PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03511 Zitting 17 oktober 2025 CONCLUSIE T. Hartlief In de zaak 1 [eiseres 1] 2. [eiser 2] (hierna afzonderlijk respectievelijk ‘ [eiseres 1] ’ en ‘ [eiser 2] ’ en gezamenlijk: ‘ [eisers] ’) tegen 1 [het notariskantoor] B.V. 2. [verweerder 2] (hierna afzonderlijk respectievelijk ‘het notariskantoor’ en ‘ [verweerder 2] ’ en gezamenlijk: ‘ [verweerders] ’) In deze zaak staat de rol van de notaris bij speculatieve grondhandel centraal. Bij deze handel worden grote percelen (landbouw)grond gesplitst in kleine percelen en vervolgens verkocht, waarbij de indruk wordt gewekt dat de grond op termijn van bestemming zou kunnen wijzigen en daardoor substantieel in waarde zou stijgen. Deze speculatieve grondhandel kan al langer op aandacht rekenen. Onder meer Het Financieele Dagblad,RTL-Nieuws en het Kadaster hebben er aandacht aan besteed, vanwege de mogelijk foutieve of misleidende informatie die door de verkopers wordt gegeven. Deze problematiek is ook in de Tweede Kamer aan bod gekomen in onder meer een rondetafelgesprek, diverse Kamerstukken en (de antwoorden
(2x), juni 2017, november 2017, januari 2018) door Groza teruggekocht en vervolgens aan Groza teruggeleverd. Een zevende perceel is in januari 2021 aan een derde verkocht en geleverd. 1.7 De koopprijs voor de door [eiseres 1] aangekochte percelen is telkens voldaan van de ‘en/of’-rekening ten name van [eiser 2] en/of [eiseres 1] . De gelden op die rekening waren (deels) afkomstig van de BV die [eisers] exploiteren. 1.8 Bij de koop van een perceel moest [eiseres 1] steeds een vragenlijst en een verificatieformulier invullen. Bovenaan de door [eiseres 1] op verzoek van Groza ingevulde vragenformulieren staat onder andere: “Middels dit vragenformulier trachten zij voor zichzelf maar vooral voor uzelf en indirect ten behoeve van de transporterende notaris, inzicht te krijgen of u weloverwogen investeert. Door het invullen van deze vragenlijst ontslaat u uzelf niet van uw eigen verantwoordelijkheid. (...) U gaat investeren in onroerend goed. Eigendomsoverdracht van onroerend goed kan alleen via een notaris lopen. (...) Een notaris moet zowel de belangen van de koper als de verkoper dienen. Een notaris moet vanuit zijn zorgplicht weten of u als koper (en GROZA als verkoper) weet wat u doet en of u doet wat u wilt. Het invullen van deze vragenlijst kan de notaris helpen om aan zijn zorgplicht te voldoen. Ondanks het beantwoorden van deze vragenlijst kan de notaris extra vragen stellen. Mocht u deze vragenlijst in zijn geheel niet willen beantwoorden dan zal de notaris minimaal van u eisen dat u bij het transport van de akte aanwezig moet zijn.” 1.9 Ten behoeve van de koopovereenkomsten zijn vragenformulieren ingevuld en door [eiseres 1] ondertekend. Eén van de vragen was een multiple choice-vraag, inhoudende op welke termijn [eiseres 1] inschatte dat een eventuele bestemmingswijziging ontstaat. Daarop heeft zij steeds van de geboden mogelijkheden de kortst mogelijke termijn van “binnen 5 jaar na aankoop” aangekruist. In de door [eiseres 1] ondertekende vragenlijst voor de eerste aankoop is steeds “ja” aangekruist bij vragen als: of het [eiseres 1] bekend was en zij begrepen heeft dat de investering speculatief is, dat er een mogelijkheid bestaat dat er misschien nooit een bestemmingswijziging zal plaatsvinden, dat Groza en Aktua geen invloed hebben op een bestemmingswijziging, dat de in de grond geïnvesteerde gelden niet direct terug kunnen worden omgezet naar contant geld en dat een aantal gemeenten verliezen hebben op hun grondpositie. 1.10 In het ‘Vragenformulier bij eerste aankoop’, door [eiseres 1] ondertekend op 1 februari 2016, heeft zij op de vraag of zij eerder grond heeft aangekocht bevestigend geantwoord, onder toevoeging dat het gaat om één perceel met een investeringsbedrag van € 150.000. In dat formulier heeft [eiseres 1] verder geschreven dat zij “deze investering” heeft besproken met haar partner. Op de vraag hoeveel procent zij van haar totale vermogen nodig heeft voor de aankoop heeft [eiseres 1] “G.A.” geschreven, wat staat voor ‘geen antwoord’. 1.11 [eiseres 1] heeft bij latere aankopen telkens een ‘Vragenformulier bij vervolg aankoop’ ingevuld. Daarin heeft zij steeds vermeld dat zij de investering niet met haar partner, kinderen en/of (zakelijke) adviseurs heeft besproken en dat zij zelf beslist. 1.12 In de koopovereenkomsten die [eiseres 1] met Groza sloot, staat onder meer dat Groza haar uiterste best heeft gedaan om de vereiste informatie te geven zodat [eiseres 1] op basis daarvan tot een weloverwogen koopbeslissing kon komen, dat het [eiseres 1] bekend is dat de grond geen jaarlijks rendement oplevert en dat er geen garantie is op een waardestijging, al dan niet door bestemmingswijziging. 1.13 In de daarop volgende verificatieformulieren van Groza die [eiseres 1] alle ingevuld heeft, beantwoordde [eiseres 1] onder meer bevestigend dat zij weet en begrijpt dat de overdracht van de grond zal plaatsvinden bij een door Groza aangewezen notaris, dat zij zich ervan bewust is dat door Groza geen garanties worden gegeven op een waardestijging en/of bestemmingswijziging, dat zij de brochure, de koopovereenkomst en het verificatieformulier goed heeft gelezen en heeft begrepen, dat zij ermee bekend is dat zij het perceel in eigendom en beheer krijgt en dat zij beseft dat zij zelf verantwoordelijk is voor de aankoop van de speculatieve investering. 1.14 Nadat de koopovereenkomsten tussen Groza en [eiseres 1] werden gesloten, heeft Groza dan wel Aktua in totaal 34 verificatiegesprekken met [eiseres 1] gevoerd. 1.15 Een groot deel van de leveringsakten voor levering van de percelen die door [eiseres 1] van Groza zijn aangekocht, zijn door [verweerder 2] gepasseerd. Enkele leveringsakten zijn gepasseerd door een ander notariskantoor. [verweerder 2] kreeg telkens van Groza de door [eiseres 1] ingevulde vragen- en verificatieformulieren, alsmede de koopovereenkomsten tussen [eiseres 1] en Groza. Van de verificatiegesprekken zijn geen verslagen aan [verweerders] ter beschikking gesteld. 1.16 In totaal zijn er in verband met de tussen [eiseres 1] en Groza gesloten transacties (inclusief de terugleveringen aan Groza) 67 aktes gepasseerd door het notariskantoor van [verweerder 2] , waarvan achttien door een waarnemer van [verweerder 2] . Chronologisch gaat het om: - twee leveringen in februari 2016 koopsom € 577.000 - twee leveringen in maart 2016 koopsom € 176.950 - zes leveringen in mei 2016 koopsom € 423.762 - drie leveringen in augustus 2016 koopsom € 1.209.812 - één levering in september 2016 koopsom € 197.625 - drie leveringen in oktober 2016 koopsom € 302.925 opbrengst € 209.520 - twee leveringen in januari 2017 koopsom € 650.000 - vier leveringen in maart 2017 koopsom € 1.343.253 opbrengst € 90.000 - zes leveringen in april 2017 koopsom € 2.068.692 - zes leveringen in mei 2017 koopsom € 1.520.610 - zes leveringen in juni 2017 koopsom € 1.040.314 opbrengst € 140.000 - tien leveringen in juli 2017 koopsom € 1.336.211 - zes leveringen in augustus 2017 koopsom € 209.683 - drie leveringen in oktober 2017 koopsom € 50.125 - vijf leveringen in november 2017 koopsom € 2.139.815 opbrengst € 450.000 - één levering in december 2017 koopsom € 390.550 - één levering in januari 2018 opbrengst € 330.000 totaal € 13.637.327 € 1.219.520 1.17 De koopsom voor [eiseres 1] was steeds een veelvoud van de aankoopprijs voor Groza. 1.18 [verweerder 2] zond [eiseres 1] voorafgaand aan de leveringen conceptakten toe. In de begeleidende brieven bij de conceptakten was telkens de volgende passage opgenomen: “In een eerder stadium hebt u reeds aan mij te kennen gegeven dat u zich bewust bent van het volgende: a. het speculatieve karakter van uw aankoop en de prijsstijging tussen het moment van levering en aan de verkoper en vervolgens aan u; b. het feit dat u ‘slechts’ landbouwgrond koopt waarbij uw aankoopsom aanzienlijk hoger ligt dan de gemiddelde prijs van de omliggende landbouwgrond; c. het feit dat de Autoriteit Financiële Markten waarschuwt voor riskante beleggingen in grond; d. het feit dat wanneer er ter zake van de aangekochte grond geen bestemmingsplanwijziging plaatsvindt, de kans op verlies bij doorverkoop door u van deze grond bijzonder groot is en dat dit risico op verlies volledig voor uw eigen rekening komt en dat u noch de verkoper noch de behandelend notaris hiervoor kunt aanspreken.” 1.19 In de (concept- en definitieve) leveringsakten tussen Groza en [eiseres 1] , gepasseerd door [verweerder 2] , is telkens opgenomen: “vrijwaring beoogd gebruik Artikel 10 1. Verkoper verklaarde dat het verkochte thans een agrarische bestemming heeft en verklaarde geen enkele garantie te (kunnen) geven aan koper dat het verkochte in aanmerking komt voor een eventuele toekomstige bestemmingswijziging casu quo verklaarde geen enkele garantie te (kunnen) geven dat de bestemming van het verkochte ooit wordt gewijzigd in een andere dan een agrarische bestemming. 2. Koper verklaarde met deze aankoop een investering te beogen en vrijwaart verkoper bij deze voor alle eventuele gevolgen en aanspraken, in de ruimste zin des woords, ter zake van het uitblijven van een waardevermeerdering van het verkochte, op welke gronden dit ook zij. 3. Koper verklaarde zich ervan bewust te zijn dat hij met betrekking tot het op het verkochte van toepassing zijnde bestemmingsplan een zelfstandige onderzoeksplicht heeft. (...) notariële belehrung Artikel 16 1. Koper verklaarde bekend te zijn met het feit (hetwelk hem ook door verkoper is meegedeeld) dat de onderhavige levering een B-C transactie betreft, opvolgend aan een A-B transactie. 2. Koper verklaarde bekend te zijn (hetwelk hem ook door verkoper is meegedeeld) dat tussen voormelde transacties een waardestijging ten gunste van verkoper zit. 3. Koper verklaarde bekend te zijn (hetwelk hem ook door verkoper is meegedeeld) dat de onderhavige koop en levering niet vallen onder de toezichtregeling van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM), welke regeling, zoals aan koper bekend, raadpleegbaar is via www.afm.nl. 4. Koper verklaarde er mee bekend te zijn – op basis van eigen onderzoek – en koper is door de notaris voldoende geïnformeerd over de gevolgen van de rechtshandelingen gelegen in en voortvloeiende uit deze akte van levering en de daaraan ten grondslag liggende koopovereenkomst met bijbehorende stukken, ondanks dat koper zichzelf niet onmiddellijk kwalificeert als een professionele belegger met de nodige kennis en ervaring in vastgoed en koper verklaarde – voor zover van belang – tijdig de relevante, correcte en duidelijke informatie te hebben ontvangen om zich een oordeel te (kunnen) vormen over het verkochte en de daaraan verbonden kosten en risico’s. 5. Koper verklaarde zich er mee bekend (hetwelk hem ook door verkoper is meegedeeld) dat er geen garanties zijn of kunnen worden gegeven ten aanzien van het verkochte zodat er ook geen termijn valt vast te stellen waarbinnen een bestemmingswijziging plaats zou kunnen vinden. 6. Koper is er mee bekend (hetwelk hem ook door verkoper is meegedeeld) dat bestemmingswijzigingen op andere – vergelijkbare – locaties gelegaliseerd in het verleden geen garanties (kunnen) geven voor de onderhavige locatie waarvan het verkochte deel uitmaakt. 7. Koper is er mee bekend (hetwelk hem ook door verkoper is meegedeeld) dat het verkochte thans jaarlijks geen opbrengsten oplevert anders dan eventueel uit pacht. slotverklaringen De comparanten verklaarden verder: - zij zijn door mij, notaris, gewezen op de gevolgen die uit de onderhavige akte voortvloeien of kunnen voortvloeien; - zij hebben tijdig vóór de ondertekening van de onderhavige akte een ontwerp daarvan ontvangen. (...)” 1.20 Alle leveringsakten zijn gepasseerd bij schriftelijke volmacht van [eiseres 1] . 1.21 Nadat de leveringsakten waren gepasseerd, kreeg [eiseres 1] van het notariskantoor telkens een brief toegestuurd waarbij de bewijzen van eigendom waren gevoegd. In deze brieven zijn daarbij steeds in dezelfde bewoordingen gevoerde telefoongesprekken met (een kantoorgenoot van) [verweerder 2] bevestigd waarin [eiseres 1] gewezen is op de risico’s van de transacties. In deze brieven worden als data van met [eiseres 1] gevoerde telefoongesprekken genoemd 8 mei 2016, 17 augustus 2016, 4, 13 en 21 april 2017 en 22 november 2017. De kantoorgenoot van [verweerder 2] heeft in verband met geplande aktepasseringen in brieven van 12 en 22 april 2016 een soortgelijk telefoongesprek bevestigd, gevoerd begin april 2016. 1.22 [verweerder 2] heeft [eisers] met een brief van 14 april 2017 uitgenodigd voor een gesprek op kantoor. [eiseres 1] heeft telefonisch op 21 april 2017 laten weten dit niet nodig te vinden. [verweerder 2] of zijn kantoorgenoten hebben [eiseres 1] en/of [eiser 2] nooit persoonlijk ontmoet. 1.23 [eisers] hebben [verweerder 2] per brief van 20 augustus 2018 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijden. 1.24 [eisers] hebben met een brief van 28 mei 2019 een klacht tegen [verweerder 2] bij de Kamer voor het Notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: ‘de notariskamer’) ingediend. In deze klachtprocedure hebben [eisers] [verweerder 2] verweten dat hij nalatig is geweest bij het passeren van de leveringsakten van percelen waarbij [eiseres 1] kopende partij was. De klacht ziet er onder meer op dat [verweerder 2] : - [eisers] (nader) had moeten informeren en waarschuwen; - nader onderzoek had moeten doen naar de transactie; en - zijn diensten had moeten weigeren dan wel zijn dienstverlening had moeten opschorten. 1.25 De notariskamer heeft in haar beslissing van 15 november 2019 de klacht van [eisers] gegrond verklaard en [verweerder 2] de maatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd. 1.26 De notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het gerechtshof Amsterdam heeft in een beslissing van 2 februari 2021 de beslissing van de notariskamer bevestigd, waartoe zij concluderend onder meer heeft geoordeeld: “4.17. Uit het voorgaande volgt dat de klacht op alle onderdelen gegrond is. De notaris had bij deze vorm van beleggen, waarbij een particulier een groot deel van zijn vermogen opmaakt in een serie van 41 transacties, veel meer moeten doen dan alleen het opnemen van standaardwaarschuwingen in akten en het voeren van een enkel telefoongesprek. Het nalaten van een zorgvuldig onderzoek, het niet opschorten dan wel weigeren van zijn dienstverlening en het onvoldoende invulling geven aan de op hem rustende zorgplicht op grond van art. 43 Wna [Wet op het Notarisambt, A-G] en de (bijzondere) waarschuwingsplicht jegens klagers, leveren een zeer ernstige tekortkoming op van de notaris en zijn tuchtrechtelijk verwijtbaar. Daarbij is in het bijzonder ook de positie van klager [ [eiser 2] , A-G] in aanmerking genomen. Anders dan bij klaagster [ [eiseres 1] , A-G], was bij klager immers geen eigen schuld aanwezig. De schade die klaagster en klager kunnen ondervinden van de transacties is meer dan aanzienlijk en kan bestaan in het verlies van de resultaten van hun onderneming tot een bedrag van € 11.000.000. De klacht ziet niet op één, maar op 41 akten die over een periode van twee jaar zijn gepasseerd. Daarom kan vastgesteld worden dat sprake is van structureel laakbaar handelen gedurende een langere periode, in elk geval de periode waarin de notaris wist dat klaagster het niet bij een of een paar aankopen zou laten én de periode waarin de notaris wist dat het vermogen van klager door de transacties ook geraakt werd. (…) (...)” 2Procesverloop Eerste aanleg 2.1 Bij dagvaarding van 29 juni 2020 hebben [eisers] [verweerders] gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland. Volgens [eisers] hebben [verweerders] jegens hen onder meer hun zorg-, onderzoeks- en waarschuwingsplicht geschonden. [eisers] hebben bij de rechtbank, kort gezegd en voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: - voor recht wordt verklaard dat [verweerders] op grond van een onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor de door [eisers] geleden en nog te lijden schade; - [verweerders] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan [eisers] van een schadevergoeding van primair € 13.024.516,05, subsidiair € 8.171.066,31 en meer subsidiair een in goede justitie te betalen bedrag. 2.2 De rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis van 24 mei 2023 afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake was van onrechtmatig handelen door [verweerder 2] en heeft het voldoende aannemelijk geacht dat [eiseres 1] ook als zij door [verweerder 2] nogmaals was gewezen op de gevolgen die voortvloeiden uit de transacties en was gewaarschuwd voor de risico’s, niet anders had gehandeld dan zij thans heeft gedaan (rov. 4.3.). Hoger beroep 2.3 Bij dagvaarding van 21 augustus 2023 zijn [eisers] bij het hof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. 2.4 Het hof heeft bij arrest van 18 juni 2024 het vonnis van de rechtbank vernietigd en, kort gezegd en voor zover in cassatie nog van belang, opnieuw rechtdoende: - voor recht verklaard dat [verweerders] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor 55% van de door [eisers] geleden en nog te lijden schade vanwege schending van de tegenover hen geldende zorgplicht; - [verweerders] hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van 55% van de door [eisers] geleden en nog te lijden schade vanwege die schending, op te maken bij staat. 2.5 Het hof heeft daartoe – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen en geoordeeld. 2.6 Het hof heeft, na een inleiding (rov. 5.1), eerst het toetsingskader geschetst: “5.2 Bij de beoordeling van de bezwaren en de vordering van [eisers] stelt het hof het volgende voorop. 5.3 Een notaris dient als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht (zorgplicht). Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan deze zorgvuldigheidsplicht meebrengen dat de notaris bij het passeren van een akte niet slechts de zakelijke inhoud daarvan meedeelt en toelicht, maar ook wijst op de gevolgen die uit die inhoud voortvloeien (informatieplicht). 5.4 Wat betreft de van de notaris te verwachten zorgvuldigheid geldt dat artikel 21 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) de notaris verplicht de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten. De notaris moet zijn dienst echter weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem wordt verlangd leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft. Bij gerede twijfel aan de goede bedoelingen van zijn cliënt, moet de notaris zijn dienst weigeren of zich door nader onderzoek overtuigen van het geoorloofde karakter ervan. 5.5 De functie van de notaris in het rechtsverkeer verplicht hem onder bijzondere omstandigheden ook tot een zekere zorg voor de belangen van derden welke mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door zijn cliënten van hem verlangde ambtsverrichtingen. Deze zorgplicht kan ertoe leiden dat de notaris gegronde redenen heeft als hiervoor bedoeld om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren of op te schorten. Verleent hij de gevraagde dienst toch, dan kan dit zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens de betrokken derde(
- n)meebrengen. 5.6 Op degene die stelt dat de notaris als beroepsbeoefenaar in de nakoming van zijn hiervoor genoemde zorgvuldigheidsplicht is tekortgeschoten, rust de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die dit oordeel kunnen dragen. Van de notaris kan echter worden verlangd dat hij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de desbetreffende stellingen, teneinde degene die hem aanspreekt aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. 5.7 Voor zover de notaris geen aantekeningen bijhoudt en bewaart van wat hij in het kader van zijn voorlichtingsplicht met de betrokkene heeft besproken, kan dat ertoe leiden dat hij niet aan de zojuist genoemde motiveringsplicht kan voldoen, wat dan voor zijn risico komt.” 2.7 Daarna is het hof ingegaan op de betekenis van een oordeel van de tuchtrechter en de consequenties voor de onderhavige zaak: “5.8 Vaste rechtspraak is verder dat aan het oordeel van de tuchtrechter dat is gehandeld in strijd met de voor het notarisberoep geldende normen en regels niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene ook civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm. Wel moet de (civiele) rechter, indien hij van dit oordeel afwijkt, zijn oordeel zodanig motiveren dat het ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter voldoende begrijpelijk is. 5.9 Het hof moet daarom zelfstandig oordelen over de door [eisers] bij de rechtbank en in hoger beroep aangevoerde feiten en argumenten en het daartegen door [verweerders] gevoerde verweer, een en ander tegen de achtergrond van de hiervoor uiteengezette aansprakelijkheidsnorm, die niet zonder meer samenvalt met de tuchtrechtelijke norm in de tuchtprocedure.” 2.8 Het hof heeft vervolgens, anders dan de rechtbank, geoordeeld dat [verweerder 2] niet heeft voldaan aan zijn zwaarwegende zorgplicht en zijn bijzondere waarschuwingsplicht (rov. 5.10). Aan dat oordeel heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd. 2.9 Het hof heeft eerst overwogen dat het notariskantoor al enige tijd bekend was met het bedrijfsmodel van Groza en dat [verweerders] niet gemotiveerd hebben bestreden dat [verweerder 2] wist dat voor geen van de door Groza verkochte percelen landbouwgrond een waardestijging had plaatsgevonden: “5.11 Het notariskantoor heeft al vóór 2016 – in de persoon van [toenmalig notaris] – grondtransacties verzorgd voor Groza als verkopende partij. Begin 2016 heeft [verweerder 2] Groza als cliënte van zijn toenmalig kantoorgenoot overgenomen. Het notariskantoor was daarmee al enige tijd bekend met het bedrijfsmodel van Groza, zijnde het opkopen van grond met een agrarische bestemming, het splitsen daarvan en vervolgens verkopen van die percelen als een investering waarop wellicht door een bestemmingswijziging een waardestijging kon worden gerealiseerd. Groza verkocht de percelen door voor een veelvoud van de prijs waarvoor zij de percelen had aangekocht. In het geval van [eiseres 1] was de prijs bij doorverkoop meer dan drie keer de aankoopprijs, en in een enkel geval bedroeg de prijs bij doorverkoop zelfs een tienvoud van de aankoopprijs. Doorgaans leverde Groza de door haar verkochte percelen via een ABC-transactie. 5.12 Uit de overgelegde aantekeningen van de behandeling bij de notariskamer (…) blijkt dat [verweerder 2] dit soort transacties ook vergeleek met “een casinospel”. In dit verband is verder van belang dat [verweerders] niet gemotiveerd hebben bestreden dat [verweerder 2] toentertijd wist dat voor geen van de door Groza verkochte percelen landbouwgrond een wijziging van het bestemmingsplan en daarmee een daaraan gerelateerde waardestijging had plaatsgevonden. Daarmee kan al niet worden volgehouden, zoals [verweerders] betogen, dat de prijsstijgingen voor kopers als [eiseres 1] verklaarbaar waren. Het eigen onderzoek daarnaar van [verweerders] heeft zich naar hun eigen stelling beperkt tot de door Groza en Aktua verstrekte gegevens. Een en ander doet verder niets af aan het gegeven dat de percelen landbouwgrond zonder bestemmingswijziging en zonder concreet en objectief uitzicht op een dergelijke bestemmingswijziging, vooralsnog alleen een agrarische waarde hadden. De percelen hadden in elk geval niet een waarde die een veelvoud was van de agrarische waarde.” 2.10 Het hof heeft daarna overwogen dat [verweerders] er vanuit hadden te gaan dat [eiseres 1] als een particulier zonder bijzondere kennis of ervaring de speculatieve aankopen deed en dat zij bij haar aankopen niet werd bijgestaan door een onafhankelijk adviseur of deskundige: “5.13 Ten behoeve van de levering van het eerste door [eiseres 1] van Groza gekochte perceel heeft [eiseres 1] in een vragenformulier van 1 februari 2016 ingevuld dat zij één keer eerder een perceel grond heeft gekocht. [verweerders] kunnen dan ook niet worden gevolgd in hun stelling dat [eiseres 1] , voordat zij speculatieve grond van Groza kocht, daarin al een ruime ervaring had en ‘dus al goed wist wat zij deed en wat de risico’s daarvan waren’. Dat heeft [verweerder 2] in 2016 evenmin kunnen baseren op de door hem genoemde buitendienstverslagen van Aktua of de inhoud van gevoerde verificatiegesprekken. Gesteld noch gebleken is immers dat [verweerders] tijdens hun leveringswerkzaamheden tot en met november 2017 kennis hebben gekregen van de inhoud van deze stukken. [verweerders] hadden er dan ook van uit te gaan dat [eiseres 1] als een particulier zonder bijzondere kennis of ervaring de speculatieve aankopen deed 5.14 Verder geldt dat in het vragenformulier voor de eerste aankoop nog is vermeld dat [eiseres 1] die aankoop besproken heeft met haar partner; in latere vragenformulieren heeft [eiseres 1] steeds geantwoord dat zij zelf heeft beslist en de aankopen niet met anderen dan Groza en Aktua heeft besproken. [verweerders] hadden er dan ook van uit te gaan dat [eiseres 1] bij haar aankopen van Groza niet werd bijgestaan door een onafhankelijke adviseur of deskundige. [verweerders] hebben nog aangevoerd dat [eiseres 1] tijdens daarover gevoerde telefoongesprekken heeft gezegd dat zij de voorgenomen transacties wel met haar partner had besproken, maar dat kan hen – gelet op wat [eiseres 1] daartegen heeft aangevoerd – niet baten. [verweerders] hebben allereerst niet toegelicht wat zij dan met dat (kennelijk steeds) van de vragenformulieren afwijkende gegeven hebben gedaan. Bovendien ontbreekt iedere vastlegging daarover en is gesteld noch gebleken dat er verder onderzoek naar is gedaan.” 2.11 Volgens het hof is verder relevant dat vaststaat dat [verweerder 2] (of één van de kantoorgenoten van [verweerder 2] ) [eiseres 1] nooit persoonlijk heeft ontmoet. In dat kader heeft het hof verwezen naar de gevoerde telefoongesprekken tussen [verweerder 2] en [eiseres 1] . Dat zouden er volgens [verweerders] twaalf zijn, waarbij zij hebben verwezen naar productie 21 bij hun conclusie van antwoord. Het hof heeft in die productie acht data kunnen terugvinden waarop telefonisch contact is geweest, waarvan vier in 2016. Het hof heeft overwogen dat enige vastlegging van wat op enig moment in 2016 door [verweerders] met [eiseres 1] is besproken over de kenmerken van de aankopen en de daaraan verbonden risico’s niet is terug te vinden in de door [verweerders] aangewezen producties. Volgens het hof kan tegen de achtergrond van wat van een notaris mag worden verwacht als bedoeld in rov. 5.7 (zie randnummer 2.6 hiervoor) daarom niet worden aangenomen dat [verweerders] in 2016 in enig persoonlijk contact [eiseres 1] actief en uitgebreid hebben gewezen op de speculatieve kenmerken van de aankopen en de daaraan verbonden (financiële) risico’s en zich ervan hebben vergewist dat [eiseres 1] ten volle begreep waaraan zij zeer grote bedragen uitgaf (rov. 5.15). 2.12 Naar het oordeel van het hof kan voorts niet worden aangenomen dat [verweerders] op relevante wijze de financiële situatie van [eiseres 1] hebben gevolgd en beoordeeld en kan evenmin tot de conclusie worden gekomen dat [verweerders] de financiële situatie van [eiseres 1] en de eventuele gevolgen voor [eiseres 1] en [eiser 2] voldoende in beeld hadden: “5.16 Dat [verweerders] op relevante wijze de financiële situatie van [eiseres 1] hebben gevolgd en beoordeeld, zoals zij stellen, kan ook niet worden gevolgd. Zij verwijzen daartoe alleen naar gedeponeerde jaarrekeningen van de BV aangaande de boekjaren 2015 tot en met 2017.Uit de overgelegde informatie blijkt echter dat de informatie over 2015 pas op 16 december 2016 is gedeponeerd. Die informatie kan daarmee al niet dragend zijn geweest voor de stelling van [verweerders] dat het in geheel 2016 financieel verantwoord was dat [eiseres 1] de speculatieve aankopen deed. Daarbij valt, zonder toelichting die ontbreekt, niet in te zien dat de informatie over de BV voldoende zeggingskracht had over de financiële (on)mogelijkheden van [eiseres 1] . Uit de vragenformulieren blijkt wel dat [eiseres 1] steeds geen antwoord (“G.A.”) wilde geven op de vraag welk percentage van haar vermogen gemoeid was met de betreffende transactie. Daarmee kan evenmin tot de conclusie worden gekomen dat [verweerders] de financiële situatie van [eiseres 1] in voldoende mate in beeld hadden. 5.17 Onomstreden is dat [eiseres 1] de koopsommen voor de door haar gekochte percelen voldeed vanaf een door haar en haar partner [eiser 2] aangehouden ‘en/of’-rekening. Op enig moment is [eiseres 1] die ‘en/of’-rekening gaan voeden met gelden afkomstig van de BV, waarmee zij de koopsommen aan Groza kon betalen. Deze handelwijze wijst erop dat [eiseres 1] financieel niet in staat was om de aankopen te financieren met eigen vrij vermogen. Dit levert daarnaast een bevestiging op voor de vaststelling hiervoor dat [verweerders] zich onvoldoende een beeld hadden gevormd van de financiële situatie van [eiseres 1] en de eventuele gevolgen voor haar én [eiser 2] van het op deze wijze financieren van de aankopen.” 2.13 Het hof heeft vervolgens overwogen dat [verweerders] [eiseres 1] alleen met gestandaardiseerde waarschuwingen en de in algemene bewoordingen gestelde ‘Belehrungsclausule’ gewezen hebben op de risico’s van de transacties. Volgens het hof is niet gebleken dat [verweerders] zich in voldoende mate ervan hebben overtuigd dat [eiseres 1] de bijzondere aspecten van de percelen en de daaraan verbonden risico’s daadwerkelijk begreep: “5.18 [verweerders] hebben, zo volgt mede uit het voorgaande, [eiseres 1] alleen met de gestandaardiseerde waarschuwingen in de brieven waarmee de concept-akten werden toegezonden en de in deze akten opgenomen, in algemene bewoordingen gestelde ‘Belehrungsclausule’ gewezen op de bijzondere aspecten van de percelen en de daaraan verbonden risico’s. Dat [verweerders] zich in voldoende mate ervan hebben overtuigd dat [eiseres 1] een en ander begreep, blijkt niet. Alle informatie in de stukken was afkomstig van Groza en Aktua en [eiseres 1] heeft zich daarin beperkt tot het aanvinken van antwoorden dan wel het beantwoorden van gestandaardiseerde vragenformulieren. Persoonlijk contact met [eiseres 1] is er niet geweest en de inhoud van de gevoerde telefoongesprekken is onduidelijk gebleven. [verweerders] stellen wel dat [eiseres 1] aan [verweerder 2] heeft gezegd dat zij de transacties wel met haar man besprak, maar in de genoemde vragenformulieren gaf [eiseres 1] steeds aan dat zij die transacties niet met een ander besprak. [verweerders] waren zich van dat verschil ook wel bewust, zo blijkt uit hun eigen stellingen (zie 5.14). 5.19 [verweerders] voeren aan dat [eiseres 1] de door hen gegeven waarschuwingen ‘dondersgoed heeft begrepen’, daarmee stellend dat [eiseres 1] voldoende is geïnformeerd en gewaarschuwd. Dat baseren [verweerders] op een op 16 september 2017 door [eiseres 1] verzonden bericht aan een medewerker van Aktua waarin [eiseres 1] schrijft: “Goedemorgen (...). Alles binnen op het oude adres. Alles met vette waarschuwing van uw notaris. Ik hoop echt over een maand uit de kosten te zijn. Dat zal lekker slapen.” Nog daargelaten dat dit bericht dateert van ruim één jaar na wat in de gegeven omstandigheden per augustus 2016 van [verweerder 2] mocht worden verwacht, kan uit dit bericht geenszins worden afgeleid dat [eiseres 1] daarmee werkelijk begreep wat de transacties inhielden en welke (financiële) risico’s en gevolgen daaraan waren verbonden. Datzelfde bericht geeft wel het inzicht in wat [eiseres 1] hoopte; namelijk dat zij op korte termijn ‘echt uit de kosten’ zou zijn. Die hoop/verwachting was – gelet ook op de hoogte van de koopsommen en het aanzienlijke aantal percelen dat [eiseres 1] al had aangekocht – niet reëel, zo wist ook [verweerder 2] (zie 5.11 en 5.12, eerste alinea), en wijst er ook veeleer op dat [eiseres 1] zich juist niet van het zeer riskante karakter van de transacties bewust was.” 2.14 Het hof heeft daarna uiteengezet dat [eiseres 1] vanaf februari 2016 in korte tijd diverse percelen van Groza heeft aangekocht en dat zich tegen augustus 2016 bij [verweerders] nog een serie leveringen aandiende. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat er voor [verweerders] per augustus 2016 alle aanleiding was om de werkzaamheden op te schorten en [eiseres 1] in een persoonlijk contact de risico’s voor te houden. Doordat zij dit hebben nagelaten, is [verweerder 2] volgens het hof ten opzichte van [eiseres 1] tekortgeschoten in zijn waarschuwings- en zorgplicht: “5.20 Vanaf februari 2016 is [eiseres 1] in korte tijd diverse percelen van Groza gaan kopen. Uit het in 3.13 weergegeven overzicht volgt dat zij in een tijdbestek van nog geen vier maanden tien percelen heeft gekocht en afgenomen voor bijna € 1,2 miljoen. Tegen augustus 2016 diende zich bij [verweerders] nog een serie leveringen aan die [eiseres 1] eveneens zo’n € 1,2 miljoen zouden kosten. 5.21 Gezien het risicovolle karakter van deze aankopen, de daarmee gemoeide bedragen, de hoedanigheid van en de zeer beperkte en onduidelijke communicatie (zie o.m. 5.14 en 5.18) met [eiseres 1] was er daarmee naar het oordeel van het hof voor [verweerders] op dat moment – dus per augustus 2016 – alle aanleiding om zijn verdere werkzaamheden op te schorten totdat hij persoonlijk in een fysieke ontmoeting met [eiseres 1] had gesproken. Op die wijze had niet alleen gecontroleerd kunnen worden of zij daadwerkelijk begreep wat zij als koper in de leveringsakten verklaarde. In dat verband had ook van [verweerder 2] , gezien de in de artikel 17 en 43 Wna neergelegde verplichtingen, verwacht mogen worden dat hij zijn kennis als bedoeld in 5.11 en 5.12, eerste alinea, met [eiseres 1] had gedeeld en daarmee aan haar de specifieke aan de door [eiseres 1] voorgenomen rechtshandelingen verbonden risico’s had voorgehouden. Dit alles is nagelaten. [verweerder 2] is daardoor ten opzichte van [eiseres 1] in zijn waarschuwings- en zorgplicht tekortgeschoten.” 2.15 Deze conclusie geldt volgens het hof ook ten aanzien van [eiser 2] . Ook ten opzichte van hem is [verweerder 2] (dus) in zijn waarschuwings- en zorgplicht tekortgeschoten: “5.22 Diezelfde conclusie moet naar het oordeel van het hof getrokken worden als het gaat om de positie van [eiser 2] . Het was [verweerders] duidelijk dat [eiseres 1] de aankopen voldeed vanaf een bankrekening waartoe ook [eiser 2] gerechtigd was. [verweerders] waren, naar zij stellen, er ook mee bekend dat [eiseres 1] en [eiser 2] op huwelijkse voorwaarden waren getrouwd en dat tussen hen, behalve de inboedel, iedere gemeenschap van goederen was uitgesloten. [verweerders] hadden zich dan ook dienen te realiseren – zoals zij kennelijk ook later in april 2017 hebben gedaan – dat [eiseres 1] mogelijk onrechtmatig tegenover [eiser 2] zou kunnen handelen door genoemde, forse bedragen aan die ‘en/of’-rekening te onttrekken. Hierbij is van belang dat [eiseres 1] zich volgens [verweerders] tegenstrijdig uitliet over de vraag of zij nu wel of niet met [eiser 2] overleg had gevoerd over de speculatieve aankoop van de percelen. In de vragenformulieren over de vervolgaankopen vermeldde zij steeds dat zij daarover géén overleg met [eiser 2] had gehad terwijl zij in telefoongesprekken met (medewerkers van) [verweerder 2] steeds zou hebben verklaard dat zij die aankopen wel met [eiser 2] had afgestemd. Op deze tegenstrijdige verklaringen kon [verweerder 2] daarmee niet afgaan, terwijl het tegen augustus 2016 aan de orde zijnde financieel belang al aanzienlijk was en de door [eiseres 1] voorgenomen investeringen onverminderd riskant waren (in de woorden van [verweerder 2] : ‘een casinospel’). Zodoende had [verweerder 2] , vanwege de op hem rustende zorgplicht voor [eiser 2] als een derde waarvan de belangen (mogelijkerwijs) betrokken zijn bij de van hem door [eiseres 1] gevraagde leveringswerkzaamheden (zie 5.5), tegenover [eiseres 1] het standpunt moeten innemen dat hij die werkzaamheden pas zou uitvoeren nadat hij met [eiser 2] had gesproken op een wijze als de voorgaande overweging is vermeld. De ten opzichte van [eiseres 1] in beginsel in acht te nemen geheimhoudingsplicht staat daaraan, anders dan [verweerders] menen, niet in de weg. Indien [eiseres 1] bedoeld contact van [verweerders] met [eiser 2] had willen blokkeren, hadden [verweerders] daaraan in de aan de orde zijnde omstandigheden per augustus 2016 de consequentie moeten verbinden dat de gevraagde dienst niet kon worden verricht. Door onverminderd door te gaan met de leveringswerkzaamheden is daardoor de ook in dit geval ten opzichte van [eiser 2] in acht te nemen zorgplicht geschonden.” 2.16 Enkele verweren van [verweerders] zijn door het hof verworpen. Zo kan het audit-onderzoek dat is uitgevoerd door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie [verweerders] volgens het hof niet baten: “5.23 Anders dan [verweerders] menen, kan hun verwijzing naar het in december 2017 uitgevoerde audit-onderzoek door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) hen niet baten. Het daarin verwoorde positieve oordeel over het functioneren van het notariskantoor op de vijf getoetste kwaliteitsaspecten is immers niet gebaseerd op enig getoetst dossier van Groza en [eiseres 1] . Uit dat rapport blijkt wel dat met de auditor van de KNB is gesproken over een ‘omvangrijke en langlopende opdracht inzake speculatieve gronden’, maar niet wat is besproken. De opmerking van de auditor dat zijn inziens de aanpak van het notariskantoor ‘adequaat ’ is, komt dan ook niet de betekenis toe die [verweerders] daaraan toekennen, nog daargelaten dat de tuchtrechter het beroepsmatig handelen inzake deze aanpak heeft afgekeurd.” 2.17 Evenmin is volgens het hof van belang dat [verweerders] steeds met al gesloten koopovereenkomsten werden geconfronteerd: “5.24 Het gegeven dat [verweerders] naar eigen zeggen steeds werd[en] geconfronteerd met al gesloten koopovereenkomsten van Groza en [eiseres 1] , doet niets af aan wat van [verweerders] in de geschetste omstandigheden mocht worden verwacht. De zorgplicht van [verweerder 2] strekte immers juist ter bescherming (van de belangen) van [eiseres 1] en [eiser 2] . In ieder geval miskent die stelling ook dat het delen van de kennis die [verweerders] hadden en het persoonlijk meer indringend waarschuwen voor de riskante aspecten van aankopen [eiseres 1] (eerder) tot inkeer had kunnen doen komen en haar had kunnen behoeden voor het opnieuw doen van dergelijke aankopen.” 2.18 Ten slotte heeft het hof geoordeeld dat de uitnodiging van [verweerder 2] aan [eisers] voor een persoonlijk gesprek in april 2017 de door het hof vastgestelde tekortkomingen niet opheft en dat de voorgezette dienstverlening ondanks het uitblijven van een gesprek veeleer tot een verdieping van het aan [verweerders] te maken verwijt leidt: “5.25 De omstandigheid dat [verweerder 2] uiteindelijk in april 2017 [eiseres 1] en [eiser 2] voor een persoonlijk gesprek heeft uitgenodigd (zie 5.18), heft de hiervoor vastgestelde tekortkomingen vanaf augustus 2016 evenmin op. Die uitnodiging heeft niet tot een persoonlijk gesprek met [eiseres 1] en/of [eiser 2] geleid; [verweerder 2] heeft genoegen genomen met de reactie van [eiseres 1] dat een gesprek niet nodig was, terwijl het juist haar handelwijze en de daarvan door [verweerder 2] gevreesde gevolgen was die tot informatieverschaffing en een meer indringende waarschuwing had moeten leiden. [verweerders] hebben ondanks het uitblijven van een door hen als noodzakelijk beoordeeld gesprek, onverminderd hun dienstverlening voortgezet. Die vanaf april/mei 2017 onverminderd voortgezette dienstverlening verdiept dan ook veeleer het aan [verweerders] te maken verwijt.” 2.19 Volgens het hof volgt uit het voorgaande de conclusie dat het notariskantoor, doordat de voor hem werkzame [verweerder 2] zijn zorgplicht tegenover [eiseres 1] en [eiser 2] niet is nagekomen, als opdrachtnemer is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen tegenover [eiseres 1] en onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser 2] en dat [verweerder 2] als uitvoerend notaris op dezelfde voet onrechtmatig tegen hen heeft gehandeld. [verweerders] hebben naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld voor de conclusie dat een en ander hun niet kan worden toegerekend (rov. 5.26). 2.20 Het hof is vervolgens ingegaan op de vraag of de door [eisers] gestelde schade is veroorzaakt door de schending van de zorgplicht van [verweerders] (het causaal verband). Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord en heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat een vergelijking moet worden gemaakt van de hypothetische situatie waarin [eisers] zouden hebben verkeerd als [eiseres 1] begin augustus 2016 van [verweerders] de hiervoor bedoelde informatie had gekregen met de huidige feitelijke situatie (rov. 5.27). Het hof heeft zijn oordeel over het causaal verband als volgt gemotiveerd: “5.28 [eiseres 1] heeft steeds door beantwoording van de vragenformulieren tot uiting laten komen dat zij binnen vijf jaar na aankoop een wijziging van de bestemming van de aangekochte gronden verwachtte. Uit de vragenformulieren blijkt verder dat [eiseres 1] vermeldde dat zij de betreffende koop niet met haar partner, kinderen en/of (zakelijke) adviseurs heeft besproken en dat zij zelf beslist. Het was [verweerders] daarmee duidelijk kenbaar dat [eiseres 1] geen onafhankelijk adviseur / deskundige aan haar zijde had. Uit de door Groza aan [verweerders] aangereikte informatie en stukken blijkt verder dat [eiseres 1] (in hoge mate) afging op de informatie die afkomstig was van Groza en Aktua. Het ging daarbij in relatief korte termijn om een groot aantal gekochte percelen met een besteding van forse bedragen. In de vragenformulieren voor de aangekochte percelen heeft [eiseres 1] daarbij de vraag naar welk percentage van haar vermogen met die aankoop was gemoeid, steeds niet willen beantwoorden. 5.29 Of [eisers] daadwerkelijk de in de stukken opgenomen waarschuwingen over het speculatieve karakter van de aankopen en daarmee de uiterst onzekere verwachting over het (kunnen) terugkrijgen van de betaalde koopsommen, laat staan over het daadwerkelijk (kunnen) realiseren van winst, heeft begrepen, en daarmee de (financiële) gevolgen voor haar, [eiser 2] en hun beider onderneming als de betaalde koopsommen niet binnen de door [eiseres 1] aangegeven termijn zou zijn terugontvangen, hebben [verweerders] zelf niet in voldoende mate vastgesteld, zoals hiervoor al is overwogen. 5.30 Aannemelijk is dat, als [eiseres 1] begin augustus 2016 daadwerkelijk had begrepen dat de kans op het binnen afzienbare termijn (kunnen) terugkrijgen van betaalde koopsommen en het (kunnen) realiseren van winst bepaald ongunstig was en haar verwachtingen daarover hoogstwaarschijnlijk niet zouden uitkomen, zij tot inkeer was gekomen en was gestopt met kopen en afnemen van dergelijke speculatieve gronden. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [eiseres 1] dan toch substantiële bedragen zou zijn blijven beleggen in speculatieve landbouwgronden via Groza en Aktua met alle risico’s van dien. [eiseres 1] is in dit opzicht een particulier met alleen ervaring als tomatenkweker – en geen juridische professional, professioneel belegger of vastgoed- of grondhandelaar – die kennelijk niet alleen het vrije vermogen van haarzelf en [eiser 2] volledig besteedde maar ook substantiële bedragen van de BV. 5.31 In het verlengde van het voorgaande faalt ook het verweer van [verweerders] dat causaal verband ontbreekt omdat [eiseres 1] in het geval dat door hen ministerie was geweigerd, zich tot een andere notaris had gewend. Het is immers evenmin aannemelijk dat [eiseres 1] op dezelfde weg verder was gegaan nadat [verweerder 2] met een weigering zo’n duidelijk signaal in háár belang had afgegeven.” 2.21 Het hof heeft daarna de vraag beantwoord of de beroepsfout van [verweerder 2] , waarvan ook het notariskantoor de gevolgen heeft te dragen, schade heeft veroorzaakt bij [eisers] Het hof heeft overwogen dat [eisers] een schadevergoeding vorderen in de vorm van concreet genoemde bedragen dan wel in de vorm van een door het hof te bepalen bedrag en dat zij in verband met dat laatste in eerste aanleg hebben geschreven dat de zaak daarvoor zo nodig naar de schadestaatprocedure moet worden verwezen. Het hof heeft overwogen dat voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure voldoende is dat [eisers] de mogelijkheid van schade aannemelijk maken (rov. 5.32). Het hof is vervolgens tot het oordeel gekomen dat [eisers] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij door de beroepsfout van [verweerders] schade hebben geleden en dat in de schadestaatprocedure aan de orde kan komen wat de precieze omvang van de schade is van [eisers] en in hoeverre de schade door de schending van de zorgplicht van [verweerders] is veroorzaakt (rov. 5.33). Voorts heeft het hof geoordeeld dat het geen mogelijkheid ziet de schade zelf te begroten, omdat het daarvoor onvoldoende aanknopingspunten heeft. Het hof heeft partijen daarom naar de schadestaatprocedure verwezen (rov. 5.34 en beslissing onder 6.3). 2.22 Het hof heeft geen reden gezien de aansprakelijkheid van [verweerders] wegens hun verwijzing naar artikel 11 van hun algemene voorwaarden te beperken tot het bedrag waarvoor hun aansprakelijkheidsverzekering recht op uitkering geeft (rov. 5.37-5.39). 2.23 Het hof heeft verder geoordeeld dat het ondanks de verwijzing naar de schadestaatprocedure kan oordelen over het verweer van [verweerders] over eigen schuld van [eiseres 1] , voor zover dat verweer losstaat van de concrete schadeposten. Daarbij heeft het hof vooropgesteld dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden waarop het beroep op eigen schuld gebaseerd is op [verweerders] rusten (rov. 5.40). Het hof heeft als volgt overwogen en geoordeeld: “5.41 Volgens [verweerders] moet de schade geheel voor rekening van [eisers] blijven vanwege hun eigen schuld. Zij hebben in dat verband gewezen op de keuzes die [eiseres 1] steeds heeft gemaakt, ondanks alle inlichtingen en waarschuwingen van Groza, Aktua en [verweerders] , op het op het buiten spel zetten van [eiser 2] , op het bij [verweerders] wekken van de indruk alsof zij weldegelijk overleg voerde met [eiser 2] en op de ruime ervaring die [eiseres 1] volgens hen had met speculatieve grondtransacties. 5.42 In de stelling dat [eiseres 1] voordat zij speculatieve grond van Groza kocht, daarin al een ruime ervaring had en ‘dus al goed wist wat zij deed en wat de risico’s daarvan waren’, kunnen [verweerders] niet worden gevolgd, zoals al in 5.13 is overwogen en waarnaar kortheidshalve wordt verwezen. 5.43 [eiseres 1] moet naar het oordeel van het hof wel worden aangerekend dat zij solistisch is blijven optreden door zonder overleg met of advies van wie dan ook in bijna twee jaar tijd vele tientallen percelen landbouwgrond te kopen tegen een veelvoud van de agrarische waarde. Zij heeft daarbij [verweerder 2] en andere medewerkers van het notariskantoor in de spaarzame telefoongesprekken ten onrechte afgehouden, is een persoonlijk gesprek uit de weg gegaan en heeft kennelijk de aan haar gerichte stukken met de (herhaalde) waarschuwingen onvoldoende gelezen en/of onvoldoende begrepen. Wat [eiseres 1] moet worden tegengeworpen, houdt zodoende in de kern in dat zij ondoordacht heeft gehandeld, kennelijk bevangen zijnde door de door Groza en Aktua aan haar veel te rooskleurig geschetste verwachtingen. Die fout heeft daarmee een kleiner gewicht dan de beroepsfout van [verweerder 2] . 5.44 De zorgplicht van [verweerder 2] bracht nu juist mee dat hij [eiseres 1] er voor hadden [lees: had, A-G] moeten proberen te behoeden dat zij nog meer percelen landbouwgrond met een louter speculatief doel voor zeer grote bedragen kocht en in eigendom verkreeg, met alle ingrijpende, zeer moeilijk omkeerbare en nadelige gevolgen van dien, de gevolgen voor [eiser 2] daaronder begrepen. Dat had [verweerder 2] moeten doen door eerder indringend met haar een gesprek daarover aan te gaan alsook over de onverklaarbare verschillen tussen wat [eiseres 1] schreef en wat zij [verweerders] telefonisch vertelde. In de vragenformulieren vermeldde zij steeds dat zij de investering niet met haar partner, kinderen en/of (zakelijke) adviseurs heeft besproken en dat zij zelf beslist, terwijl zij volgens [verweerders] in de telefonische contacten aangaf dit wel met [eiser 2] besproken te hebben. [verweerder 2] is in zijn zorgplicht, zoals hiervoor al uitvoerig is overwogen, tekortgeschoten. Aangenomen moet worden, dat hij bij nakoming van zijn zorgplicht de geïsoleerde en kwetsbare positie van [eiseres 1] had herkend en zij eerder tot inkeer was gekomen dan wel tegen zichzelf in bescherming was genomen. De ernst van de fout van [verweerder 2] weegt dan ook zwaarder dan die van [eiseres 1] . 5.45 Naar [het] oordeel van het hof moet, gezien de genoemde omstandigheden en gelet op wat de billijkheid eist vanwege de uiteenlopende ernst van de aan [verweerders] en de aan [eiseres 1] toe te rekenen omstandigheden, in dit geval 45% van de schade voor rekening van [eiseres 1] blijven, zodat [verweerders] 55% van de schade moet[en] vergoeden. Daarbij ziet het hof geen reden om een ander percentage te bepalen als het gaat om de schade van [eiser 2] omdat de eigen schuld opleverende handelwijze van [eiseres 1] , [eiser 2] op de voet van artikel 6:101 BW moet worden toegerekend, als zijnde in zijn risicosfeer, door het kennelijk onvoldoende volgen van het verloop van de aan hem toebehorende ‘en/of’-rekening. Dat in een enkel geval – [verweerders] wijzen in dit verband alleen op een mail van 15 november 2017 – Groza (en niet [verweerders] ) een mail heeft gezonden naar het mailadres van de B.V. levert geen andere mate van eigen schuld op bij [eiser 2] . [verweerders] hebben evenmin voldoende uitgelegd dat de tussen [eiseres 1] en [eiser 2] afgesproken taakverdeling (samengevat: [eiser 2] richtte zich op de bedrijfsvoering van de kwekerij en [eiseres 1] deed de administratie) zodanig afwijkend is van wat mocht worden verwacht dat [eiser 2] daardoor zijn schade volledig zou moeten dragen of die schade onvoldoende heeft beperkt, zoals [verweerder 2] [c.s.] betogen.” 2.24 Het hof heeft de bewijsaanbiedingen van [verweerders] gepasseerd (rov. 5.46) en is tot de conclusie gekomen dat het hoger beroep (deels) slaagt (rov. 5.47). Ten slotte heeft het voor recht verklaard dat [verweerders] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor 55% van de door [eisers] geleden en nog te lijden schade vanwege schending van de tegenover hen geldende zorgplicht en heeft het [verweerders] hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van 55% van de door [eisers] geleden en nog te lijden schade vanwege die schending, op te maken bij staat (dictum) (zie ook randnummer 2.4 hiervoor). Cassatie 2.25 Bij procesinleiding van 18 september 2024 hebben [eisers] – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. [verweerders] hebben daartegen verweer gevoerd en hebben daarnaast incidenteel cassatieberoep ingesteld, waartegen [eisers] op hun beurt verweer hebben gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [verweerders] hebben gedupliceerd. 3Juridisch kader Inleiding 3.1 Voordat ik overga tot een bespreking van de klachten van de onderdelen, schets ik het juridisch kader. Daarbij ga ik eerst in op de notariële zorgplicht (randnummers 3.3-3.14). Daarna behandel ik de verhouding van de hoofdprocedure tot een schadestaatprocedure (randnummers 3.15-3.20). Ten slotte bespreek ik het leerstuk van de eigen schuld (randnummers 3.21-3.42). 3.2 De beschouwingen over de notariële zorgplicht dienen als achtergrond, maar zijn niet direct van belang voor de beoordeling van de klachten in het principale cassatieberoep, omdat tegen het oordeel van het hof over de aansprakelijkheid van [verweerders] enkel motiveringsklachten zijn aangevoerd en geen rechtsklachten. De ingevoerde lezer die geen tijd te verliezen heeft, kan deze beschouwingen dan ook overslaan. De andere onderdelen van het juridisch kader zijn opgenomen in verband met specifieke klachten in het principale cassatieberoep over (de mate van) eigen schuld van [eiseres 1] en [eiser 2] . In dat verband is ook relevant welke ruimte de rechter in de hoofdprocedure heeft in geval van een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Notariële zorgplicht 3.3 Notariële zorgplicht jegens partijen/cliënten. Op de notaris rust een zorgplicht (art. 17 lid 1 Wna). De functie van de notaris in het rechtsverkeer brengt mee dat hij beroepshalve gehouden is naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht. Art. 43 lid 1 Wna bepaalt in dit verband (
- i)dat de notaris aan partijen tijdig tevoren de gelegenheid moet bieden om van de inhoud van de akte kennis te nemen, (
- ii)dat de notaris de zakelijke inhoud van een akte moet mededelen en daarop een toelichting moet geven en (iii) dat de notaris zo nodig wijst op de gevolgen die uit de inhoud van de akte voortvloeien. Laatstbedoelde verplichting omvat mede de verplichting zich ervan te vergewissen dat partijen die gevolgen begrijpen. De verplichting om op de gevolgen te wijzen en zich ervan te vergewissen dat partijen die gevolgen begrijpen, wint volgens Uw Raad aan gewicht naarmate die gevolgen voor partijen of een van hen nadeliger of riskanter zijn. 3.4 De omstandigheden van het geval zullen bepalen in hoeverre de notaris gehouden is tot het wijzen op specifieke aan de voorgenomen rechtshandeling verbonden gevolgen en zich ervan te vergewissen dat partijen die gevolgen begrijpen. Met name in geval van speculatieve, risicovolle rechtshandelingen, waarvan Waaijer als duidelijk voorbeeld noemt de verkoop van grond met een bepaalde bestemming waarbij de indruk wordt gewekt dat de grond vanwege een latere bestemmingswijziging in waarde zal stijgen, zou de notaris gehouden zijn tot het geven van een waarschuwing. Mocht een bestemmingswijziging van eerder verkochte, vergelijkbare grond zich bijvoorbeeld nog niet hebben voorgedaan, dan is dat volgens hem reden voor twijfel en het stellen van kritische vragen. De waarschuwingsplicht zou echter niet zo ver gaan dat de notaris zich een oordeel moet vormen over of zich moet verdiepen in het antwoord op de vraag op de transactie in commercieel opzicht wel verantwoord is. 3.5 Ministerieplicht- en weigering. In beginsel is de notaris verplicht de hem door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten (art. 21 lid 1 Wna). De notaris moet zijn dienst echter weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem wordt verlangd, leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft (art. 21 lid 2 Wna). Dat de notaris niet alleen zijn dienst moet weigeren bij zijn redelijke overtuiging, maar ook bij het vermoeden dat de werkzaamheid die van hem wordt verlangd, leidt tot strijd met het recht of de openbare orde (in de parlementaire geschiedenis wordt gesproken van ‘malversaties’), is toegevoegd om de integriteit van het notariaat beter te waarborgen. In dat kader wordt in de parlementaire geschiedenis opgemerkt dat de notaris bij gerede twijfel aan de goede bedoelingen van zijn cliënt zijn dienst dient te weigeren of zich door nader onderzoek dient te overtuigen van het geoorloofde karakter ervan. Indien van de notaris nader onderzoek wordt verlangd, kan hij zijn ministerie opschorten. Onder ‘andere gegronde redenen voor weigering’ kan een breed scala aan situaties vallen, waaronder bijvoorbeeld het hiervoor al genoemde geval dat de notaris de redelijke overtuiging of een vermoeden heeft van misbruik van juridische onkunde of feitelijk overwicht (zie ook hierna). 3.6 In art. 6 Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: ‘KNB’) zijn nadere regels gesteld over de toepassing van art. 21 lid 2 Wna. Op grond van art. 6 lid 1 van die verordening is de notaris verplicht zijn dienst te weigeren indien hij de redelijke overtuiging of het vermoeden heeft dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde of feitelijk overwicht. Op grond van lid 2 en lid 3 is de notaris verplicht zijn dienst te weigeren indien hij de redelijke overtuiging of het vermoeden heeft dat de inhoud van de akte waarvoor zijn tussenkomst is ingeroepen in strijd is met de waarheid of indien zijn medewerking wordt gevraagd aan het vaststellen van door hem niet controleerbare feiten. 3.7 Naarmate een speculatieve en risicovolle transactie nadeliger of riskanter wordt, is er voor de notaris in zijn algemeenheid meer aanleiding om actie te ondernemen, zoals tot op zekere hoogte ook in de rechtspraak van Uw Raad tot uitdrukking komt (randnummer 3.3 hiervoor). Of, en zo ja, welke actie van de notaris kan worden verlangd, zal, die lijn doorgetrokken, van de omstandigheden van het geval afhangen. Ook zal dan van die omstandigheden afhangen of hij kan volstaan met informeren of waarschuwen of dat hij zelfs zijn diensten moet opschorten of weigeren. Het enkele feit dat een partij een speculatieve en risicovolle transactie in (landbouw)grond is aangegaan, is nog geen grond voor dienstweigering door de notaris, mede gelet op het beginsel van contractvrijheid, dat erop neerkomt dat eenieder zelf mag bepalen of hij een overeenkomst sluit, met wie en onder welke voorwaarden. Een overeenkomst kan dus ook zien op een speculatieve transactie of op een transactie waaraan een zeker risico of een zeker nadeel (bijvoorbeeld een verkoop tegen een lagere prijs dan de marktwaarde) is verbonden. Dat enkele feit leidt in het contractenrecht niet tot nietigheid of vernietigbaarheid van de betrokken overeenkomst. Een dergelijk rechtsgevolg is wel aan de orde wanneer een overeenkomst is aangegaan in strijd met een dwingende wetsbepaling of wanneer de inhoud of strekking van een overeenkomst in strijd is met de openbare orde of goede zeden (art. 3:40 BW) of als een overeenkomst onder invloed van een wilsgebrek (anders gezegd: niet in vrijheid) tot stand is gekomen. 3.8 Wat betekent dat voor de notaris? Heeft de notaris aanwijzingen dat de onderliggende overeenkomst nietig is, dan wordt aangenomen dat hij zijn diensten dient te weigeren. Minder duidelijk is dat bij een (mogelijk) vernietigbare titel. Volgens Rheinfeld & Reijnen kan een gegronde reden voor dienstweigering bijvoorbeeld gelegen zijn in een ongebruikelijk verschil in prijs van doorverkochte percelen in opvolgende transacties, hetgeen bij grondspeculatie doorgaans aan de orde is, zij het dat zij aantekenen dat uit de rechtspraak blijkt dat een dergelijke transactie niet per definitie wordt aangemerkt als een transactie waaraan een notaris nooit medewerking mag verlenen. Bovendien nemen zij het standpunt in dat de notaris zijn ministerie niet zal mogen weigeren als hij constateert dat sprake is van vernietigbaarheid, maar de koper de overeenkomst niet wil vernietigen na op behoorlijke wijze door de notaris te zijn voorgelicht. 3.9 Ook Breedveld-de Voogd meent dat de zorgplicht niet zo ver gaat dat de notaris zijn dienst moet weigeren als hij de cliënt heeft gewaarschuwd en hem heeft gewezen op de mogelijkheid van buitengerechtelijke vernietiging, maar de cliënt zijn waarschuwingen in de wind slaat. Een andere opvatting doet volgens haar geen recht aan het beginsel van contractvrijheid, dat zij in dit soort gevallen zwaarder vindt wegen dan de zekerheid van het rechtsverkeer. Maar zo categorisch als dit klinkt, is het niet bij Breedveld-de Voogd. Zij merkt namelijk ook op dat als er bijvoorbeeld geen redelijke verklaring voor een prijsstijging wordt gegeven, de notaris zijn diensten zal moeten weigeren, omdat de kans groot is dat de cliënt dan onder ongeoorloofde druk staat of de belangen van derden of publieke belangen worden geschaad. Boks zit op hetzelfde spoor. Volgens hem heeft de notaris een gegronde reden om zijn diensten te weigeren indien de notaris eerst uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd voor de aan de voorgenomen rechtshandeling verbonden risico’s, maar de cliënt desondanks de transactie wil doorzetten terwijl voor de notaris duidelijk is dat de cliënt de nadelige gevolgen (nog steeds) niet overziet en de risico’s – al dan niet onder invloed van de (meer deskundige of feitelijk sterkere) wederpartij – verkeerd inschat. 3.10 Volgens Waaijer is in de literatuur weliswaar meer steun te vinden voor het standpunt dat het uiteindelijk de cliënt is die bepaalt wat er gaat gebeuren, maar is dat standpunt niet zo duidelijk in de jurisprudentie terug te vinden. Wat Waaijer betreft gaat dienstweigering in die gevallen waarin de cliënt de rechtshandeling ondanks een waarschuwing wil doorzetten in principe te ver. Ook van het opnemen van een aantekening in de akte dat de titel (mogelijk) vernietigbaar is, is hij geen voorstander; de notaris dient zich bewust te zijn van zijn bredere taak in het rechtsverkeer. Een dergelijke aantekening levert een stigma op, een brandmerk waarvoor derden kunnen terugdeinzen. 3.11 De afdronk van het voorgaande voor mij is – ik sluit daarbij aan bij opvattingen in de literatuur en heb inspiratie gevonden in de rechtspraak van Uw Raad – dat van de notaris in beginsel niet meer kan worden verlangd dan dat hij waarschuwt voor de gevolgen en risico’s van de voorgenomen transactie en beoordeelt of de overeenkomst werkelijk in vrijheid tot stand is gekomen en of er geen misbruik van juridische onkunde of feitelijk overwicht is gemaakt. Als de cliënt zijn waarschuwing(
- en)naast zich neerlegt en eventuele risico’s naar eigen zeggen weloverwogen aangaat, dan is de notaris niet direct gehouden zijn ministerie te weigeren. Dit ligt anders als de notaris aanwijzingen heeft dat zijn cliënt in weerwil van diens uitlatingen de risico’s niet werkelijk overziet of dat er anderszins misbruik van juridische onkunde of feitelijk overwicht is gemaakt. Dat eerste (het niet werkelijk overzien van de risico’
- s)zal voor de notaris waarschijnlijk minder moeilijk te onderkennen of te achterhalen zijn dan het tweede (misbruik van juridische onkunde of feitelijk overwicht). 3.12 Notariële zorgplicht jegens derden. Onder bijzondere omstandigheden heeft de notaris ook een zekere zorg voor de belangen van derden die mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door zijn cliënten van hem verlangde ambtsverrichtingen. Ook die zorgplicht kan ertoe leiden dat hij de van hem gevraagde dienstverlening moet weigeren of opschorten vanwege gegronde redenen als bedoeld in art. 21 lid 2 Wna. 3.13 Het is niet goed mogelijk in het algemeen aan te geven wat deze zorgplicht jegens een derde inhoudt, omdat de gevallen sterk kunnen verschillen en daardoor ook de inhoud van de te betrachten zorg. Op dit spoor zit ook Waaijer: volgens hem is het niet eenvoudig te doorgronden wat de zorgplicht jegens derden inhoudt, omdat de ene zorgplicht de andere niet is. Hij wijst in zijn algemeenheid op de zorgplicht van de notaris met het oog op derden die op de notaris vertrouwen. Dat vertrouwen door derden brengt bijvoorbeeld mee dat de notaris zijn ministerie moet weigeren bij schijnhandelingen of als partijen een onwaarheid in een akte willen opnemen. Boks heeft een aantal factoren uitgewerkt voor het bepalen van de omvang van de notariële zorgplicht jegens derden, namelijk de aard van en het inzicht in de belangen van de derde (in dit verband spreekt hij van het kenbaarheidsvereiste), de voorzienbaarheid en de omvang van de schade, het opgewekt vertrouwen en de hoedanigheid van een partij en de derde. Waaijer onderscheidt specifiek twee categorieën derden: aanwijsbare derden met een concreet vermogensrecht (door hem aangeduid als contractueel betrokken derden) en onbepaalde derden met een meer algemeen belang (door hem aangeduid als niet contractueel betrokken derden). In de eerste categorie vallen bijvoorbeeld derden met een voorkeursrecht of een optierecht op een onroerende zaak die wordt overgedragen zonder die rechten te eerbiedigen. Uw Raad heeft in een geval van dergelijke botsende aanspraken kort gezegd geoordeeld dat de notaris, indien hij aanleiding heeft te vermoeden dat bij een levering of bezwaring rechten van derden betrokken zijn, daarover met partijen moet overleggen en zo nodig nader onderzoek moet doen om zich een oordeel te vormen over het antwoord op de vraag of het recht van de derde een beletsel vormt voor de beoogde levering of bezwaring. Is inderdaad sprake van een dergelijk beletsel, dat wil zeggen: als de derde een sterker recht heeft of als de beoogde verkrijger onrechtmatig handelt jegens de derde door levering of bezwaring te verlangen, dan dient de notaris in beginsel zijn ministerie te weigeren. In de tweede categorie vallen bijvoorbeeld de crediteuren van een cliënt van de notaris. Uit de arresten inzake de Tilburgse Hypotheekbank-affaire kan bijvoorbeeld worden afgeleid dat de notaris zijn dienstverlening moet weigeren indien hij weet of moet weten dat de transacties waarvoor zijn medewerking wordt gevraagd een ernstig gevaar voor insolventie van de bank meebrengen, vanwege de gerechtvaardigde belangen van de schuldeisers van de bank. 3.14 Of de notaris de hem gevraagde dienstverlening moet weigeren of opschorten vanwege de zorg voor de belangen van derden, hangt – zo kan afrondend worden gesteld – wederom af van de omstandigheden van het geval. Verhouding van de hoofdprocedure tot de schadestaatprocedure 3.15 In verband met het eigenschuldoordeel van het hof in rov. 5.40-5.45 en de daartegen gerichte subonderdelen 2.1 en 2.2 in het principale cassatieberoep bespreek ik hier de verhouding van de hoofdprocedure tot de schadestaatprocedure. Het hof heeft in rov. 5.40 overwogen dat het over het eigenschuldverweer van [verweerders] kan oordelen, voor zover dat los staat van de concrete schadeposten en ondanks de verwijzing naar de schadestaatprocedure. 3.16 Voor een verwijzing naar een schadestaatprocedure is vereist dat de grondslag voor aansprakelijkheid vaststaat en dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. In de schadestaatprocedure kan vervolgens aan bod komen welke schadeposten er zijn en of, en zo ja, in hoeverre deze voor vergoeding in aanmerking komen. Zoals Uw Raad het uitdrukt, betreft de schadestaatprocedure “de inhoud en omvang van de verplichting tot schadevergoeding”. Een beroep op eigen schuld, een geschilpunt dat de vaststelling van de omvang van de verplichting tot schadevergoeding betreft, kan bijvoorbeeld in de schadestaatprocedure worden beoordeeld. 3.17 Als uitgangspunt geldt dat de rechter al in de hoofdprocedure kan beslissen over punten die partijen verdeeld houden, ook als het geschilpunten betreft die op zichzelf genomen in de schadestaatprocedure (nog verder) aan de orde kunnen worden gesteld, zoals vragen van causaal verband en eigen schuld. Uw Raad heeft in een arrest uit 2017 als volgt overwogen: “3.4.3 Op grond van art. 612 Rv begroot de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, in beginsel de schade in zijn vonnis voor zover hem dit mogelijk is, ook als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd, maar voldoende is gesteld en is komen vast te staan om te kunnen veroordelen tot een bepaald bedrag. Dit uitgangspunt brengt mee dat de rechter, voor zover hem dat mogelijk is in het licht van het debat van partijen en met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, al in de hoofdprocedure kan beslissen over punten die partijen verdeeld houden, ook als het geschilpunten betreft die op zichzelf genomen in de schadestaatprocedure nog (verder) aan de orde kunnen worden gesteld, zoals vragen van causaal verband en eigen schuld. (Vgl. HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2229, NJ 2010/229, rov. 3.5.4). 3.4.4 Het hof heeft geoordeeld dat het in de hoofdprocedure over het beroep op eigen schuld kon beslissen voor zover dit losstaat van de concrete schadeposten. Een eventueel eigenschuldverweer met betrekking tot concrete schadeposten kan in de schadestaatprocedure aan de orde komen, aldus het hof (rov. 4.12, slot). Dit oordeel geeft, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4.3 is overwogen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Anders dan de onderdelen veronderstellen, was een (afgerond) partijdebat over de afzonderlijke schadeposten voor het door het hof gegeven oordeel niet noodzakelijk.” 3.18 Verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft dus een, in mijn woorden, ‘secundair’ karakter. Met het in het vorige randnummer genoemde uitgangspunt strookt dan uiteraard ook dat de rechter het ‘mindere’ kan doen, dat wil zeggen: bepaalde knopen al doorhakken in de hoofdzaak en voor een verdere uitwerking daarvan verwijzen naar de schadestaatprocedure. 3.19 Heeft de rechter in een hoofdprocedure een beslissing genomen over geschilpunten zoals causaal verband en eigen schuld (bijvoorbeeld dat causaal verband aanwezig is, of eigen schuld ontbreekt), dan geldt als uitgangspunt dat de rechter in de schadestaatprocedure aan die beslissing is gebonden en daarvan dus niet mag terugkomen, voor zover het gaat om een bindende eindbeslissing. Van een bindende eindbeslissing is sprake als de rechter een of meer feitelijke of juridische geschilpunten van partijen door middel van een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing heeft afgedaan. 3.20 In de schadestaatprocedure kan een eigenschuldverweer met betrekking tot concrete schadeposten dan wel nog aan de orde komen (zie ook het zojuist weergegeven citaat). In de hiervoor genoemde en geciteerde uitspraak had het hof bijvoorbeeld het beroep op eigen schuld met betrekking tot het aangaan van de koopovereenkomst verworpen, maar een eigenschuldverweer met betrekking tot concrete schadeposten kon in de schadestaatprocedure volgens het hof nog wel aan bod komen. Volgens Lindenbergh lijkt dit op het eerste oog misschien tegenstrijdig, maar is het dat niet, omdat eigen schuld op verschillende ‘niveaus’ een rol kan spelen: “Eigen schuld kan immers op verschillende ‘niveaus’ een rol spelen: zoals hier, aan de wortel van de vordering (denk ook aan eigen schuld aan een aanrijding), maar evenzeer in vertakkingen van de schade (denk aan schending van de verplichting tot beperking van de schade, zoals het niet dragen van een autogordel, wat alleen betrekking heeft op de aldus niet beperkte schadepost). De rechter beschikt over de nodige beleidsvrijheid ten aanzien van het stadium waarin hij op verschillende geschilpunten beslist (…) en kan binnen de door de Hoge Raad gestelde grenzen (schadepost waarop het verweer betrekking heeft, partijdebat, hoor en wederhoor) dus kiezen welke eigenschuldkwestie hij in welk stadium behandelt.” Eigen schuld (art. 6:101 BW) 3.21 Inleiding. In de kern komt art. 6:101 BW erop neer dat de vergoedingsplichtige de schade niet volledig hoeft te vergoeden als de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Het antwoord op de vraag of sprake is van ‘eigen schuld’ en zo ja wat daarvan de gevolgen zijn, vergt, zo blijkt uit art. 6:101 lid 1 BW, het zetten van een aantal stappen. 3.22 Eerst moet worden vastgesteld dat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid aan de zijde van de benadeelde. Daartoe volstaat in beginsel een condicio sine qua non-verband. Als blijkt dat de schade deels is veroorzaakt door een omstandigheid aan de zijde van de benadeelde, dan moet worden beoordeeld of deze omstandigheid aan de benadeelde kan worden toegerekend. Die toerekening is niet alleen aan de orde bij eigen ‘schuld’, waarvan sprake is wanneer de benadeelde zich anders heeft gedragen dan van een redelijk denkend mens onder de gegeven omstandigheden mag worden verwacht, maar ook als sprake is van omstandigheden die naar verkeersopvatting voor rekening of risico van de benadeelde komen (hierna randnummers 3.25 e.v.). Indien vaststaat dat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht in beginsel verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Deze primaire maatstaf van art. 6:101 lid 1 BW is een causaliteitsmaatstaf; zij leidt tot een zogenoemde ‘causale verdeling’ (hierna randnummer 3.36). Van de causale verdeling wordt afgeweken indien de billijkheid dit eist wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval. Deze zogenoemde billijkheidscorrectie (hierna randnummer 3.37) kan leiden tot verval van de vergoedingsplicht of tot het geheel in stand blijven van de vergoedingsplicht en elke verdeling daartussenin. 3.23 Toepassing van art. 6:101 BW kan betrekking hebben op verschillende situaties in temporele zin. Te denken valt aan de situatie dat het ontstaan van een ongeval als schadeveroorzakende gebeurtenis mede aan de benadeelde is toe te rekenen (de benadeelde gaf bijvoorbeeld geen voorrang), maar ook aan de situatie dat de benadeelde aan de omvang van de schade heeft bijgedragen (door bijvoorbeeld geen veiligheidsgordel te dragen) en aan de situatie dat de benadeelde de schade niet heeft beperkt (door bijvoorbeeld niet op tijd een geneeskundige behandeling te ondergaan). De tweede en de derde situatie hebben beide betrekking op de omvang van de schade, maar enkel bij de laatste situatie gaat het om handelen of nalaten ná de schadeveroorzakende gebeurtenis. Voor het toepassingsbereik van art. 6:101 BW doet echter niet ter zake of de beoordeelde omstandigheid zich voor, tijdens of na de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft voorgedaan. 3.24 Voordat ik nader inga op toepassing van de in art. 6:101 BW neergelegde maatstaven (de causale verdeling en de billijkheidscorrectie) en op de ruimte voor toetsing van een eigenschuldoordeel in cassatie (hierna randnummer 3.38), ga ik eerst in op de toerekening in het kader van art. 6:101 BW. 3.25 Toerekening. De toerekening in het kader van art. 6:101 BW beperkt zich, zoals eerder vermeld, niet tot aan de benadeelde verwijtbaar gedrag, maar kan ook bestaan in omstandigheden die in zijn risicosfeer liggen. Gedacht kan worden aan de toerekening van andermans gedrag aan de benadeelde als gedrag dat behoort tot zijn risicosfeer. Een dergelijke toerekening is echter niet snel aan de orde; daarvoor moeten goede argumenten bestaan. Die argumenten zullen over het algemeen gevonden moeten worden in de rechtsverhouding tussen de benadeelde en de ander, die maakt dat het gedrag van de ander in de risicosfeer van de benadeelde valt. Hierbij kan in het bijzonder gedacht worden aan gedragingen van een persoon voor wie de benadeelde in hoedanigheid jegens derden aansprakelijk zou zijn (art. 6:169-6:172 BW). In dit verband wordt wel van ‘reflexwerking’ van deze kwalitatieve aansprakelijkheden voor personen gesproken: hier is de betrokkene niet aansprakelijk jegens een derde voor een gedraging van een ander, maar moet hij als slachtoffer een deel van zijn eigen schade dragen, omdat de schade deels valt toe te schrijven aan een persoon die in zijn risicosfeer valt. Dat laatste leiden we dan af uit het bestaan van een kwalitatieve aansprakelijkheid van de benadeelde jegens derden (bijvoorbeeld als ouder of werkgever) voor gedragingen van de betrokkene (bijvoorbeeld en kind of een werknemer). Maar voor automatismen is geen plaats. Zo kan voor toerekening als eigen schuld van een gedraging van een ander ook bij het ontbreken van kwalitatieve aansprakelijkheid grond bestaan en is het aan de andere kant – kwalitatieve aansprakelijkheid voor de gedraging van een ander is juist wel aan de orde – mogelijk dat toerekening van de gedraging van die ander als eigen schuld onder de bijzondere omstandigheden van het geval achterwege behoort te blijven. 3.26 Toerekening van andermans gedrag is dus ook mogelijk als de benadeelde voor deze persoon niet kwalitatief aansprakelijk is. Niettemin zal hiervan niet snel sprake zijn, gelet op het feit dat er in gevallen buiten kwalitatieve aansprakelijkheid niet direct een duidelijke rechtvaardiging bestaat voor de toerekeningen vanwege de gevolgen van die toerekening. De rechtvaardiging voor toerekening moet dan gevonden worden in de omstandigheden van het geval, zoals een specifieke rechtsverhouding tussen de benadeelde en de mede-aansprakelijke. Bij de gevolgen valt te denken aan het feit dat bij toerekening het insolventie-risico wordt verplaatst van een mede-aansprakelijke naar de benadeelde. Duidelijke voorbeelden van toerekening buiten gevallen van kwalitatieve aansprakelijkheid – naast het in art. 6:101 lid 2 BW geregelde geval (hierna randnummer 3.28) – zijn in de mij bekende rechtspraak en literatuur eigenlijk niet te vinden. Er wordt in de literatuur juist vooral aandacht geschonken aan situaties waarbij toerekening voortvloeit uit een kwalitatieve aansprakelijkheid en/of daarmee vergelijkbare situaties waarbij toerekening kan voortvloeien uit de relevante (contractuele) rechtsverhouding(en). In de parlementaire geschiedenis wordt als voorbeeld onder andere verwezen naar het hierna (randnummers 3.27 e.v.) te bespreken arrest [… 1] / [… 2] van Uw Raad. 3.27 Toerekening tussen echtgenoten. Over het antwoord op de – in de onderhavige zaak relevante – vraag of specifiek het gedrag van de ene echtgenoot (hier: [eiseres 1] ) in het kader van art. 6:101 BW kan worden toegerekend aan de andere echtgenoot (hier: [eiser 2] ), bestaat (vooral) in de (oudere) literatuur verdeeldheid. Die verdeeldheid ziet in het bijzonder op de relevantie van het huwelijksgoederenregime. In dit verband speelt de uitleg van het arrest [… 1] / [… 2] van Uw Raad uit 1959 een rol. In die zaak werd een vrouw ( [… 3] ) aangereden door een derde ( [… 2] ), terwijl zij reed in de auto van haar echtgenoot ( [… 1] ). [… 1] sprak vervolgens de aansprakelijke [… 2] aan. De vordering van [… 1] werd door de rechtbank voor de helft toegewezen, omdat de schuld voor de aanrijding voor een even groot deel bij [… 2] als bij [… 3] lag. In cassatie betoogde [… 1] dat de gehele schade door [… 2] moest worden vergoed, omdat zijn echtgenote [… 3] geen schuld had aan de aanrijding en, zelfs wanneer zij wel medeschuldig was, de rechtbank het uitgangspunt uit het oog had verloren dat hij desondanks voor het volledige bedrag van de schade verhaal zou kunnen nemen op [… 2] als medeschuldige aan het ontstaan van de schade. In verband met dat laatste punt heeft Uw Raad overwogen dat [… 1] in geval van medeschuld van zijn echtgenote [… 2] tot vergoeding van de gehele schade kon aanspreken, maar dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld of de rechtbank dit beginsel had miskend, omdat volgens Uw Raad grond kan bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Uw Raad heeft vervolgens overwogen dat: “indien de benadeelde in gemeenschap van goederen is gehuwd en de aanrijding mede aan de schuld van zijn echtgenote te wijten is, daarmede in dier voege rekening behoort te worden gehouden, dat de vordering tot vergoeding der schade slechts gedeeltelijk wordt toegewezen en de schade voor het overige ten laste van de gemeenschap blijft;” Nu uit het vonnis van de rechtbank niet bleek op welke grond een gedeelte van de schade van [… 1] voor zijn eigen rekening bleef en het vonnis geen uitsluitsel bood over het huwelijksgoederenregime, was het oordeel volgens Uw Raad onbegrijpelijk. 3.28 Over de uitleg van dit arrest is de literatuur als gezegd verdeeld. In de eerste plaats bestaat verdeeldheid over het antwoord op de vraag wat de rechtvaardigingsgrond is voor het oordeel (dat neerkomt op gedeeltelijke vergoeding) van Uw Raad. Die rechtvaardiging wordt bijvoorbeeld gezocht in het feit dat de echtgenoten mede-eigenaars van de auto waren, maar ook in het feit dat de regresvordering van [… 2] op [… 3] zonder toerekening (dat wil zeggen: in het geval dat zou worden aangenomen dat de gedraging van [… 3] (in de verhouding tussen [… 1] en [… 2] ) niet aan [… 1] zou mogen worden toegerekend) ten laste van hetzelfde vermogen zou komen als de schadevergoedingsvordering van [… 1] op [… 2] . In het eerste geval zou het arrest mogelijk naar analogie ook gelden voor gevallen van mede-eigendom buiten het huwelijk. Ook wordt als derde mogelijke rechtvaardiging voor de beslissing gewezen op het feit dat de man zijn auto aan zijn vrouw had toevertrouwd. Naar huidig recht worden op grond van art. 6:101 lid 2 BW omstandigheden die aan de derde toegerekend kunnen worden, toegerekend aan de benadeelde bij schade die is toegebracht aan een zaak die een derde voor de benadeelde in zijn macht had. Volgens Koot kan toepassing van deze regel – die naar oud recht reeds werd verdedigd – in de zojuist besproken zaak echter niet aan de orde zijn geweest, omdat geen sprake lijkt te zijn van een rechtsverhouding op grond waarvan een derde houder is van de zaak voor de benadeelde. [… 1] en [… 3] waren mede-eigenaars en mede-bezitters van de auto en zodoende kan, zo begrijp ik Koot, [… 3] niet als houder worden aangemerkt van de zaak voor [… 1] . 3.29 Naar aanleiding van het arrest is in de literatuur in de tweede plaats de vraag gerezen of toerekening beperkt moet blijven tot echtgenoten die in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Van Wassenaer van Catwijck en ook Jongeneel in een publicatie met eerstgenoemde hebben zich voorstander getoond van toerekening van de fouten van echtgenoten aan elkaar ongeacht het huwelijksgoederenregime. Zij zien de rechtvaardiging voor toerekening vooral in het feit van samenwonen en het daardoor vormen van een leef- en risicogemeenschap, met kennelijk als achterliggende gedachte dat zowel goede als kwade gebeurtenissen ten aanzien van de ene echtgenoot ook invloed hebben op de andere echtgenoot. Ook voor toerekening buiten het huwelijk zien zij daarom ruimte, omdat buitenhuwelijkse relaties zich in dit opzicht niet onderscheiden van huwelijksrelaties, behalve als de partners niet duurzaam samenleven (maar een zogenaamde LAT-relatie hebben). Een uitzondering op toerekening in geval van huwelijksrelaties zou volgens hen moeten gelden als de echtgenoten van tafel en bed gescheiden zijn of zij de samenwoning duurzaam hebben verbroken, onder andere omdat dan de ratio van een risicogemeenschap, waarin de echtelieden in de woorden van Van Wassenaer van Catwijck als het ware het goede en het kwade delen, niet zou opgaan. 3.30 Rutten heeft de zienswijze van Uw Raad niet bestreden, maar meent dat dezelfde gevolgtrekking zou (moeten) gelden als de echtgenoten buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Daaraan lijkt hij echter ten grondslag te leggen niet het feit dat [… 1] en [… 3] echtgenoten waren, maar dat [… 1] zijn auto liet besturen door zijn vrouw. Schoordijk juicht (de regel uit) het arrest toe, maar meent ook dat de uitkomst niet anders zou (moeten) zijn als de echtgenoten met uitsluiting van iedere gemeenschap waren getrouwd. Volgens hem geldt voor toerekening ‘de wat vage regel’ of naar gangbare maatschappelijke opvattingen de benadeelde en medeschuldige een eenheid vormen en is dus relevant met wie de benadeelde in familieverband leeft. 3.31 Keirse & Jongeneel zitten uitdrukkelijk op een ander spoor dan Van Wassenaer van Catwijck en Schoordijk waar deze laatsten in wezen aannemen dat het bestaan van een gezinsrelatie of familieband als zodanig al voldoende is voor de toerekening van andermans fouten aan de benadeelde. Ook Brunner betoogde eerder naar aanleiding van het hierna te bespreken arrest [...] / [...] al dat ons recht niet zoiets als een gezinsrisico kent. Het enkele feit van een gezinsrelatie of familieband acht hij onvoldoende voor de toerekening van gedrag van de één aan de ander in het kader van eigen schuld. Gaat het om echtgenoten dan is volgens hem beslissend of de schadevergoedingsvordering en de regresvordering van de aansprakelijke derde op de medeaansprakelijke echtgenoot in de bestaande gemeenschap van goederen vallen. Ook Neleman is voorstander van die lijn, omdat, zo begrijp ik hem, dan sprake is van eenheid van vermogen en toepassing van de regel uit het arrest [… 1] / [… 2] dan redelijk is. Ook Koot wijst het bestaan van een risicogemeenschap als grond voor toerekening af. Hij meent dat aan het bestaan van een huwelijksrelatie als zodanig geen zelfstandige betekenis toekomt in het kader van de vraag of toerekening van handelen of nalaten van de ene echtgenoot als eigen schuld aan de andere echtgenoot aangewezen is. 3.32 Uw Raad heeft in het arrest [...] / [...] de vraag beantwoord of het gedrag van een ouder eigen schuld van een kind kan opleveren. Die vraag is gerezen in het kader van een geval waarin een jegens het kind aansprakelijke derde – het ging om de eigenaar van een hond die een kindje van 3 jaar oud had gebeten – aanvoerde dat het niet-ingrijpen door de vader van het kind als ‘eigen schuld’ aan het kind zou moeten worden toegerekend. Uw Raad heeft deze vraag ontkennend beantwoord en dat oordeel als volgt gemotiveerd: “Er is geen reden om af te wijken van de regel dat, indien een schade is veroorzaakt door fouten van meer dan een persoon, ieder van hen jegens de benadeelde voor het geheel tot vergoeding van de schade gehouden is, enkel omdat een van de personen op wie een schadevergoedingsplicht rust de ouder van het kind is. Daarbij dient te worden bedacht dat het kind niet voor de fouten van zijn ouder aansprakelijk is en dat het toerekenen van de fout van de ouder aan het kind het ongewenste gevolg zou hebben, dat het kind — teneinde zijn schade geheel vergoed te krijgen — genoodzaakt zou zijn om zowel zijn ouder als de derde tot schadevergoeding aan te spreken. Voorts zou het risico van geldelijk onvermogen van de ouder dan in plaats van op de derde op het kind drukken, hoewel dat — anders dan de derde — geen fout heeft gemaakt.” 3.33 Net zo min als een kind aansprakelijk is voor fouten van zijn ouders, is de ene echtgenoot aansprakelijk voor de fouten van de andere echtgenoot. Tegen de achtergrond van [...] / [...] maakt mijns inziens het enkele feit dat schade mede is veroorzaakt door een echtgenoot, nog niet dat diens gedrag aan de andere echtgenoot moet worden toegerekend. Het gehuwd zijn als zodanig is daarvoor geen voldoende aanleiding. Voor een dergelijke toerekening is meer nodig. In zoverre in het spoor van Neleman en Brunner leid ik uit het arrest [… 1] / [… 2] af dat dat ‘meerdere’ gevonden moet worden in het feit dat zowel de schadevergoedingsvordering van de ene echtgenoot op een derde als de regresvordering van de derde op de andere echtgenoot in een gemeenschap van goederen valt en dat een dergelijke toerekening daartoe in beginsel ook beperkt moet blijven. 3.34 Concreet komt het voorgaande er wat mij betreft op neer dat toerekening tussen echtgenoten als uitgangspunt niet aan de orde is. In beginsel kan een benadeelde echtgenoot dus zijn volledige schade verhalen op een aansprakelijke derde – voor toerekening aan deze benadeelde van een bijdrage aan (het ontstaan van) de schade van zijn of haar echtgenoot als ‘eigen schuld’ is geen plaats – en kan deze derde vervolgens regres nemen op de medeaansprakelijke echtgenoot. Hierop bestaat een uitzondering als tussen echtgenoten (of geregistreerd partners) een gemeenschap van goederen bestaat en zowel de schadevergoedingsvordering op de derde als de regresvordering van de derde op de medeaansprakelijke echtgenoot in de gemeenschap valt. In dat geval kan de vordering tot vergoeding van de schade slechts gedeeltelijk worden toegewezen en komt de schade voor het overige ten laste van de gemeenschap. De uitzondering lijkt mij efficiënt, maar ook redelijk vanwege het feit dat in geval van gemeenschap van goederen sprake is van eenheid van vermogen. 3.35 Na deze uiteenzetting over toerekening ga ik nu nader in op de toepassing van de in art. 6:101 BW neergelegde maatstaven en op de ruimte voor toetsing in cassatie van een eigenschuldoordeel. 3.36 Causale verdeling. Indien vaststaat dat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht in beginsel verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. In dit kader is niet relevant in welke mate het intreden van de schade aan de betrokken partijen kan worden verweten. De primaire maatstaf van art. 6:101 lid 1 BW is een causaliteitsmaatstaf; zij leidt tot een zogenoemde ‘causale verdeling’. 3.37 Billijkheidscorrectie. Van de causale verdeling wordt afgeweken indien de billijkheid dit eist wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval. Anders dan het geval is bij toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, komt de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW dus niet pas aan de orde indien het resultaat van de causaliteitsafweging uit een oogpunt van billijkheid ‘onaanvaardbaar’ is. De billijkheidscorrectie kan leiden tot een geheel andere schadeverdeling, van een verval van de vergoedingsplicht tot aan het geheel in stand blijven van de vergoedingsplicht en elke verdeling daartussenin. De aanleiding voor een billijkheidscorrectie kan bijvoorbeeld worden gevonden in de uiteenlopende ernst van de wederzijds gemaakte fouten, zoals reeds uit de tekst van art. 6:101 lid 1 BW blijkt. Ook het gegeven dat de ene betrokkene een verwijt te maken valt, terwijl de bijdrage van de ander op toerekening als ‘risico’ gebaseerd is, kan aanleiding vormen voor een billijkheidscorrectie. 3.38 Cassatie. De te maken causale verdeling en de eventueel daaropvolgende toepassing van de billijkheidscorrectie zijn met feitelijke waarderingen verweven. Deze waarderingen berusten in belangrijke mate op intuïtieve inzichten van de rechter, hetgeen meebrengt dat aan oordelen omtrent de causale verdeling en de billijkheidscorrectie slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld. De oordelen onttrekken zich hierdoor grotendeels aan beoordeling in cassatie. Dit neemt niet weg dat de rechter in de motivering van zijn oordeel voldoende duidelijk tot uitdrukking moet brengen (
- i)dat hij de door art. 6:101 lid 1 BW voorgeschreven causaliteitsafweging heeft verricht, (
- ii)of, en zo ja in hoeverre, hij de in die bepaling bedoelde billijkheidscorrectie heeft toegepast en, in dat laatste verband (iii) op welke wijze hij de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de overige omstandigheden van het geval in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Het hangt mede af van hetgeen partijen hebben aangevoerd of de door de rechter gegeven motivering voldoende begrijpelijk is. 3.39 Tegen de achtergrond van de hierna te bespreken klachten van subonderdeel 3 in het principale cassatieberoep merk ik ten slotte nog het volgende op. Van belang is dat de rechter in het kader van de causale verdeling duidelijk moet maken waarom en hoe hij tot een bepaalde verdeling komt, maar de vraag in hoeverre het hierbij noodzakelijk is om exacte (verdelings)percentages te noemen, is door Uw Raad nog niet expliciet beantwoord. In een arrest van 20 mei 2022 kwam de vraag zijdelings aan de orde en heeft Uw Raad als volgt overwogen en geoordeeld: “3.5.3 Het hof heeft in rov. 15 e.v. van het eindarrest, onder verwijzing naar het tussenarrest, de vier factoren besproken waarvan naar zijn oordeel aannemelijk is dat zij het risico op broei en het vervolgens ontstaan van de brand hebben vergroot. Het heeft daarbij vermeld aan welke partij de factoren moeten worden toegerekend. Vervolgens heeft het hof in rov. 16 van het eindarrest de factoren tegen elkaar afgewogen. Het is afzonderlijk ingegaan op de mate van verwijtbaarheid van het handelen van EBS en Peterson ABL, die naar het oordeel van het hof relevant was bij de essentiële factor vocht. Daarmee heeft het hof zijn gedachtegang in het licht van hetgeen hiervoor in 3.5.2 is overwogen voldoende inzichtelijk gemaakt.” 3.40 Uw Raad heeft hier de vraag die door het onderdeel wordt opgeworpen naar de noodzaak van het noemen van exacte (verdelings)percentages niet uitdrukkelijk beantwoord. In zijn conclusie voor dit arrest heeft A-G Valk betoogd (
- i)dat op zichzelf het niet afzonderlijk noemen van de verdelingspercentages waartoe respectievelijk de causaliteitsafweging en de billijkheidscorrectie leiden, niet ontoelaatbaar is, (
- ii)dat de motivering van het oordeel over de vermindering van de vergoedingsplicht voldoende inzichtelijk moet zijn en (iii) dat het mede van de inhoud van het partijdebat afhangt wat wel of niet ‘voldoende’ is. A-G Valk kwam tegen de achtergrond van de specifieke zaak tot de conclusie dat het hof op zichzelf niet gehouden was de afzonderlijke verdelingspercentages te noemen, omdat partijen in dit specifieke geval uitsluitend debat hadden gevoerd over de oorzaken van de schade en twee specifieke uitkomsten, namelijk
(2)geen aansprakelijkheid en dus ook geen vergoedingsplicht. 3.41 In zijn conclusie voor het arrest [...] / [...] stelde A-G Spier eerder al dat uit de rechtspraak van Uw Raad niet de conclusie kan worden getrokken dat de rechter de causaliteitsverdeling exact moet vermelden. Volgens hem hangt het van de omstandigheden af of, en zo ja, in hoeverre het nodig of wenselijk is om precies inzicht te geven in de causaliteitsverdeling. Ook in de literatuur wordt aangenomen dat het niet noodzakelijk is dat de rechter exacte percentages noemt, maar dat het voldoende is als de rechter aangeeft waartoe de causaliteitsafweging globaal leidt. Daarbij lijkt echter vooral gedacht te worden aan gevallen waarin sprake is van een alles of niets-situatie, in die zin dat direct duidelijk is dat toepassing van de billijkheidscorrectie leidt tot een geheel verval of een volledige instandhouding van de vergoedingsplicht. In dat soort gevallen zou de rechter dan bij de causale verdeling niet hoeven te werken met exacte percentages. 3.42 In het licht van de besproken rechtspraak en literatuur hangt het strikt genomen van de omstandigheden van het geval af of, en zo ja, in hoeverre het nodig is om precies inzicht te geven in de causaliteitsverdeling, bijvoorbeeld door middel van exacte percentages, doch in de regel zal dat gelet op het volgende toch nodig zijn. Uiteindelijk gaat het erom dat het oordeel van de rechter met betrekking tot de causale verdeling, mede in het licht van de inhoud van het partijdebat, voldoende inzichtelijk is. Het oordeel met betrekking tot de billijkheidscorrectie (en het eindoordeel met betrekking tot eigen schuld) kan daar mijns inziens niet helemaal los van worden gezien, omdat het oordeel met betrekking tot de causale verdeling het vertrekpunt is voor de toepassing van de billijkheidscorrectie en de causale verdeling en billijkheidscorrectie dus met elkaar samenhangen. 4Bespreking van het principale cassatieberoep Inleiding 4.1 Het principale cassatiemiddel van [eisers] bestaat uit vier onderdelen. Onderdeel 1 ziet op het oordeel van het hof met betrekking tot de schending van de zorg- en waarschuwingsplicht door [verweerders] en strekt er kort gezegd toe dat [verweerders] reeds vanaf begin 2016 en niet pas vanaf augustus 2016 zijn tekortgeschoten. De onderdelen 2, 3 en 4 zien op het oordeel van het hof met betrekking tot de eigen schuld van [eisers] Meer specifiek ziet onderdeel 2 op het ‘generieke’ oordeel van het hof over de eigen schuld, onderdeel 3 op het oordeel over de eigen schuld van [eiseres 1] en onderdeel 4 op het oordeel over de eigen schuld van [eiser 2] . Onderdeel 1: schending zorg- en waarschuwingsplicht door notaris(kantoor) 4.2 [eisers] klagen in onderdeel 1 (subonderdeel 1.1) dat het oordeel van het hof in rov. 5.21-5.22 en 5.35 dat [verweerders] vanaf augustus 2016 in hun waarschuwings- en/of zorgplicht jegens [eisers] zijn tekortgeschoten, onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Het onderdeel valt uiteen in vijf subonderdelen (genummerd 1.1.1 tot en met 1.1.5). 4.3 De subonderdelen 1.1.1-1.1.4 stellen (in motiveringsklachten) aan de orde dat de door het hof vastgestelde omstandigheden van het geval tot de conclusie moeten leiden dat [verweerders] reeds vanaf de eerste transactie in 2016 (
- i)beroepshalve gehouden waren [eiseres 1] op de specifieke aan de voorgenomen rechtshandeling verbonden risico’s te wijzen (subonderdeel 1.1.1), (
- ii)niet mochten meewerken zonder zich ervan vergewist te hebben dat [eiseres 1] de risico’s voldoende besefte (subonderdeel 1.1.2), (iii) hun diensten hadden moeten weigeren omdat gerede twijfel moest bestaan over de goede bedoelingen van Groza (subonderdeel 1.1.3) en (
- iv)het standpunt hadden moeten innemen dat de werkzaamheden pas zouden worden uitgevoerd nadat met [eiser 2] was gesproken (subonderdeel 1.1.4). Door de subonderdelen worden daartoe de door het hof vastgestelde omstandigheden aangevoerd dat [verweerders] (
- i)zich bewust waren van het verliesgevende karakter van de transacties, (
- ii)ervan uit moesten gaan dat [eiseres 1] als particulier optrad zonder bijzondere kennis of ervaring, (iii) bekend waren met het bedrijfsmodel van Groza, (
- iv)wisten dat voor geen van de door Groza verkochte percelen een bestemmingswijziging en daaraan gerelateerde waardestijging had plaatsgevonden, (
- v)wisten dat [eiseres 1] aankopen voldeed vanaf een bankrekening waartoe ook [eiser 2] gerechtigd was en (
- vi)wisten dat [eiseres 1] en [eiser 2] op huwelijkse voorwaarden zijn getrouwd. 4.4 De motiveringsklachten van de subonderdelen 1.1.1-1.1.4 zal ik hierna achtereenvolgens bespreken. De subonderdelen 1.1.2 en 1.1.3 formuleren ook rechtsklachten gebaseerd op een alternatieve lezing van het bestreden arrest. Deze rechtsklachten zal ik gezamenlijk behandelen vóórdat ik begin met de bespreking van subonderdeel 1.1.4. 4.5 Subonderdelen 1.1.1 en 1.1.2 stellen aan de orde dat niet, althans niet zonder nadere motivering, valt in te zien dat de omstandigheden dat [verweerders] (
- i)zich bewust waren van het verliesgevende karakter van de transacties en (
- ii)ervan uit moesten gaan dat [eiseres 1] optrad als particulier zonder bijzondere kennis of ervaring, tot de conclusie hebben geleid dat [verweerders] pas vanaf augustus 2016, en kennelijk niet al vanaf begin 2016, gehouden waren tot het wijzen op specifieke aan de voorgenomen rechtshandeling verbonden risico’s en zich ervan te vergewissen dat [eiseres 1] die begreep. 4.6 Het oordeel van het hof in rov. 5.20 en 5.21 komt samengevat op het volgende neer. [eiseres 1] is vanaf februari 2016 in korte tijd diverse percelen van Groza gaan kopen en tegen augustus 2016 diende zich bij [verweerders] een serie leveringen aan die [eiseres 1] zo’n € 1,2 miljoen zou kosten, terwijl zij begin 2016 reeds tien percelen had gekocht en afgenomen voor bijna € 1,2 miljoen (rov. 5.20). Volgens het hof was er voor [verweerders] per augustus 2016 alle aanleiding om de werkzaamheden op te schorten totdat persoonlijk met [eiseres 1] was gesproken, gezien het risicovolle karakter van de aankopen, de daarmee gemoeide bedragen en de hoedanigheid van en de zeer beperkte en onduidelijke communicatie met [eiseres 1] . Op die wijze had volgens het hof gecontroleerd kunnen worden of [eiseres 1] daadwerkelijk begreep wat zij als koper verklaarde in de leveringsakten. In dat verband had van [verweerder 2] volgens het hof verwacht mogen worden dat hij zijn kennis van het bedrijfsmodel van Groza, voor wie het notariskantoor al eerder transacties had uitgevoerd, en het feit dat hij wist dat voor geen van die eerdere percelen een waardestijging had plaatsgevonden met [eiseres 1] had gedeeld en daarmee aan haar specifieke aan de voorgenomen rechtshandelingen verbonden risico’s had voorgehouden. Door dit na te laten is [verweerder 2] volgens het hof in zijn waarschuwings- en zorgplicht tekortgeschoten jegens [eiseres 1] (rov. 5.21). 4.7 Het hof heeft er de nadruk op gelegd dat zich tegen augustus 2016 bij [verweerders] een serie leveringen van zo’n € 1,2 miljoen aandiende. Mogelijk, maar dat blijkt niet duidelijk uit rov. 5.20 en 5.21, heeft het hof gemeend dat [verweerder 2] tegen augustus 2016 gealarmeerd moest zijn, omdat met de nieuwe serie transacties inmiddels van een zodanige ‘massa’ sprake was dat nadere actie van de notaris verwacht kon worden. De door het hof in rov. 5.21 uitdrukkelijk genoemde omstandigheden (het risicovolle karakter van de aankopen, de daarmee gemoeide bedragen en de hoedanigheid van en de zeer beperkte en onduidelijke communicatie met [eiseres 1] ) deden zich echter ook al bij eerdere leveringen voor en daarmee waren ook al serieuze bedragen genoemd. [eiseres 1] had – zoals blijkt uit rov. 3.13 en 5.20 van het bestreden arrest – eerder al tien percelen gekocht en afgenomen voor bijna € 1,2 miljoen in een tijdsbestek van nog geen vier maanden, namelijk in de periode van februari en mei 2016 (rov. 5.20). Dit wordt door het hof in rov. 5.22 in zekere zin ook erkend met de overweging dat het “tegen augustus 2016 aan de orde zijnde financieel belang al aanzienlijk was”. Ook die aankopen hadden een risicovol karakter, de koopsom was vergelijkbaar met de bedragen die gemoeid waren met de leveringen in augustus 2016 en de communicatie met [eiseres 1] had een vergelijkbaar karakter in die zin dat fysiek contact er vanaf het begin al niet was (rov. 5.15) (althans, van eventuele verschillen in communicatie blijkt niet uit het bestreden arrest, in het bijzonder niet uit rov. 5.14 en 5.18 waarnaar het hof in rov. 5.21 heeft verwezen). Waarom juist (de omvang van) de nieuwe serie dan reden was voor (nadere) actie wordt niet duidelijk uit het bestreden arrest. 4.8 Door de subonderdelen 1.1.1 en 1.1.2 wordt nadrukkelijk gewezen op de door het hof in rov. 5.11 en 5.13 aangenomen omstandigheden dat [verweerders] zich bewust waren van het verliesgevende karakter van de transacties en dat zij ervan uit moesten gaan dat [eiseres 1] als particulier zonder bijzondere kennis of ervaring speculatieve aankopen deed. Het hof heeft in rov. 5.11 aangenomen dat het notariskantoor reeds vóór 2016 op de hoogte was van het bedrijfsmodel van Groza, waarbij Groza percelen verkocht voor een veelvoud van de prijs waarvoor zij de percelen had aangekocht. [verweerder 2] vergeleek dit soort transacties volgens het hof met “een casinospel” en wist toentertijd dat voor geen van de door Groza verkochte percelen een bestemmingswijziging en dus een waardestijging had plaatsgevonden (rov. 5.12). Daarnaast was volgens het hof kennelijk in het begin van 2016 voor [verweerders] reeds duidelijk dat [eiseres 1] als particulier zonder bijzondere kennis of ervaring speculatieve aankopen deed (rov. 5.13) en in het verlengde daarvan dat [eiseres 1] niet werd bijgestaan door een onafhankelijk adviseur of deskundige (rov. 5.14). Het hof heeft in rov. 5.21 in zoverre aandacht besteed aan de omstandigheid dat [verweerders] zich bewust was van het verliesgevende karakter van de transacties, dat het hof het risicovolle karakter van de aankopen heeft benoemd en heeft gemeend dat per augustus 2016 van [verweerder 2] verwacht had mogen worden dat hij zijn kennis als bedoeld in rov. 5.11 en 5.12 met [eiseres 1] had gedeeld. Ook heeft het hof in rov. 5.21 de hoedanigheid van [eiseres 1] (de tweede door de subonderdelen genoemde omstandigheid) benoemd (alhoewel niet geheel duidelijk is of dat los kan worden gezien van de communicatie met [eiseres 1] ). In het spoor van het vorige randnummer kan echter worden gesteld dat uit de uitspraak van het hof niet (voldoende) duidelijk wordt waarom de door de subonderdelen genoemde omstandigheden (die zich al voordeden bij de leveringen vóór augustus 2016) niet tot de conclusie hebben geleid dat [verweerders] reeds vanaf de eerste transactie in 2016 beroepshalve gehouden waren tot het wijzen op specifieke aan de voorgenomen rechtshandeling verbonden risico’s en zich ervan te vergewissen dat [eiseres 1] die begreep. 4.9 Al met al heeft het hof niet (voldoende) duidelijk gemaakt waarom de in onder andere rov. 5.11 en 5.13 aangenomen omstandigheden niet al eerder dan augustus 2016 meebrachten dat er voor [verweerders] genoeg aanleiding bestond om hun verdere werkzaamheden op te schorten totdat zij persoonlijk in een fysieke ontmoeting met [eiseres 1] hadden gesproken (en dus vervolgens in hun zorgplicht tekortschoten doordat zij hun werkzaamheden niet hebben opgeschort). 4.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de subonderdelen 1.1.1 en 1.1.2 doel treffen. 4.11 Subonderdeel 1.1.3 stelt aan de orde dat niet, althans niet zonder nadere motivering, valt in te zien dat de omstandigheden dat [verweerders] (
- i)bekend waren met het bedrijfsmodel van Groza en (
- ii)wisten dat voor geen van de door Groza verkochte percelen een waardestijging had plaatsgevonden, niet tot de conclusie hebben geleid dat begin 2016 bij [verweerders] gerede twijfel moest bestaan over de goede bedoelingen van Groza en zij daarom gehouden waren hun diensten te weigeren. 4.12 Ik stel voorop dat het hof zijn oordeel dat er voor [verweerder 2] vanaf augustus 2016 alle aanleiding was om zijn werkzaamheden op te schorten totdat hij persoonlijk in een fysieke ontmoeting met [eisers] had gesproken en bij het uitblijven van bedoeld contact zijn diensten had moeten weigeren (rov. 5.21), niet heeft gebaseerd op het feit dat bij [verweerders] gerede twijfel moest bestaan over de goede bedoelingen van Groza en dat [verweerders] daarom hun diensten moesten weigeren en/of zich door nader onderzoek moesten overtuigen van het geoorloofde karakter ervan (art. 21 lid 2 Wna). Het hof heeft dit oordeel gebaseerd op de notariële zorgplicht die mede de verplichting omvat dat de notaris zich ervan vergewist dat partijen de gevolgen van de voorgenomen rechtshandeling begrijpen (art. 17 lid 1 jo. 43 lid 1 Wna). Dit is volgens het hof nagelaten en op die grond heeft het hof aansprakelijkheid van [verweerders] aangenomen, zij het pas vanaf augustus 2016. 4.13 Ook de insteek van subonderdeel 1.1.3 is dat, in afwijking van wat het hof heeft geoordeeld, wel degelijk aansprakelijkheid kan worden aangenomen in verband met de dienstverlening door [verweerders] in de periode voorafgaand aan augustus 2016. De invalshoek is daarbij in zoverre anders dat de nadruk wordt gelegd op de van meet af aan (immers reeds vanaf de eerste transactie in 2016) bestaande bekendheid van [verweerders] met het bedrijfsmodel van Groza en op hun wetenschap dat voor geen van de door Groza verkochte percelen een waardestijging had plaatsgevonden. Deze bekendheid en wetenschap hadden, aldus het subonderdeel, reeds vanaf de eerste transactie in 2016 tot dienstweigering (dan wel opschorting van de dienstverlening) moeten leiden. 4.14 Op zichzelf is juist dat deze invalshoek in abstracto aanleiding had kunnen geven tot aansprakelijkheid ook voor de periode vóór augustus 2016. De klacht voldoet echter niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv, nu het middel niet aangeeft waar in de gedingstukken de stelling is betrokken dat bij [verweerders] in het licht van de genoemde omstandigheden gerede twijfel moest bestaan over de goede bedoelingen van Groza en zij daarom gehouden waren hun diensten te weigeren. Subonderdeel 1.1.3 is daarom tevergeefs voorgesteld. 4.15 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat subonderdeel 1.1.3 vergeefs is voorgesteld. 4.16 Subonderdelen 1.1.2 en 1.1.3 formuleren ook rechtsklachten die zijn gebaseerd op een alternatieve lezing van het bestreden arrest. Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat een schending van de zorg- en/of waarschuwingsplicht geen civielrechtelijke aansprakelijkheid meebrengt althans kan meebrengen, getuigt dat oordeel volgens de subonderdelen van een onjuiste rechtsopvatting. 4.17 De klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet (en ook niet impliciet) geoordeeld dat een schending van de zorg- en/of waarschuwingsplicht geen civielrechtelijke aansprakelijkheid meebrengt of kan meebrengen. 4.18 Voor zover de subonderdelen uitgaan van de lezing dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat het heeft aangenomen dat reeds vóór augustus 2016 sprake is van een schending van de zorg- en/of waarschuwingsplicht, maar de civielrechtelijke aansprakelijkheid pas vanaf augustus 2016 heeft aangenomen, falen de klachten ook bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat [verweerders] vanaf augustus 2016 in hun zorgplicht jegens [eisers] zijn tekortgeschoten, niet al vanaf de eerste transactie in 2016. Dit blijkt bijvoorbeeld duidelijk uit rov. 5.35: “Voor de duidelijkheid wordt in dit verband herhaald dat het daarbij gaat om de transacties aangaande de percelen die vanaf augustus 2016 aan [eiseres 1] zijn geleverd (dus vanaf de transactie voor het perceel te [plaats] , met koopsom van € 64.625,-). Zoals hiervoor is overwogen, zijn [verweerders] vanaf die maand in hun zorgplicht aangaande [eisers] tekortgeschoten.” 4.19 Subonderdeel 1.1.4 stelt aan de orde dat niet, althans niet zonder nadere motivering, valt in te zien dat de omstandigheid dat [verweerders] ermee bekend waren dat [eiseres 1] de aankopen voldeed vanaf een bankrekening waartoe ook [eiser 2] gerechtigd was, met wie zij op huwelijkse voorwaarden was getrouwd, tot de conclusie heeft geleid dat [verweerders] pas vanaf augustus 2016, en niet al vanaf begin 2016, tegenover [eiseres 1] het standpunt hadden moeten innemen dat [verweerders] de werkzaamheden pas zouden uitvoeren nadat met [eiser 2] was gesproken. 4.20 Het oordeel van het hof waar het subonderdeel tegen opkomt, komt samengevat erop neer dat [verweerders] zich dienden te realiseren dat [eiseres 1] mogelijk onrechtmatig tegenover [eiser 2] zou handelen door forse bedragen aan de ‘en/of’-rekening te onttrekken (rov. 5.22). Hierbij is volgens het hof van belang dat [eiseres 1] zich volgens [verweerders] tegenstrijdig uitliet over de vraag of zij nu wel of niet met [eiser 2] overleg had gevoerd over de aankoop van de percelen (rov. 5.14 en 5.22). In het vragenformulier bij de eerste aankoop heeft [eiseres 1] geantwoord dat zij de investering met haar partner had besproken (rov. 3.8.1 en 5.14). In het kader van de vervolgaankopen gaf zij tegenstrijdige verklaringen. In de vragenformulieren gaf [eiseres 1] aan dat ze over de aankopen geen overleg met [eiser 2] had gehad, maar in telefoongesprekken met (medewerkers van) [verweerder 2] zou zij hebben verklaard dat ze de aankopen wel met [eiser 2] had afgestemd (rov. 5.14 en 5.22). Op die tegenstrijdige verklaringen kon [verweerder 2] volgens het hof niet afgaan, terwijl het tegen augustus 2016 aan de orde zijnde financieel belang al aanzienlijk was en de door [eiseres 1] voorgenomen investeringen onverminderd riskant waren. Zodoende had [verweerder 2] volgens het hof, vanwege de op hem rustende zorgplicht jegens [eiser 2] als een derde wiens belangen (mogelijkerwijs) betrokken waren bij de gevraagde leveringswerkzaamheden, tegenover [eiseres 1] het standpunt moeten innemen dat hij die werkzaamheden pas zou uitvoeren nadat hij met [eiser 2] had gesproken (rov. 5.22). 4.21 De redenering van het hof over de schending van de zorgplicht door [verweerders] ten opzichte van [eiser 2] is vergelijkbaar met de redenering die het hof heeft gevolgd in de verhouding tussen [verweerders] en [eiseres 1] . Het hof is ook tot een vergelijkbaar oordeel gekomen, namelijk dat pas sprake is van een schending van die zorgplicht vanaf augustus 2016 (en niet al eerder). Waar de subonderdelen 1.1.1 en 1.1.2 dat oordeel met recht bestrijden, geldt hetzelfde voor het oordeel van het hof over de schending van de zorgplicht jegens [eiser 2] . De oordelen van het hof lijden aan vergelijkbare gebreken: de door de subonderdelen en het hof genoemde omstandigheden die leiden tot een schending van de zorgplicht deden zich ook al voor bij de leveringen vóór augustus 2016 en het wordt niet, althans niet voldoende duidelijk waarom bij die eerdere leveringen niet al actie van de notaris verwacht kon worden. 4.22 Het hof heeft meer concreet niet, althans niet voldoende, duidelijk gemaakt waarom het feit dat [verweerders] ermee bekend waren dat [eiseres 1] de aankopen voldeed vanaf een bankrekening waartoe ook [eiser 2] gerechtigd was, met wie zij op huwelijkse voorwaarden was getrouwd, pas vanaf augustus 2016 en niet al eerder aanleiding was voor [verweerder 2] tot opschorting van zijn werkzaamheden totdat hij met [eiser 2] had gesproken. 4.23 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat subonderdeel 1.1.4 doel treft. 4.24 Subonderdeel 1.1.5 stelt in rechtsklachten en een motiveringsklacht aan de orde dat het hof is voorbijgegaan aan de stellingen van [eisers] dat (
- i)[eiseres 1] door Groza en Aktua door middel van oneerlijke handelspraktijken (art. 6:193b BW) is bewogen tot de transactie, (
- ii)[verweerder 2] de oneerlijke handelspraktijken de facto heeft gefaciliteerd, omdat hij bij het overgrote gedeelte van die transacties betrokken was in zijn hoedanigheid als notaris en (iii) [verweerder 2] met zijn handelen heeft bewerkstelligd en toegelaten dat Groza en Aktua oneerlijke handelspraktijken konden uitvoeren, terwijl [verweerder 2] juist zijn dienstverlening had moeten opschorten en weigeren. Volgens het subonderdeel kunnen deze stellingen tot de conclusie leiden dat [verweerders] vanaf de eerste transactie in 2016 zijn tekortgeschoten in hun waarschuwings- en/of zorgplicht jegens [eisers] 4.25 Ter onderbouwing van subonderdeel 1.1.5 wordt naar diverse vindplaatsen in de gedingstukken verwezen. In die gedingstukken hebben [eisers] samengevat (
- i)gewezen op het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis dat is gewezen tussen onder andere [eisers] en onder andere Groza en Aktua met betrekking tot de oneerlijke handelspraktijken van Groza en Aktua vanaf april 2017, (
- ii)benadrukt dat en waarom [verweerder 2] de oneerlijke handelspraktijken jegens [eiseres 1] de facto heeft gefaciliteerd, (iii) verwezen naar negatieve berichten in de media over partijen zoals Groza en Aktua die gebruik maken van oneerlijke handelspraktijken bij de verkoop van percelen grond en het belang van de rol van notarissen bij die handelspraktijken en (
- iv)in de context van art. 6:101 BW aangevoerd dat [eisers] niet kan worden verweten dat [eiseres 1] in de loop van 2017 niet gestopt is met het aankopen van percelen, omdat zij door de oneerlijke handelspraktijken van Groza en Aktua werd bewogen percelen te kopen en [verweerder 2] he