PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/02479 Zitting 11 november 2025 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte Het cassatieberoep 1. De verdachte is – na een integrale vrijspraak in eerste aanleg – bij arrest van 27 juni 2023 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-000097-22) wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden, met aftrek van voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr. 2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/02613. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld. Het middel 4. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring tekortschiet wegens het gebrek aan (voldoende) respons op hetgeen zijdens de verdachte “in eerste aanleg en in hoger beroep” is aangevoerd over de (on)betrouwbaarheid van de door de [getuige] afgelegde verklaringen. 5. Ten laste van de verdachte heeft het hof – kort samengevat – bewezen verklaard dat hij samen met anderen in een pand in [plaats] harddrugs aanwezig had en vuurwapens en munitie voorhanden had, terwijl hij in dat pand aanwezig was om (versnijdings)handelingen met de aangetroffen harddrugs te verrichten. 6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2023 houdt onder meer in: “De verdachte legt op vragen een verklaring af, inhoudende: Over de feiten: Ik heb niets te maken met wat er op 3 juli 2019 is aangetroffen in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . Een paar dagen voor die tijd was ik bedreigd door mijn ex-vrouw en haar nieuwe partner. Hier heb ik vaak genoeg aangifte van gedaan. (...) De verklaring van mijn ex-vrouw klopt niet. Zij wil mijn leven kapotmaken door leugens, ze vindt het geweldig om mij zwart te maken. Ik weet niet hoe ze aan een foto van [betrokkene 1] met € 500,- in contanten komt. (...) De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt: Mijn cliënt is terecht vrijgesproken door de rechtbank. Het bewijs ontbreekt dat cliënt (samen met anderen) harddrugs aanwezig heeft gehad en wapens en munitie voorhanden heeft gehad. (...) Verder bevat het dossier verklaringen die bevestigen dat er spanningen waren tussen cliënt en zijn ex-vrouw, wat een verklaring vormt voor zijn aanwezigheid in de woning. (…) Ik verzoek het hof om cliënt het voordeel van de twijfel te gunnen en daarom bepleit ik bevestiging van het vonnis.” 7. Voor zover (de toelichting
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.