PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/03865 Zitting 18 november 2025 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, hierna: de verdachte 1Het cassatieberoep 1.1 De verdachte is bij arrest van 3 oktober 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-004455-22) wegens "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een taakstraf van 64 uren subsidiair 32 vervangende hechtenis. Het hof heeft verder de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (locatie Dordrecht) van 11 maart 2020 (parketnr. 96-087723-19) voorwaardelijk opgelegde straf toegewezen, met dien verstande dat het hof de opgelegde hechtenis van twee weken heeft omgezet in een taakstraf van 28 uren subsidiair veertien dagen hechtenis. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat M. Hoekzema heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2Het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf ten onrechte heeft toegewezen nu niet blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de voorwaardelijke veroordeling, en dat het hof het verweer dat het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk is in de vordering ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. In de toelichting op het middel wordt nog aangevoerd dat ook niet blijkt dat de dagvaarding in eerste aanleg (ik begrijp: voor de terechtzitting van de kantonrechter die de voorwaardelijke straf heeft opgelegd) in persoon is betekend. 2.2 Uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden kan het volgende worden opgemaakt: - De verdachte is bij vonnis van de kantonrechter van 11 maart 2020 veroordeeld tot onder meer voorwaardelijke hechtenis van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren. De aantekening van het mondeling vonnis van de kantonrechter vermeldt dat dit vonnis bij verstek is gewezen. Uit de stukken blijkt niet op welke wijze de dagvaarding/oproeping voor de zitting van de kantonrechter is uitgereikt. - Evenmin blijkt uit de stukken dat de verdachte in kennis is gesteld van het verstekvonnis. Bij de stukken bevinden zich wel een ‘mededeling uitspraak’ (art. 366 Sv) en een ‘mededeling voorwaardelijke veroordeling’ (art. 366a Sv) maar die stukken zijn niet van een adres voorzien. Een bij de ‘mededeling uitspraak’ behorende uitreikingsakte is niet ingevuld. Een uittreksel justitiële documentatie van 5 september 2023 vermeldt wel dat het vonnis van de kantonrechter onherroepelijk is geworden op 19 januari 2021, maar waarop dit is gebaseerd blijkt nergens uit. - Op 19 april 2022 heeft de officier van justitie de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf ex art. 6:6:21 lid 1 Sv ingediend bij de rechtbank. 2.3 Het hof (enkelvoudige kamer) heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard, kort gezegd, dat hij op 16 december 2021 een personenauto heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven. Het hof heeft verder de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen, maar zich daarbij niet uitgelaten over het in het cassatiemiddel bedoelde niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsvrouw. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in: “De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt: (…) Voor wat betreft de vordering tenuitvoerlegging verzoek ik u primair deze niet-ontvankelijk te verklaren. Onduidelijk is namelijk of cliënt op de hoogte was van de voorwaardelijk opgelegde straf. (…) De advocaat-generaal merkt op: Kijkend naar de stukken in eerste aanleg kan ik niet bevestigen of weerleggen wat de raadsvrouw stelt over de vordering tenuitvoerlegging. Ik zie geen akte van uitreiking tussen de stukken. Ik zie ook geen adres staan boven de mededeling voorwaardelijke veroordeling. (…) AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST (…) Vordering tenuitvoerlegging De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging om te zetten in een taakstraf voor de duur van 24 uren subsidiair 12 dagen hechtenis. De raadsvrouw van verdachte heeft primair verzocht de vordering tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft zij verzocht om de tenuitvoerlegging niet te gelasten omdat dit niet opportuun zou zijn. Meer subsidiair heeft zij verzocht om de opgelegde proeftijd te verlengen. Het hof beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis, van de kantonrechter Dordrecht van 11 maart 2020 met parketnummer 96-087723-19, te weten een hechtenis voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis. Het is immers gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.” 2.4 Als door het openbaar ministerie een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf aanhangig is gemaakt, moet de rechter op grond van art. 361a Sv onder meer beraadslagen over de ontvankelijkheid van de officier van justitie. De bepaling is ook van toepassing op de behandeling in hoger beroep (art. 415 lid 1 Sv). De beslissing van de rechter op de vordering dient op grond van art. 6:6:5 lid 1 Sv in verbinding met art. 6:6:21 Sv met redenen te zijn omkleed en wel vanwege het volgende. 2.5 Art. 6:6:5 lid 1 Sv gaat uit van een motiveringsplicht voor rechterlijke beslissingen die worden genomen “op grond van” hoofdstuk 6 van Boek
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.