← Nederland

ECLI:NL:PHR:2025:1297

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00204 Zitting 28 november 2025 CONCLUSIE S.D. Lindenbergh In de zaak [verzoeker] tegen ElectraWorks Europe Limited. Partijen worden hierna verkort aangeduid als [verzoeker] respectievelijk ElectraWorks. 1Inleiding en samenvatting 1.1 Deze zaak gaat over de geldigheid van kansspelovereenkomsten die via het internet zijn aangegaan. Zij hangt samen met de zaak 25/00202, waarin ik vandaag ook concludeer. 1.2 De Wet op de kansspelen (hierna: de Wok) verbiedt het aanbieden van kansspelen, tenzij de aanbieder een vergunning voor kansspelen via het internet heeft. Het is pas sinds oktober 2021 mogelijk om in Nederland een dergelijke vergunning te krijgen. Toch spelen al lange tijd heel veel mensen vanuit Nederland via het internet kansspelen. Verschillende spelers vorderen nu van de kansspelaanbieders het geld dat zij daarmee hebben verloren terug. Zij stellen dat de door hen gesloten kansspelovereenkomsten ongeldig zijn, omdat de kansspelaanbieder geen vergunning had. 1.3 De tekst van de Wok is niet duidelijk over de geldigheid van kansspelovereenkomsten die zijn gesloten zonder dat de aanbieder daarvoor een vergunning had. Daarom hebben twee rechtbanken daarover prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. 1.4 De rechtbank Noord-Holland heeft in deze zaak aan de Hoge Raad de volgende vragen gesteld: “1. Had de Wok aanvankelijk de strekking de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten? 2. Is de strekking – na aanvankelijk aanwezig geweest te zijn – verloren gegaan, onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen en/of gelet op het handhavingsbeleid van Ksa? Moet hierbij een onderscheid worden gemaakt tussen aanbieders van kansspelen die op de ‘grijze lijst’ van de Ksa stonden en andere aanbieders? 3. Is een kansspelovereenkomst tussen een in Nederland verblijvende consument en een aanbieder van kansspelen op internet die geen vergunning heeft in de zin van de Wok een nietige overeenkomst in de zin van artikel 3:40 BW? 4. Maakt het voor de beantwoording van vraag 3 nog uit of de kansspelaanbieder voldeed aan de prioriteringscriteria van Ksa? 5. Indien het antwoord op vraag 3 bevestigend luidt, welke rechtsgevolgen heeft dat dan? Is een vordering tot terugbetaling van het geleden verlies op grond van onverschuldigde betaling toewijsbaar?” 1.5 Ik adviseer om de eerste vier vragen met ‘nee’ te beantwoorden en de vijfde vraag dus onbeantwoord te laten. Daarvoor heb ik de volgende redenen. De tekst, wetsgeschiedenis, wetssystematiek en doelstellingen van de Wok bieden geen aanwijzingen dat de wetgever met de Wok het aangaan van kansspelovereenkomsten heeft willen verbieden. De wet verbiedt alleen het aanbieden van kansspelen zonder vergunning. De tekst, wetsgeschiedenis, wetssystematiek en doelstellingen van de Wok bieden ook geen aanwijzingen dat de Wok de strekking heeft of heeft gehad om de geldigheid aan te tasten van kansspelovereenkomsten die tot stand zijn gekomen nadat daartoe zonder vergunning gelegenheid is geboden. De wetgever heeft alleen voorzien in handhaving via het bestuursrecht en het strafrecht. De openbare orde of goede zeden dwingen er ook niet toe om te oordelen dat kansspelovereenkomsten nietig zijn. Bescherming van consumentenbelangen kan bovendien waarschijnlijk ook, en mogelijk beter, worden bereikt met minder vergaande sancties, zoals vernietiging van kansspelovereenkomsten wegens dwaling of schadevergoeding uit onrechtmatige daad. 1.6 Bij dit alles speelt een rol dat al heel lang op grote schaal via het internet is gegokt en dat het wetgevingsproces om daarvoor vergunningen mogelijk te maken tientallen jaren heeft geduurd, terwijl in dat proces en in het handhavingsbeleid voor zover ik heb kunnen nagaan nooit over de mogelijkheid van ongeldigheid van de kansspelovereenkomsten is gesproken. Ten slotte speelt een rol dat in het handhavingsbeleid is gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van speldeelnemers en dat het aannemen van een recht op terugbetaling van door speldeelnemers geleden verliezen daarom niet zonder meer redelijk is. 2Opzet van deze conclusie 2.1 Deze conclusie is als volgt opgebouwd. Na een weergave van de feiten, het procesverloop en de inbreng van partijen en derden in paragraaf 3, beschrijf ik eerst de wettelijke regeling van de kansspelovereenkomst in het Burgerlijk Wetboek (paragraaf 4). Dan schets ik het wettelijk kader waarover de rechtbank vragen stelt: de wetgeving over regulering van kansspelen (paragraaf 5). Ik ga daarbij tevens in op de historie ervan en op de wijze waarop deze wetgeving tot nu toe is gehandhaafd. Daarna zet ik het civielrechtelijke toetsingskader voor verboden rechtshandelingen (art. 3:40 BW) uiteen (paragraaf 6). Na de weergave van deze leerstukken (kort gezegd: de kansspelovereenkomst, de kansspelwetgeving en art. 3:40 BW) breng ik ze in paragraaf 7 samen: wat kunnen de regeling van de kansspelovereenkomst, de kansspelwetgeving en art. 3:40 BW betekenen voor de geldigheid van overeenkomsten die strekken tot het spelen van kansspelen op afstand? Vervolgens bespreek ik in paragraaf 8 de voorlopige oordelen van de rechtbank. In paragraaf 9 kom ik tot een beantwoording van de vragen. De paragrafen 4, 5, 6 en 7 zijn gelijkluidend aan die in mijn conclusie in de zaak 25/00202. Dit leidt tot de volgende inhoudsopgave: § 1 Inleiding § 2 Opzet van deze conclusie § 3 Feiten, procesverloop en inbreng van partijen en derden Feiten (3.1 t/m 3.3) Procesverloop (3.4 t/m 3.10) Inbreng van partijen en derden (3.11 t/m 3.20) § 4 Kansspelovereenkomsten De afdeling “Van spel en weddingschap” (art. 7A:1825 – 7A:1828 BW) (4.1 t/m 4.4) Voorontwerp titel 16 van boek 7 (4.5 t/m 4.13) Samenvatting (4.14) § 5 Kansspelwetgeving en kansspelbeleid Opzet (5.1) Regulering van kansspelen: uitgangspunten en geschiedenis (5.2 t/m 5.6) De wet op de kansspelen (5.7 t/m 5.14) Kansspelen via internet: beleid, wetgeving en handhaving in de jaren ’90 tot aan de invoering van de Wet kansspelen op afstand op 1 april 2021 (5.15 t/m 5.36) Handhaving via civiel recht (5.37 t/m 5.41) Wet Kansspelen op afstand (5.42 t/m 5.46) Samenvatting (5.47) § 6 Verboden rechtshandelingen Soms een specifieke regeling, anders terugvallen op art. 3:40 BW (6.1 t/m 6.4) Art. 3:40 BW Inleiding (6.5 t/m 6.7) Leden 2 en 3 (6.8 t/m 6.18) Lid 1 (6.19 t/m 6.25) Tendens: terugdringen van nietigheden (6.26) Samenvatting (6.27 t/m 6.32) § 7 Balans: betekenis van kansspelwetgeving voor geldigheid van op afstand gesloten kansspelovereenkomsten Aanpak (7.1) Vertrekpunt: art. 7A:1825 e.v. BW (7.2) Wat verbiedt de Wok? (7.3 t/m 7.5) Wat is volgens de Wok het gevolg van overtreding van een in art. 1 Wok neergelegd verbod? (7.6 t/m 7.8) Toetsing aan art. 3:40 BW (7.9 t/m 7.19) Voorlopige conclusie: aanwijzingen voor gevolgen voor geldigheid zijn beperkt (7.20) Nadere standpuntbepaling (7.21 t/m 7.28) Samenvatting (7.29 t/m 7.32) § 8 Bespreking van de voorlopige oordelen van de rechtbank § 9 Beantwoording van de vragen Vraag 1 (9.1) Antwoord (9.2) Vragen 2 t/m 5 (9.3 t/m 9.5) Alternatieve beantwoording vragen 1 t/m 5 (9.6 t/m 9.7) § 10 Conclusie 3Feiten, procesverloop en inbreng van partijen en derden Feiten 3.1 In deze zaak gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. [verzoeker] heeft in de periode 2 augustus 2020 tot en met 9 juli 2021 deelgenomen aan kansspelen (onder meer) via de website www.partycasino.com. Deze website werd tot 5 januari 2021 geëxploiteerd door Electra Works Limited, gevestigd te Gibraltar. Vanaf 5 januari 2021 heeft ElectraWorks alle (relevante) activiteiten, rechten en verplichtingen van Electra Works Limited overgenomen en voortgezet. ElectraWorks is gevestigd op Malta en beschikt daar over een vergunning om online kansspelen aan te bieden. Een vergunning om in Nederland online kansspelen aan te bieden, als bedoeld in artikel 1 van de Wok, heeft ElectraWorks niet. 3.2 Met het spelen van deze kansspelen op www.partycasino.com heeft [verzoeker] een bedrag van € 135.137,-- verloren (inzet minus opbrengsten). 3.3 [verzoeker] heeft ElectraWorks verzocht en gesommeerd om het door hem verloren bedrag terug te betalen, vermeerderd met rente en kosten. ElectraWorks heeft dat geweigerd. Procesverloop 3.4 Het procesverloop is als volgt. [verzoeker] heeft ElectraWorks op 4 augustus 2023 gedagvaard. [verzoeker] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat de kansspelovereenkomst die is gesloten tussen [verzoeker] en ElectraWorks nietig is en/of de kansspelovereenkomst te vernietigen; een veroordeling van Electraworks tot betaling aan [verzoeker] van € 135.137,--, vermeerderd met wettelijke rente; een verklaring voor recht dat ElectraWorks onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker] , althans toerekenbaar is tekortgeschoten, althans zich schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken en dat ElectraWorks verplicht is om de daardoor door [verzoeker] geleden schade te vergoeden; ElectraWorks te veroordelen tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat; te verklaren voor recht dat de kansspelovereenkomst door dwaling aan de zijde van [verzoeker] tot stand is gekomen en de overeenkomst te vernietigen en Electraworks te veroordelen de gevolgen daarvan ongedaan te maken door betaling van € 135.137,-- aan [verzoeker] , althans (subsidiair) om het door [verzoeker] geleden nadeel op te heffen op de voet van art. 6:230 lid 2 BW door terugbetaling van de geleden verliezen alsook ander nadeel te betalen; en ElectraWorks te veroordelen in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente. 3.5 Bij vonnis van 21 februari 2024 heeft de rechtbank een comparitie bevolen. Op 8 april 2024 heeft vervolgens een mondelinge behandeling plaatsgevonden. 3.6 Bij vonnis van 12 juni 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat ElectraWorks online kansspelen heeft aangeboden terwijl zij daar geen vergunning voor had en dat het sluiten van een kansspelovereenkomst op basis van een verboden aanbod ook valt onder het verbod van artikel 1 Wok (r.o. 5.9). De rechtbank heeft in het tussenvonnis haar voornemen bekend gemaakt om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad over de vraag of de Wok ook de strekking heeft het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen aan te tasten. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over dit voornemen en over de inhoud van de te stellen vragen, en heeft iedere verdere beslissing aangehouden. 3.7 [verzoeker] heeft op 21 augustus 2024 een akte genomen. ElectraWorks heeft op 21 augustus 2024 een akte ex art. 392 Rv genomen, inclusief producties. [verzoeker] heeft op 13 november 2024 een akte uitlaten producties genomen. 3.8 Op 18 december 2024 heeft de rechtbank een vonnis uitgesproken in het voegingsincident, waarbij kansspelaanbieder Trannel had gevorderd dat de rechtbank toestaat zich te voegen aan de zijde van Electraworks om zich over de voorgenomen prejudiciële vragen te kunnen uitlaten. De rechtbank heeft de vordering van Trannel afgewezen. 3.9 Bij vonnis van 22 januari 2025 (hierna: het verwijzingsvonnis) heeft de rechtbank, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, op de voet van art. 392 lid 1 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld: “1. Had de Wok aanvankelijk de strekking de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten? 2. Is de strekking – na aanvankelijk aanwezig geweest te zijn – verloren gegaan, onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen en/of gelet op het handhavingsbeleid van Ksa? Moet hierbij een onderscheid worden gemaakt tussen aanbieders van kansspelen die op de ‘grijze lijst’ van de Ksa stonden en andere aanbieders? 3. Is een kansspelovereenkomst tussen een in Nederland verblijvende consument en een aanbieder van kansspelen op internet die geen vergunning heeft in de zin van de Wok een nietige overeenkomst in de zin van artikel 3:40 BW? 4. Maakt het voor de beantwoording van vraag 3 nog uit of de kansspelaanbieder voldeed aan de prioriteringscriteria van Ksa? 5. Indien het antwoord op vraag 3 bevestigend luidt, welke rechtsgevolgen heeft dat dan? Is een vordering tot terugbetaling van het geleden verlies op grond van onverschuldigde betaling toewijsbaar?” 3.10 In de prejudiciële procedure bij de Hoge Raad zijn op 6 juni 2025 schriftelijke opmerkingen ingediend door [verzoeker] , ElectraWorks en TSG, N1 Interactive Limited (hierna: N1), BML Group Limited (hierna: BML), Risepoint Limited (hierna: Risepoint), [A] Advocaten (hierna: [A]) en de Kansspelautoriteit (hierna: de Ksa). Het gaat bij deze schriftelijke opmerkingen, inclusief producties, om ruim 1200 pagina’s. [verzoeker] heeft vervolgens op 4 juli 2025 een reactie op de schriftelijke opmerkingen ingediend. ElectraWorks heeft eveneens op 4 juli 2025 een reactie op de schriftelijke opmerkingen ingediend. Inbreng van partijen en derden 3.11 De standpunten van partijen en de hiervoor genoemde derden, en de onderwerpen die zij in dat kader bespreken, laten zich als volgt samenvatten. 3.12 [verzoeker] onderschrijft de voorlopige oordelen van de rechtbank, maar vult de motivering aan (SO [verzoeker] , nr. 3). De eerste vraag beantwoordt hij bevestigend. Ter nadere motivering van de overweging van de rechtbank dat de wetgever van mening is dat een kansspelovereenkomst zonder vergunning nietig is (r.o. 5.22 tussenvonnis), verwijst hij naar art. 7.16.1 voorontwerp, de toelichting bij die bepaling en een opmerking van Minister van Justitie Donner (SO [verzoeker] , nr. 5-6). Volgens [verzoeker] heeft het verbod van art. 1 Wok verder niet zijn strekking verloren omdat onvergunde online kansspelen nog altijd maatschappelijk ongewenst en onaanvaardbaar zijn en zij bovendien niet zijn gedoogd maar juist actief bestuurs- en strafrechtelijk zijn bestreden (vraag 2, SO [verzoeker] , nr. 26). Hij bespreekt in dat kader de kansspelproblematiek en de doelstellingen van de kansspelregelgeving, namelijk consumentenbescherming, bestrijding van gokverslaving en bestrijding van illegaliteit en criminaliteit (SO [verzoeker] , nr. 8-11). Ook betoogt hij dat de ‘strekkingsverlies’-rechtspraak van de Hoge Raad ziet op zeldzame gevallen waarin een wettelijk verbod berustte op een (inmiddels achterhaald) zedelijkheidsoordeel, terwijl art. 1 Wok niet berust op een zedelijkheidsoordeel over kansspelen als zodanig, maar op voorkoming, beperking en bestrijding van individuele en maatschappelijke misstanden (SO [verzoeker] , nr. 12-13). [verzoeker] betoogt verder dat (de doelstellingen van) art. 1 Wok niet zijn gewijzigd na de opkomst van kansspelen via internet en de inwerkingtreding van de Wet kansspelen op afstand, en dat onvergunde online kansspelen altijd illegaal waren en nog steeds zijn (SO [verzoeker] , nr. 14-18). Hij betoogt tevens dat het illegaal aanbieden van online kansspelen nooit is gedoogd (SO [verzoeker] , nr. 19-23) en dat een ‘grijze lijst’ op basis waarvan onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende soorten aanbieders nooit heeft bestaan (SO [verzoeker] , nr. 24-26). [verzoeker] voert, in het kader van een bevestigende beantwoording van vraag 3, aan dat in het licht van de doelstellingen van art. 1 Wok nietigheid zelfs een noodzakelijke sanctie is (SO [verzoeker] , nr. 27), zoals ook is geoordeeld in Duitse en Oostenrijkse rechtspraak en wat ook blijkt uit de Maltese bescherming van kansspelaanbieders tegen nietigheid van overeenkomsten (SO [verzoeker] , nr. 28-33). Slechts in extreme gevallen kan met civielrechtelijk maatwerk een correctie op de nietigheidsanctie plaatsvinden, omdat de doelstellingen van de Wok zouden worden ondergraven als in algemene zin van de nietigheidssanctie wordt afgezien (SO [verzoeker] , nr. 34-36). Het maakt volgens [verzoeker] verder niet uit dat aanbieders aan de prioriteringscriteria van de Ksa voldeden (vraag 4), in de zin dat kansspelaanbieders gezien de aard van dat beleid daaraan niet het vertrouwen mochten ontlenen dat handelen in strijd met art. 1 Wok werd gedoogd (SO [verzoeker] , nr. 37). De vijfde vraag beantwoordt [verzoeker] bevestigend (SO [verzoeker] , nr. 38-40). Nietige overeenkomsten moeten worden afgewikkeld overeenkomstig art. 6:203-6:210 BW: de deelnemer aan een nietig kansspel kan zijn inleg terugvorderen, de aanbieder van een nietig kansspel kan de uitgekeerde winst terugvorderen (SO [verzoeker] , nr. 38). Op de prestatie van de aanbieder die bestaat uit het aanbieden van gelegenheid tot deelname aan een verboden kansspel zijn art. 6:210 lid 2 BW en art. 6:211 lid 1 BW van toepassing. Als die prestatie al op geld waardeerbaar is, is een dergelijke tegenvordering volgens [verzoeker] echter uitgesloten omdat dat direct afbreuk zou doen aan het verbod van art. 1 Wok (SO [verzoeker] , nr. 39). Alleen in uitzonderlijke gevallen zou met toepassing van art. 3:13, art. 6:2 en art. 6:248 BW een passende oplossing, in de zin dat de deelnemer toch enige vergoeding voor deelname moet betalen aan de aanbieder, kunnen worden gevonden die de ratio van art. 1 Wok geen geweld aandoet (SO [verzoeker] , nr. 40). 3.13 Electraworks en TSG, die partij is in de samenhangende procedure 25/00202, hebben in beide zaken gezamenlijk dezelfde opmerkingen gemaakt. Electraworks beantwoordt vraag 1 ontkennend: de Wok strekt niet tot nietigheid van kansspelovereenkomsten (SO Electraworks, hfst. 6, nr. 112-197), vraag 2 bevestigend: de Wok heeft haar strekking tot nietigheid verloren (SO Electraworks, hfst. 8, nr. 319- 365), vraag 3 ontkennend en vraag 4 bevestigend (SO Electraworks, hfst. 9, nr. 366-435) en betoogt in hoofdstuk 11 dat vraag 5 geen beantwoording behoeft omdat de overeenkomsten niet nietig zijn, terwijl zij, veronderstellenderwijs nietigheid tot uitgangspunt nemend, verder betoogt dat een vordering uit onverschuldigde betaling van deelnemer [verzoeker] niet toewijsbaar is (SO Electraworks, hfst. 11, nr. 513-548). Electraworks bespreekt verder verschillende onderwerpen. Zo geeft Electraworks, na een inleiding in hoofdstuk 1, in hoofdstuk 2 een “realistisch beeld van de online kansspelmarkt vóór 1 oktober 2021”, in het kader waarvan zij kansspelaanbieders, wet- en regelgeving uit EU-lidstaten, zorgplicht en zelfregulering, cijfers van deelnemers, bestedingen en brutospeelresultaat, publieke bekendheid met het verbod en het ontbreken van een vergunningmogelijkheid bespreekt (SO Electraworks, nr. 21-47). In hoofdstuk 3 bespreekt Electraworks het contractuele kader, welke kansspelen er zijn en de geldstromen en afgescheiden vermogen (SO Electraworks, nr. 48-66). Hoofdstuk 4 ziet alleen op de samenhangende zaak 25/00202 (SO Electraworks, nr. 67-80). In hoofdstuk 5 wordt de tendens in literatuur en rechtspraak besproken om de nietigheid van rechtshandelingen en de gevolgen van een dergelijke nietigheid terug te dringen (SO Electraworks, nr. 81-110). Hoofdstuk 7 bevat een bespreking van het beleid en handhaving in de periode vanaf de opkomst van kansspelen via internet tot aan de invoering van de Wet kansspelen op afstand (SO Electraworks, nr. 198-318). In hoofdstuk 10 betoogt Electraworks dat in het kader van de beantwoording van vragen 3 tot en met 5 het Nederlandse kansspelbeleid moet worden getoetst aan art. 56 VWEU (vrijheid van dienstverlening) (SO Electraworks, nr. 436-512). Het totaalverbod op online kansspelen is volgens Electraworks in strijd met art. 56 VWEU, omdat het absoluut ongeschikt was om verwezenlijking van het daarmee nagestreefde doel te waarborgen en omdat evenmin sprake was van een samenhangende en stelselmatige beperking op het vrij dienstenverkeer. Electraworks betoogt dat het rechtsgevolg van die strijdigheid is dat het Nederlandse recht Unierechtconform moet worden geïnterpreteerd, dan wel dat art. 1 lid 1 onder a Wok en/of art. 3:40 BW buiten toepassing moeten worden gelaten. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een deskundigenrapport van [deskundige 1] en [deskundige 2] overgelegd (SO Electraworks, productie 15). Hoofdstuk 12 bevat tot slot een afronding (SO Electraworks, nr. 549). 3.14 De opmerkingen van de derden ‘tevens aanbieders van kansspelen’ (namelijk TSG, N1, BML en Risepoint, hierna gezamenlijk: derden aanbieders) strekken tot beantwoording van de vragen in dezelfde zin als Electraworks ze heeft beantwoord: de Wok heeft nooit de strekking gehad om daarmee strijdige rechtshandelingen aan te tasten (vraag 1), maar als dat wel zo zou zijn dan heeft de Wok die strekking verloren (vraag 2), kansspelovereenkomsten zijn (dus) niet nietig op grond van art. 3:40 BW (vraag 3), waarbij geldt dat (het voldoen aan) de prioriteringscriteria niet relevant is/zijn voor de beantwoording van de prejudiciële vragen (vraag 4) en eventuele nietigheid van de kansspelovereenkomsten geen vordering tot terugbetaling oplevert van geleden verlies op grond van onverschuldigde betaling (vraag 5). De derden aanbieders zijn bovendien van mening dat het Nederlandse ‘totaalverbod’ op online kansspelen in de periode tot 1 oktober 2021 in strijd was met het Unierecht en dat het gevolg daarvan noodzakelijkerwijs is dat de vorderingen van de spelers moeten worden afgewezen. Zij stellen dat als de Hoge Raad dit anders ziet prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie overwogen kunnen worden (SO N1, nr. 6.10; SO BML, nr. 6.10 en SO Risepoint, nr. 68). 3.15 Hier kan nog het volgende aan worden toegevoegd. 3.16 N1 en BML sluiten zich, na inleidende opmerkingen in hoofdstukken 1 t/m 3, wat betreft het feitelijk kader aan bij de SO van Electraworks & TSG, meer in het bijzonder hoofdstuk 2, par. 6.3 en hoofdstuk 7 (SO N1, nr. 3.2 en SO BML, nr. 3.2). Zij vullen daarnaast ook feiten aan die specifiek op hun situatie betrekking hebben, bespreken de (aard van

  1. de)kansspelovereenkomsten die zij hebben gesloten en bespreken de invloed van het Unierecht op de beantwoording van de vragen (SO N1, hfst. 4 t/m 6 en SO BML, hfst. 4 t/m 6). De zes prejudiciële vragen bespreken en beantwoorden zij in hoofdstukken 7 t/m 12, waarna zij afsluiten met een conclusie in hoofdstuk 13. In het kader van vraag 1 bespreken N1 en BML dat deze vraag ziet op lid 2 en lid 3 van art. 3:40 BW, dat het de vraag is of wel sprake is van een rechtshandeling, welke rol art. 7A:1825 e.v. BW speelt en dat de strekking van de Wok, zoals blijkt uit wetsgeschiedenis, rechtspraak en maatschappelijke ontwikkelingen en opvattingen, niet is dat rechtshandelingen nietig zijn, zodat lid 2 van art. 3:40 BW niet van toepassing is (SO N1, hfst. 7 en SO BML, hfst. 7). In het kader van vraag 2 bespreken zij dat de vraagstelling te beperkt is, omdat het niet alleen zou moeten gaan om het handhavingsbeleid van de Ksa in de relevante periode, maar ook om mededelingen en beleid van de Ksa en Staatssecretarissen en het wetswijzigingstraject van de Wok. Als al sprake zou zijn van een strekking tot nietigheid of vernietigbaarheid, dan volgt volgens N1 en BML uit rechtspraak, wetsgeschiedenis, beleid en mededelingen van de Ksa en Staatssecretarissen en maatschappelijke ontwikkelingen dat sprake is van strekkingsverlies. N1 en BML bespreken in het kader van vraag 2 ook het bestaan van, en de relevantie van de ‘grijze lijst’ (SO N1, hfst. 8 en SO BML, hfst. 8). In het kader van vraag 3 bespreken N1 en BML lid 1 van art. 3:40 BW, dat niet duidelijk is of het enkele gelegenheid geven tot deelname aan kansspelen kwalificeert als rechtshandeling, de rol van art. 7A:1825 e.v. BW, en dat verschillende feitenrechters hebben geoordeeld dat lid 1 van art. 3:40 BW niet van toepassing is op zaken als onderhavige (SO N1, hfst. 9 en SO BML, hfst. 9). In het kader van vraag 4 bespreken N1 en BML dat het niet relevant is of is voldaan aan de prioriteringscriteria, maar dat wél relevant is dat deze criteria bestonden omdat zij laten zien dat het beleid was gericht op kanalisatie (het behouden van het aanbod in de juiste vorm) en niet op het volledig de kop indrukken van illegaal aanbod (SO N1, hfst. 10 en S) BML, hfst. 10). Vraag 5 beantwoorden N1 en BML in die zin dat eventuele nietigheid geen gevolgen behoort te hebben voor de status quo in de vermogensrechtelijke verhoudingen tussen aanbieders en spelers, omdat wederzijdse ongedaanmakingsverbintenissen in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (art. 6:2), omdat art. 6:211 BW de terugbetalingsvorderingen van de spelers blokkeert en omdat de vordering tot terugbetaling van de inleg van de speler moet worden verrekend met de vordering van de aanbieder tot vergoeding van de waarde van haar prestatie (SO N1, hfst. 11 en SO BML, hfst. 11). 3.17 Na een inleiding in hoofdstuk 1 over o.m. de kern van de zaak, de vennootschap Risepoint en aanverwante vennootschappen en het belang van Risepoint bij de procedure, bespreekt Risepoint in hoofdstuk 2 als ‘voorvraag’ of het Nederlandse verbod op online kansspelen in overeenstemming was met het Unierecht en betoogt zij dat het Nederlandse ‘totaalverbod’ op online kansspelen een ongerechtvaardigde inbreuk vormde op het vrij verkeer van diensten van art. 56 VWEU (SO Risepoint, hfst. 2), met het gevolg dat overtreding van het totaalverbod niet leidt tot nietigheid van kansspelovereenkomsten (SO Risepoint, nr. 32). Risepoint bespreekt daarbij ook de achtergrond van de afschaffing van het ‘totaalverbod’, waaronder de Placanica-doctrine, inhoudende dat handhaving tegen aanbieders die door strijd met het Unierecht geen vergunning konden krijgen, niet is toegestaan (SO Risepoint, par. 2.8). In hoofdstuk 3 bespreekt Risepoint vraag 1, art. 3:40 BW en art. 1 lid 1 onder a Wok, en concludeert zij dat de Wok niet de strekking heeft rechtshandelingen aan te tasten. In hoofdstuk 4 beantwoordt Risepoint vraag 2. Daarbij gaat Risepoint in op de strekkingsverlies-jurisprudentie, de omstandigheid dat in Nederland en Europa op grote schaal aan onvergunde kansspelen werd deelgenomen, het feit dat de wetgever al sinds 2000 online kansspelen aan het legaliseren en reguleren was, het feit dat het aanbieden van online kansspelen door in Nederland onvergunde (bonafide) aanbieders niet meer als maatschappelijk onwenselijk, illegaal of strafwaardig werd ervaren, de omstandigheid dat het beleid was gericht op continuering van het aanbod van bonafide aanbieders, het feit dat strekkingsverlies is erkend door het Hof Amsterdam, het belang van de ‘grijze lijst’. Risepoint concludeert dat de Wok in ieder geval de strekking heeft verloren om rechtshandelingen aan te tasten. In hoofdstuk 5 beantwoordt Risepoint vraag 3 in de zin dat onvergunde online kansspelovereenkomsten niet nietig zijn en dat een beroep op art. 3:40 lid 2 BW ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Risepoint bespreekt in hoofdstuk 6 vraag 4 en concludeert dat de prioriteringscriteria van de Ksa niet relevant zijn voor beantwoording van de derde vraag, dan wel dat sprake is van strekkingsverlies ten aanzien van aanbieders die zich conformeerden aan de prioriteringscriteria. In hoofdstuk 7 betoogt Risepoint in het kader van de beantwoording van vraag 5 dat door spelers geleden verliezen om verschillende redenen niet kunnen worden teruggevorderd, waarbij zij ingaat op de verbintenissen uit kansspelovereenkomsten, art. 7A:1828 BW, de BW-bepalingen over onverschuldigde betaling en ongedaanmakingsverbintenissen, de waardering van prestaties onder een kansspelovereenkomst, verrekening, de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid en de Placanica-doctrine. Hoofdstuk 8 bevat tot slot een bespreking van vraag 6, die alleen speelt in de samenhangende zaak 25/00202. 3.18 Er zijn ook schriftelijke opmerkingen gemaakt door derden die geen aanbieders zijn van kansspelen, namelijk door [A] en de Ksa. 3.19 [A] heeft opmerkingen gemaakt omdat de vragen o.m. betrekking hebben op de invloed van maatschappelijke ontwikkelingen en van het handhavingsbeleid van de overheid op de strekking van art. 1 Wok, en omdat [betrokkene 1] als advocaat sinds 2001 nauw betrokken is bij de relevante ontwikkelingen in de kansspelsector en hij in het licht van zijn directe betrokkenheid en kennis van de feiten een reële bijdrage aan de beantwoording van de vragen meent te kunnen leveren (SO [A], Vooraf). [A] verwijst, na een inleiding in hoofdstuk 1, voor de feitelijke achtergrond van de zaak naar hoofdstukken 2, 3 en 7 van de SO van Electraworks & TSG (SO [A], nr. 2.1) en sluit zich aan bij de conclusies van het deskundigenrapport van [deskundige 1] en [deskundige 2] (SO [A], nr. 2.2). In hoofdstuk 3 verkent hij de prejudiciële vragen en betoogt hij dat art. 3:40 BW het vertrekpunt moet zijn van de beantwoording van alle prejudiciële vragen (SO [A], nr. 3.1). In hoofdstuk 4 bespreekt [A] art. 3:40 BW. In hoofdstuk 5 betoogt hij dat de Wok nooit de strekking heeft gehad om daarmee strijdige rechtshandelingen aan te tasten, dan wel die strekking heeft verloren (vragen 1 en 2). [A] bespreekt dat de Wok niet bepaalt dat het sluiten van een kansspelovereenkomst verboden is en, veronderstellenderwijs ervan uitgaand dat de Wok dit wel verbiedt, de Wok niet de strekking heeft dat dergelijke rechtshandelingen nietig zijn. In dat kader bespreekt hij een voorloper van de Wok, de Loterijwet 1905, en de (wetsgeschiedenis van
  2. de)Wok. In hoofdstuk 5 komen eveneens de maatschappelijke ontwikkelingen na de invoering van de Wok in 1964 aan bod, waaronder activiteiten van de wetgever, de Betfair-rechtspraak van het Hof van Justitie op grond waarvan in een deel van de relevante periode in enkele kansspelsectoren niet meer handhavend mocht worden opgetreden tegen in Nederland onvergund aanbod, het prioriteringsbeleid van de Ksa, getuigenverklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en de relevantie van de ‘grijze lijst’. In hoofdstuk 6 bespreekt [A] vragen 3 en 4. Volgens [A] moet vraag 3 ontkennend worden beantwoord (geen nietigheid o.g.v. art. 3:40 BW) omdat de Wok niet de strekking heeft om de rechtsgeldigheid van rechtshandelingen aan te tasten, althans omdat die strekking verloren is gegaan, en subsidiair omdat de redelijkheid en billijkheid in dit geval aan nietigheid op grond van art. 3:40 BW in de weg staat. Verder is in dat geval niet relevant of een aanbieder voldeed aan de prioriteringscriteria van de Ksa, dan wel geldt subsidiair dat de aanbieders die zich aan de voorwaarden hielden instrumenteel waren voor het Nederlandse kansspelbeleid en dat dit redelijkerwijs moet meebrengen dat overeenkomsten die deze aanbieders sloten, niet nietig zijn. In hoofdstuk 7 bespreekt [A] de rechtsgevolgen van een nietige kansspelovereenkomst (vraag 5), waaronder dat de aard van de prestaties van de aanbieders uitsluit dat zij ongedaan gemaakt worden (art. 6:210 lid 2 BW), dat de prestaties van de aanbieders niet op geld behoren te worden gewaardeerd (art. 6:211 lid 1 BW), dat wederzijdse vorderingen van speler en aanbieder in omvang gelijk zijn en kunnen worden verrekend, en dat een vordering uit onverschuldigde betaling wordt beperkt door de redelijkheid en billijkheid. In hoofdstuk 8 bespreekt [A] vraag 6, die alleen speelt in de samenhangende zaak 25/00202. In hoofdstuk 9 bespreekt hij art. 7A:1825 e.v. BW. Hoofdstuk 10 bevat een conclusie. 3.20 De opmerkingen, tot slot, van een andere derde niet-aanbieder, de Ksa, dienen ter aanvulling en correctie van de voorlopige oordelen van de rechtbank over de taak en het beleid van de Ksa, en zijn m.n. van belang voor de beantwoording van vragen 2 en 4 (SO Ksa, nr. 1.2). De Ksa voert aan dat de kansspelmarkt extra gevoelig is voor fraude, bedrog en verslaving; dat de verslavingsrisico’s bij de online kansspelmarkt (zeer) hoog zijn en, in het bijzonder voor minderjarigen en personen met een (te ontwikkelen) bijzondere goklust, extra verslavingsrisico’s meebrengt o.m. vanwege het ontbreken van direct contact tussen aanbieder en deelnemer, de gemakkelijke permanente toegang en het ontbreken van sociale controle; dat kansspelverslaving forse negatieve persoonlijke en sociaal-maatschappelijke gevolgen heeft; en dat de Ksa sinds haar oprichting op 1 april 2012 actief en zichtbaar handhavend heeft opgetreden tegen onvergunde online kansspelaanbieders (SO Ksa, nr. 2.1-2.7). Sinds haar oprichting behoort optreden tegen kansspelen op internet tot de hoogste prioriteiten van de Ksa, maar vanwege capaciteitsgebrek en de aard van de overtreding heeft de Ksa met prioriteit handhavend opgetreden tegen aanbieders die aan bepaalde criteria voldeden (‘prioriteringscriteria’); dit beleid was volgens de Ksa handhavingsbeleid en geen gedoogbeleid (SO Ksa, nr. 3.1-3.25). De Ksa heeft zich nooit kunnen vinden in overwegingen van de rechtbank Amsterdam en het hof Amsterdam dat sprake zou zijn van ‘gedragsrichtlijnen’ die een aanbieder van online kansspelen in acht zou moeten nemen wil tegen hem niet gehandhaafd worden (SO Ksa, nr. 3.11). 4Kansspelovereenkomsten De afdeling “Van spel en weddingschap” (art. 7A:1825 – 7A:1828 BW) 4.1 De derde afdeling van titel 16 van boek 7A BW (‘Van kans-overeenkomsten’) bevat vier bepalingen over ‘spel en weddingschap’ (art. 7A:1825 t/m 7A:1828 BW). Het gaat om bepalingen uit het Oud BW, die nog steeds gelden omdat een voorontwerp op dit punt het nooit tot wet heeft gebracht. De twee relevante bepalingen luiden: Art. 7A:1825 BW De wet staat geene regtsvordering toe, ter zake van eene schuld uit spel of uit weddingschap voortgesproten. Art. 7A:1828 BW In geen geval, kan hij die het verlorene vrijwillig betaald heeft hetzelve terug eischen, ten ware, van de kant van dengenen die gewonnen heeft, bedrog, list of opligting hebbe plaats gehad. 4.2 Een overeenkomst van spel en weddenschap is een bijzondere kansovereenkomst en kan worden gedefinieerd als de kansovereenkomst die de kansen van partijen op winst en verlies afhankelijk stelt van een onzekere gebeurtenis waarbij partijen vóór het aangaan van de overeenkomst geen of slechts een andersoortig belang hadden. Spel en weddenschap vormen samen één begrip: het maakt voor het rechtsgevolg niet uit of een overeenkomst als spel of weddenschap wordt gedefinieerd. 4.3 Op een overeenkomst van spel en weddenschap kan geen rechtsvordering worden gebaseerd (art. 7A:1825 BW). De winnende partij kan dus niet in rechte afdwingen dat de verliezende partij haar speelschuld voldoet. De verliezende partij kan daarentegen, behoudens – kort gezegd – bedrog, niet in rechte afdwingen dat haar wederpartij teruggeeft wat zij – de verliezende partij – vrijwillig uit hoofde van haar speelschuld heeft voldaan (art. 7A:1828 BW). Overeenkomsten van spel en weddenschap hebben dus een zekere werking: zij vormen een rechtsgeldige titel voor de vermogensverschuiving van de vrijwillig betaalde schuld. Dergelijke overeenkomsten zijn anders gezegd geldig; zij zijn niet nietig. 4.4 Voor deze regeling van beperkte gevolgen van dergelijke overeenkomsten zijn in de literatuur verschillende redenen aangedragen: spel en weddenschap zouden onzedelijk zijn, spel en weddenschap zouden tijdverspilling zijn zowel voor de spelers als voor de rechterlijke macht als deze de speelschulden zou moeten behandelen, en grote schulden uit spel en weddenschap zouden kunnen leiden tot ruïneuze gevolgen voor de speler en zijn gezin. Er is evenwel ook kritiek op de gedachte dat een overeenkomst van spel en weddenschap onzedelijk of immoreel is. In redelijkheid zou dat niet (meer) kunnen worden volgehouden, omdat het maatschappelijk is geaccepteerd dat kansspelen legitiem vermaak bieden en de overheid bovendien zelf ook profiteert van kansspelen. Voorontwerp titel 16 van boek 7 4.5 De hiervoor weergegeven regeling is afkomstig uit het Oude Burgerlijk Wetboek, maar is nog steeds geldend recht. Er is weliswaar een voorontwerp gemaakt voor een nieuwe titel 7.16, maar die is nooit in de wet opgenomen. 4.6 Voor een goed begrip van de status van dit voorontwerp maak ik enkele opmerkingen over de geschiedenis ervan. Die laat zich als volgt samenvatten. Meijers had het idee om boek 7 te wijden aan ‘bijzondere overeenkomsten’. Hij heeft daarvoor een indeling gemaakt en heeft voor het merendeel van de overeenkomsten voorlopige teksten opgesteld, die echter nooit zijn gepubliceerd. Een toelichting van Meijers ontbrak. Na het overlijden van Meijers in juni 1954 rees de vraag hoe de nagelaten concepten van Meijers zouden kunnen worden voltooid. Minister Donker besloot de te bewerken stof te verdelen over een aantal juristen. Zij kregen de opdracht om de concepten van Meijers zo weinig mogelijk te veranderen; het ging hem in de eerste plaats om de toelichting. De bewerking van de titel over ‘spel en weddenschap’, destijds nog de beoogde titel 17, werd opgedragen aan De Jong. Eind december 1954 had de titel ‘spel en weddenschap’ – in tegenstelling tot verschillende andere titels – nog geen toelichting. Tussen 1954 en 1961 is verder ook ‘zeer weinig’ gebeurd aan boek 7. In 1961 werden vervolgens voor elk van de titels voor boek 7 die Meijers had bedacht (nieuwe) personen aangewezen om een voorontwerp met toelichting te maken. De Jong was met de coördinatie en eindredactie belast. De titel over ‘spel en weddenschap’ werd opgedragen aan E.J.A. Fischer-Keuls. De opdracht was dit keer – anders dan in 1954 – niet om de door Meijers opgestelde teksten in beginsel ongewijzigd te laten: de juristen waren in 1961 juist volledig vrij in hun bewerking van de concepten van Meijers. In 1972 verscheen uiteindelijk het ‘Groene Boek 7’ met 20 titels. 4.7 Dit levert het volgende beeld op. De tekst van het voorontwerp is mogelijk (deels) van Meijers afkomstig, of (deels) van andere juristen die zich na Meijers’ overlijden met de titel ‘spel en weddenschap’ hebben bezig gehouden. De toelichting is in ieder geval niet van Meijers afkomstig. De Jong heeft daarvoor in 1954 de opdracht gekregen, maar in ieder geval tot 1961 (toen Fischer-Keuls de opdracht kreeg) lijkt er geen toelichting te zijn opgesteld. Het lijkt er sterk op dat de toelichting dus (volledig) van de hand van Fischer-Keuls is. 4.8 Na 1972 is het rustig gebleven rond het voorontwerp. In 1990 schreef De Boer dat het de bedoeling was dat de materie van Boek 7 niet als één geheel aan het parlement zou worden voorgelegd, maar telkens bij afzonderlijk wetsontwerp; verschillende titels waren toen ter hand genomen maar titel 7.16 nog niet. Van der Grinten schreef in 1991 dat het grootste gedeelte van het voorontwerp sinds 1972 in ruste was, en dat voor het merendeel van de onderwerpen zelfs geen wetsvoorstel in voorbereiding was. Dat gold ook toen nog voor de titel over ‘spel en weddenschap’ (titel 7.16). Ook daarna lijkt er niets meer met het voorontwerp voor titel 7.16 te zijn gedaan. Het voorontwerp voor titel 16 van boek 7 heeft het met andere woorden nooit gebracht tot een parlementaire behandeling. Van der Grinten meende in 1991 bovendien dat het weinig zin had om over kansspelen en andere spelen bepalingen in het Burgerlijk Wetboek op te nemen. 4.9 Art. 7.16.1 van het Voorontwerp luidde: 1. Uit overeenkomsten tot deelneming aan een kansspel ontstaan geen verbintenissen. Niettemin kan hetgeen uit hoofde van een zodanige overeenkomst vrijwillig is voldaan, na afloop van het spel niet worden teruggevorderd, tenzij de overeenkomst nietig of vernietigbaar is, bij haar uitvoering bedrog is gepleegd, of de verliezer door de voldoening in een noodtoestand is geraakt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op elders in de wet geregelde kansspelen die aan de voor hun geoorloofdheid gestelde vereisten voldoen. 4.10 In lid 1 wordt de term ‘kansspel’ gebruikt. Daarmee wordt volgens de toelichting aangesloten bij de Wok, waarin in art. 1 lid 1 aanhef en onder a is vermeld wat onder een ‘kansspel’ wordt verstaan. Uit de toelichting blijkt dat het ontwerp de regeling van art. 1825 e.v. BW (oud) handhaaft dat kansspelovereenkomsten geen volwaardige verbintenissen opleveren, in de zin dat uit dergelijke overeenkomsten geen in rechte afdwingbare verbintenissen ontstaan maar dat wat uit hoofde van een dergelijke overeenkomst vrijwillig is voldaan na afloop van het spel niet kan worden teruggevorderd. Het voorontwerp berust op de gedachte “dat het deelnemen aan kansspelen op zedelijke en maatschappelijke gronden afkeurenswaardig is, zodat in beginsel het recht aan deze overeenkomsten geen juridische consequenties behoort te verbinden, maar dat anderzijds deze afkeurenswaardigheid niet zo ver gaat, dat deze overeenkomsten als nietig moeten worden beschouwd met het gevolg dat de verliezer het door hem uit hoofde van de overeenkomst betaalde ook na afloop van het spel nog als onverschuldigd betaald zou kunnen terugvorderen”. 4.11 Is het spel beëindigd en is de daaruit voortgekomen schuld voldaan, dan kan het betaalde dus niet meer worden teruggevorderd, tenzij één van de uitzonderingen genoemd aan het slot van lid 1 van art. 7.16.1 zich voordoet. De verschillende uitzonderingen zijn het geval dat “de overeenkomst nietig of vernietigbaar is, bij haar uitvoering bedrog is gepleegd, of de verliezer door de voldoening in een noodtoestand is geraakt”. De regeling in het BW kent alleen een uitzondering in het geval van “bedrog, list of opligting” (art. 7A:1828 BW). In de toelichting bij het ontwerp wordt geëxpliciteerd dat “het betaalde wèl kan worden teruggeëist als de overeenkomst nietig is wegens strijd met de wet of met de openbare orde of de goede zeden of als zij op een der in de wet aangegeven gronden wordt vernietigd”. Dat volgt echter ook al, zo wordt toegelicht, uit de algemene regels over rechtshandelingen in boek 3 en over overeenkomsten in boek 6, omdat die ook van toepassing zijn op kansspelovereenkomsten. 4.12 Het tweede lid van art. 7.16.1 bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op elders in de wet geregelde kansspelovereenkomsten die aan de voor haar geoorloofdheid gestelde vereisten voldoen. Uit de toelichting blijkt dat hiermee in de eerste plaats wordt gedoeld op kansspelen waarop de Wok betrekking heeft. Wordt niet aan de vereisten van de Wok voldaan “dan zijn overeenkomsten tot deelneming aan die spelen nietig en is de uitzondering, opgenomen aan het slot van het eerste lid, van toepassing”, aldus de toelichting. Met andere woorden: hetgeen is gepresteerd op grond van een dergelijke nietige overeenkomst kan worden teruggevorderd. 4.13 Zoals gezegd is dit voorontwerp nooit ingevoerd. Minister Donner gaf daarover, vele jaren na de totstandkoming van het ontwerp en de toelichting, in een brief aan de Tweede Kamer de volgende uitleg: “De volgende overwegingen spelen een rol bij de vraag naar de noodzaak en het belang van titel 7.16. Deze titel berust nog op de gedachte dat het deelnemen aan een kansspel op zedelijke en maatschappelijke gronden afkeurenswaardig is, zodat de wetgever aan deze overeenkomsten geen juridische consequenties hoort te verbinden. Dit gaat echter niet zo ver dat hetgeen na afloop aan de winnaar vrijwillig is voldaan, als onverschuldigd betaald teruggevorderd kan worden. Dit uitgangspunt is neergelegd in artikel 7.16.1 lid 1 van het voorontwerp. Hierop wordt in lid 2 een uitzondering gemaakt indien de wet een kansspel geoorloofd acht. Hierbij is van belang dat kansspelen ingevolge de Wet op de kansspelen verboden zijn, tenzij een vergunning is verleend. Van dit verbod zijn ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de wet uitgezonderd kansspelen die noch voor het publiek zijn opengesteld, noch bedrijfsmatig worden gegeven. Hieruit volgt enerzijds dat in afwijking van artikel 7.16.1 lid 1 verbintenissen uit krachtens de Wet op de kansspelen toegestane kansspelen in rechte afdwingbaar zijn. Anderzijds volgt daaruit dat krachtens deze wet verboden overeenkomsten van kansspelen ingevolge artikel 3:40 lid 2 BW nietig zijn, zodat ook weer in afwijking van artikel 7.16.1 lid 1 hetgeen vrijwillig is voldaan wel teruggevorderd kan worden. Omdat thans alle kansspelen onder de werking van de Wet op de kansspelen vallen, heeft titel 7.16 dan ook geen betekenis. Bij de voorgenomen herziening van de Wet op de kansspelen zullen bepaalde kansspelen mogelijk ook zonder vergunning worden toegestaan. Voor dergelijke kansspelen zou, omdat ook deze geoorloofd zijn, titel 7.16 ook van geen betekenis zijn. Omdat het daarbij om relatief onschuldige kansspelen gaat, zoals bijvoorbeeld promotionele kansspelen, kan ook niet gezegd worden dat deze afkeurenswaardig zijn. Dit alles lijkt er op te wijzen dat de noodzaak en het belang van invoering van titel 7.16 BW afwezig is, doch een definitieve beslissing daarover kan pas worden genomen indien duidelijk is hoe de thans voorgenomen herziening van de Wet op de kansspelen zijn beslag krijgt. Daarbij zal ook onder ogen moeten worden gezien of titel 7.16 BW mogelijk toch nog van belang kan zijn voor kansspelen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Wet op de kansspelen. Zie immers ook artikel 39 van deze wet.” (onderstreping door mij, A-G) Samenvatting 4.14 Resumerend kan worden vastgesteld dat kansspelovereenkomsten, zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek, niet nietig maar geldig zijn, zij het dat de wetgever er geen volledige werking aan heeft toegekend. Betalingen op grond van dergelijke overeenkomsten zijn immers niet in rechte afdwingbaar maar kunnen, eenmaal vrijwillig voldaan, in beginsel niet worden teruggevorderd. In beginsel, want als sprake is van bedrog, list of oplichting kan het betaalde wel worden teruggevorderd (art. 7A:1828 BW). In het – nooit ingevoerde – voorontwerp en de toelichting wordt gesteld dat het betaalde ook nog kan worden teruggevorderd als de overeenkomst nietig of vernietigbaar is. Volgens de toelichting is dat vanwege strijd met de wet, waaronder begrepen de Wok, de openbare orde of de goede zeden en volgt dat ook reeds uit de algemene regels uit Boek 3 BW. 5Kansspelwetgeving en kansspelbeleid Opzet 5.1 Naast de hiervoor beschreven privaatrechtelijke regeling van de kansspelovereenkomst heeft de wetgever beoogd het spelen van kansspelen met wetgeving (in het bijzonder de Wok) te reguleren. Voor een goed begrip van de huidige Wok maak ik eerst enkele opmerkingen over de geschiedenis en uitgangspunten van wettelijke regulering van kansspelen. Daarna ga ik meer specifiek in op de inhoud van de Wok. Vervolgens bespreek ik de ontwikkeling van de regulering en handhaving van kansspelen via internet. Ik sta in dat verband nog afzonderlijk stil bij de rol van civielrechtelijke handhaving. Tot slot ga ik in op de per 1 april 2021 geldende Wet kansspelen op afstand. Regulering van kansspelen: uitgangspunten en geschiedenis 5.2 De kansspelregulering werd en wordt niet gekenmerkt door een categorisch verbod op kansspelen, maar door ‘kanalisering’. Telkens wanneer dreigt dat het publiek naar illegale kansspelen wordt gezogen, wordt daarop gereageerd met een legaal aanbod van kansspelen, waarmee enerzijds kan worden voorzien in de speelbehoefte door een alternatief te bieden voor het illegale aanbod, terwijl anderzijds het aanbod kan worden beperkt tot de bestaande behoefte en voorkomen kan worden dat door concurrentie de vraag verder wordt gestimuleerd. Het legale aanbod wordt bovendien voorzien van verschillende waarborgen ter bescherming van de spelers, zodat het voor hen aantrekkelijker is daarvoor te kiezen en niet voor het illegale aanbod en de daarmee samenhangende onzekerheden. Andere uitgangspunten van de regulering zijn dat de concurrentiestrijd zoveel mogelijk wordt beperkt en dat de speelzucht niet wordt uitgebuit voor particulier gewin, maar de opbrengst van kansspelen ten goede komt aan het algemeen belang. 5.3 De genoemde uitgangspunten zijn in voorlopers van de Wok vaak uitgewerkt door een verbodsbepaling met een ontheffing voor aanbieders die een vergunning hebben. Zo ook in de Loterijwet 1905, die een belangrijke basis vormt voor de Wok. De regering liet zich destijds leiden door de gedachte dat: “(…) terwijl niet het aanleggen van en nog minder het deelnemen in elke loterij reeds op zich zelf als onzedelijk mag worden gebrandmerkt, de speelhartstocht als zoodanig en nog veel meer de exploitatie daarvan, ook van overheidswege strenge veroordeeling verdienen. De exploitatie van dien speelhartstocht en daardoor dien hartstocht zelf zooveel mogelijk te beteugelen is een openbaar volksbelang, evenzeer als de intooming van de volksdrankzucht en van de exploitatie dáárvan. Van deze overwegingen uitgaande verbiedt de ontworpen regeling niet onvoorwaardelijk elke loterij en treedt zij evenmin straf bedreigend op tegen den deelnemer in eene verboden loterij. Zij keert zich alleen tegen hen, die uit particulier winstbejag gelegenheid verschaffen tot het deelnemen in loterijen. Niet tegen den speler in de loterij is het ontwerp gericht, maar tegen de loterijen zelve en tegen hen, die de speelzucht ten eigen bate exploiteeren”. 5.4 De regering wilde drie dingen bereiken met de Loterijwet 1905: 1) bescherming van het individu tegen bedrog en misleiding, 2) bescherming van het individu tegen baatzuchtige exploitatie van zijn speelzucht die niet met bedrog of misleiding gepaard gaat en 3) tempering van de speellust bij het individu, ook door het verminderen en wegnemen van de daartoe geboden gelegenheid. De Loterijwet 1905, die tot de invoering van de Wok in 1964, met verschillende wijzigingen, van kracht is geweest, kende in lijn met deze uitgangspunten een algemeen verbod op het houden en aanleggen van loterijen tenzij er toestemming was verleend (art. 2 aanhef en sub 1). De wet verbood tevens een aandeel in een loterij waarvoor geen toestemming was verleend “te verkoopen, te koop aan te bieden, af te leveren, uit te deelen of ten verkoop of ter uitdeeling in voorraad te hebben” (art. 2 aanhef en sub 3). Toestemming werd alleen verleend voor loterijen waarvan de opbrengst ten goede kwam aan, kort gezegd, het algemeen belang (art. 3). Art. 7 Loterijwet 1905 bepaalde dat overtreding van de verbodsbepalingen van art. 2 werd gestraft met een hechtenis of een geldboete. 5.5 In het kader van de Loterijwet 1905, zoals gezegd een voorloper van de Wok, heeft de Hoge Raad tweemaal geoordeeld over de geldigheid van (koop)overeenkomsten in verband met loterijen die onder die wet vielen. In een arrest uit 1918 liet de Hoge Raad een arrest van het hof Den Haag in stand, waarin het hof had geoordeeld dat een koopovereenkomst waarbij een aandeel in een verboden loterij (de vereiste toestemming was niet verleend) was gekocht een ongeoorloofde oorzaak had, en daarmee krachteloos (nietig) was. In cassatie werd geklaagd dat de Loterijwet 1905 niet het kopen van een lot verbood en ook niet uitdrukkelijk bepaalde dat overeenkomsten in strijd met de Loterijwet 1905 rechtsgevolgen missen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het niet er niet toe deed dat de Loterijwet 1905 niet uitdrukkelijk bepaalde dat koopovereenkomsten geen rechtsgevolgen hebben, omdat de Loterijwet 1905 niet derogeert aan de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek: “O. wat nu het middel zelf betreft (…) dat nu wel is waar in het middel is beweerd, dat het niet aannemelijk zou zijn, dat eene overeenkomst als de onderhavige geene rechtsgevolgen zou kunnen hebben, waar zulks niet uitdrukkelijk in de Loterijwet 1905 is bepaald, doch dat bij dit betoog uit het oog wordt verloren, dat de Loterijwet ten deze niet derogeert aan de voorschriften der tweede afdeeling van titel II van Boek III B. W. en mitsdien, zoo slechts vaststaat, dat de oorzaak der overeenkomst ongeoorloofd is ook met recht kon beslist worden, dat die overeenkomst geen rechtsgevolgen kon hebben.” 5.6 Als dus vaststond dat een overeenkomst een ongeoorloofde oorzaak had, zoals in dit geval het verkopen van een lot in strijd was met de Loterijwet 1905, dan had zij geen rechtsgevolgen op grond van art. 1371 BW (oud). In een arrest uit 1923 heeft de Hoge Raad daaraan toegevoegd dat een nietigverklaring van een dergelijke koopovereenkomst niet nodig is – de overeenkomst is van rechtswege krachteloos – en dat het betaalde op grond van een overeenkomst met een ongeoorloofde oorzaak als onverschuldigd kan worden teruggevorderd, waarbij het niet uitmaakt of beide partijen of slechts één van beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst in strijd met de wet, openbare orde of goede zeden hebben gehandeld. Op de vraag welke betekenis thans nog aan deze rechtspraak kan worden toegekend, kom ik terug in nr. 7.7. De Wet op de kansspelen 5.7 Op 31 december 1964 is de Wet op de kansspelen in werking getreden. Achtergrond van deze wet is de opdracht die de Commissie Loterijwezen (hierna: de commissie) in 1958 kreeg om “het gehele vraagstuk van de loterijen en de daaraan verwante activiteiten in beschouwing te nemen en, mede met het oog op de hieraan verbonden algemene belangen op maatschappelijk en geestelijk gebied, van advies te dienen, met name over de vraag, of en in hoeverre wijziging of aanvulling van de geldende wettelijke bepalingen op dit stuk nodig zijn”. De commissie heeft op 20 juni 1963 haar eindrapport ingediend, bestaande uit een voorontwerp van een wet, een ontwerp memorie van toelichting bij het voorontwerp en een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur. Het voorontwerp is door de wetgever vrijwel in zijn geheel overgenomen. Het uitgangspunt van de commissie om de materiële inhoud van bestaande bepalingen zoveel mogelijk te handhaven en alleen technische verbeteringen aan te brengen, is ook door de wetgever onderschreven. Destijds waren bepalingen over kansspelen verspreid over verschillende wetten. De wetgever achtte het van groot belang om tot harmonisatie en vereenvoudiging van de wetssystematiek te komen. Het onderscheid tussen ‘hazardspel’ en ‘loterij’ werd daarom opgeheven en het voorstel van de commissie om één algemene verbodsbepaling op te nemen werd gevolgd. Naast vereenvoudiging en harmonisatie wordt het voorontwerp van de Wok gekenmerkt door een ‘kanaliserende gedachte’: een gereguleerd aanbod van kansspelen zou misstanden aan producenten- en consumentenzijde van de kansspelmarkt kunnen voorkomen. 5.8 De Wok bevatte bij invoering in 1964 een algemeen verbod in art. 1 Wok, kort gezegd, op
  3. a)het gelegenheid geven om mee te dingen naar prijzen bij kansspelen, tenzij er een vergunning is verleend,
  4. b)deelneming aan de gelegenheid onder a te bevorderen,
  5. c)gebruik te maken van een gelegenheid om mee te dingen naar prijzen bij kansspelen, wetende dat daarvoor geen vergunning is verleend en
  6. d)het opzettelijk in strijd met de waarheid wekken van het vermoeden dat een vergunning is verleend voor een gelegenheid onder a. Art. 2 bepaalde dat art. 1 Wok niet van toepassing was op, kort gezegd, kansspelen in de privésfeer, levensverzekeringen en premieleningen. Op de verboden van art. 1 Wok waren in titel VI strafsancties gezet. Art. 31 lid 1 Wok bepaalde dat “hij die hetgeen is verboden in art. 1, onder a en c, als bedrijf uitoefent wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en geldboete van ten hoogste vijftigduizend gulden, hetzij met één van deze straffen”. Art. 33 Wok regelde de straf als de verbodsbepaling onder a niet als bedrijf werd overtreden, terwijl art. 34 Wok bepaalde dat overtreding van de verbodsbepaling van art. 1 onder c, behoudens het bepaalde in art. 31, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste duizend gulden. In 1964 bevatte de Wok nog geen bestuursrechtelijke sancties op overtreding van de bepalingen van art. 1 Wok. 5.9 Na invoering van de Wok in 1964 bleven vraag en aanbod in beweging, onder meer door nieuwe technologische ontwikkelingen. Er was dan ook kansspelaanbod dat niet aan de eisen voldeed. De wetgever speelde daarop in door wijziging en aanvulling van de Wok: een zich uitbreidend illegaal aanbod werd tegengegaan door het legale kansspelaanbod uit te breiden. Agressieve en riskante kansspelen werden gereguleerd om de (zwakkere) spelers te beschermen. Het voorontwerp voor de Wok bevatte zeven titels, terwijl de Wok nu vijftien titels kent. 5.10 Ik bespreek hierna eerst de hoofdlijnen van de huidige Wok (nr. 5.11 e.v.). Daarna ga ik in op beleid, handhaving en wetgeving ten aanzien van kansspelen op afstand (nr. 5.15 e.v). 5.11 Het huidige art. 1 lid 1 Wok luidt: “Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden: a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend; b. de deelneming hetzij aan een onder a bedoelde gelegenheid, gegeven zonder vergunning ingevolge deze wet, hetzij aan een overeenkomstige gelegenheid, gegeven buiten het Rijk in Europa, te bevorderen, daartoe middelen te verschaffen of daartoe voor openbaarmaking of verspreiding bestemde stukken in voorraad te hebben; c. gebruik te maken van een onder a bedoelde gelegenheid, wetende dat voor het geven daarvan geen vergunning ingevolge deze wet is verleend; d. opzettelijk in strijd met de waarheid het vermoeden te wekken dat voor een gelegenheid als onder a bedoeld ingevolge deze wet vergunning is verleend, of dat aan de verleende vergunning geen voorschrift of niet al de gestelde voorschriften zijn verbonden.” 5.12 Art. 2 Wok strekt ertoe bepaalde gelegenheden of kansovereenkomsten van de werkingssfeer van het algemene verbod van art. 1 Wok uit te sluiten. Het bepaalt dat art. 1 Wok niet van toepassing is op, kort gezegd,
  7. a)gelegenheden die niet voor het publiek zijn opengesteld, noch bedrijfsmatig worden gegeven,
  8. b)toegestane levensverzekeringen en
  9. c)geldleningen die worden uitgeschreven door een publiekrechtelijk lichaam. De mogelijkheid om een vergunning te verlenen voor het organiseren van een kansspel is geregeld in art. 3 Wok, waarbij één van de vereisten is dat de opbrengst van het kansspel ten goede komt van het algemeen belang, tenzij de Wok anders bepaalt. De structuur van de Wok is kortom dat alle kansspelgelegenheden in beginsel verboden zijn, tenzij er vergunning is verleend of tenzij het kansspel onder één van de uitzonderingsbepalingen valt. 5.13 Op grond van art. 5 en art. 6 Wok kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden. In het Kansspelenbesluit worden die voorschriften verder uitgewerkt. De vergunning bevat strenge criteria, onder meer op het gebied van het voorkomen van fraude en misbruik, het voorkomen van kansspelverslaving en het waarborgen van een eerlijk spelverloop. Op grond van art. 7 Wok is het een vergunninghouder verboden om de vergunningvoorschriften te overtreden. De raad van bestuur van de Ksa heeft, kort gezegd, tot taak om vergunningen te verlenen, het voorkomen en het beperken van kansspelverslaving te bevorderen, niet toegestaan kansspelaanbod te bestrijden, op de naleving van de toepasselijke wet- en regelgeving en de vergunningen toe te zien en deze te handhaven (art. 33b Wok). Het toezicht op de naleving van de Wok is geregeld in titel VIa en de bestuursrechtelijke handhaving (bindende aanwijzing, last onder bestuursdwang, bestuurlijke boete, openbare waarschuwing, enz.) in titel VIb. De strafbaarstelling van het overtreden van de Wet op de kansspelen is geregeld in titel VIc. Zo zijn gedragingen in strijd met art. 1 aanhef en onder a Wok misdrijven voor zover zij opzettelijk zijn begaan en anders overtredingen (art. 36 lid 1 Wok), terwijl dergelijke gedragingen ook economische delicten zijn in de zin van de Wet op de economische delicten (art. 36 lid 3 Wok). Overtreding van de verbodsbepaling van art. 1 lid 1 aanhef en onder c Wok wordt gestraft met een geldboete (art. 36a lid 1 Wok). 5.14 De Wok bevat geen regels met betrekking tot privaatrechtelijke gevolgen van schendingen. De Wok bevat dus ook geen bepaling dat kansspelovereenkomsten die zijn gesloten zonder dat voor de gelegenheid daartoe een vergunning is verstrekt wel of niet nietig zijn. Zij bevat wel één bepaling die ziet op de civielrechtelijke gevolgen indien, kort gezegd, gelegenheid is gegeven met een vergunning. In art. 39, één van de slotbepalingen (titel VII), is namelijk bepaald dat artikel 1825 BW niet van toepassing is op prijzen en premies, behaald in gelegenheden, gegeven met vergunning ingevolge de Wok verleend. Artikel 39 Wok is niet toegelicht in de Memorie van Toelichting. Kansspelen via internet: beleid, wetgeving en handhaving in de jaren ’90 tot aan de invoering van de Wet kansspelen op afstand op 1 april 2021 5.15 Het kansspelbeleid en de kansspelwetgeving worden, zoals gezegd, gekenmerkt door kanalisatie: het creëren van legaal, betrouwbaar en aantrekkelijk kansspelaanbod teneinde de bestaande speelbehoefte daarheen te leiden. De Wok is in dat kader verschillende keren uitgebreid bij de opkomst van nieuwe, nog niet gereguleerde kansspelen. Eén van de laatste aanpassingen is de invoering in 1993 van de instantloterij in titel IIa van de Wok. Een belangrijke ontwikkeling in de jaren daarna was de opkomst van kansspelen via internet. In die periode is een bijna eindeloze hoeveelheid materiaal over kansspelen (via internet) verschenen: rapporten, nota’s, notities, voortgangsrapportages, kamerbrieven, wetsvoorstellen, enz. Ik zal hierna op hoofdlijnen ingaan op de vraag hoe deze ontwikkeling in beleid, wetgeving en handhaving zich heeft voltrokken. 5.16 Ik begin met de bespreking van een beleidsnota waarin civielrechtelijke handhaving van de Wok en ook (voor het eerst) kansspelen via ‘het internet’ aan de orde komen. De beleidsnota ‘Kansspelen herijkt’ uit het vergaderjaar 1995-1996 bevat een uitvoerige bezinning op het bestaande en toekomstige kansspelbeleid. Het centrale uitgangspunt bij de totstandkoming van de Wok in de jaren ’60 was, aldus het kabinet, het kanaliseren van de menselijke speelzucht. De wetgever was er zich namelijk van bewust dat, hoewel aan het beoefenen van het kansspel diverse bezwaren kleven, het wagen van een gokje of ‘speelzin’ een behoefte is die nu eenmaal bestaat. Indien – bij gebrek aan een voldoende legaal aanbod – onvoldoende aan deze speelzin tegemoet zou worden gekomen, zou de burger zich richten op buitenlandse kansspelen of het illegale aanbod. Daarom moest een beperkt legaal aanbod worden bevorderd onder strikt in de wet neergelegde voorwaarden, waarbij de opbrengst ten goede diende te komen aan de schatkist of het particulier initiatief. Het kansspelbeleid rustte dus op drie pijlers:
  10. i)het in goede banen leiden van het – gelet op de menselijke behoefte onuitroeibare – kansspel, met het oog op de bescherming van de spelers, de integriteit van het spel en het tegengaan van uitwassen en misstanden, zoals criminaliteit en verslaving;
  11. ii)fondsenwerving: het ten goede laten komen van de opbrengsten van het kansspel aan de staatskas en de ‘goede doelen’; en iii) het tegengaan van illegaliteit of van het wegvloeien van gelden naar buitenlandse aanbieders. Het – in theorie ‘beperkte’ – legale aanbod werd steeds verder verruimd, onder meer door een ‘kansspelbevorderend klimaat’ van toenemende concurrentie tussen aanbieders en toenemende reclame. Steeds meer vormen van kansspelen werden van het algemeen verbod uitgezonderd. Daarbij speelden veranderende maatschappelijke opvattingen over de toelaatbaarheid van bepaalde vormen van het kansspel een rol, maar ook de taxatie van de mogelijkheden om een verbod effectief te kunnen handhaven. De maatschappelijke acceptatie van (verschillende vormen van) het kansspel nam toe, maar ook de negatieve effecten zoals goksverslaving en criminaliteit. Het kabinet maakte zich zorgen over dat laatste en wilde dan ook aanscherping van het beleid. Kort gezegd: geen uitbreiding maar ‘bevriezing’ van het kansspelaanbod, minder reclame en minder speelautomaten. Bij de handhaving stond het kabinet een ‘integrale aanpak’ voor, waarbij het met name ging om het tegengaan van illegaal parallelaanbod en overtredingen van artikel 1 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet op de kansspelen (waarin kort gezegd is verboden de deelneming aan een buitenlands kansspel te bevorderen of daartoe voor openbaarmaking of verspreiding bestemde stukken in voorraad te hebben). Bij handhaving had volgens het kabinet niet alleen het strafrecht een functie, maar ook het civiele recht, en wellicht in de toekomst het ‘administratieve recht’ (bestuursrecht). Over de civielrechtelijke handhaving vermeldt de nota: “Naast strafrechtelijke handhaving dienen de mogelijkheden van handhaving met behulp van het civiele recht verder onderzocht te worden. [O]p grond van het civiele recht kunnen «gelaedeerden» zelf optreden tegen illegale aanbieders van kansspelen. Meer dan thans reeds het geval zullen, naar het oordeel van het kabinet, vergunninghouders zelf moeten nagaan of via de burgerlijke rechter actie kan worden ondernomen tegen een op hun vergunning inbreuk makende illegale aanbieder.” In de nota stonden kansspelen via internet nog nauwelijks op de radar: ‘het Internet’ wordt tweemaal genoemd. De eerste keer worden ‘technologische ontwikkelingen, zoals Internet’ genoemd in het kader van mogelijke verstorende invloeden op de stabiele ontwikkeling van de markt. De tweede keer in het kader dat de mogelijkheden voor kansspelen toenemen door technologische ontwikkelingen “zoals Pay-Tv, waarmee men in de huiskamer interactief aan kansspelen mee kan doen of aan kansspelen op PC’s via Internet, videotex of viditel.” Die ontwikkelingen wilde het kabinet alert volgen en het wilde ook een verkennend onderzoek naar de rol van technologische ontwikkelingen voor het kansspelbeleid. 5.17 In maart 1999, ongeveer vier jaar na de nota ‘Kansspelen herijkt’, werd in het kader van de operatie ‘Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit’ het nieuwe project ‘Wet op de kansspelen’ gestart. Een werkgroep diende de gevolgen te onderzoeken van maatschappelijke, juridische, technologische en internationale ontwikkelingen voor de houdbaarheid van het destijds bestaande kansspelbestel en voorstellen te doen ter verbetering van de regulering. Deze werkgroep heeft een rapport ingediend, waarin het nieuwe doelstellingen voor het kansspelbeleid formuleerde: - het beschermen van de consument; - het tegengaan van gokverslaving; en - het tegengaan van criminaliteit. Het kabinet heeft deze doelstellingen onderschreven en stelde onder meer als wijzigingen van het kansspelbeleid voor om aanbod van kansspelen op internet door Nederlandse vergunninghouders toe te staan, en om de opsporing van illegale kansspelen en de handhaving van de Wok te intensiveren. Het uitvoeren van deze (en andere) beleidswijzigingen zou naar verwachting uiteindelijk leiden tot een ‘algehele herziening’ van de Wok. Het kabinet informeerde de Tweede Kamer over de voortgang van het project ‘Kansspelen’ met ‘voortgangsrapportages’. In de eerste voortgangsrapportage van 5 juni 2002 werd, naast herhaling van het voornemen om gecontroleerd kansspelaanbod via internet toe te staan, het voornemen van het kabinet aangekondigd om de handhaving van de Wok en opsporing van illegale kansspelen te intensiveren. Vooruitlopend op een algehele herziening van de Wok werd een ‘gecombineerd en integraal handhavingstraject’ door politie, justitie en bestuur ingezet. De uitgangspunten van het ‘integrale handhavingsbeleid’ waren neergelegd in bijlage 2 van de eerste voortgangsrapportage. Men dacht daarbij niet alleen aan strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving; ook civielrechtelijke handhaving werd als mogelijkheid genoemd: “Overigens geldt voor gedupeerde deelnemers van illegale kansspelen dat zij de mogelijkheid hebben om privaatrechtelijk op te treden tegen de organisator van het illegale kansspel. Ook legale aanbieders van kansspelen kunnen de privaatrechtelijke weg bewandelen indien een illegaal kansspel wordt aangeboden dat onrechtmatig is jegens de legale aanbieder. Zo heeft De Lotto onlangs met succes een kort geding procedure aangespannen tegen de organisator van het illegale kansspelen LuckySMS op grond van onrechtmatig handelen.” De tweede voortgangsrapportage uit 2003 bevatte het voornemen om een gelimiteerde proef te houden met het legaliseren van bepaalde kansspelen via internet en het voornemen om door het Korps Landelijke Politiediensten (hierna: KLPD) een onderzoek te laten uitvoeren naar de aard en omvang van illegaal kansspelaanbod, en de mogelijkheden om illegaal aanbod van kansspelen via internet aan te pakken. Ook de intensivering van de handhaving en de integrale aanpak daarvan kwam in de tweede voortgangsrapportage weer aan bod. Ditmaal werd opgemerkt dat naast strafrechtelijke, bestuursrechtelijke en fiscaalrechtelijke handhaving, vergunninghouders de mogelijkheid hebben om civielrechtelijk op te treden tegen illegaal kansspelaanbod. Tot slot werd uitgesproken dat bij de herziening van de Wok het primaat zou komen te liggen bij bestuursrechtelijke handhaving, en dat het strafrecht zou dienen als ‘sluitstuk’. De derde voortgangsrapportage

(2005)bevatte de toezegging van de minister om een – op basis van het rapport van de KLPD uitgewerkte – strategie ter bestrijding van niet-gereguleerde internetgoksites te delen met de Tweede Kamer (waarover hierna meer). Ook werd vermeld dat de ‘integrale aanpak’ van de handhaving de afgelopen jaren tot goede resultaten had geleid. Onder die aanpak werd verstaan “een combinatie van civielrechtelijk optreden door kansspelvergunninghouders, bestuursrechtelijk optreden door ministeries en gemeenten, fiscaalrechtelijk optreden door de belastingdienst en FIOD-ECD, strafrechtelijke opsporing door de politie en vervolging door het Openbaar Ministerie”. De minister zond tot slot, zoals gezegd, de voorgenomen ‘Aanpak bestrijding van kansspelen via internet’ naar de Kamer. Die aanpak omvatte drie onderdelen: het ontwikkelen van instrumenten en hulpmiddelen om illegaal aanbod en bemiddeling op te sporen door middel van het detecteren op het internet en te komen tot vervolging, het via voorlichting ontmoedigen van aanbod van en deelname aan illegale kansspelen via internet, en de aanpak van illegale aanbieders en tussenpersonen op basis van bestuursrecht, fiscaal recht, civiel recht en strafrecht. Over de handhaving door middel van het civiele recht werd opgemerkt: “Legale aanbieders van kansspelen worden ingelicht met betrekking tot het (mogelijk) onrechtmatig karakter van de handelwijze jegens hen. Zij hebben de mogelijkheid om een civielrechtelijke actie in te stellen tegen de (mede-) aanbieder van illegale kansspelen via internet (mede) gericht op de Nederlandse markt dan wel tegen de tussenpersonen die dit aanbod faciliteren. Deze wijze van handhaven kan niet door de overheid worden geïnitieerd, maar wordt wel aangemoedigd. De Lotto heeft bijvoorbeeld met succes procedures aangespannen tegen een aantal illegale aanbieders van kansspelen via internet.” 5.18 Naast de hiervoor besproken integrale aanpak van de handhaving van illegale kansspelen (via internet) werd nog een ander spoor gevolgd in de aanpak van illegaal aanbod, namelijk het bieden van een legaal alternatief. In dat kader werd, zoals in de voortgangsrapportages al was aangekondigd, een wetsvoorstel ingediend getiteld ‘Wijziging van de Wet op de kansspelen houdende tijdelijke bepalingen met betrekking tot kansspelen via internet’ (hierna: Wetsvoorstel internetproef). Het beoogde om beheerst en gecontroleerd ervaring op te doen met kansspelaanbod via internet door middel van een proef met het legaal organiseren van kansspelen via internet door één aanbieder, namelijk Holland Casino. Het uitgangspunt was daarbij dat het legale aanbod de toets van de doelstellingen van het kansspelbeleid – het tegengaan van kansspelverslaving, bescherming van de consumenten en het tegengaan van criminaliteit – diende te doorstaan. Tegelijkertijd werd met het oog op effectieve handhaving gewerkt aan een plan van aanpak voor het bestrijden van kansspelen via internet. Het Wetsvoorstel internetproef is op 20 september 2006 aangenomen in de Tweede Kamer. Het is vervolgens echter bij een hoofdelijke stemming – met twee stemmen verschil – op 1 april 2008 door de Eerste Kamer verworpen. Men vreesde voor een toename van kansspelverslaving en vond bovendien dat het aanbieden van kansspelen via internet geen overheidstaak was en dat ook andere partijen naast Holland Casino aan deze proef zouden moeten kunnen meedoen. 5.19 Met de verwerping van het Wetsvoorstel internetproef kwam er geen vergunningsmogelijkheid voor internetkansspelen en bleven deze dus verboden, terwijl er bij het publiek wel behoefte was aan dit soort kansspelen. In een brief van 23 december 2008 aan de Tweede Kamer sprak de minister van Justitie dan ook het voornemen uit om opnieuw te onderzoeken of het mogelijk was een wettelijk regime voor kansspelen via internet in te voeren. De ‘Adviescommissie Kansspelen via internet’ (hierna: adviescommissie) is vervolgens ingesteld om onderzoek te doen naar de regulering van kansspelen via internet, met het oog op verdergaande legalisering. In augustus 2010 verscheen het eindrapport ‘Legalisatie van kansspelen via internet’ (hierna: eindrapport). Dit eindrapport geeft een goed beeld van de stand van zaken met betrekking tot wetgeving, beleid en handhaving van kansspelen via internet tot dan toe (augustus 2010), en bovendien wordt er op teruggegrepen bij het beleid dat daarna wordt gevormd. 5.20 De adviescommissie constateerde ten eerste dat een deel van het kansspelaanbod op internet legaal was en een deel illegaal. Volgens de adviescommissie had het kanalisatiebeleid in de loop der jaren namelijk geleid tot “partiële legalisatie van het aanbod via internet”. In dit verband gebruikte de adviescommissie de term ‘e-commerce’, waarmee zij doelde op het feit dat internet als alternatief verkoop- en communicatiekanaal werd beschouwd voor bestaande kansspelen waarvoor al een vergunning was afgegeven. Voor partiële legalisatie werden twee methodes gebruikt. In sommige gevallen was het toegestaan een kansspel via internet aan te bieden op basis van een expliciete bepaling in de vergunning, waarbij die vergunning dan speciale voorschriften bevatte die samenhingen met het bijzondere karakter van kansspelen via internet. In andere gevallen was het impliciet toegestaan doordat het deelnemersreglement een verwijzing naar aanbod via internet bevatte. Op grond van deze methoden was volgens de adviescommissie “het grootste deel van het in Nederland legale live kansspelaanbod ook online beschikbaar”. Voor bepaalde, wel in de Wok geregelde kansspelen, gold dat echter niet omdat de Wok-regeling zich dan verzette tegen online aanbod (vandaar ‘partiële legalisatie’). Zo waren casinospelen in de Wok gekoppeld aan het casino als fysieke locatie, kansspelautomaten aan een automaat als fysiek object in een fysieke inrichting en krasloten aan fysieke verkoopkanalen. De conclusie van de adviescommissie was dat er “al een aantal kansspelen via internet wordt toegestaan, namelijk de sporttotalisator, de totalisator, het lottospel, de staatsloterij, en de semi-permanente en incidentele goededoelenloterijen”. 5.21 De adviescommissie achtte het vervolgens opportuun om één soort illegaal online kansspelen te legaliseren, namelijk poker. Poker werd namelijk het meest online gespeeld en de commissie verwachtte ook dat dit zo zou blijven. De adviescommissie boog zich daarbij ook over de vraag hoe een nieuw ‘internetregime’ voor poker vorm zou moeten krijgen. Zij nam daarbij tot uitgangspunt dat die legalisering zou moeten plaatsvinden “tegen de achtergrond van een grootschalig illegaal aanbod, waartegen niet langer effectief en efficiënt kan worden opgetreden”. Een dergelijke situatie had zich in het verleden ook voorgedaan bij speelautomaten en de adviescommissie zocht de oplossing dan ook in dezelfde richting als die destijds bij de speelautomatensector is gekozen: “Het kenmerkende van die richting was dat niet geprobeerd werd een nieuwe legale aanbieder in de markt te zetten. In plaats van nieuwe legale aanbieders tegenover de bestaande illegale aanbieders te zetten, werd gepoogd (een deel van) de illegale aanbieders om te vormen tot legale aanbieders. Men richtte zich niet op legalisatie van het aanbod, maar op legalisatie van de aanbieders.” (onderstreping in het origineel, A-G) De Adviescommissie voegde daaraan toe dat deze oplossing voor internetpoker in sommige opzichten nog gunstiger was dan bij de speelautomaten omdat een belangrijk deel van de markt voor internetpoker in handen was van “grote, goed georganiseerde en internationaal opererende bedrijven die door miljoenen klanten als betrouwbaar worden geacht”. Het waren m.a.w. in hun landen van vestiging gerespecteerde bedrijven met beursnoteringen en kansspelvergunningen: deze bedrijven waren geen onderwereld, en ze ontplooiden hun activiteiten liever legaal dan illegaal. 5.22 De adviescommissie constateerde verder dat er sprake was van grootschalig illegaal aanbod van internetkansspelen, grootschalige reclame voor dit illegale aanbod en ook grootschalige deelname aan dit aanbod. De bepalingen in art. 1 lid 1 Wok onder a, b en c werden kortom op grote schaal overtreden. De adviescommissie constateerde echter dat ondanks ‘grootschalig overtreden van de Wet op de kansspelen’ er geen strafrechtelijke handhaving leek plaats te vinden. Het gebrek aan effectieve handhaving werd volgens haar veroorzaakt door drie, elkaar versterkende factoren: weinig publieke verontwaardiging over illegale kansspelen via internet, een slechte kosten/batenverhouding en een lage prioriteit bij de strafrechtketen. De adviescommissie lichtte de eerste factor als volgt toe: “Illegale kansspelen op internet stuiten bij de bevolking van Nederland niet op veel weerstand en wekken weinig publieke verontwaardiging op. In dit opzicht zijn kansspelen via internet te vergelijken met het uitwisselen van film- en muziekbestanden via internet (file sharing): een aanzienlijk deel van de bevolking doet het en behalve de gelaedeerden en beroepshalve betrokkenen ziet niemand er blijkbaar veel kwaad in. Deze situatie wordt versterkt door de grootschalige reclame voor kansspelen via internet. Hiervan gaat de suggestie uit dat kansspelen via internet legaal zijn. Dit lijkt uniek voor kansspelen, want er bestaat in Nederland geen vergelijkbare werving en reclame voor andere vergelijkbare illegale activiteiten: er bestaat geen TV-reclame voor de verkoop van drugs, wapens of illegale medicijnen. Ook een verbod op reclame voor legale goederen (bijvoorbeeld op tabaksreclame) wordt door de media goed nagevolgd. Deze situatie wordt verder versterkt doordat de huidige regulering van kansspelen via internet niet transparant is. Sommige kansspelen mogen via internet aangeboden worden op basis van de vergunning; andere op basis van een door de Minister goedgekeurd[e] deelnemersreglement; weer andere worden gedoogd, mogelijk onder een gedoogregeling. Het is goed voorstelbaar dat een goedwillende burger op deze manier het spoor bijster raakt.” 5.23 De adviescommissie stelde drie maatregelen voor om de handhaving te verbeteren: het verduidelijken van de juridische situatie van toegelaten en verboden kansspelen via internet, versterking van de bestuurlijke handhaving en het afsnijden van het illegale aanbod van het Nederlandse publiek. De situatie destijds, aldus de adviescommissie, was dat de legale kansspelen soms berustten op een expliciete toestemming in de betreffende vergunning, soms op een vergunning zonder expliciete toestemming en soms op helemaal niets. De adviescommissie constateerde: “hierdoor wordt het toepasselijk recht minder transparant en verwatert het basisverbod: het ‘nee-tenzij’-stelsel wordt langzaam een ‘misschien-tenzij’-stelsel”. Zij stelde voor het nee-tenzij-stelsel weer in ere te herstellen. De adviescommissie stelde verder ‘afsnijden van het illegale aanbod’ voor, namelijk het blokkeren van het verkeer tussen (met name de buitenlandse) illegale aanbieder en consument door de in Nederland gevestigde partijen die daarvoor noodzakelijk waren (de Nederlandse internetprovider, de Nederlandse betaaldienstverlener en de Nederlandse media/distributeurs) aan te pakken op grond van art. 1 onder b Wok. In incidentele gevallen zag de adviescommissie ook een rol weggelegd voor blokkering via een last onder dwangsom en in sommige gevallen ook voor ‘internetblokkering’, waarbij als voorbeeld werd genoemd het Italiaanse stelsel waarbij het Italiaanse internetproviders is verboden data door te geven van internetsites op een – voortdurend door de Italiaanse kansspelautoriteit geactualiseerde – ‘zwarte lijst’ van illegale kansspelaanbieders. Tot slot stelde zij invoering van een gespecialiseerd bestuursorgaan voor, dat zou zijn belast met toezicht op het legale aanbod en handhaving jegens illegale aanbieders. Het strafrecht diende ultimum remedium te zijn, aldus de adviescommissie. 5.24 In een brief van 19 maart 2011 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zijn visie uiteengezet op het kansspelbeleid. Na het memoreren van het van oudsher bestaande kanalisatiebeleid en de achterliggende doelstellingen van het kansspelbeleid (het voorkomen van kansspelverslaving, het beschermen van de consument en het tegengaan van criminaliteit en illegaliteit) stelde de staatsecretaris dat iedere deelnemer aan kansspelen ook deelneemt vanuit individuele verantwoordelijkheid. Beleid dat (mede) gebaseerd is op de gedachte dat burgers en bedrijven in staat dan wel verplicht zijn hun eigen verantwoordelijkheid te nemen, noemde de staatssecretaris een “meer eigentijdse benadering” van het kansspelbeleid, in vergelijking met het beleid van voorgaande kabinetten waarin vooral de risico’s bepalend waren. De staatssecretaris wilde in dat kader “niet altijd vasthouden aan het aan de huidige Wok ten grondslag liggende beginsel om, ter beperking van de aan kansspelen verbonden risico’s, per kansspelcategorie slechts één vergunning toe te laten (monopolie)”, maar, “waar de betrokken belangen dat toelaten”, de marktwerking bevorderen door meer aanbieders toe te laten en zo concurrentie op de markt te creëren. Volgens de staatssecretaris waren consumenten daarbij gebaat, mits de te beschermen belangen op adequate wijze via regelgeving werden geborgd. Met betrekking tot kansspelen via internet wilde de staatssecretaris niet het advies van de adviescommissie opvolgen om alleen online poker te reguleren: ook andere spelvormen kwamen volgens hem in aanmerking. De staatssecretaris merkte verder op: “Ik ben mij ervan bewust dat kansspelen via internet, mede gelet op de laagdrempeligheid en het ontbreken van direct contact tussen deelnemer en aanbieder c.q. medespelers, bijzondere risico’s met zich mee kunnen brengen, met name op het vlak van de kansspelverslaving. In de regelgeving zullen bijzondere waarborgen worden gesteld op het gebied van bescherming van kwetsbare spelers, het tegengaan van deelname door minderjarigen, bestrijding van frauduleus en crimineel gedrag, een betrouwbaar en snel betalingsverkeer, een eerlijk spelverloop, verantwoorde marketing en een veilig en betrouwbare operationale [sic] omgeving. Er zal worden aangesloten bij internationale standaarden op dit gebied.” Een en ander wilde de staatssecretaris bereiken door middel van een (vergunning)stelsel, “waarbij het te bereiken beschermingsniveau wordt bewerkstelligd door het stellen van (strikte) regels en het houden van toezicht op de naleving van die regels”. Dat veronderstelde een ‘daadkrachtige toezichthouder’, namelijk de beoogde kansspelautoriteit, voor de instelling waarvan destijds al een wetsvoorstel gereed lag (waarover nader hierna in nr. 5.26). De staatssecretaris vermeldde echter ook dat hij in verband met de regulering van kansspelen via internet zou bezien “of het wenselijk en mogelijk is aanvullende bepalingen op te nemen die een betere aanpak van illegaal kansspelaanbod via internet mogelijk maken”. Hij dacht daarbij aan verbodsbepalingen voor het doen van betalingen aan of het ontvangen van betalingen van exploitanten van illegale kansspelen via internet, voor het maken van reclame voor illegale kansspelsites en voor internet service providers om gegevens over illegale kansspelsites te vermelden of door te geven. 5.25 In het kader van handhaving sprak de staatssecretaris niet over civielrechtelijke handhaving. Dat kwam wel in een andere brief van de staatssecretaris (van 4 mei 2012) ter sprake: “Met instemming heb ik van dit arrest [het eindarrest in een civielrechtelijke procedure tussen De Lotto en Ladbrokes, A-G] kennisgenomen. Ik heb waardering voor de wijze waarop De Lotto, via tal van gerechtelijke procedures, de afgelopen jaren een bijdrage heeft geleverd aan de handhaving van het verbod in de Wet op de kansspelen om zonder vergunning kansspelen aan te bieden. Zeker in het verleden, toen de handhaving van de Wok lage prioriteit had bij het Openbaar Ministerie en de kansspelautoriteit nog niet van start was gegaan, vormden dergelijke civielrechtelijke handhavingsacties door vergunninghouders een welkome aanvulling op het overheidsbeleid. Inmiddels hebben zich sinds 2003 – het tijdstip waarop De Lotto haar procedure startte – verschillende beleidsmatige en juridische ontwikkelingen voorgedaan die tot een andere aanpak nopen. In de eerste plaats wil ik wijzen op mijn brief van 19 maart 2011, waarin ik mijn plannen heb uiteengezet om het kansspelbeleid te moderniseren. Ik heb onder andere aangegeven een vergunningstelsel voor kansspelen via internet te willen inrichten en op deelgebieden waar nu nog een monopolie geldt – indien mogelijk – nieuwe toetreders te willen toelaten. Mede om deze ontwikkelingen te ondersteunen worden eerst toezicht en handhaving verbeterd. Op 1 april jl. is daartoe de kansspelautoriteit van start gegaan.” De staatssecretaris verwachtte dat door de inrichting van een vergunningstelsel voor online kansspelen en de nadruk op het bereiken van een hoge graad van kanalisatie, de druk op handhaving van de Wok minder groot zou worden. Niettemin diende de Wok in voorkomende gevallen streng te worden gehandhaafd. Daarmee zou de pas opgerichte Ksa worden belast, die daarvoor een bestuurlijke boete, last onder dwangsom of last onder bestuursdwang kon opleggen. Indien bestuursrechtelijke sancties niet leidden tot het gewenste gedrag, namelijk het afsluiten van kansspelsites voor deelname vanuit Nederland, kon volgens de staatssecretaris worden overgegaan “tot het toepassen van de procedure die kan leiden tot plaatsing op een zwarte lijst van kansspelaanbieders”. De staatssecretaris merkte verder op dat sinds 2011 ervoor werd gezorgd dat banken geen zaken deden met illegale aanbieders van online kansspelen: 40 bedrijven waren aangeschreven en nadat sommigen daarvan hun aanbod niet staakten zijn zij op een ‘zwarte lijst’ geplaatst die is gedeeld met de Nederlandse Vereniging van Banken. Tot slot vermeldde de staatssecretaris dat hij voornemens was aanbieders die persisteerden in het aanbieden van kansspelen gericht op Nederland te zijner tijd uit te sluiten voor een vergunning voor kansspelen in Nederland – de Ksa zou ten aanzien van deze partijen handhavend optreden. 5.26 De hiervoor al ter sprake gekomen Ksa is opgericht per 1 april 2012. Daarmee werd vooruitgelopen op de nieuwe Wet op de kansspelen, omdat in de praktijk al behoefte bestond aan een daadkrachtige toezichthouder op de kansspelsector. De Ksa kreeg tot taak de vergunningverlening voor diverse vormen van kansspelen, het geven van voorlichting en informatie, het toezicht op de naleving van de wet- en regelgeving en de handhaving van die wet- en regelgeving. Het wetsvoorstel “Wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met de instelling van de kansspelautoriteit” behelsde dan ook in het kader van intensivering en vernieuwing van toezicht en handhaving nieuwe regels voor strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt, na uitgebreide bespreking van het bestuursrechtelijke instrumentarium en de mogelijkheid van fiscaalrechtelijke handhaving, ten slotte ook gewezen op de mogelijkheid van civielrechtelijke handhaving: “Daarnaast bestaat de mogelijkheid van civielrechtelijke handhaving, bijvoorbeeld wanneer een organisator van een kansspel wordt aangetast in zijn monopoliepositie.” 5.27 De Ksa was vanaf haar oprichting per 1 april 2012 (onder meer) belast met de handhaving van het verbod van art. 1, lid 1, aanhef en onder a, Wok en het tegengaan van onvergund online kansspelaanbod. Voordat de Ksa daarmee begon was het ministerie in het najaar van 2011 al gestart met het uitvoeren van de motie Kooiman c.s., inhoudende het verzoek aan de regering om ervoor te zorgen dat banken geen zaken zouden doen met partijen die illegaal kansspelen op internet aanboden. Een eerste serie van bijna 40 bedrijven is destijds aangeschreven met het verzoek het op Nederland gerichte kansspelaanbod te staken. In reactie daarop hebben enkele bedrijven hun aanbod gestaakt, maar een aantal bedrijven heeft, ook na herhaalde aanmaning, niet gereageerd. De laatstgenoemde bedrijven zijn toen opgenomen “op de eerste versie van een zwarte lijst, die inmiddels aan de Nederlandse Vereniging van Banken is gestuurd”. Tot slot heeft een aantal bedrijven verklaard het niet eens te zijn met de visie van de Nederlandse overheid op de zwarte lijst, maar niettemin bereid te zijn hun aanbod gericht op Nederland te staken met het oog op een mogelijke vergunningverlening in de toekomst. In dat kader hebben deze bedrijven laten weten: 1) hun website niet langer in de Nederlandse taal aan te bieden en 2) zich te onthouden van marketingactiviteiten op Nederlandse radio, televisie en in drukwerk. Naar aanleiding van de motie Bouwmeester c.s., inhoudende het verzoek om te bewerkstelligen dat illegale aanbieders van kansspelen niet in aanmerking kunnen komen voor een vergunning om kansspelen via internet aan te bieden, heeft de staatssecretaris het voornemen geuit “aanbieders die persisteren in het aanbieden van kansspelen gericht op Nederland, te zijner tijd uit te sluiten voor een vergunning voor kansspelen in Nederland”. 5.28 Optreden tegen kansspelen op internet behoorde al direct bij de oprichting tot de hoogste prioriteiten van de Ksa. Aanvankelijk heeft de raad van bestuur van de Ksa ingestemd om naast een zwarte lijst ook een grijze lijst van illegale aanbieders te hanteren. Op de grijze lijst zouden aanbieders komen die vanaf 8 juni aan de volgende eisen voldeden: geen aanbod in de Nederlandse taal en geen reclame maken op TV, radio en geprinte media of via directe marketing. In het verslag van de vergadering van 24 mei 2012 wordt gesteld dat er geen politieke goedkeuring is voor het vooralsnog niet aanpakken van de aanbieders op de grijze lijst en het wel aanpakken van aanbieders op de zwarte lijst, maar dat het bestuur ervoor kiest om een eigen lijn te volgen en daarbij te wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van de Ksa en de daarbij te stellen prioriteiten. Die lijn hield in dat aanbieders op de ‘grijze lijst’, die zich houden aan de gestelde voorwaarden, niet worden aangepakt. In het verslag wordt verder opgemerkt dat de illegale aanbieders hierover een brief zullen ontvangen en dat hierover een persbericht wordt uitgebracht. 5.29 In oktober 2014 zijn enkele afspraken tussen de Ksa en bepaalde betaaldienstverleners neergelegd in een convenant ter bestrijding van illegale kansspelen via internet, met de strekking het betalingsverkeer tussen de consument en de aanbieders van illegale kansspelen op afstand te blokkeren. Op grond van het convenant accepteerden de betaaldienstverleners door de Ksa gesanctioneerde aanbieders niet als nieuwe klant en met gesanctioneerde aanbieders die al klant van de betaaldienstverleners waren, werden de contracten beëindigd zodra de opgelegde sanctie onherroepelijk was geworden. De Ksa had nauw contact met de betaaldienstverleners die bij het convenant waren aangesloten en wisselde informatie met hen uit. Ten behoeve van dit convenant is volgens de Ksa ook een lijst opgesteld met beboete partijen en een protocol. Uit een evaluatie van het convenant in oktober 2015 bleek dat de aangesloten betaaldienstverleners in het algemeen goed gevolg gaven aan de verplichtingen zoals neergelegd in het convenant. Een aantal partijen is vrijwillig zelfs verder gegaan. Zo werden bijvoorbeeld online kansspelaanbieders die op de Nederlandse markt gericht waren, ongeacht de vraag of ze op “de lijst van de kansspelautoriteit” vermeld stonden, niet als nieuwe cliënten geaccepteerd. 5.30 Ondertussen zag de Ksa zich geconfronteerd met honderden illegale aanbieders. Volgens de Ksa zelf was het onmogelijk om tegen al die aanbieders daadwerkelijk op te treden. Zij noemt twee redenen die daarbij een rol speelden:
  1. i)de beperkte capaciteit van de Ksa in de jaren 2012 t/m 2021 en
  2. ii)de aard van de overtreding. De Ksa heeft daarom vanaf 8 juni 2012 brieven verstuurd aan (buitenlandse) aanbieders van illegale online kansspelen met de boodschap dat het aanbieden van kansspelen via internet gericht op de Nederlands markt verboden is en dat de Ksa daarop zal handhaven. Daarbij merkte de Ksa ook op dat gelet op het grote illegale aanbod de Ksa bij de handhaving prioriteit geeft aan aanbod dat is gericht op de Nederlandse markt en dat zij daarom op dat moment haar aandacht richtte op aanbieders: - van wie de website eindigt op .nl; en/of - van wie de website in de Nederlandse taal beschikbaar is; en/of - die adverteren op de radio, televisie of in de gedrukte media voor de Nederlandse markt. Deze criteria noemde de Ksa in de brief ‘prioriteringscriteria’ (‘prioritisation criteria’). Tegen aanbieders die voldeden aan één of meer van genoemde criteria zou met andere woorden met prioriteit door de Ksa worden gehandhaafd. Bovendien werd opgemerkt dat de staatssecretaris het voornemen had om aanbieders die persisteerden in illegaal aanbod gericht op Nederland te zijner tijd uit te sluiten voor een vergunning voor kansspelen in Nederland. Overigens wel pas nadat deze aanbieders door een waarschuwingsbrief de kans hadden gekregen om een en ander aan te passen en daardoor niet meer binnen de prioriteringscriteria te vallen. Wanneer echter bleek dat een aanbieder een en ander niet had aangepast, dan zou eerst worden gehandhaafd met bestuursrechtelijke maatregelen en vervolgens, als ultimum remedium, via het strafrecht. De Ksa deed zelf onderzoek of een aanbieder zijn websites had aangepast en of de aanbieder niet langer aan de prioriteringscriteria voldeed. De aanbieder werd daarover bericht. De Ksa liet weten dat, in het geval dat de aanbieder niet meer binnen de criteria viel, de websites niet meer aan de prioriteringscriteria voldeden en “de daarop uitgevoerde activiteiten (voorlopig) niet meer onder de focus van deze kansspelautoriteit” vielen. De Ksa benadrukte echter ook dat “kansspelaanbieders, die niet langer voldoen aan deze prioriteringscriteria” daarmee “niet legaal” zijn, maar dat tegen deze aanbieders “slechts in het kader van de prioriteitsstelling (voorlopig) niet opgetreden [zou] worden”. Pas als een website niet gericht was op Nederland, bijvoorbeeld omdat de website niet raadpleegbaar was vanaf een Nederlands IP-adres en/of de aanbieder geen klanten uit Nederland accepteerde, zou dat aanbod volgens de Ksa niet meer onder de reikwijdte van de Wok vallen. De Ksa maakte tot slot duidelijk dat zij, mocht daar reden toe zijn, deze prioriteringscriteria zou aanscherpen, maar de markt daarover tijdig zou informeren. 5.31 Medewerkers van de Ksa hebben de raad van bestuur in een intern memo van 17 mei 2013 erop gewezen dat de prioriteringscriteria de ene keer werden gebruikt als prioriteringscriteria en de andere keer als gedoogvoorwaarden en/of mogelijke vergunningvoorwaarden, en dat het van belang was dat de Ksa zou bepalen wat het doel was van deze criteria. Volgens de opstellers zelf van het memo was sprake van (intern werkende) criteria op grond waarvan de Ksa bepaalde waar zij haar handhavingsfocus legde (wie wordt als eerste aangepakt), maar overtraden alle aanbieders van online kansspelen de wet. Er werden volgens het memo echter gaandeweg meer betekenissen aan de criteria gegeven, bijvoorbeeld dat aanbieders die niet (meer) voldeden aan de prioriteringscriteria niet zouden worden aangepakt (gedoogbeleid) en dat de prioriteringscriteria ook onderscheidende criteria waren om te bepalen welke aanbieders wel of niet in aanmerking zouden komen voor een vergunning bij invoering van de nieuwe wetgeving. Uit een volgend memo van 6 juni 2013 blijkt dat het bestuur op 21 mei 2013 had besloten dat de prioriteringscriteria alleen nog zouden worden gebruikt voor handhavingsdoeleinden. In dit memo werd verder opgemerkt dat het twijfelachtig was geworden of aanbieders die zich aan de criteria hadden geconformeerd nog aan te pakken waren, omdat de prioriteringscriteria in sommige uitlatingen konden worden uitgelegd als gedoogvoorwaarden. Verder werd gesteld dat om handhaving weer mogelijk te maken het zaak was om duidelijk en consistent uit te dragen dat alle aanbieders die kansspelen aanboden door middel van een op Nederland gerichte website zonder dat zij over een vergunning beschikten, de Wok overtraden. 5.32 In februari 2014 zijn er ook Kamervragen gesteld over de aard en inhoud van de genoemde brieven van de Ksa aan aanbieders van online kansspelen en het prioriteringsbeleid, waaronder de vraag of er afspraken waren gemaakt met online aanbieders in de aanloop naar een eventueel geliberaliseerde markt voor online kansspelen. De staatssecretaris antwoordde dat er geen sprake was van enige afspraak, maar dat online aanbieders in 2012 zijn geïnformeerd over het prioriteringsbeleid van de Ksa en dat daarnaast, zoals gebruikelijk is bij wetgevingstrajecten, bij de totstandkoming van het wetsvoorstel online kansspelen overleg is gevoerd met diverse stakeholders, waaronder (onvergunde) online aanbieders. Daarnaast werd gevraagd hoe de brieven en het prioriteringsbeleid moesten worden geduid: werd er niet opgetreden tegen aanbieders die niet voldeden aan de prioriteringscriteria en was er sprake van gedoogbeleid? De staatssecretaris antwoordde dat het feit dat de aanbieders niet aan de prioriteringscriteria voldeden niet betekende dat deze aanbieders “per definitie vrijgesteld zijn van handhavend optreden van de Ksa”. De Ksa had volgens de staatssecretaris ook al handhavend opgetreden tegen een aanbieder die niet onder de prioriteringscriteria viel. De staatssecretaris antwoordde ook nog dat de Ksa, naast het opleggen van bestuurlijke boetes, barrières opwerpt om de bedrijfsvoering van illegale kansspelaanbieders zo moeilijk mogelijk te maken, met als voorbeelden de samenwerking met websites zoals Facebook, het onmogelijk maken van betalingsverkeer van illegale aanbieders en de internationale samenwerking met andere kansspelautoriteiten. Op de vraag of de Ksa in mei 2013 wel wist wat zij aan het doen was (prioriteren of gedogen?) heeft de staatssecretaris geantwoord dat de Ksa naar zijn oordeel precies wist wat zij deed en dat het bestuur van de Ksa, vanwege de ontstane verwarring over de prioriteringscriteria en de vraag of dat gedogen behelsde, in een vergadering had vastgesteld “dat het gaat om prioriteringscriteria voor de handhaving”. Tot slot is de vraag gesteld of medewerkers van het ministerie van Veiligheid en Justitie aanbieders van legale en illegale kansspelen hadden geadviseerd geen rechtszaken tegen elkaar aan te spannen. De staatssecretaris ontkende dat en zei dat door de online sector zelf was besloten lopende procedures ‘op ijs te zetten’ zodat het ministerie in relatieve rust kon werken aan de voorbereiding van wetgeving voor kansspelen op afstand, en dat legale aanbieders die betrokken waren bij lopende procedures ook voorstander van deze rust waren. 5.33 De Ksa is vanaf februari 2014 in nieuwsberichten expliciet gaan uitdragen dat zij niet gedoogde, maar handhaafde. Dit heeft de Ksa ook herhaaldelijk in haar jaarverslagen kenbaar gemaakt. In haar boetebesluiten heeft de Ksa verder het standpunt ingenomen dat het prioriteringsbeleid niet bedoeld was om een overtreding van het verbod vast te stellen. 5.34 De prioriteringscriteria zijn vervolgens per 1 januari 2017 aangepast. Aan de drie tot dan toe gehanteerde criteria werden nieuwe criteria toegevoegd: - gebruik van domeinnamen met daarin typisch aan Nederland refererende begrippen in combinatie met kansspelaanduidingen (bijvoorbeeld ‘klompenbingo’, ‘gezelligheidspoker’ of ‘rood-wit-blauw-casino’); - gebruik van betaalmiddelen die uitsluitend of grotendeels door Nederlanders worden gebruikt (iDeal); - het ontbreken van (verschillende variaties van) geoblocking; en - overige kenmerken waaruit gerichtheid op Nederland is af te leiden (bijvoorbeeld plaatjes van molens of klompen, prijzen in de vorm van stroopwafels). 5.35 Tot slot zijn de prioriteringscriteria nog eenmaal aangepast in 2020. Er werd nog een criterium toegevoegd, namelijk het ontbreken van zichtbare leeftijdsverificatie. 5.36 Voorgaande levert het volgende beeld op. Na de opkomst van kansspelen via internet in de jaren ’90 van de vorige eeuw werd daar op grote schaal aan deelgenomen. De komst van het internet is in die zin een gamechanger geweest voor het kansspelbeleid en de handhaving ervan, omdat het kansspelaanbod niet langer binnen Nederland kon worden gereguleerd door uitsluiten van fysiek aanbod en het creëren van legaal aanbod. De wetgeving en handhaving zijn in wezen achter dit aanbod ‘aan gegroeid’ waarbij de aandacht is verschoven van legalisatie van het aanbod naar legalisatie van bepaalde aanbieders die zich aan bepaalde regels hielden, maar ook dat bleek geen sinecure. De juridische status van de verschillende kansspelen via internet verschilde per kansspel en was voor het publiek onduidelijk. Een deel van het aanbod van kansspelen via internet was legaal, althans niet illegaal, omdat het (expliciet) via een bestaande vergunning was toegestaan, dan wel (impliciet) via het deelnemersreglement, dan wel omdat het werd gedoogd in een gedoogregeling (promotionele kansspelen). Een (groter) deel van het aanbod was echter illegaal. Toename van deelname aan (illegale) kansspelen leidde tot negatieve effecten als gokverslaving en criminaliteit. Men wilde de Wok daarom intensiever handhaven door middel van een integrale aanpak: een combinatie van bestuursrechtelijke, strafrechtelijke, fiscaalrechtelijke en civielrechtelijke handhaving. Dat laatste bespreek ik in de volgende paragraaf nog afzonderlijk. Naast het handhavingsspoor was er het wetgevingsspoor, waarbij werd gepoogd om kansspelen via internet te legaliseren. Het Wetsvoorstel internetproef werd in 2008 verworpen. Vervolgens werd nieuw beleid geformuleerd en een nieuw wetgevingstraject in gang gezet, vanuit de kanalisatiegedachte en de doelstellingen van het kansspelbeleid. Men had daarbij oog voor de (bijzondere) risico’s die aan kansspelen via internet waren verbonden. Tegelijkertijd werd het kansspelbeleid ‘gemoderniseerd’: spelers hebben een eigen verantwoordelijkheid, geen monopolieposities voor aanbieders meer maar concurrentie tussen verschillende aanbieders, en legalisering van kansspelen via internet. De Ksa is per 1 april 2012 opgericht en was belast met vergunningverlening, toezicht en handhaving. De civielrechtelijke handhavingslijn verdween met het voorstel voor een Wet kansspelen op afstand, waarin de nadruk lag op bestuursrechtelijke handhaving en handhaving via het strafrecht als ultimum remedium, uit beeld. Het beleid dat vooruitlopend op de daadwerkelijke inwerkingtreding van de Wet kansspelen op afstand werd gevoerd, verhield zich ook niet goed met de civielrechtelijke handhaving: de gedachte was om bepaalde aanbieders van illegale kansspelen via internet aan te pakken en andere aanbieders niet, althans niet direct; civielrechtelijke handhaving zou dat beleid doorkruisen. Het wetgevingsproces nam ondertussen veel tijd in beslag en heeft lange tijd niet geleid tot een wettelijke regeling voor kansspelen via internet. Dat veranderde met de invoering van de Wet kansspelen op afstand per 1 april 2021. Handhaving via civiel recht 5.37 Bij de voorgaande beschrijving van de handhaving van de Wok is enkele malen gerefereerd aan civielrechtelijke handhaving. De civielrechtelijke handhaving die men daarbij voor ogen had was dat legale aanbieders concurrerende illegale aanbieders aanspraken met een vordering uit onrechtmatige daad. Deze vorm van civielrechtelijke handhaving werd bijvoorbeeld (succesvol) door vergunninghouder De Lotto ter hand genomen. Naast deze vorm van civielrechtelijke handhaving is ook, voor zover ik kan zien, éénmaal genoemd dat gedupeerde deelnemers aan illegale kansspelen op grond van het privaatrecht konden optreden tegen de organisator van het illegale kansspel. Daarbij werd niet toegelicht op welke wijze dat kon (een vordering uit onrechtmatige daad, een vordering op grond van onverschuldigde betaling?). Civielrechtelijke handhaving door het aankaarten van nietigheid van kansspelovereenkomsten is voor zover ik heb kunnen nagaan in het beleid nergens aan de orde geweest. 5.38 De rechtspraak over civielrechtelijke handhaving door concurrenten is illustratief voor de verenigbaarheid van het Nederlandse vergunningsstelsel van de Wok met het Unierecht. Daarover zijn in twee Nederlandse procedures door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State respectievelijk de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ EU). 5.39 In de eerste, bestuursrechtelijke zaak wilde Betfair via internet kansspelen aanbieden in Nederland. Betfair vroeg de Minister om een vergunning, maar kreeg die niet omdat per kansspel één vergunning wordt verleend en deze – voor de kansspelen die Betfair wilde aanbieden – al was verleend aan De Lotto respectievelijk SGR. Betfair maakte vervolgens bezwaar tegen dat besluit en tegen de verlenging van de vergunningverlening aan De Lotto en SGR. In de tweede, civiele zaak bood Ladbrokes zonder vergunning kansspelen aan op de Nederlandse markt via telefoon en internet, waarop De Lotto, de enige vergunninghouder op grond van de Wok voor het organiseren van lotto’s, sportprijsvragen e.d., tegen Ladbrokes een vordering uit onrechtmatige daad instelde om deze te dwingen haar activiteiten in Nederland te staken. 5.40 Betfair en Ladbrokes stelden zich op het standpunt dat een Nederlandse vergunning niet nodig was omdat zij al een vergunning in een andere lidstaat hadden en het Nederlandse vergunningstelsel in strijd was met het vrij verkeer van diensten (destijds art. 49 EG, inmiddels art. 56 VWEU). Het HvJ EU oordeelde echter dat het éénvergunningstelsel van de Wok toelaatbaar is, ook als een in een andere lidstaat gevestigde marktdeelnemer daardoor niet op de Nederlandse markt zijn diensten kan aanbieden. Een lidstaat is dus niet gehouden om een door een andere lidstaat verleende vergunning voor kansspelen te erkennen. De vergunningverlen(g)ing zelf dient echter wel aan het beginsel van gelijke behandeling en het transparantiebeginsel te voldoen. De lidstaten komt kortom veel vrijheid toe bij hun kansspelbeleid. De achtergrond daarvan is dat het Nederlandse kansspelstelsel weliswaar inbreuk maakt op de vrijheid van diensten, maar dat daarop beperkingen gerechtvaardigd kunnen zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid. Het HvJ EU heeft in zijn rechtspraak bovendien een aantal dwingende redenen van algemeen belang vastgelegd die beperkingen op het vrij dienstenverkeer kunnen rechtvaardigen, zoals consumentenbescherming, bestrijding van fraude, het voorkomen dat burgers tot geldverkwisting door gokken worden aangespoord, en het vermijden van maatschappelijke problemen in het algemeen. Het HvJ EU overwoog in Ladbrokes/De Lotto verder: “19. In deze context kunnen de bijzonderheden van morele, religieuze of culturele aard en de aan kansspelen en weddenschappen verbonden moreel en financieel schadelijke gevolgen voor het individu en de samenleving rechtvaardigen dat de nationale autoriteiten over voldoende beoordelingsvrijheid beschikken om te bepalen, wat noodzakelijk is voor de bescherming van de consument en van de maatschappelijke orde (reeds aangehaalde arresten Gambelli e.a., punt 63, en Placanica e.a., punt 47). 20. De lidstaten zijn vrij, aan de hand van hun eigen schaal van waarden hun beleidsdoelstellingen op het gebied van kansspelen te bepalen en in voorkomend geval het gewenste beschermingsniveau nauwkeurig te omlijnen. De beperkingen die zij opleggen moeten evenwel voldoen aan de voorwaarden die met name met betrekking tot de evenredigheid ervan in de rechtspraak van het Hof zijn geformuleerd (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Placanica e.a., punt 48, en Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin International, punt 59). 21. Meer bepaald moeten de beperkingen die zijn gebaseerd op de in punt 18 van het onderhavige arrest vermelde redenen geschikt zijn om de genoemde doelstellingen te verwezenlijken, in die zin dat zij ertoe bijdragen dat de activiteiten met betrekking tot weddenschappen op samenhangende en stelselmatige wijze worden beperkt (zie in die zin arrest Gambelli e.a., reeds aangehaald, punt 67). 22. Volgens de rechtspraak van het Hof staat het aan de nationale rechter om na te gaan of de regelingen van de lidstaten daadwerkelijk beantwoorden aan de doelstellingen die daarvoor een rechtvaardiging zouden kunnen vormen en of, gelet op deze doelstellingen, de uit die regelingen voortvloeiende beperkingen niet onevenredig zijn (reeds aangehaalde arresten Gambelli e.a., punt 75, alsook Placanica e.a., punt 58).” 5.41 Naast dat lidstaten dus hun eigen beleidsdoelstellingen en het gewenste beschermingsniveau op het gebied van kansspelen kunnen bepalen, is het bovendien aan de nationale rechter om te bepalen of de grenzen die door het HvJEU aan die vrijheid worden gesteld, zoals met name de voorwaarde dat het kansspelbeleid evenredig moet zijn, in acht worden genomen. De Hoge Raad heeft vervolgens in de Ladbrokes-zaak het oordeel van het hof Arnhem in stand gelaten dat het Nederlandse vergunningstelsel door de Unierechtelijke beugel kan. In de Nederlandse rechtspraak is daarna vaak teruggegrepen op deze jurisprudentie als argument dat het Nederlandse vergunningstelsel zoals neergelegd in art. 1 lid 1 aanhef en onder a Wok geen ontoelaatbare beperking vormt of heeft gevormd op het vrij verkeer van diensten. De Betfair- en Ladbrokes-jurisprudentie ziet echter specifiek op de vraag of het éénvergunningstelsel met betrekking tot sportprijsvragen en lotto’s in overeenstemming is met het Unierecht, terwijl de vraag zou kunnen rijzen of het feit dat het in de Nederlandse kansspelwetgeving tot 1 oktober 2021 niet mogelijk was om een vergunning te krijgen om in Nederland kansspelen via internet aan te bieden, in overeenstemming is met het Unierecht. Recentelijk zijn ook prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU over de verenigbaarheid van het (voormalige) Duitse totaalverbod op kansspelen via internet en het vrij verkeer van diensten van art. 56 VWEU. Wet kansspelen op afstand 5.42 De Wok voorzag tot 1 april 2021 niet in een expliciete vergunningmogelijkheid voor het organiseren van kansspelen op afstand. Veel Europese overheden verleenden daar geen vergunning voor. Vanwege dat feit en omdat aanbieders van online kansspelen niet fysiek in Nederland aanwezig hoeven te zijn, hebben de aanbieders zich gevestigd in landen met gunstige voorwaarden zoals Antigua en Costa Rica, en, binnen Europa, Malta, de Kanaaleilanden en Gibraltar. Al jarenlang namen honderdduizenden Nederlanders via dergelijke aanbieders online deel aan kansspelen op afstand, maar zonder dat de doelstellingen van het Nederlandse kansspelbeleid waren gewaarborgd. Om daarin te voorzien is op 1 april 2021 de Wet kansspelen op afstand (hierna: Koa) in werking getreden. De kansspelen op afstand zijn geregeld in titel Vb ‘Kansspelen op afstand’ van de Wok (art. 31 e.v.). 5.43 Art. 31 Wok luidt: “1. Onder een kansspel op afstand wordt verstaan: een gelegenheid als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, die op afstand met elektronische communicatiemiddelen wordt gegeven en waaraan wordt deelgenomen zonder fysiek contact met degene die die gelegenheid geeft of die voor deelname aan die kansspelen ruimte en middelen ter beschikking stelt.” 5.44 Hoewel deze ruime definitie zich daartoe niet beperkt, richt de Koa zich in eerste instantie op kansspelen via internet, omdat daar – ten tijde van het wetsvoorstel – al honderdduizenden Nederlanders aan deelnamen. Wegens het ontbreken van direct contact tussen de speler en de kansspelaanbieder kunnen deze spelen andere en grotere risico’s op fraude en kansspelverslaving met zich brengen dan de traditionele fysieke, landgebonden kansspelen. De Koa maakt deel uit van de hiervoor geschetste modernisering van het kansspelbeleid, waarvan de doelstellingen zijn het voorkomen van kansspelverslaving, het beschermen van de consument en het tegengaan van fraude, illegaliteit en criminaliteit. Afdrachten aan de staat, goede doelen en sport worden daarbij als neveneffecten beschouwd. In het wetsvoorstel was daarom voorzien in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling afdracht aan sport en goede doelen verplicht te stellen in de vorm van een minimaal afdrachtspercentage, maar werd niet reeds bij de opening van de markt een afdracht verplicht gesteld. De wetgever beoogde de bestaande en toekomstige behoefte aan kansspelen op afstand naar een verantwoord, betrouwbaar en controleerbaar aanbod te leiden, een aanbod met waarborgen tegen kansspelverslaving en criminaliteit (kanalisatie). Uitgangspunt is verder dat het aanbieden van kansspelen geen taak van de overheid is, maar dat de overheid wel verantwoordelijk is voor het bieden van een reguleringskader dat rekening houdt met specifieke risico’s van kansspelen, voor het toezicht op de aanbieders en voor het bestrijden van aanbod zonder vergunning. 5.45 Vanaf 1 oktober 2021 is het op grond van de Koa mogelijk een vergunning te krijgen om online kansspelen aan te bieden op de Nederlandse markt. De vergunning wordt voor bepaalde tijd verleend en is niet overdraagbaar (art. 31a lid 2 Wok). De aanbieder moet gevestigd zijn in een EU- of EER-lidstaat (art. 31g lid 1 Wok) en mag alleen kansspelen aanbieden aan geïdentificeerde en bij hem aangemelde en ingeschreven personen (art. 31k Wok). Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de houder van een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand overeenkomstig bij die regeling te stellen regels periodiek een bedrag afdraagt aan een of meer instellingen die een algemeen belang dienen, werkzaam op het gebied van sport en lichamelijke vorming, cultuur, maatschappelijk welzijn of volksgezondheid (art. 31f Wok). Zoals gezegd is er niet voor gekozen om direct bij de opening van de markt een afdracht te verplichten (zie nr. 5.44 hiervoor). De gedachte was dat bij de wetsevaluatie drie jaar na inwerkingtreding de ontwikkeling van de afdrachten zou worden meegenomen. En indien de evaluatie daartoe aanleiding zou geven, zou art. 31f Wok de mogelijkheid bieden om, na afweging van alle beleidsdoelen, waaronder kanalisatie, een verplichte afdracht aan sport en goede doelen in te voeren voor houders van een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand. 5.46 Na vergunningverlening houdt de Ksa toezicht op de naleving van de wet- en regelgeving bij de vergunde aanbieders. De Ksa bestrijdt ook nog steeds het niet vergunde online kansspelaanbod. Dat doet de Ksa door continu informatie te verzamelen over illegale aanbieders, o.a. door het verwerken van externe signalen, webscraping en web traffic analyse. Het illegale aanbod heeft de Ksa in de drie jaar na invoering van de Koa bestreden door (voor)onderzoeken te doen naar illegale aanbieders en hun vervolgens boetes op te leggen. In het jaarverslag 2023 vermeldde de Ksa dat een (voornemen tot) last onder dwangsom in principe een effectief instrument is gebleken om illegaal aanbod aan te pakken. In een evaluatierapport over drie jaar Koa wordt echter geconcludeerd dat handhaving van het niet toegestane kansspelaanbod nog niet naar wens verloopt en onvoldoende effectief is, omdat illegale partijen opereren vanuit structuren en jurisdicties waar zij niet altijd effectief kunnen worden bestreden met het huidige (wettelijke) instrumentarium. Deze illegale partijen zijn namelijk eigenlijk nooit in Nederland gevestigd, maar in “complexe jurisdicties waar ze zich technisch afschermen” en waar het lastig is om boetes op te leggen of te innen. In het evaluatierapport wordt als verbetering voorgesteld om de toegang aan te pakken (websites blokkeren) en ook faciliterende partijen harder aan te pakken (zoals de hostingpartij, de betaalserviceprovider, advertentieplatforms als Meta en zoekmachines als Google). Samenvatting 5.47 De regulering van kansspelen is sinds jaar en dag niet gericht op het volledig verbieden van kansspelen, maar op kanalisatie van de speelbehoefte naar legaal aanbod. In de Wok is in art. 1 een stelsel neergelegd waarbij het aanbieden van kansspelen is verboden, tenzij een vergunning is verleend. Voor verschillende kansspelen geldt een éénvergunningstelsel: er is slechts één vergunning beschikbaar voor het aanbieden van dergelijke kansspelen. Benadrukt dient te worden dat dus alle kansspelen die onder het bereik van de Wok vallen verboden zijn, tenzij er een vergunning is verleend. De vraag is hoe de in de jaren ’90 van de vorige eeuw opkomende kansspelen via internet in dat systeem pasten. In dat kader moet een onderscheid worden gemaakt tussen aanbieders die beschikten over een vergunning voor ‘e-commerce’ (bijvoorbeeld verkoop van loten via internet) en aanbieders van e-gaming (het ‘interactief’ spelen van kansspelen via internet), waarvoor tot 2021 geen vergunningstelsel bestond. Binnen het vergunningstelsel van de Wok waren er dus wel (beperkte) mogelijkheden voor kansspelen op afstand. Dergelijke interactieve e-gaming, waar het in deze zaak om gaat, werd (kennelijk) om verschillende redenen niet door de traditionele vergunninghouders aangeboden en het gevoelen was ook dat daarvoor nieuwe wetgeving en een nieuw vergunningstelsel nodig waren. Ten aanzien van dergelijke kansspelen op afstand heeft de wetgever lange tijd gezocht naar een adequate vorm van regulering. Ondertussen was er op grote schaal illegaal aanbod van dergelijke kansspelen via internet. Door de globalisering van dit aanbod, werd het speelveld bovendien anders dan bij de traditionele kansspelen. Men worstelde met de handhaving en (uiteindelijke) regulering ervan. De Ksa trad met prioriteit handhavend op tegen aanbieders van illegale kansspelen via internet die aan bepaalde ‘prioriteringscriteria’ voldeden. Dat prioriteringsbeleid betrof, zo maakte de Ksa duidelijk nadat daar enige verwarring over was ontstaan, handhavingsbeleid en geen gedoogbeleid. Het prioriteringsbeleid is verschillende keren aangescherpt. Aan het prioriteringsbeleid werd ook gekoppeld dat aanbieders die daaraan voldeden niet in aanmerking kwamen voor een vergunning bij de uiteindelijke inwerkingtreding van nieuwe wetgeving, terwijl aanbieders die daar niet aan voldeden, en met andere woorden hun aanbod níet op Nederland richtten, wél uiteindelijk voor vergunningverlening in aanmerking kwamen. Paradoxaal genoeg werden daarmee dus de facto aanbieders van de Nederlandse markt geweerd die er uiteindelijk, namelijk bij inwerkingtreding van de wetgeving over kansspelen op afstand met een vergunningmogelijkheid voor kansspelen op afstand, potentieel wél actief op mochten worden. Dit

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.