PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/02613 Zitting 11 november 2025 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak Zakaria [getuige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, hierna: de verdachte Het cassatieberoep 1. De verdachte is bij arrest van 27 juni 2023 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001873-20) wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden, met aftrek van voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr. 2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/02479. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel De klachten van het middel 4. Het middel bevat de klacht dat de artikelen 326, 327, 359 en 415 Sv zijn geschonden en houdt vervolgens het volgende in: “Uit de tot de stukken behorende pleitnota blijkt dat de raadsman naast hetgeen in de pleitnota is weergegeven kennelijk nog meer heeft aangevoerd dat beantwoording behoefde althans volgens de griffier voor de beoordeling van de zaak relevant heeft aangevoerd. In het (niet door de griffier ondertekende) proces-verbaal van de terechtzitting is de weergave daarvan niet vermeld. Gelet hierop is/zijn het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep onvolledig en het daarop gebaseerde arrest nietig.” 5. In de toelichting op het middel wordt opgemerkt: “Indien de raadsman een pleitnota overlegt maar daarnaast iets aanvoert waarvan de raadsman van een antwoord verzekerd wil zijn dan wel de griffier van mening is dat dit relevant kan zijn voor de beoordeling van de zaak is het in de praktijk wel gebruikelijk dat de griffier in de betreffende pleitnota door middel van een cijfer en een ster aangeeft dat de raadsman iets aanvullend heeft aangevoerd en dat vervolgens in het proces-verbaal van de terechtzitting door middel van een ster en het cijfer het aangevoerde wordt vermeld.” Nadat de stellers van het middel de inhoud van het middel herhalen, voegen zij daaraan toe dat “dit” des te meer klemt “nu ook het arrest niet is ondertekend door de griffier in wiens bijzijn het arrest is gewezen en in wiens bijzijn de zaak ter terechtzitting is behandeld.” De relevante processuele feiten 6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2023 houdt onder meer in: “Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. [betrokkene 1] , advocaat te Rotterdam. (…) De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. De raadsman verklaart in aanvulling hierop: Ik verzoek het hof om bij het bepalen van een eventuele strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat mijn cliënt hooguit 15 minuten in de woning is geweest. Dit rechtvaardigt geen gevangenisstraf van 36 maanden. Subsidiair bepleit ik daarom de oplegging van een gevangenisstraf ter hoogte, van het door mijn cliënt reeds ondergane voorarrest.” 7. De stellers van het middel wijzen op het volgende deel van de ter terechtzitting voorgedragen pleitnota: “Cliënt ontkent en betwist de aantijgingen en heeft een uitvoerig ontkennende verklaring afgelegd bij de Politie en ter terechtzitting. (…) Het standpunt m.b.t. de gezondheidstoestand van vader is sinds de aanhouding met meerdere stukken uitvoerig onderbouwd en is geverifieerd gelet op de inhoud van stukken welke de verdediging telkens heeft overgelegd en heeft aangevuld. (…) * 1 Dus zelfs als je in de ruimte bent geweest waar er cocaïne ligt en je bent op de hoogte van het feit dat het cocaïne is en zelfs wanneer je een onaannemelijke verklaring hebt afgelegd, is er niet zonder meer reden om iemand te veroordelen omdat de beschikkingsmacht nog uit de bewijsmiddelen moet blijken. * 2 In de zaak waar ik naar heb verwezen, ging het om een pand waar de verdachte regelmatig naartoe ging, waar zijn persoonlijke spullen lagen en op camerabeelden bleek ook nog eens dat hij vaak met zware bigshoppers van en naar het pand ging. (…) STRAFMAAT * 3 Gelet op het tijdsverloop en het geringe aandeel van cliënt en de zeer pregnante persoonlijke omstandigheden verzoek ik u een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen.” 8. In het aan de Hoge Raad toegezonden papieren dossier bevindt zich de originele pleitnota. Daarop is drie keer met een blauwe balpen een asterisk met daarachter een cijfer “1” respectievelijk “2” respectievelijk “3” bijgeschreven. De asterisk en het cijfer “3” zijn opgetekend naast het kopje “strafmaat”. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2023 blijkt niet dat de raadsman van de verdachte – behalve ten aanzien van de strafmaat – iets in aanvulling op de pleitnota heeft aangevoerd. De stellers van het middel gaan ervan uit dat het de griffier is geweest die deze aantekeningen op de pleitnota heeft gemaakt. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat het de raadsman was die deze aantekeningen maakte voordat hij de pleitnota ter terechtzitting overhandigde, meen ik dat het voor de hand ligt dat het inderdaad de griffier was die dit heeft gedaan. Op de eerste pagina van de pleitnota is namelijk eveneens met blauwe balpen opgetekend: “overlegd ttz in HB dd. 13-6-‘23” en daaronder, ook met blauwe balpen, een handtekening. Het beoordelingskader 9Artikel 326 Sv luidt: “1. De griffier houdt het proces-verbaal der terechtzitting, waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt. 2. Het behelst tevens den zakelijken inhoud van de verklaringen der getuigen, deskundigen en verdachten. Indien de officier van justitie vordert of de verdachte verzoekt dat eenige verklaring woordelijk zal worden opgenomen, wordt daaraan, voor zoover de verklaring redelijke grenzen niet overschrijdt, op last van den voorzitter zooveel mogelijk voldaan en daarvan voorlezing gedaan. Acht de officier van justitie of de verdachte de verklaring niet voldoende weergegeven, dan beslist de rechtbank. 3. De voorzitter kan gelasten dat in het proces-verbaal van eenige bepaalde omstandigheid, verklaring of opgave aanteekening zal worden gedaan. 4. Gelijke aantekening geschiedt, wanneer een der rechters het verlangt, of op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of de benadeelde partij.” 10. Ik stel het volgende voorop. Indien de raadsman oordeelt dat een door hem gevoerd betoog van zodanige aard is dat de weergave daarvan in het proces-verbaal van de terechtzitting niet mag ontbreken, kan hij zich daarvan verzekeren door hetzij een pleitnota over te leggen waarin dat betoog is vervat, hetzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 326 lid 4 Sv te verzoeken dat van dat betoog aantekening zal worden gedaan in het proces-verbaal van de terechtzitting. Indien noch het een, noch het ander is geschied, levert de enkele omstandigheid dat het gevoerde betoog niet in het proces-verbaal van de terechtzitting is weergegeven geen reden tot nietigheid op. Het proces-verbaal van de terechtzitting is in beginsel de enige kenbron voor de ter terechtzitting in acht genomen vormen en van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen. Voor de inhoud van een voorgedragen verweer is daarom beslissend hetgeen het proces-verbaal van de terechtzitting dienaangaande vermeldt. In cassatie kan immers niet worden gecontroleerd of ter terechtzitting door de verdachte dan wel diens raadsman meer naar voren is gebracht dan in het proces-verbaal van de terechtzitting is vermeld. De bespreking van het middel 11. Anders dan de stellers van het middel naar voren brengen, is het onderhavige geval geen uitzondering op de hiervoor besproken uitgangspunten. Zou al met hen moeten worden gesteld dat uit de pleitnota blijkt dat méér naar voren is gebracht dan in het proces-verbaal van de terechtzitting is vermeld, dan kan in cassatie nog niet worden gecontroleerd wat dit ‘meerdere’ inhoudt. Aan het voorgaande kan, anders dan de stellers van het middel kennelijk aannemen, niet afdoen dat de griffier buiten staat was om zowel het proces-verbaal van de terechtzitting als het arrest te ondertekenen. 12. Ik merk ten overvloede het volgende op. De stellers van het middel betogen dat uit de omstandigheid dat de griffier op een afschrift van de pleitnota met de hand een asterisk met daarachter een cijfer heeft aangetekend, blijkt dat de griffier van mening is dat de raadsman ter terechtzitting een voor het onderzoek van de zaak relevante aanvulling op zijn pleitnota heeft gegeven welke in het proces-verbaal van de terechtzitting moet worden opgenomen. Hoewel het inderdaad in de praktijk gebruikelijk is dat de griffier op deze wijze op de pleitnota markeert dat en op welk moment de raadsman in zijn voordracht een aanvulling op zijn pleidooi geeft en de griffier deze aanvulling vervolgens opneemt in het proces-verbaal van de terechtzitting, is in het geheel niet uitgesloten – laat staan in strijd met de wet – dat de griffier weliswaar een dergelijke markering aanbrengt, maar uiteindelijk niets aanvullends in het proces-verbaal van de terechtzitting opneemt omdat er niets is bepleit dat relevant was voor het onderzoek van de zaak. Noch artikel 326 Sv, noch enige andere rechtsregel verplicht de griffier om al hetgeen de raadsman van de verdachte buiten zijn pleitnota om als verweer aanvoert (woordelijk) op te nemen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Dat is niet anders als de griffier reeds een markering heeft aangebracht op de overgelegde pleitnota. 13. Het middel, dat klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep onvolledig en het daarop gebaseerde arrest nietig is, faalt derhalve. Het tweede middel De eerste klacht van het middel 14. Het middel klaagt allereerst dat het hof is afgeweken van het ter terechtzitting voorgedragen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de rechtbank “ten onrechte het verweer van verdachte, inhoudende dat hij slechts zeer kort in het pand aanwezig is geweest heeft verworpen op grond van de door de [getuige 1] bij de politie afgelegde verklaringen. Daartoe is aangevoerd dat de [getuige 1] in hoger beroep bij de RHC is ondervraagd in verband met de door haar bij de politie eerder afgelegde verklaringen en daarbij heeft verklaard dat en waarom de eerder door haar bij de politie afgelegde verklaringen niet juist zijn en dat zij slechts met één ander, niet zijnde verdachte, gedurende enige tijd in de woning aanwezig is geweest”, terwijl het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv, niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot die afwijking hebben geleid. De tweede klacht van het middel 15. Het middel klaagt voorts dat de verdachte vreest “dat het hof bij de beraadslaging niet de beschikking heeft gehad over de appelschriftuur en de door de getuigen afgelegde verklaringen en daarop ook geen acht heeft geslagen”, waardoor het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep onvolledig is geweest. Deze vrees komt voort uit “het achterwege blijven van een respons op hetgeen door de verdediging ten aanzien van de in hoger beroep gehoorde getuigen is aangevoerd en de omstandigheid dat in het dossier een afschrift ontbreekt van de door de verdediging ingediende appelschriftuur, waarin onder meer verzocht is de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] te horen en uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep ook niet kan volgen dat de voorzitter (zoals te doen gebruikelijk) melding heeft gemaakt van de appelschriftuur en het na het instellen van hoger beroep plaatsgevonden hebbende onderzoek van de RHC”. De bespreking van de tweede klacht van het middel 16. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt inderdaad niet dat de voorzitter van het hof (expliciet) melding heeft gemaakt van een ingekomen appelschriftuur of een proces-verbaal houdende verklaringen die getuigen bij de raadsheer-commissaris hebben afgelegd. Die enkele omstandigheid rechtvaardigt echter nog niet de vrees, laat staan de conclusie, dat het hof op die stukken geen acht heeft geslagen. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt namelijk wel in dat de voorzitter de korte inhoud mededeelt van “de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken, voor zover van belang met het oog op enige door het hof te nemen beslissing”. 17. Voorts blijkt uit het webportaal van de Hoge Raad weliswaar niet, zoals de stellers van het middel terecht opmerken, dat deze stukken aan hen zijn verstrekt, maar uit dat portaal blijkt evenmin dat zij zich tot de rolraadsheer van de Hoge Raad hebben gewend met een verzoek tot toezending van deze stukken. Het is dan ook niet uitgesloten dat het hof wel degelijk de beschikking had over de appelschriftuur maar het hof deze schriftuur abusievelijk niet aan de Hoge Raad heeft verzonden. Nog minder uitgesloten is dat het hof de beschikking had over het proces-verbaal houdende de door de getuigen bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen, nu de griffie bij de Hoge Raad een dergelijk stuk eerst aan de raadsman van de verdachte toestuurt wanneer deze daar om verzoekt. Dat het aan de advocaten verstrekte procesdossier deze stukken niet bevat, rechtvaardigt dus niet de conclusie dat het hof op die stukken geen acht heeft geslagen. 18. Ten slotte mist de opmerking in de cassatieschriftuur dat de appelschriftuur “als bijlage aan de schriftuur in het digitale portaal (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.