambtshalve moet worden toegepast, hangt onder andere af van het antwoord op de vraag of de schending van die bepaling gevolgen heeft voor de geldigheid van de overeenkomst. Dit kan door de richtlijnbepaling zelf worden bepaald of volgen uit haar strekking (vgl. art. 3:40 lid 3 BW). De CvB verwijst daarbij ook naar Arvato I, waarin de Hoge Raad onderscheid maakt tussen drie categorieën informatieplichten en overweegt dat uit de doelstellingen en uitgangspunten van EU-recht volgt dat de rechter niet elke informatieplicht ambtshalve dient toe te passen (punten 5.4-5.6). De CvB overweegt vervolgens dat uit de inhoud en de strekking van art. 5 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten niet volgt dat hieraan ambtshalve dient te worden getoetst. Daartoe overweegt de CvB dat art. 5 namelijk geen betrekking heeft op verplicht te verstrekken essentiële informatie die van invloed is op de wilsvorming van de consument, maar op het ter hand stellen van de contractvoorwaarden. De terhandstelling van de voorwaarden zelf op de manier beschreven in art. 5 – via een duurzame drager – heeft een dossierfunctie (punt 5.7), aldus de CvB. 6.3 Bij deze stand van zaken ligt het in de rede om te bezien of het mogelijk is om aansluiting te zoeken bij de prejudiciële beslissing in de zaak Arvato I. Ook de kantonrechter wijst daarop (rov. 7-8 TV2). In Arvato I ging het om de bepalingen over informatieplichten van de Richtlijn consumentenrechten die gelden bij overeenkomsten tussen een ‘consument’ en een ‘handelaar’ die zijn gesloten ‘op afstand’ dan wel ‘buiten de verkoopruimte’ (een en ander zoals gedefinieerd in art. 6:230g lid 1 onder a, b, e en f BW), en die zijn omgezet in art. 6:230m en art. 6:230v BW. 6.4 Hierna geef ik de prejudiciële beslissing in Arvato I weer. Vervolgens bespreek ik de vraag of het daarin ontwikkelde beoordelingskader kan worden toegepast op de relevante bepalingen over informatieplichten van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en van de Richtlijn verzekeringsdistributie, en waartoe dat zou leiden. Echter alvorens dat te doen, bespreek ik het standpunt van Achmea dat de aard van (de handhaving van) deze richtlijnen meebrengt dat er geen taak is weggelegd voor de civiele rechter. Geen taak voor de burgerlijke rechter? 6.5 Achmea betoogt primair dat er voor de burgerlijke rechter geen taak is om de (Nederlandse omzettingsbepalingen van
  50. de)Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie ambtshalve te onderzoeken. Hiertoe wordt door Achmea in de kern aangevoerd:- dat er in verband met de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten geen noodzaak is voor ambtshalve onderzoek door de civiele rechter omdat het AFM-toezicht daartoe volstaat;- dat er in verband met de Richtlijn verzekeringsdistributie geen aanleiding is voor ambtshalve onderzoek door de civiele rechter omdat deze richtlijn uitsluitend publiekrechtelijk van aard is; en - dat ambtshalve onderzoek door de civiele rechter in verband met beide richtlijnen onwenselijk is gezien de beperkte capaciteit van de civiele rechtspraak. 6.6 Ik bespreek hierna deze argumenten. 6.7 Het standpunt dat er in verband met de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten geen noodzaak is voor ambtshalve onderzoek door de civiele rechter, wordt door Achmea, samengevat, met de volgende, op elkaar voortbouwende argumenten onderbouwd. (
  51. i)Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat de nationale rechter ambtshalve moet onderzoeken of bepaalde Unierechtelijke bepalingen inzake consumentenbescherming in acht zijn genomen "wanneer zonder een dergelijk onderzoek de doelstelling van een doeltreffende consumentbescherming niet kan worden bereikt” (SO nr. 107). (
  52. ii)De Nederlandse wetgever heeft ervoor gekozen om de handhaving van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten te regelen via het financieel toezichtrecht, juist vanuit een oogpunt van consumentenbescherming (SO nrs. 108-109). (iii) De noodzaak van ambtshalve onderzoek door de rechter ontbreekt door het uitgebreide handhavingskader van het financiële toezichtrecht, waarbij geldt dat het toezicht van de AFM op de naleving van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten verder gaat en meer bescherming biedt voor de consument dan het toezicht door de ACM op de regels die aan de orde waren in de zaak Arvato I (SO nrs. 110-116). 6.8 Het onder (
  53. i)gestelde kan worden onderschreven. Ambtshalve onderzoek door de civiele rechter berust uiteindelijk op het effectiviteitsbeginsel, zoals de Hoge Raad in Arvato I (rov. 3.1.6) ook voorop heeft gesteld. 6.9.1 Het onder (
  54. ii)gestelde kan op zichzelf worden onderschreven, maar met een kanttekening. In de memorie van toelichting op de Wfd, waarin de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsbemiddeling (de voorloper van de Richtlijn verzekeringsdistributie) aanvankelijk zijn omgezet, is destijds als volgt toegelicht waarom behoefte bestond aan een publiek toezichtinstrumentarium: “De Wabb [Wet assurantiebemiddelingsbedrijf; plv.] stelt alleen eisen aan de deskundigheid van verzekeringstussenpersonen. Een adequate informatievoorziening wordt door de Wabb niet van de verzekeringstussenpersoon verlangd. Deze gebreken in de huidige financiële toezichtwetgeving worden ten dele ondervangen door het stelsel van zelfregulering dat in Nederland aanwezig is. (…) Tenslotte kan nog worden gewezen op het Burgerlijk Wetboek. Voor een belangrijk deel vloeien de verplichtingen tot het verstrekken van adequate informatie en het behoorlijk adviseren van consumenten al voort uit het civiele recht. Dat neemt niet weg dat de weg naar de civiele rechter voor de individuele consument vaak een langdurige en kostbare aangelegenheid is. Tevens slaagt het civiele recht er slechts ten dele in overtreding van normen te voorkomen. Financiële dienstverleners die er een «hit-and-run»-tactiek op nahouden zullen over het algemeen verdwenen zijn voordat de consument hen voor de rechter kan dagen. Publiek toezicht voegt aan het civiele recht een extra prikkel tot het naleven van verplichtingen ten aanzien van informatieverstrekking en zorgvuldige advisering toe. Door middel van boetes, dwangsommen en doordat uiteindelijk malafide partijen van de markt kunnen worden geweerd kan publiek toezicht een wezenlijke aanvulling leveren op het systeem van consumentenbescherming dat reeds bestaat. Al met al kan worden geconstateerd dat er goede redenen zijn om waarborgen in te bouwen dat de consument goed wordt geïnformeerd en geadviseerd door deskundige en betrouwbare financiële dienstverleners. Hierbij is niet alleen de individuele consument, maar ook de economie als geheel gebaat. Het huidige stelsel van wetgeving schiet op belangrijke punten tekort en dit tekort wordt onvoldoende gecompenseerd door de bestaande zelfregulering. Alleen door middel van wetgeving die een bredere scope en een effectiever publiek toezichtinstrumentarium kent kan een marktdekkende kwaliteitsborging worden gecreëerd.” [onderstreping en cursivering toegevoegd; plv.] 6.9.2 Hieruit blijkt dat er behoefte bestond aan een publiekrechtelijk toezichtinstrumentarium naast de bestaande zelfregulering en mogelijkheden van het civiele recht. Het AFM-toezicht is naar de bedoeling van de Nederlandse wetgever niet in de plaats gekomen van de mogelijkheden van het civiele recht, maar beide vullen elkaar aan. Dit sluit aan bij de uitgangspunten in de civiele rechtspraak, ten eerste, dat het financieel toezichtrecht relevant is voor de inhoud van het civiele recht, maar, ten tweede, dat het niet de inhoud van het civiele recht bepaalt. Anders dan Achmea, zie ik in de keuze van de Nederlandse wetgever om de handhaving van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten te regelen via het financieel toezichtrecht dan ook geen aanwijzing voor de gedachte dat een ambtshalve onderzoek door de civiele rechter overbodig zou zijn. 6.10.1 Het onder (iii) aangevoerde argument komt erop neer dat een civiele rechter niet kan (of behoeft
  55. te)komen tot het oordeel dat er in verband met de bepalingen over informatieplichten van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten aanleiding is tot een ambtshalve onderzoek, omdat er reeds sprake is van een voldoende effectief AFM-toezicht. 6.10.2 Een vergelijkbaar argument is, zoals Achmea onderkent, verworpen in HvJEU 5 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:167 (ORP Finance). In deze zaak over consumentenkrediet overwoog het HvJEU, kort gezegd, dat een nationale rechter verplicht is om ambtshalve te onderzoeken of de precontractuele verplichting voor de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, is nagekomen (punt 36). Het HvJEU overwoog vervolgens dat aan deze slotsom niet kan worden afgedaan door het argument dat de nationale toezichtbepalingen ook voorzien in een administratieve geldboete (punt 37). Het HvJEU overweegt daartoe (
  56. a)dat er geen voorbeelden zijn dat dergelijke boetes zijn opgelegd en (
  57. b)dat het opleggen van dergelijke boetes “op zichzelf de door richtlijn 2008/48 nagestreefde bescherming van de consument tegen de risico’s van een bovenmatige schuldenlast en insolvabiliteit niet op voldoende doeltreffende wijze waarborgen, aangezien zij niet van invloed zijn op de situatie van een consument aan wie in strijd met artikel 8 van die richtlijn een kredietovereenkomst is verstrekt” (punt 38). 6.10.3 Achmea betoogt dat deze argumenten niet opgaan in het kader van het toezicht van de AFM op de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten, omdat (
  58. a)de AFM wel actief handhaaft op naleving van de precontractuele informatieplichten bij het sluiten van verzekeringen en (
  59. b)AFM haar handhavingsbevoegdheden ook gebruikt om te sturen op herstel voor individuele consumenten (SO nrs. 113-116). Achmea stelt dus dat het AFM-toezicht reeds voldoende effectief is. 6.10.4 Het betoog van Achmea ziet er naar mijn mening aan voorbij dat, ook bij een voldoende effectief bestuursrechtelijk toezicht, er behoefte kan bestaan aan ambtshalve onderzoek door de civiele rechter. Hierop wijst het HvJEU met zijn overweging in ORP Finance dat het opleggen van een boete niet van invloed is op de situatie van een consument. Dat de AFM in haar boetebeleid en anderszins kan aansturen op compensatie van consumenten, wil ook niet zeggen dat hiervan daadwerkelijk sprake is in elk geval dat aan de civiele rechter wordt voorgelegd. Ook de AFM moet prioriteiten stellen. Bovendien is het toezicht door de AFM, zo bleek hiervoor, bedoeld om de mogelijkheden van het civiele recht aan te vullen, en niet om daarvoor in de plaats te komen. 6.11 Ik onderschrijf daarom niet het standpunt van Achmea dat er in verband met de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten geen noodzaak is voor ambtshalve onderzoek door de civiele rechter. 6.12 Het standpunt dat er in verband met de Richtlijn verzekeringsdistributie geen aanleiding is voor ambtshalve onderzoek door de civiele rechter omdat deze richtlijn uitsluitend publiekrechtelijk van aard is, wordt door Achmea, samengevat, als volgt onderbouwd. (
  60. i)De richtlijn beoogt enkel de consument te beschermen door via de publiekrechtelijke weg verplichtingen op te leggen aan verzekeraars en deze te handhaven via bestuursrechtelijke sancties, en beoogt niet in te grijpen in de civielrechtelijke verhoudingen tussen de verzekeringnemer en de verzekeraar.Ambtshalve toetsing door de civiele rechter is dan ook geen ‘andere maatregel’ in de zin van art. 31 lid 3 Richtlijn verzekeringsdistributie (SO nr. 143 en voetnoot 184). (
  61. ii)Ambtshalve toetsing door de civiele rechter draagt niet bij aan het bereiken van de doelstellingen van de richtlijn, laat staan dat dit noodzakelijk is (SO nr. 143), en vergt een aanvullende wettelijke grondslag, die ontbreekt (SO nr. 144). (iii) De Richtlijn verzekeringsdistributie is geïmplementeerd in het financieel toezichtrecht, en de wetgever had in dit opzicht ook geen keuze nu deze richtlijn specifiek bestuursrechtelijke toezicht en handhaving vereist. Het is dan ook niet relevant of het nationale handhavingskader voldoende consumentenbescherming biedt. Als dat niet het geval zou zijn, zouden hoogstens extra bestuursrechtelijke waarborgen moeten worden geïmplementeerd (SO nr. 145). (
  62. iv)De doctrine van ambtshalve toetsing door de civiele rechter is in de jurisprudentie ontwikkeld op basis van de specifieke niet-bestuursrechtelijke doelen en uitgangspunten van verschillende consumentenrechtelijke richtlijnen. Zonder vergelijkbare doelen en uitgangspunten ontbreekt de juridische basis om die doctrine door te trekken naar de Richtlijn verzekeringsdistributie (SO nr. 146). 6.13 De Richtlijn verzekeringsdistributie beoogt consumentenbescherming en richt zich wat betreft de handhaving op bestuursrechtelijke sancties (zie hiervoor in 4.11.2-4.11.3). In zoverre kan het onder (
  63. i)bedoelde argument worden onderschreven. 6.14.1 De onder (ii)-(
  64. iv)bedoelde argumenten veronderstellen dat deze richtlijn niet alleen publiek- c.q. bestuursrechtelijk van aard is, maar daarmee ook uitsluit dat de daarin opgenomen bepalingen over informatieplichten kunnen worden toegepast in privaatrechtelijke verhoudingen. Voor die veronderstelling bestaat naar mijn mening onvoldoende aanleiding. Ik licht dit toe. 6.14.2 Het hiervoor (in 6.9.1) weergegeven citaat uit de memorie van toelichting bij de Wfd, waaruit blijkt dat behoefte bestond aan een publiek toezichtinstrumentarium naast de bestaande mogelijkheden van het civiele recht, ziet onder meer op de bepalingen over informatieplichten van de Richtlijn verzekeringsbemiddeling. De Richtlijn verzekeringsbemiddeling was de voorganger van de Richtlijn verzekeringsdistributie. Bij omzetting van de Richtlijn verzekeringsdistributie heeft de wetgever aandacht gehad voor het gegeven dat deze richtlijn onder meer als doel heeft de bestuursrechtelijke sancties in geval van overtredingen te harmoniseren. Volgens de toelichting voldeed de Wft reeds daaraan, zodat een afzonderlijke omzetting van art. 31 lid 1 Richtlijn verzekeringsdistributie niet nodig werd geacht, en kon worden volstaan met het opnemen van de betreffende artikelen in de bijlagen bij de sanctiebepalingen van de Wft (art. 1:79 en 1:80 Wft). Een en ander wijst er niet op dat de Richtlijn verzekeringsdistributie c.q. de nationale omzetting daarvan uitsluit dat de daarin opgenomen bepalingen over informatieplichten kunnen worden toegepast in privaatrechtelijke verhoudingen. De literatuur biedt ook geen aanknopingspunt voor die gedachte. Zij past ook niet bij de eerder (in 6.9.2) vermelde uitgangspunten in de civiele rechtspraak over de verhouding tussen financieel toezichtrecht en civiel recht. 6.15 Ik onderschrijf daarom niet het standpunt van Achmea dat er in verband met de Richtlijn verzekeringsdistributie geen aanleiding is voor ambtshalve onderzoek door de civiele rechter omdat deze richtlijn uitsluitend publiekrechtelijk van aard is. 6.16 Achmea (SO nrs. 14 en 27) wijst er tot slot nog op, op zichzelf terecht, dat ambtshalve onderzoek door de civiele rechter naar de naleving van bepalingen over informatieplichten in de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en in de Richtlijn verzekeringsdistributie een beroep doet op de capaciteit van de civiele rechtspraak. Deze capaciteit is niet onbeperkt en ambtshalve toetsing vergt het nodige van de rechtspraak. Dit kan echter niet bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of, en zo ja, in welke gevallen de civiele rechter ambtshalve tot een onderzoek dient over te gaan. Die vraag komt hierna aan bod. Daarbij neem ik verder het beoordelingskader van de prejudiciële beslissing in Arvato I tot uitgangspunt. De prejudiciële beslissing in Arvato I 6.17 In Arvato I is, samengevat, als volgt geoordeeld.(
  65. i)Op grond van het Unierechtelijke effectiviteitsbeginsel kan ambtshalve toepassing en sanctionering van dwingendrechtelijke informatieplichten ter bescherming van de consument aan de orde zijn (rov. 3.1.6). De rechtspraak van het HvJEU biedt hiervan voorbeelden.(
  66. ii)Voor wat betreft informatieplichten van de Richtlijn consumentenrechten bij overeenkomsten op afstand of buiten de verkoopruimte heeft de Hoge Raad onderscheid gemaakt tussen (
  67. a)de informatieplichten waaraan de wet bij niet-naleving ervan specifieke sancties verbindt, (
  68. b)de informatieplichten waaraan extra gewicht toekomt (hierna: de essentiële informatieplichten), en (
  69. c)overige informatieplichten. Sommige informatieplichten waaraan de wet een specifieke sanctie verbindt, zijn tevens essentiële informatieplichten. De plicht tot ambtshalve toetsing en sanctionering is beperkt tot de informatieplichten onder (
  70. a)en (b). Ten aanzien van overige informatieplichten is het aan de consument om de handelaar in of buiten rechte aan te spreken (rov. 3.1.9 en 3.1.16). (iii) Het is niet noodzakelijk ten aanzien van het hiervoor gemaakte onderscheid tussen de verschillende informatieplichten prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, omdat uit de rechtspraak van het HvJEU reeds voldoende duidelijk volgt dat de rechter niet elke Unierechtelijke bepaling van consumentenrecht ambtshalve dient toe te passen. Daarnaast volgt uit de Richtlijn consumentenrechten zelf, nu deze de toepassing van sancties aan het nationale recht overlaat en slechts de algemene eis stelt dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, reeds voldoende duidelijk dat de rechter niet bij elke geconstateerde schending van een informatieplicht de overeenkomst dient te vernietigen (rov. 3.1.9).(
  71. iv)De wet verbindt aan de volgende informatieplichten bijzondere sancties (rov. 3.1.10). Informatieplicht wetsbepaling BW Sanctie sanctiebepaling ontbindingsrecht art. 6:230m lid 1 onder h verlenging ontbindingstermijn kosten niet verschuldigd consument niet aansprakelijk voor waardevermindering art. 6:230o lid 2 art. 6:230s lid 5 art. 6:230s lid 3 kosten terugzending art. 6:230m lid 1 onder i kosten niet verschuldigd art. 6:230s lid 2 betalingsverplichting art. 6:230v lid 3 vernietiging overeenkomst art. 6:230v lid 3 afwijkende kosten communicatiemiddel art. 6:230m lid 1 onder f geen kosten boven basistarief art. 6:230k lid 2 bijkomende kosten art. 6:230m lid 1 onder e en i kosten niet verschuldigd art. 6:230n lid 3 verschuldigdheid redelijke kosten in bepaalde gevallen art. 6:230m lid 1 onder j kosten niet verschuldigd art. 6:230s lid 5 (
  72. v)De identificatie van essentiële informatieplichten is in Arvato I gebaseerd op de duiding in art. 6:193f onder b BW van bepaalde informatie als ‘essentiële informatie’ in de zin van art. 6:193d lid 2 BW. Dit betreft informatie over volgende genoemde onderwerpen (rov. 3.1.11). Informatieplicht wetsbepaling BW voornaamste kenmerken zaken of diensten art. 6:230m lid 1 onder a identiteit en adresgegevens van de handelaar art. 6:230m lid 1 onder b en c totale prijs art. 6:230m lid 1 onder e afwijkende kosten communicatiemiddel art. 6:230m lid 1 onder f wijze van betaling, levering, uitvoering, leveringstermijn art. 6:230m lid 1 onder g ontbindingsrecht art. 6:230m lid 1 onder h duur overeenkomst of opzeggingsvoorwaarden art. 6:230m lid 1 onder o minimumduur overeenkomst voor de consument art. 6:230m lid 1 onder p (
  73. vi)Bij de toetsing of is voldaan aan (essentiële) informatieplichten dient ook betrokken te worden de wijze waarop de informatie volgens art. 6:230v BW moet worden verstrekt bij een overeenkomst op afstand (rov. 3.1.12).(vii) De sanctionering van de niet-inachtneming van informatieplichten kan bestaan uit een in de wet genoemde sanctie. Bij een voldoende ernstige schending van een essentiële informatieplicht kan het ook gaan om een gehele of gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst. Een gedeeltelijke vernietiging vertaalt zich in een vermindering van de verplichtingen, met name de betalingsverplichtingen, van de consument (rov. 3.1.15).(viii) In geval van niet-naleving van een informatieplicht die zowel valt onder de categorie informatieplichten waaraan de wet bij niet-naleving ervan specifieke sancties verbindt als onder de categorie essentiële informatieplichten, kan de rechter naast of in plaats van toepassing van de specifieke wettelijke sanctie overgaan tot (verdere) vermindering van de verplichtingen van de consument indien de specifieke wettelijke sanctie in de gegeven omstandigheden niet voldoet aan de eis dat deze doeltreffend, evenredig en afschrikkend is (rov. 3.1.16).(ix)De rechter die overweegt een overeenkomst ambtshalve (geheel of gedeeltelijk) te vernietigen, dient op grond van de beginselen van hoor en wederhoor de verschenen partij(
  74. en)in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten. Indien de consument is verschenen, heeft hij de gelegenheid zich ertegen te verzetten dat de betrokken overeenkomst geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, hetgeen de rechter dan heeft te respectere

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.