ECLI:NL:PHR:2025:1108
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00426 Zitting 14 oktober 2025 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 5 februari 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnummer 20-000197-23) wegens "onvoldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier", feit 2 subsidiair, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren subsidiair twintig dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, en een geheel voorwaardelijke hechtenis voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft ook beslissingen genomen ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven hond, een en ander zoals nader in het arrest omschreven. Ook heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, eveneens zoals in het arrest omschreven.
Het middel 5. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde. Voordat ik overga tot de bespreking van het middel, geef ik allereerst de bewezenverklaring en de bewijsconstructie weer.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering 6. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat: “hij op 23 oktober 2022 te [plaats] geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, te weten een hond (Mechelse herder, genaamd [naam] ), immers heeft voornoemde hond een persoon, genaamd [benadeelde] , meermalen in het lichaam en/of het hoofd gebeten.”
Op 23 oktober 2022, omstreeks 03:15 uur, liep ik over de [a-straat] in [plaats] . Ik zag dat [verdachte] ook op de stoep liep. [verdachte] en ik stonden tegenover elkaar. Ik zag dat [verdachte] een hond bij zich had. Ik zag en voelde dat de hond mij beet. Ik voelde dat de hond mij in mijn been beet. Ik voelde pijn aan mijn been. Ik voelde dat de hond bleef bijten.
Vannacht (het hof begrijpt: in de nacht van 23 oktober 2022) kwam ik [verdachte] tegen op straat. Ik zag en voelde dat de hond van [verdachte] mij in mijn arm, been en zelfs in mijn hoofd beet.
Reden van komst/verwijzing:
Bijtwonden hond.
Wondje op hoofd van (hof begrijpt: door) hond. Diverse bijtverwondingen rechter elleboog, rechter bovenbeen, rechter knie en rechter kuit.
De hond van [verdachte] die gebeten zou hebben werd in beslag genomen en zou [naam] heten.
Het is mij ambtshalve bekend dat alle honden van [verdachte] een muilkorfplicht hebben, vanwege recente incidenten waarbij honden van de verdachte zouden hebben gebeten. Vanwege deze incidenten werd er een aandachtsvestiging opgemaakt als vermeld onder registratienummer 2022114733.
Tekst uit aandachtsvestiging 2022114733-18: ‘Naar aanleiding van bijtincidenten door de herder van [verdachte] geldt vanuit de gemeente [...] voor onbepaalde tijd een korte aanlijnplicht c.q. muilkorfplicht. Hond dient op een openbare plaats een muilkorf te dragen en kort aangelijnd te zijn.
Het hof neemt op de foto diverse donker rode, kleinere en grotere puntjes waar welke in de linker onderarm van verdachte in de vorm van een bijna halve cirkel is te zien.
Naar aanleiding van de meldingen van 5 en 6 mei 2022 is vanuit de gemeente een muilkorfplicht opgelegd aan de desbetreffende hond, [naam] . Op 29 juli 22.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De verdachte wordt verweten dat hond [naam] - een Mechelse herder van de verdachte - op 23 oktober 2022 te [plaats] onder zijn hoede stond, dat deze hond gevaarlijk was en dat de verdachte onvoldoende zorg heeft betracht om deze hond onschadelijk te houden in de zin van artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof stelt allereerst vast dat hond [naam] ten tijde van het tenlastegelegde onder de hoede van de verdachte stond. De verdachte was eigenaar van [naam] en hij was in de nacht van 23 oktober 2022 hond [naam] aan het uitlaten.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of hond [naam] als gevaarlijk was aan te merken ten tijde van het tenlastegelegde.
Het hof stelt vast dat hond [naam] wegens eerdere bijtincidenten per 29 juli 2022 een muilkorfverplichting heeft gekregen van de gemeente [...] . De verdachte was op de hoogte van deze muilkorfverplichting. Gelet op de betrokkenheid van hond [naam] bij deze eerdere bijtincidenten en de naar aanleiding daarvan opgelegde muilkorfverplichting, waarvan de verdachte heeft verklaard dat hij daarvan wist, staat het voor het hof voldoende vast dat de hond [naam] aangemerkt kan worden als een gevaarlijke hond in de zin van artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht.
Uit de foto zoals getoond op pagina 44 van het dossier waarop een bijtwond is te zien in de linker onderarm van de verdachte zelf en hetgeen verdachte hierover heeft verklaard, te weten dat deze bijtwond is veroorzaakt door zijn hond [naam] , leidt het hof af dat de hond [naam] op dat moment, zijnde het moment van treffen met aangever [benadeelde] op straat voor zijn huis, niet voorzien was van een muilkorf en de verdachte mitsdien toen niet heeft voldaan aan de muilkorfverplichting. De verdachte heeft hierdoor niet voldoende zorg gedragen voor het onschadelijk houden van deze hond.
Uit de gebezigde overige bewijsmiddelen stelt het hof voorts vast dat aangever [benadeelde] op 23 oktober 2022 te [plaats] door hond [naam] meermalen is gebeten in onder meer zijn hoofd, rechter elleboog, rechter bovenbeen, rechter knie en rechter kuit. De verklaring van de verdachte dat zijn hond een ‘muilband’ droeg wordt, zoals reeds hiervoor verwoord, niet alleen weerlegd door de beetwond in zijn eigen onderarm maar ook door de verwondingen hij aangever [benadeelde] . Voor zover er al op enig moment sprake zou zijn geweest van een muilband (c.q. muilkorf) constateert het hof dat deze op het moment van treffen of niet meer om de bek van het dier aanwezig was of niet voldeed. Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de hond om die maatregelen te treffen die hem in staat stellen te voldoen aan de zorgplicht als bedoeld in artikel 425 Wetboek van Strafrecht. Dat betekent dat een muilkorf voldoet, zowel in de zin dat het om de bek blijft zitten, ook of juist bij een treffen en bovendien geen ruimte laat voor bijten, hetgeen juist het doel is van een muilkorf. Dat de verdachte en zijn hond door aangever zouden zijn aangevallen en dat de hond daarop heeft gereageerd omdat hij zijn baasje wilde verdedigen, maakt, wat daar ook verder van zij gelet op de reden van de vrijspraak voor feit 1, het oordeel van het hof niet anders nu het aan de verdachte was ervoor zorg te dragen dat [naam] een muilkorf droeg en deze niet af kon gaan.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in af zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
Het middel en de toelichting erop 9. In de toelichting op het middel wordt naar voren gebracht dat het oordeel dat de verdachte “niet voldoende zorg [heeft] gedragen voor het onschadelijk houden van deze hond” op de grond dat “de hond op het moment van treffen met aangever niet voorzien was van een muilkorf en dat [de verdachte] mitsdien toen niet heeft voldaan aan de muilkorfverplichting” onbegrijpelijk is, althans dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Daartoe wordt aangevoerd dat sprake was van “bijzondere omstandigheden”, als gevolg waarvan de verdachte “niet kan worden verweten dat hij onvoldoende zorg heeft betracht”. Meer concreet is volgens de steller van het middel sprake van een (extreme) situatie waarbij niet alleen de verdachte “maar ook de hond het doelwit is van geweldstoepassing”. Een omstandigheid waaronder de in het kader van artikel 425 aanhef en onder 2° Sr te betrachten zorg tot het onschadelijk houden van de hond, zoals ik de toelichting begrijp, niet van de verdachte kon worden gevergd, noch dat hij bij het betrachten van die zorg op een dergelijke situatie had hoeven anticiperen.
Korte algemene beschouwingen voorafgaand aan de beoordeling van het middel 10. Artikel 425 Sr luidt, voor zover van belang: “Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:
1°. (…);
2°. hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier.”
De beoordeling van het middel 14. Blijkens zijn bewijsoverwegingen gaat het hof uit van de volgende toedracht. Op 23 oktober 2022 liet de verdachte zijn hond, een Mechelse herder genaamd [naam] , uit op straat, alwaar zij de aangever tegenkwamen. Hoewel de daadwerkelijke feiten en omstandigheden die leidden tot het ontstaan van de vechtpartij op basis van het dossier niet volledig kunnen worden vastgesteld, stelt het hof wel vast dát zich een vechtpartij tussen de verdachte en de aangever heeft voorgedaan. Gedurende dit gevecht beet [naam] de aangever meermalen, waaronder in zijn hoofd, rechterelleboog, rechterbovenbeen, rechterknie en rechterkuit. Ook beet [naam] in de linkeronderarm van de verdachte. Dit alles vond plaats terwijl de verdachte ervan op de hoogte was dat hij ten aanzien van [naam] per 29 juli 2022 door de gemeente [...] een muilkorfverplichting had gekregen vanwege eerdere bijtincidenten (door de hond). Het hof constateert voorts dat gelet op de bijtwonden bij zowel de aangever als de verdachte “voor zover er al op enig moment sprake zou zijn geweest van een muilband (c.q. muilkorf)” “deze op het moment van het treffen óf niet meer om de bek van het dier aanwezig was óf niet voldeed”.
Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel 20. Het middel komt op tegen de (gedeeltelijke) niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de materiële en immateriële schade. Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij op deze punten een onevenredige belasting van het strafproces vormt, onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 5.221,48, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de politierechter de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij en deze kosten begroot op nihil.
De benadeelde partij [benadeelde] heeft schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, wegens de bepleite vrijspraak. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij een eigen aandeel heeft gehad in de geleden schade.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij de kosten aan mondzorg (post ii) heeft gevorderd naar aanleiding van de onder feit 1 tenlastegelegde mishandeling. Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van de onder feit 1 tenlastegelegde mishandeling en derhalve aan de verdachte ter zake van het feit waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering zover deze ziet op de post voor de mondzorg niet worden ontvangen.
Het hof stelt voorts vast dat de kosten aan kleding (post i), tatoeages (post iii) en smartengeld (post iv), zijn gevorderd naar aanleiding van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde. Het hof overweegt dat vast staat dat de benadeelde partij als gevolg van het gevecht met de verdachte (feit 1) en de bijtwonden van hond [naam] (feit 2) schade heeft geleden in de vorm van kapotte en/of bevuilde kleding, beschadigde tatoeages en letsel.
Met betrekking tot post i stelt het hof vast dat de schade aan de broek en de trui in ieder geval in rechtstreeks verband staan tot het bewezenverklaarde feit 2 subsidiair. Immers, de benadeelde partij heeft zowel bijtwonden in zijn been als in zijn arm, die onder de gegeven omstandigheden niet anders kunnen zijn ontstaan dan dat de hond [naam] door de kleding heen heeft gebeten, waardoord de kleding is beschadigd. Het hof zal deze schadepost toewijzen.
Met betrekking tot post i ii, de kosten tatoeages, overweegt het hof dat deze posten thans onvoldoende zijn onderbouwd, immers de foto’s zijn van kort na het bijtincident en niet duidelijk is in hoeverre herstel van de tatoeages noodzakelijk is. Het hof is van oordeel dat om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen deze posten nader te onderbouwen, de behandeling van de zaak zou moeten worden aangehouden, hetgeen het hof een onevenredige belasting van het strafgeding oordeelt. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij voor dat gedeelte derhalve niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechte kan aanbrengen.
Met betrekking tot post iv ‘smartengeld’ overweegt het hof als volgt. Zoals eerder overwogen heeft het hof ten aanzien van de tenlastegelegde mishandeling de feiten en omstandigheden van de toedracht niet kunnen vaststellen, waardoor niet is komen vast te staan wie de agressor van het gevecht tussen de benadeelde partij en de verdachte is geweest. Het hof ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of het strafgeding, gelet op de feiten en omstandigheden die aan het ontstaan van de schade en de daarmee gepaard gaande schadepost smartengeld zijn voorafgegaan, zich voldoende leent voor de beoordeling in het strafproces.
Het hof is van oordeel dat bij het vaststellen van de immateriële schade van de benadeelde partij niet voorbij kan worden gegaan aan de rol die de benadeelde partij mogelijk zelf in het geheel heeft gespeeld. Bij het vaststellen van de schade dient derhalve rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van een zekere mate van medeschuld aan de zijde van de benadeelde partij. Het hof is van oordeel dat voormelde vraag ertoe leidt dat de behandeling van de vordering tot schadevergoeding een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Derhalve zal het hof ook de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van post iv niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Tot slot zal het hof de verdachte veroordelen in de proceskosten. Deze proceskosten zijn tot op heden begroot op nihil. (…)”
Een nadere omschrijving van het middel 23. In de schriftuur wordt allereerst geklaagd over het oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering ter zake van materiële schade, namelijk de kosten voor het herstellen van de tatoeages (post iii), op de grond dat die vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Daartoe wordt aangevoerd dat de vordering is onderbouwd met foto’s van de schade en met een reële waardering van de herstelkosten van de tatoeages. Daarnaast had het hof gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om de schade op grond van artikel 6:97 BW te schatten.
De bespreking van het middel 25. Op grond van artikel 361 lid 3 Sv, welk artikel op de voet van artikel 415 Sv van toepassing is in hoger beroep, kan de rechter, indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, deze vordering (op verzoek van de verdachte, de officier van justitie of ambtshalve) geheel of ten dele niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Dat betreft een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.
Slotsom 33. Het namens de verdachte voorgestelde middel en het namens de benadeelde partij voorgestelde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De steller van het middel acht hierbij van belang dat het hof de verdachte wegens de onder 1 ten laste gelegde mishandeling heeft vrijgesproken, omdat bij het hof twijfel is ontstaan over de vraag wie de agressor is geweest van het gevecht. Volgens het hof blijft daarmee onduidelijk of de gedragingen van de verdachte al dan niet wederrechtelijk zijn of dat de verdachte mogelijk heeft gehandeld ter verdediging van zichzelf en zijn hond.
De strafbaarstelling van art. 425 onder 1° Sr is daarentegen wel relatief recent gewijzigd (vgl. Stb. 2023,242).
H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1881-1886), Deel III, Rotterdam: Haarlem: Tjeenk Willink 1892, p. 183-184. “Terwijl in no1 alle dieren bedoeld zijn, die op menschen kunnen worden aangehitst, is no2 beperkt tot die dieren, die gevaarlijk zijn. Gevaarlijk is elk dier, waarvan schade voor lijf of goed te duchten is. Daarbij maakt het geen verschil. Of deze eigenschap aan alle exemplaren van die soort of alleen aan het corpus delicti eigen was, en evenmin of men met eene voortdurende eigenschap of met eene ziekte te doen heeft. Ook kwaadaardige of dolle honden zijn dus in de bepaling begrepen.”
Zie HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1097, NJB 2015/882 en de daaraan voorafgaande conclusie van a-g Spronken, ECLI:NL:PHR:2015:300.
Zie daarover Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, art. 425, aant. 3 (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bijgewerkt t/m 3 januari 2024) en de conclusies van a-g Keulen voor HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. Wolswijk, en a-g Hofstee voor 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1287.
Zie daarover ook de conclusie van a-g Harteveld voor HR 5 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1696 (HR: 81 RO).
Zie daarover Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, artikel 425, aant. 3 (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bijgewerkt t/m 3 januari 2024).
Vgl. Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, artikel 425, aant. 3 (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bijgewerkt t/m 3 januari 2024).
Zie daarover Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, artikel 425, aant. 3 (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bijgewerkt t/m 3 januari 2024).
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.1. Tot 1 januari 2011 gold het niet-ontvankelijkheidscriterium uit art. 361 lid 3 (oud): “Indien de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding (…)”. Het huidige criterium houdt een verruiming van het oude criterium in.
Vgl. HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:933, NJ 2020/284 m.nt. Vellinga. Zie ook HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751, NJ 2012/451; HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2668, NJ 2015/71, en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3472. Zie ook A.J.P. Schild, in: T&C Strafvordering, art. 361 Sv, aant. 3 (bijgewerkt t/m 1 januari 2024).
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.8.6.
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.8.7.
In Tekst & Commentaar bij artikel 361 lid 3 wordt erop gewezen dat ook “een nader onderzoek naar de mate van medeschuld van de benadeelde aan het ontstaan van de schade een onevenredige belasting van het strafproces [kan] vormen (HR 20 maart 2012, LJN BU7349, NJ 2012/520, m.nt. Keulen).”