PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/02633 Zitting 25 november 2025 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 juli 2023 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 29 augustus 2022, waarbij de verdachte wegens "witwassen" is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en inbeslaggenomen geldbedragen zijn verbeurdverklaard, bevestigd met aanvulling van gronden. 1.2 Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. 2Het eerste middel 2.1 Het eerste middel van cassatie bevat de klacht dat de wetenschap van de verdachte dat het bewezenverklaarde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. 2.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij: “op 2 maart 2021 te [plaats] een voorwerp, te weten - een (groot) geldbedrag (te weten 23.085 euro) heeft voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.” 2.3 De bewezenverklaring steunt op de volgende (door het hof uitgewerkte) bewijsmiddelen: “
(6). Daaruit is een vermoeden ontstaan dat het geld een criminele herkomst heeft. Mede vanwege het feit dat de verdachte toentertijd geen inkomen had, nooit had gewerkt en niets had gewonnen. De verdachte heeft verklaard dat hij dit geldbedrag contant heeft ontvangen van [betrokkene 2] , net voor haar overlijden op 4 oktober 2018 (dossierpagina 32). Over de wijze waarop en wat hij met dit geld heeft gedaan, heeft de verdachte wisselend verklaard Zo zegt de verdachte in zijn verhoor van 23 maart 2021 dat de broer van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , het geld aan hem heeft overgedragen en dat hij daarmee niks heeft gedaan, omdat hij niet graag iets uitgeeft. In het verhoor van 11 april 2022 zegt hij het geld van [betrokkene 2] zelf te hebben gekregen en dat hij soms met verjaardagen wat geld had toegevoegd aan het originele geldbedrag. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg gesteld nooit aan het geld te zijn gekomen, maar wel eens geld te hebben toegevoegd. Uit onderzoek van De Nederlandsche Bank blijkt evenwel dat ongeveer 44% van de biljetten na de dood van [betrokkene 2] , op 4 oktober 2018, nog in omloop waren. Eerst ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de biljetten heeft gewisseld omdat hij dit leuk vond, echter weet hij niet (meer) hoeveel geld en waar (anders dan bijvoorbeeld bij [A] , de coffeeshop) en met wie hij de biljetten heeft gewisseld. Het hof acht deze laatste verklaring ongeloofwaardig vanwege het late tijdstip (na het onderzoek door DNB) en de vaagheid ervan. De verdachte heeft derhalve wisselend verklaard over de wijze waarop hij dit geld net voor haar dood van [betrokkene 2] zou hebben ontvangen, terwijl zijn stelling dat dit geld onaangetast was gebleven en er wat (het hof begrijpt: relatief weinig), geld aan is toegevoegd, onverenigbaar is met het gegeven dat 44% van dat geld na de dood van [betrokkene 1] nog in omloop was. Hiermee heeft de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven waaruit kan volgen dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een meer en nader onderzoek door het Openbaar Ministerie dan reeds is gedaan (het telefonisch horen van de broer van [betrokkene 2] en het onderzoek van De Nederlandse Bank). Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het tenlastegelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.” 2.6 Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld dat voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat vaststaat dat de in artikel 420bis Sr omschreven gedragingen betrekking hebben op een voorwerp dat – onmiddellijk of middellijk, geheel of ten dele – afkomstig is uit enig misdrijf, terwijl de verdachte dat wist of redelijkerwijs moest vermoeden. In gevallen waarin op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf kan niettemin bewezen worden geacht dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. 2.7 Uit de voor de bewezenverklaring gebruikte bewijsmiddelen blijkt het volgende. In de woning van de verdachte is op 2 maart 2021 een contant geldbedrag aangetroffen van € 23.085. Van dit geldbedrag is € 6.295 gevonden in een tasje dat geklemd zat tussen de kledingkast en de verwarming. Een bedrag van € 250 werd in coupures van € 50 gevonden in een houten kistje op de vensterbank. Een bedrag van € 40 werd gevonden in een kistje op het nachtkastje. Voorts werd een contant geldbedrag van € 16.500 aangetroffen op de zolderkamer. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte de enige was die toegang had tot het geld, dat naar zijn verklaring het complete geldbedrag van hem was en dat de verdachte nog nooit een baan heeft gehad, geen uitkering genoot, geen andere inkomsten ontving en nooit geld heeft gewonnen. 2.8 Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven waaruit kan volgen dat het geld niet van misdrijf afkomstig is en dat er daarom geen andere conclusie mogelijk is dan dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. 2.9 Gelet op de bewezenverklaring en de bewijsvoering heeft het hof kennelijk tevens geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist van de (criminele) herkomst van het geldbedrag. Dit oordeel is gelet op de vaststellingen in de bewijsmiddelen zoals hiervoor onder 2.7 genoemd in combinatie met het ontbreken van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring waaruit kan volgen dat het geld niet uit misdrijf afkomstig is, niet onbegrijpelijk. De klacht dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de (criminele) herkomst van het geldbedrag faalt daarmee. Dat het hof dat niet expliciet in zijn bewijsoverwegingen heeft vastgesteld, maakt dat niet anders, nu die wetenschap nimmer is betwist. Het debat op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep heeft zich immers telkens gefocust op de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geldbedrag. 2.10 Het middel faalt. 3Het tweede middel 3.1 Het tweede middel keert zich tegen de beslissing tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen ter hoogte van € 6.295,-, € 16.500,- en € 290,-. Het middel bevat de klacht dat het hof in het midden heeft gelaten op welke grond(
- en)deze geldbedragen voor verbeurdverklaring vatbaar zijn. 3.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij op of omstreeks 2 maart 2021 te [plaats] , althans in Nederland een voorwerp, te weten - een (groot) geldbedrag (te weten 23.085 euro) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.” 3.3 De politierechter heeft de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven bedragen ter hoogte van € 6.295,-, € 16.500,- en € 290,- zonder (nadere) motivering verbeurdverklaard. Het hof heeft die beslissing bevestigd, eveneens zonder (nadere) motivering. 3.4 Indien de rechter een voorwerp verbeurdverklaart, dient hij in de uitspraak vast te stellen dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor verbeurdverklaring. Daarbij moet duidelijk zijn op welke in artikel 33a lid 1 Sr genoemde grond of gronden het voorwerp voor verbeurdverklaring vatbaar is. Het oordeel van de rechter over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen behoeft niet te worden gestaafd door de inhoud van gebezigde bewijsmiddelen. Voldoende – maar noodzakelijk – is dat het desbetreffende oordeel berust op gegevens die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Onder ‘het strafbare feit’ en ‘het feit’ in artikel 33a lid 1 Sr moet telkens het bewezenverklaarde feit worden verstaan. 3.5 Het middel klaagt over de beslissing tot verbeurdverklaring van de geldbedragen en bevat de klacht dat uit het arrest niet kan volgen op welke in art. 33a lid 1 Sr genoemde grond(
- en)die geldbedragen voor verbeurdverklaring vatbaar zijn. Nu het (bevestigde) vonnis noch het arrest hierover iets inhoudt, is het middel terecht voorgesteld. 3.6 Mijns inziens behoeft dit bij gebrek aan belang voor de verdachte evenwel niet tot cassatie te leiden. Uit de bewijsvoering volgt immers onmiskenbaar dat de geldbedragen allen voorwerpen zijn met betrekking tot welke het feit is begaan (art. 33a lid 1 aanhef en sub b Sr). Het verbeurdverklaarde bedrag komt ook naadloos overeen met het (witgewassen) bedrag dat in de bewezenverklaring is genoemd. 3.7 Het middel is terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden. 4Slotsom 4.1 Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 4.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep. Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Omdat de verdachte alleen een taakstraf voor de duur van 60 uren is opgelegd, leidt dat niet tot strafvermindering. Ook verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen. 4.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer: 20-001962-22. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. N. Rozemond. Zie bijv. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7871. HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:9, r.o. 2.5. HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668, NJ 2007/109, r.o. 3.3. HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:9. Vgl. mijn conclusie van 11 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:313, onder 4.8. Vgl. HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:798, r.o. 3.5. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat ’s hofs verbeurdverklaring niet zonder meer begrijpelijk was. De Hoge Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat niet duidelijk is of het inbeslaggenomen horloge ook het bewezenverklaarde horloge betreft, dat de overige genoemde voorwerpen niet in enig bewezenverklaard feit zijn vermeld en dat het hof geen vaststellingen heeft gedaan waaruit kan volgen dat de bewezenverklaarde feiten met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan dan wel deze voorwerpen tot het begaan van de bewezenverklaarde feiten zijn vervaardigd of bestemd. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.1.2, 3.1.3 en 3.2.