PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04580 J Zitting 25 november 2025 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 4 december 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam” veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader omschreven in het arrest. 1.2 Namens de verdachte hebben W.H. Jebbink en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld. 2Het middel 2.1 Het middel behelst de klacht dat de strafoplegging onbegrijpelijk is nu het hof, anders dan het hof in de strafmotivering heeft overwogen, een jeugddetentie heeft opgelegd waarvan het onvoorwaardelijk deel meebrengt dat de verdachte weer vast komt te zitten voor deze zaak. 2.2 Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat: “subsidiair hij op 5 mei 2019 te [plaats] met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het duwen/brengen van de penis in de mond van die [slachtoffer] .” 2.3 Met betrekking tot de op te leggen straf heeft het hof het volgende overwogen: “Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair verzocht om, gezien de specifieke omstandigheden van het geval, de kleine kans op recidive, de ouderdom van het feit alsmede het toepasselijk zijn van artikel 63 van het Wetboek Van Strafrecht, toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en geen straf en/of maatregel op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om een voorwaardelijke straf op te leggen en meer subsidiair een taakstraf op te leggen. Oordeel van het hof De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een ontuchtige handeling met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, door zich in een park te laten pijpen door het slachtoffer, dat destijds vijftien jaar oud was. Artikel 245 van het wetboek van Strafrecht heeft als strekking de persoonlijke en seksuele integriteit van het slachtoffer te beschermen, nu zij en andere minderjarigen - gezien hun leeftijd - onvoldoende in staat worden geacht de consequenties van hun handelen te kunnen overzien of zichzelf te beschermen tegen seksueel misbruik. Door zich door een 15-jarig meisje te laten pijpen heeft verdachte zijn eigen seksuele behoefte boven het belang van het slachtoffer geplaatst. Blijkens de slachtofferverklaring heeft verdachtes handelen een grote impact op het slachtoffer gehad. Het hof rekent dit verdachte aan. De ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, brengen met zich dat het hof, anders dan de raadsvrouw, geen ruimte ziet om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 maart 2024 - eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, alsmede de overige persoonlijke omstandigheden zoals die ter terechtzitting in hoger beroep door en namens verdachte naar voren zijn gebracht. Verder heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat het hof tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan de rechtbank. Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende. In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in eerste aanleg fors is geschonden. Verdachte is op 7 december 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 19 maart 2024. Daarmee is de redelijke termijn, uitgaande van de norm van 16 maanden, in eerste aanleg met ruim elf maanden overschreden, terwijl dit niet aan verdachte valt toe te rekenen. Het hof zal daarom een enigszins kortere jeugddetentie opleggen dan het passend en geboden acht. Ook zal het hof de proeftijd van de hierna te noemen voorwaardelijke straf op één jaar vaststellen, gelet op dit tijdsverloop en de gedateerdheid van het bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande, acht het hof, alles afwegende, oplegging van negentig dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan zestig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, passend en geboden. Dit betekent dat verdachte niet opnieuw vast komt te zitten voor deze zaak, tenzij anders wordt beslist omdat hij zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit. Aan de oplegging van de voorwaardelijke jeugddetentie zullen geen bijzondere voorwaarden en/of een contactverbod worden verbonden, nu in de afgelopen vijf jaren niet is gebleken van enige noodzaak hiertoe.” 2.4 Vooropgesteld moet worden dat de tweede volzin van art. 359 lid 6 Sv, dat krachtens de schakelbepaling van art. 415 Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard op de procedure in hoger beroep, voorschrijft dat het arrest zoveel mogelijk de omstandigheden aangeeft, waarop bij de vaststelling van de duur van de jeugddetentie is gelet. Vastgesteld kan worden dat het hof omstandigheden heeft aangegeven, waarop bij de vaststelling van de duur van de jeugddetentie is gelet. Doorgaans zal daarmee het doek vallen voor een klacht wegens schending van art. 359 lid 6 Sv, maar, zoals nog zal blijken, kunnen in dit geval de omstandigheden die het hof bij de strafoplegging in ogenschouw heeft genomen, de duur van het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie niet verklaren. 2.5 Uit de toelichting volgt dat het middel berust op de opvatting dat de verdachte als gevolg van de door het hof opgelegde straf nog 27-29 dagen jeugddetentie zal moeten ondergaan, terwijl het hof blijkens de strafmotivering voor ogen heeft gestaan dat de verdachte niet opnieuw gedetineerd zou raken. De stellers van het middel voeren daartoe aan dat de verdachte in deze zaak geen tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ter onderbouwing is respectievelijk een e-mail namens het Centraal Justitieel Incassobureau, Team Voorlopige Hechtenis van het Administratie- en Informatiecentrum voor de Executieketen (AICE) en een e-mail namens de penitentiaire inrichting Lelystad als bijlagen (1 en 2) bijgevoegd. Voorts wordt er door de stellers van het middel op gewezen dat uit het onderliggende strafdossier volgt dat de verdachte enkel in verzekering is gesteld. In dit kader is als bijlage
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.