PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01880 Zitting 28 november 2025 CONCLUSIE R.H. de Bock In de zaak [de vrouw] advocaat: C.S.G. Janssens tegen [de man] advocaat: M.W. van der Heijden 1Inleiding en samenvatting In deze echtscheidingszaak gaat het in cassatie uitsluitend over de vraag of het hof terecht de man ontvankelijk heeft verklaard. De (advocaat van
(2018)tot doel heeft om elektronisch procederen in steeds meer civiele zaakstromen voor professionele procespartijen verplicht te stellen. 3.20 Het destijds geldende art. 30c Rv lid 6 luidde nagenoeg hetzelfde als thans art. 33 Rv lid 6: Artikel 30c Rv (oud) 6. Indien niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet of de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 30f, stelt de rechter de eiser of verzoeker in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door hem te bepalen termijn. Maakt de eiser of verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan hij in de vordering of het verzoek niet ontvankelijk worden verklaard dan wel kan de rechter het stuk buiten beschouwing laten. 3.21 De toelichting op de huidige herstelmogelijkheid in art. 33 lid 6 Rv is grotendeels gebaseerd op een samenvatting van de toelichting op het voormalige art. 30c Rv lid 6 (voetnoten in origineel weggelaten): “In de wetgeving die in 2016 tot stand kwam tot vereenvoudiging en digitalisering van het civiele procesrecht (Stb. 2016, 288–294) was voorzien in een algemene herstelmogelijkheid voor het verplicht elektronisch procederen bij alle gerechten. [A-G: art. 30c lid 6 Rv.] Die regeling hield in dat de rechter een partij die stukken op papier indiende terwijl zij dat langs elektronische weg moest doen, de gelegenheid moest bieden dit verzuim te herstellen binnen een bepaalde termijn. Wanneer een partij het verzuim niet herstelde, kon de rechter haar niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering of verzoek, of het te laat ingediende stuk buiten beschouwing laten. De rechter kon ook beslissen dat de partij mocht voortgaan op de papieren weg. In de toelichting werd als voorbeeld genoemd dat pas tijdens de zitting blijkt dat ten onrechte op papier wordt geprocedeerd. Het aanhouden van de mondelinge behandeling om de desbetreffende partij in de gelegenheid te stellen alle stukken alsnog elektronisch in te dienen, zou dan niet bijdragen aan de doelmatigheid en snelheid van de procedure. De bedoeling was om de rechter op basis van de omstandigheden van het geval te laten oordelen over de gevolgen van het ten onrechte kiezen van de niet-elektronische route en het vervolgens onbenut laten van de herstelmogelijkheid. Tot die omstandigheden behoren onder meer of sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging en of sprake is van fatale termijnen, zoals voor het instellen van een rechtsmiddel. (…)” 3.22 Hoewel uit de tekst van art. 33 lid 6 Rv (zie 3.17 hiervoor) lijkt te volgen dat een rechter een herstelmogelijkheid moet bieden, volgt uit de toelichting zoals hierboven geciteerd dat de rechter dat ook achterwege kan laten, bijvoorbeeld als pas tijdens de mondelinge behandeling wordt geconstateerd dat ten onrechte op papier is geprocedeerd. 3.23 Daarnaast lijken de tekst van art. 33 lid 6 Rv en de toelichting alleen oog te hebben voor de situatie dat op papier wordt geprocedeerd terwijl dat elektronisch had gemoeten. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt echter dat de bepaling een grond is voor herstel van andere verzuimen, in het bijzonder vormverzuimen bij de inhoud van het digitale procesinleidende stuk, zo schrijft Tjong Tjin Tai. Hij verwijst in dit verband naar twee uitspraken van de Hoge Raad. Beide uitspraken gingen over de ontvankelijkheid in cassatie. Zoals hiervoor in 3.19 al is vermeld, wordt in civiele cassatieprocedures al sinds de KEI-wetgeving verplicht digitaal geprocedeerd. In de desbetreffende uitspraken was de (indiening van
- de)procesinleiding gebrekkig. 3.24 De eerste uitspraak waar Tjong Tjin Tai naar verwijst is de beschikking van de Hoge Raad van 29 september 2017, waarin door verzoekster tot cassatie cassatieberoep was ingesteld per brief (terwijl dit elektronisch moest), waarbij ook was verzuimd in de brief een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen. Nadat beide gebreken waren geconstateerd door (de griffie van) de Hoge Raad, heeft verzoekster een termijn van twee weken gekregen om deze gebreken te herstellen door dezelfde procesinleiding via elektronische weg in te dienen én daarbij een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Dit leidde tot het oordeel dat verzoekster niet-ontvankelijk was: “Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep Het cassatieberoep is niet ingesteld op de in art. 30c lid 1 Rv voorgeschreven wijze door indiening van een procesinleiding langs elektronische weg. Ook voldoet de procesinleiding niet aan de eisen van art. 407 lid 3 Rv, nu daarin niet een advocaat bij de Hoge Raad is aangewezen die [verzoekster] in het geding in cassatie zal vertegenwoordigen. Deze verzuimen konden worden hersteld door dezelfde procesinleiding met inachtneming van de vereisten van de art. 30c en 407 lid 3 Rv opnieuw in te dienen. [Verzoekster] heeft evenwel geen gebruik gemaakt van de haar geboden mogelijkheid om de verzuimen binnen twee weken te herstellen. Dit brengt mee dat zij in haar beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.” 3.25 Deze benadering, waarbij een partij een termijn van twee weken krijgt om een verzuim te herstellen door dezelfde procesinleiding waarin de verzuimen hersteld zijn opnieuw in te dienen, is ook te vinden in andere uitspraken van de Hoge Raad. Om te voorkomen dat de herstelmogelijkheid wordt aangegrepen om een langere termijn te krijgen voor het indienen van stukken, zal het bij wege van herstel in te dienen digitale stuk dezelfde inhoud dienen te bevatten als het abusievelijk eerder ingediende stuk op papier, zo schrijft Kingma. Voor de volledigheid voeg ik hier nog aan toe dat het herstel niét binnen de rechtsmiddelentermijn hoeft te gebeuren. Van belang is dat de ‘gebrekkige’ procesinleiding is ingediend binnen de cassatietermijn. 3.26 Tjong Tin Tai verwijst in zijn commentaar tevens naar het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2017. In deze zaak was de procesinleiding elektronisch ingediend. Er was echter verzuimd om in de procesinleiding de volledige voornamen van eisers en de woonplaats van eisers en verweerders te vermelden. Eisers hebben van de Hoge Raad gelegenheid gekregen om dit verzuim te herstellen. Tjong Tjin Tai schrijft dat Van Mierlo “het niet ten onrechte oneens” is met de uitleg van de Hoge Raad dat art. 30c (oud) Rv grond biedt voor herstel van andere verzuimen, maar, zo vervolgt Tjong Tjin Tai, de Hoge Raad heeft nu eenmaal voor deze uitleg gekozen. (iii) Recente rechtspraak 3.27 In de hierboven besproken uitspraken van de Hoge Raad ging het over de ontvankelijkheid in cassatie in geval van een gebrekkige (indiening van
- de)procesinleiding, waarbij een wettelijke herstelmogelijkheid gold. In deze zaak gaat het om de ontvankelijkheid in hoger beroep waarbij nog geen wettelijke herstelmogelijkheid geldt. Het hiervoor besproken art. 33 lid 6 Rv gold immers nog niet ten tijde van het indienen van het beroepschrift in deze zaak. 3.28 Op deze plek sta ik nog stil bij twee relatief recente beschikkingen van de Hoge Raad die in cassatie ook gingen over de vraag of een partij ontvankelijk was in hoger beroep ondanks een gebrekkige (elektronische) indiening. 3.29 In zijn beschikking van 30 juni 2023 verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep dat was ingesteld tegen een beschikking van het hof waarin de verzoeker in hoger beroep niet-ontvankelijk was verklaard. In deze familierechtelijke zaak was de man in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank van 16 november 2021. Hij had daartoe op 16 februari 2022 fysiek een zogenoemd V1-formulier met stukken ingediend. Bij deze stukken zat geen beroepschrift. Het beroepschrift was op 17 februari 2022 (dus één dag na de appeltermijn) via Veilig Mailen door de griffie ontvangen. 3.30 Het hof had de man niet-ontvankelijk verklaard. De motivering van het hof kwam er, samengevat en in mijn woorden, op neer dat er fysiek geen beroepschrift was ingediend en het beroepschrift via Veilig Mailen pas was ontvangen na afloop van de appeltermijn. Dat de advocaat van de man de intentie had om hoger beroep in te stellen, was naar het oordeel van het hof niet een bijzondere omstandigheid op grond waarvan een uitzondering moest worden gemaakt op het uitgangspunt dat rechtsmiddelentermijnen ambtshalve en strikt moeten worden toegepast. 3.31 De man stelde cassatieberoep in tegen de beschikking van het hof. Het middel klaagde onder andere dat het oordeel van het hof dat op 16 februari 2022 geen beroepschrift of enig ander processtuk was ingediend dat als zodanig kan worden aangemerkt, onjuist of onvoldoende gemotiveerd is. De man had op 16 februari 2022 bij het hof een V1-formulier met stukken ingediend waar uit was af te leiden dat hij hoger beroep wilde instellen. Er was geen sprake van een termijnoverschrijding, maar van een administratieve fout die vatbaar was voor herstel en die door het op 17 februari 2022 indienen van een volledig beroepschrift was hersteld, zo voerde het middel aan. 3.32 A-G Snijders concludeerde tot vernietiging van de beschikking van het hof. Hij wees er onder andere op dat fouten niet fataal dienen zijn als daartoe gaan noodzaak bestaat. Z.i. bestond die noodzaak in dat geval niet, nu voldoende vaststond om aan te nemen dat de man tijdig hoger beroep had ingesteld. De Hoge Raad verwierp echter het cassatieberoep en overwoog voor zover van belang het volgende: “3.2.1 Anders dan voor de dagvaardingsprocedure (art. 121 Rv) bepaalt de regeling van de verzoekschriftprocedure niet dat de verzoeker gelegenheid dient te krijgen voor herstel van gebreken in het verzoekschrift. Desondanks kan de rechter ook in een verzoekschriftprocedure gelegenheid geven bepaalde gebreken te herstellen. Het verzuim in een beroepschrift de gronden op te nemen waarop het beroep berust, is niet voor herstel vatbaar. Voor het geval echter dat een verzoekschrift waarin de gronden van het beroep zijn opgenomen, gebrekkig, want bij de griffie van een verkeerd gerecht, is ingediend, is aanvaard dat het geacht wordt te zijn ingediend op het tijdstip van binnenkomst bij het verkeerde gerecht. 3.2.2 In dit geval heeft de man op 16 februari 2022 een V1-formulier ingediend dat de naam van verzoeker (de man) en zijn advocaat, de naam van verweerster (de vrouw) en haar advocaat, een aanduiding van het type procedure (hoger beroep) en de zaaksoort (echtscheiding) vermeldt. De (advocaat van) de man heeft aan (de advocaat van) de vrouw een op 16 februari 2022 gedateerde brief gezonden met als bijlage het door de centrale balie voor ontvangst gestempelde V1-formulier alsmede het op 15 februari 2022 gedateerde beroepschrift. Reeds omdat daarmee niet buiten twijfel staat dat die dateringen juist zijn, bestond er voor het hof geen grond om het op 17 februari 2022 indienen van een volledig beroepschrift aan te merken als herstel van de gebrekkige indiening van dat beroepschrift, noch om de man daartoe op een later tijdstip alsnog gelegenheid te bieden. De daarop gerichte klacht kan daarom niet tot cassatie leiden.” 3.33 Lewin merkt in zijn annotatie op dat naar het oordeel van de Hoge Raad binnen de appeltermijn in het geheel geen beroepschrift is ingediend, ook geen gebrekkig beroepschrift en ook niet op gebrekkige wijze. Daarom is er naar het oordeel van de Hoge Raad geen ruimte voor herstel. Kennelijk, zo vervolgt hij, spreekt het voor de Hoge Raad vanzelf dat er geen ruimte voor herstel is als binnen de appeltermijn in het geheel geen beroepschrift is ingediend. Lewin meent net als A-G Snijders dat het hof de man had moeten ontvangen in hoger beroep. Anderzijds ziet hij ook wel in dat een hoge mate van zekerheid moet bestaan dat het beroepschrift tijdig gereed was voor indiening en dat het later alsnog ingediende beroepschrift geheel gelijk is aan het beroepschrift zoals dat tijdig gereed was. 3.34 In zijn beschikking van 12 april 2024 verwierp de Hoge Raad opnieuw een cassatieberoep gericht tegen een beschikking van het hof waarin de verzoeker niet-ontvankelijk was verklaard. In deze familierechtelijke zaak had de man hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank van 18 juli 2022 door op 17 oktobber 2022 via Veilig Mailen een e-mail te sturen aan het hof met daarin de mededeling dat daarmee het beroepschrift werd verstuurd. De bijlage bij de e-mail aangeduid als beroepschrift kon echter niet worden geopend. Het hof kreeg een foutmelding. Het papieren beroepschrift was op 1 november 2022 ontvangen. Het hof had vervolgens de man niet-ontvankelijk verklaard; het kon niet vaststellen dat de man tijdig een beroepschrift als bedoeld in art. 359 Rv had ingediend. 3.35 In cassatie werd onder andere geklaagd dat het hof ten onrechte had beslist dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. A-G Wesseling-van Gent concludeerde tot vernietiging van de beschikking van het hof, maar de Hoge Raad verwierp ook in deze zaak het cassatieberoep. Met verwijzing naar art. 8 Besluit Elektronisch Procederen (zie daarover 3.11 hiervoor), overwoog de Hoge Raad dat gesteld noch gebleken is dat zich op de laatste dag van de beroepstermijn een verstoring van de toegang tot Veilig Mailen had voorgedaan. Evenmin slaagde volgens de Hoge Raad het beroep op een apparaatsfout. Conclusie 3.36 M.i. kan uit het voorgaande het volgende worden afgeleid. Voor het antwoord op de vraag of een gebrekkig ingediend beroepschrift moet leiden tot niet-ontvankelijkheid is van beslissend belang of een beroepschrift, inclusief de gronden, tijdig bij het gerecht is ingediend. Aan rechtsmiddelentermijnen moet immers strikt de hand worden gehouden (zie 3.1 hiervoor) en het verzuim in een beroepschrift de gronden op te nemen waarop het beroep berust, is niet voor herstel vatbaar (zie 3.2 hiervoor). 3.37 Deze twee voorwaarden vormen een rode draad in de in dit hoofdstuk besproken jurisprudentie over de ontvankelijkheid in hoger beroep en in cassatie. Hoewel de onderliggende feiten in de besproken zaken verschillen, is namelijk de vraag of sprake is van niet-ontvankelijkheid te beantwoorden door te kijken of aan de twee hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan. In de besproken jurisprudentie over de ontvankelijkheid in cassatie (zie 3.24 e.v. hiervoor) was sprake van een processtuk waarin de gronden voor cassatie waren opgenomen dat tijdig was ingediend. Het aanwezige gebrek, zoals het niet elektronisch indienen of het niet vermelden van woonplaatsen van de betrokken partijen, leidde niet (direct) tot niet-ontvankelijkheid. Pas nadat de geboden herstelmogelijkheid ongebruikt was gelaten, volgde het oordeel niet-ontvankelijk. Ook de recente beschikkingen van de Hoge Raad over ontvankelijkheid in hoger beroep (zie 3.28 e.v.) passen in de lijn dat van beslissend belang is of aan de twee hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan. In beide zaken was er namelijk binnen de geldende appeltermijn géén beroepschrift ingediend bij het hof. In de ene zaak, vermoedelijk, omdat vergeten was het beroepschrift bij het V1-formulier te voegen; in de andere zaak omdat het beroepschrift niet kon worden geopend, terwijl niet gebleken was dat sprake was van een technische storing. Kenmerkend voor beide zaken was echter dat in beide gevallen niet binnen de beroepstermijn de gronden voor het beroep aanwezig waren bij een gerecht. Dat leidde tot niet-ontvankelijkheid. 3.38 Naast de voorwaarden van tijdig de gronden bij een gerecht te hebben ingediend, kan voor wat betreft het elektronisch indienen hier nog aan worden toegevoegd dat elektronisch indienen alleen kan als het toepasselijke procesreglement daar de mogelijkheid toe biedt. 3.39 M.i. heeft te gelden dat als de rechter constateert dat de grondig tijdig zijn ingediend bij een hof per gewone e-mail, en dus niet via Veilig Mailen, de rechter de indienende partij gelegenheid dient te bieden om binnen een bepaalde termijn dezelfde gronden opnieuw via Veilig Mailen te versturen. Dit herstel kan plaatsvinden na verstrijken van de rechtsmiddelentermijn. Wordt deze herstelmogelijkheid ongebruikt gelaten, dan kan de rechter de desbetreffende partij niet-ontvankelijk verklaren. De rechter hoeft niet altijd een herstelmogelijkheid te geven. Als de rechter in een laat stadium, bijvoorbeeld pas tijdens de mondelinge behandeling, constateert dat een processtuk is ingediend per gewone e-mail in plaats van Veilig Mailen, dan kan de rechter het herstel achterwege laten. Er volgt dan geen niet-ontvankelijkheidsoordeel. De desbetreffende partij is dan ontvankelijk. 3.40 Voor processtukken die ná 1 juli 2025 zijn ingediend, volgt deze gang van zaken uit het vanaf deze datum geldende art. 33 lid 6 Rv (zie onder 3.20-3.21). Maar vóór 1 juli 2025 golden dezelfde uitgangspunten. Dat de wet toen nog geen algemene herstelmogelijkheid bood, staat daaraan niet in de weg. In de parlementaire geschiedenis is immers opgemerkt dat de rechter gelet op zijn actievere rol in de (verzoekschrift)procedure naar bevind van zaken gelegenheid kan geven een gebrek te herstellen waardoor een wettelijke herstelregeling zoals voor (dagvaardings)exploten niet geboden was (zie 3.14 hiervoor). 3.41 De grenzen voor het geven van een gelegenheid tot herstel worden gevormd door de voorwaarden dat de gronden van het beroep tijdig moeten zijn ingediend (lees: ontvangen door een gerecht) en, in geval van een elektronische indiening, dat de elektronische indiening moet zijn toegestaan op grond van het procesreglement. Binnen deze voorwaarden kan de rechter gelegenheid geven tot herstel en zal een niet-ontvankelijkheidsoordeel alleen kunnen volgen als de desbetreffende partij geen gehoor heeft gegeven aan het herstel. M.i. valt het indienen van een beroepschrift (dus een beroepschrift inclusief de gronden) per e-mail zonder dat daarbij gebruik is gemaakt van Veilig Mailen binnen deze randvoorwaarden. Een rechter zal dan in beginsel gelegenheid moeten geven tot herstel waarna een niet-ontvankelijkheidsoordeel alleen kan volgen als de geboden gelegenheid onbenut wordt gelaten. 4Bespreking van het cassatiemiddel 4.1 Het middel bestaat uit drie onderdelen die uiteenvallen in verschillende klachten. De klachten zijn allemaal gericht tegen rov. 3.9 en 3.10 van de bestreden beschikking waarin het hof als volgt heeft overwogen: “3.9 Wel stelt het hof ambtshalve vast dat vóór 1 juli 2024 een eenduidige handelwijze ter zake van processtukken die per gewone mail aan de griffie van team familie- en jeugdrecht werden toegezonden ontbrak. In sommige gevallen werden die stukken immers aanvaard in weerwil van de geldende regeling. Onder die omstandigheden is het hof in redelijkheid van oordeel dat in dit concrete geval niet-ontvankelijkheid in deze zaak een te zware sanctie is. 3.10 Het hof concludeert dat de man kan worden ontvangen in het door hem ingestelde beroep tegen de bestreden beschikking.” 4.2 Onderdeel 1 klaagt in de kern dat het hof ten onrechte zijn oordeel over de ontvankelijkheid van de man heeft gebaseerd op een belangenafweging of redelijkheidstoetsing. 4.3 Onderdeel 1.1 klaagt in dit verband dat het hof heeft miskend dat beroepstermijnen van openbare orde zijn en dat aan de toepassing daarvan strikt de hand moet worden gehouden. Bij de beslissing van ontvankelijkheidskwesties heeft de rechter immers geen discretionaire bevoegdheid ten aanzien van de toepassing of de zwaarte van de sanctie, noch kan hij (de gevolgen van) de beslissing over de ontvankelijkheid op grond van de redelijkheid mitigeren. 4.4 De klacht faalt. Zoals hiervoor al is opgemerkt (zie onder 3.39-3.41), heeft als uitgangspunt te gelden dat als de rechter constateert dat de grondig tijdig zijn ingediend bij een hof per gewone e-mail, en dus niet via Veilig Mailen, de rechter de indienende partij gelegenheid dient te bieden om dezelfde gronden opnieuw via Veilig Mailen te versturen. De rechter kan een herstelmogelijkheid achterwege laten als hij in een laat stadium constateert dat het beroepschrift per ‘gewone’ e-mail is ingediend. In deze zaak staat vast dat het beroepschrift met de gronden tijdig is ingediend (zie 3.3 hiervoor). Het hof heeft echter geen gelegenheid gegeven om het gebrek te herstellen en heeft de man ontvankelijk verklaard. Anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, had het hof in dit geval wel een discretionaire bevoegdheid (zie onder 3.39). Het oordeel van het hof getuigt in zoverre dus niet van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht faalt omdat het berust op het onjuiste uitgangspunt dat het hof geen discretionaire bevoegdheid had. 4.5 Onderdeel 1.2 voegt daaraan toe dat het hof heeft miskend dat de strikte handhaving van beroepstermijnen niet is ingegeven om een naar gelang de omstandigheden van het geval passende sanctie te stellen op het te laat instellen van hoger beroep, maar dat het doel daarvan is gelegen in de bescherming van de goede rechtspleging en de rechtszekerheid. 4.6 Ook deze klacht faalt omdat het berust op het onjuiste uitgangspunt dat het beroep te laat is ingesteld. Dat is niet het geval; het beroep is tijdig ingediend maar niet op de juiste wijze. 4.7 Onderdeel 1 faalt dus. 4.8 De klachten van onderdeel 2 komen er in de kern op neer dat het hof een verrassingsbeslissing (onderdeel 2.1), dan wel een onbegrijpelijke beslissing (onderdelen 2.2 tot en met 2.4), heeft gegeven. 4.9 Onderdeel 2.1 klaagt dat de overweging van het hof in rov. 3.9 dat “voor 1 juli 2024 een eenduidige handelwijze ter zake van processtukken die per gewone mail aan de griffie van team familie- en jeugdrecht werden toegezonden ontbrak” kwalificeert als een verrassingsbeslissing, althans dat het hof de feiten heeft aangevuld in strijd met art. 24 Rv. Het hof heeft zijn beslissing gebaseerd op een ambtshalve bijgebracht feit dat partijen niet hebben aangevoerd en waarop zij niet bedacht hoefden te zijn en dat voor partijen en de hogere rechter niet controleerbaar is, waarmee het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het onderdeel. 4.10 De klacht faalt. Zoals het middel terecht opmerkt, dient het hof ambtshalve te toetsen of een beroepschrift tijdig is ingediend. Een dergelijke verplichte ambtshalve beoordeling staat los van de rechtsstrijd van partijen en kan alleen al daarom geen strijd opleveren met art. 24 Rv. Evenmin is hier sprake geweest van een verrassingsbeslissing. Het hof heeft immers een mondelinge behandeling gelast om met partijen te spreken over de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend. Daarbij is ook, blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, in meer algemene zin besproken dat de griffie verschillend omging met berichten die niet op de voorgeschreven wijze van Veilig Mailen waren verzonden. Het hof heeft in de bestreden beschikking expliciet overwogen dat het ambtshalve met deze gang van zaken bekend was. Dat deze ambtshalve bekendheid niet controleerbaar is voor partijen en de hogere rechter maakt niet dat het hof een verrassingsbeslissing heeft gegeven waarop partijen niet bedacht hoefden te zijn. 4.11 Onderdeel 2.2 klaagt vervolgens dat de hiervoor genoemde beslissing van het hof onbegrijpelijk is omdat de beslissing voor partijen en de hogere rechter niet controleerbaar en daarmee niet aanvaardbaar is. Het ontbreken van eenduidig beleid waarop het hof zich beroept is niet controleerbaar omdat die zich intern bij het hof heeft afgespeeld. Nu het hof zijn beslissing enkel heeft gebaseerd op per gewone mail gestuurde processtukken zonder uitsluitsel te geven of het niet eenduidige beleid ook per gewone mail ingediende beroepschriften betrof, geeft die beslissing geen inzicht in het gestelde ontbreken van eenduidig beleid en daarmee is die beslissing oncontroleerbaar en onvoldoende gemotiveerd. 4.12 Deze klacht slaagt niet. Het gaat hier om een ontvankelijkheidsoordeel dat het hof ambtshalve diende te geven. Het hof heeft zijn ontvankelijkheidsoordeel voldoende gemotiveerd door te overwegen dat het hof ambtshalve bekend is met het feit dat tot 1 juli 2024 bij dat hof in weerwil van de geldende regeling, in sommige gevallen processtukken werden geaccepteerd die via ‘gewone’ e-mail in plaats van via het voorgeschreven Veilig Mailen waren ingediend. 4.13 Onderdeel 2.3 voegt hier nog aan toe dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk is, omdat de gegeven motivering de beslissing niet kan dragen. Het hof geeft geen inzicht in de gedachtegang waarom niet-ontvankelijkheid in deze zaak een te zware sanctie is en welke specifieke omstandigheden in sommige andere zaken maken dat een per gewone mail ingediend beroepschrift wél moet worden aanvaard. Het hof motiveert ook niet aan de hand van welk criterium het tot deze beslissing is gekomen en welke specifieke belangen daarin zijn afgewogen. Het hof heeft in ieder geval niet, althans niet zichtbaar, de belangen van de vrouw en het fundamentele algemeen belang van de goede rechtspleging en rechtszekerheid in zijn beslissing betrokken. 4.14 Ook deze klacht slaagt niet. Zoals bij de behandeling van de klachten van onderdeel 1 al is opgemerkt, had het hof in dit geval de bevoegdheid om de man gelegenheid te geven het geconstateerde gebrek te herstellen of om de herstelmogelijkheid achterwege te laten en de man ontvankelijk te verklaren. Het hof had niet, zoals het onderdeel tot uitgangspunt neemt, de verplichting om te motiveren ‘welke specifieke omstandigheden in andere zaken maken dat een per gewone e-mail ingediend beroepschrift wél moet worden aanvaard’. Dat het hof in dit geval niet expliciet de belangen van de vrouw in het oordeel heeft betrokken, maakt het oordeel niet onbegrijpelijk. De vrouw was niet in haar belangen geschaad; de klacht vermeldt ook niet dat de vrouw in haar belang was geschaad. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling tot twee keer toe door de advocaat van de vrouw bevestigd dat het beroepschrift op 13 juni 2024 door de advocaat was ontvangen (zie onder 3.3 hiervoor). Evenmin had het hof het fundamentele algemeen belang van een goede rechtspleging en rechtszekerheid in zijn oordeel moeten betrekken; in dit geval staat immers vast dat het beroepschrift met de gronden tijdig door het hof is ontvangen. Het was enkel de wijze van indiening die gebrekkig was. 4.15 Onderdeel 2.4 klaagt tot slot dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk is, omdat het heeft nagelaten te motiveren waarom de sanctie van niet-ontvankelijkheid in deze zaak te zwaar zou zijn, in weerwil van rechtspraak van de Hoge Raad over de proportionaliteit van de sanctie op het te laat instellen van een rechtsmiddel. 4.16 Deze klacht faalt reeds op de grond dat het uitgaat van het onjuiste uitgangspunt dat er sprake is van een te laat ingesteld rechtsmiddel. Daarvan was in deze zaak geen sprake; enkel de indiening was gebrekkig. 4.17 Ook onderdeel 2 faalt dus. 4.18 Onderdeel 3 komt, als ik het goed zie, erop neer dat het oordeel van het hof leidt tot uitholling van de strikte handhaving beroepstermijn (dat is ook de titel van onderdeel 3). 4.19 Onderdeel 3.1 klaagt dat het oordeel van het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover de beschikking zo moeten worden gelezen dat het hof heeft beslist dat niet-ontvankelijkheid een te zware sanctie is omdat het beroepschrift moet worden geacht tijdig te zijn ingediend. Art. 1.1.4 van het toepasselijke procesreglement schrijft immers dwingend voor op welke wijzen processtukken moeten worden ingediend en vermeldt bovendien uitdrukkelijk dat indiening op andere wijzen niet is toegestaan (zie onder 3.7 voor het citaat van art. 1.1.4). Op een beroepschrift dat is ingediend op een andere wijze dan in het procesreglement is ingediend, had het hof dan ook geen acht mogen slaan. 4.20 Ook deze klacht faalt. Het middel neemt op zich terecht tot uitgangspunt dat het beroepschrift via Veilig Mailen in plaats van via gewone e-mail had moeten worden ingediend, maar miskent vervolgens dat in dit geval hiermee slechts sprake was van een gebrekkige indiening die naar de discretionaire bevoegdheid van het hof al dan niet hersteld had moeten worden. 4.21 Onderdeel 3.2 klaagt tot slot dat het hof de strikte handhaving van de beroepstermijnen omzeilt door in het midden te laten of het beroepschrift al dan niet moet worden gedacht binnen de beroepstermijn te zijn ingediend. Het hof heeft hiermee miskend dat in het sequeel van de strikte handhaving van de beroepstermijnen ook de strikt de hand moet worden gehouden aan de wijzen waarop een rechtsmiddel kan worden ingesteld, zoals die in deze zaak zijn vervat in art. 1.1.4 van het toepasselijke procesreglement. 4.22 Deze klacht slaag niet, omdat het berust op een onjuist uitgangspunt. In het onderhavige geval, namelijk waarin de gronden tijdig zijn ingediend (lees: ontvangen door het hof) per gewone e-mail, maakt het niet volledig voldoen aan de voorwaarden van art. 1.1.4 van het procesreglement de indiening van het beroepschrift gebrekkig. Deze gebrekkige indiening kan worden hersteld of, zoals in het onderhavige geval is gebeurd, de rechter kan het gebrek in stand laten en de partij ontvankelijk verklaren. Daarmee is niet de strikte handhaving van de beroepstermijnen omzeild. 4.23 Ook onderdeel 3 faalt dus volledig. 5Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Rb. Amsterdam 4 september 2023, niet gepubliceerd. Het hof heeft in de bestreden beschikking geen feiten vastgesteld. De onder 2.1–2.3 vermelde feiten zijn door de man niet bestreden in hoger beroep. Zie voor alle verzochte nevenvoorzieningen p. 10 van het verzoekschrift van de man. Zie rov. 3.30 en 3.38 van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2023. Het A-dossier bevat geen proces-verbaal van de mondelinge behandeling. Het B-dossier is niet overgelegd. In het dictum van de beschikking van 14 maart 2024 heeft de rechtbank een aantal beslissingen gegeven ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Tegen deze beslissingen is door de man in hoger beroep niet opgekomen en daarom blijven deze hier verder onvermeld. Het proces-verbaal is door de man overgelegd, zie onder 18 van het A-dossier. Hof Amsterdam 18 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:416. HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2416. De procesinleiding is op 15 mei 2025 ingediend in het portaal van de Hoge Raad. Deze alinea, inclusief het bijbehorende notenapparaat, is grotendeels overgenomen uit de conclusie van A-G Wesseling-van Gent van 19 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:76 onder 3.5-3.7. Zie o.a. HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131, rov. 3.4.2; HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894, NJ 2016/89, m.nt H.J. Snijders, rov. 3.4.2 en HR 25 september 2015 ECLI:NL:HR:2015:2814, rov. 3.3.1 en HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1401, JBPr 2023/9, m.nt G.C.C. Lewin, rov. 3.2. Overigens mag een rechtsmiddelentermijn niet door een gerecht worden bekort, zie bijv. HR 16 februari 1996, NJ 1997/55, m.nt. H.J. Snijders (Staat/K). Zie o.a. HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.2 en HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, rov. 3.4.2, met verwijzing naar eerdere rechtspraak. Zie ook de annotatie van H.J. Snijders in NJ 2016/89 onder 2. Zie o.a. EHRM 11 januari 2001, nr. 38460/97 (Platakou/Griekenland), § 49; EHRM 9 oktober 2008, nr. 34631/02 (Itslayev/Rusland), § 33 en 35 en EHRM 31 mei 2016, nr. 37242/14 (Tence/Slovenië), § 30-31. Zie ook HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8693, NJ 2012/625 m.nt. H.J. Snijders onder NJ 2012/626, rov. 3.5. HR 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:997, rov. 3.2.1. Aldus A-G Wesseling-van Gent onder 3.10 in haar conclusie van 19 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:76 Zij wijst er verder nog op dat een uitzondering is aanvaard in het geval dat de tekst van de beschikking zodanig laat door de griffie is verstuurd dat het niet meer mogelijk is om binnen de appeltermijn een beroepschrift in te dienen waarin alle gronden zijn opgenomen. HR 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:997, rov. 3.2.1. P. Koerts, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op art. 359 Rv, aant. 2b (actueel t/m 5 oktober 2025). Dit beroepschrift, waarin de gronden zijn opgenomen, is door de man overgelegd in cassatie. Zie het A-dossier onder 16. Het B-dossier is niet overgelegd in cassatie. De advocaat van de vrouw heeft bij (portaal)bericht van 18 juli 2025 laten weten dat uitspraak kan worden gedaan op de stukken van de wederpartij. Zie p. 1 van het p-v van de mondelinge behandeling van 31 oktober 2024. Zie het p-v van de mondelinge behandeling op 31 oktober 2024, p. 2 onder ‘mr. Hoyng’ en p. 4 bovenaan. Zie in dit verband het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 waarin de Hoge Raad verzoeker niet-ontvankelijk verklaarde in zijn cassatieberoep. Het cassatieberoep was ingesteld door toezending van een cassatierekest per e-mail en het toepasselijke procesreglement voorzag niet in deze mogelijkheid, HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3614. Zie ook HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1086 (art. 81 RO), waarin hoger beroep was ingesteld met een indiening beroepschrift per e-mail terwijl dit op grond van het procesreglement niet mogelijk was. Kamerstukken II 2006/07, 30815, nr. 3, p. 13 (MvT). Het betrof de dertiende versie van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, Stcrt. 2023, 32702. De huidige zestiende versie van het procesreglement kent nagenoeg een gelijkluidende bepaling voor belanghebbenden die niet digitaal procederen, zie art. 1.1.9 lid 1 (Stcrt. 2025, 20916). Zie p. 1 van de elfde versie van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (Stcrt. 2022, 1334) waarin de mogelijkheid voor het indienen van stukken per e-mail (Veilig Mailen) voor het eerst was opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld via het welbekende Zivver, maar dat hoeft niet. Er zijn (thans) ook andere aanbieders, zie voor het huidige overzicht https://www.rechtspraak.nl/veilig-mailen-met-de-rechtspraak, geraadpleegd op 30 oktober 2025. Zie https://www.rechtspraak.nl/veilig-mailen-met-de-rechtspraak, geraadpleegd op 30 oktober 2025. Er is wel een specifieke herstelmogelijkheid voor het geval het verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend, art. 281 lid 1 Rv. Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 444. HR 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:997, rov. 3.2.1 met in voetnoot 3 verwijzing naar HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2416, rov. 3.3. Zie ook HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7252, NJ 1997/652 waarin een beroepschrift was ingediend bij de rechtbank Amsterdam in plaats van bij het hof Amsterdam. Zie Stb. 2025, 124 (Verzamelwet Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie 2025) en Stb. 2025, 155 (inwerkingtreding). Er is ook een lid 7 toegevoegd aan art. 33 Rv. Dit artikellid is echter niet van belang in deze zaak en laat ik daarom onbesproken. M.i. volgt uit de toelichting dat de herstelmogelijkheid ook geldt voor partijen die vrijwillig elektronisch procederen. Daarin valt namelijk te lezen dat ‘andere betrokkene’ aan de tekst van art. 33 lid 6 Rv is toegevoegd om te verduidelijken dat de herstelmogelijkheid ook geldt ten aanzien van anderen dan partijen op wie een verplichting rust tot elektronisch procederen, zie Kamerstukken II 2024/25, 36 638, nr. 7, p. 10 (Nota van wijziging). Voor de volledigheid merk ik op dat in art. 33 Rv niets is toegevoegd over een verschoonbare termijnoverschrijding als gevolg van een systeemstoring. Dat was, blijkens de toelichting, niet nodig omdat art. 8 van het Besluit Elektronisch Procederen hier reeds in voorziet, zie Kamerstukken II 2024/25 36 638, nr. 7, p. 10 en voetnoot 9 (Nota van Wijziging). Kamerstukken II 2024/25, 36 638, nr. 7, p. 9-10 (Nota van wijziging). Zie ook Tjong Tjin Tai, die opmerkt dat het de bedoeling was om opnieuw een herstelmogelijkheid in te voeren voor het verplicht elektronisch procederen. Hij merkt op dat de bepalingen nagenoeg geheel overgenomen zijn van de vervallen KEI-wetgeving en dat daarom voor het commentaar op deze bepalingen ook kan worden teruggegrepen op de wetgeschiedenis van KEI-Rv, zie T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering art. 33 Rv, aant. 10 (actueel t/m 05-08-2025). Kamerstukken II 2024/25, 36 638, nr. 7, p. 9-10 (Nota van wijziging) met verwijzing naar Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 36–37 en 65 (Memorie van Toelichting). Ik neem aan dat hiermee is bedoeld dat de op papier ingediende vordering of verzoek te laat zijn ingediend, in welke situatie het zinloos is om nog over te schakelen op de elektronische route. T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering art. 33 Rv, aant. 10 (actueel t/m 05-08-2025). Zie voetnoot 1, T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering art. 33 Rv, aant. 10 (actueel t/m 05-08-2025). Sinds 1 maart 2017 wordt in civiele vorderingszaken verplicht digitaal geprocedeerd, Stb. 2017,16 en sinds 1 april 2021 in civiele verzoekzaken, Stb. 2021, 81. Met de Wet technische eenmaking van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de herstelmogelijkheid per 1 mei 2023 opgenomen in art. 397 lid 4 Rv. Voor de volledigheid wijs ik erop dat anders dan de herstelmogelijkheid in art. 33 lid 6 Rv waarbij de rechter de partij niet-ontvankelijk kan verklaren, het ongebruikt laten van de geboden herstelmogelijkheid van een procesinleiding in cassatie leidt tot niet-ontvankelijkheid, zie Kamerstukken II 2024/25, nr. 7, p. 10 (Nota van wijziging). Zie anders Kingma die opmerkt dat de Hoge Raad een verzoekende of eisende partij niet-ontvankelijk kan verklaren indien een procesinleiding niet wordt hersteld, zie S.M. Kingma, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 397 Rv, aant. 5b (actueel t/m 1 april 2025). HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2525. Zie bijv. HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:532, HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1786, HR 15 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:237 en recentelijk HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1725. S.M. Kingma, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 397 Rv, aant. 5a (actueel t/m 1 april 2025). Dit volgt uit de in voetnoot 41 genoemde uitspraken. In al die uitspraken was de ‘gebrekkige’ procesinleiding tijdig ingediend en werd gelegenheid tot herstel gegeven na afloop van de cassatietermijn. HR 30 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2628. Zie wederom voetnoot 1, T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering art. 33 Rv, aant. 10 (actueel t/m 05-08-2025). HR 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:997. Zie zijn conclusie van 16 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1179, onder 3.33. Voetnoot in origineel: Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 444. Voetnoot in origineel: HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2416, rov. 3.3. HR 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:997, m.nt. G.C.C. Lewin, JBPr 2023/79, onder 13. Zie zijn noot in JBPr 2023/79, onder 21. HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:570. Voor de volledigheid: ook in cassatie moeten de gronden, in beginsel, meteen in het inleidende processtuk worden opgenomen. Hoewel de vraag rijst wat daar dan nog het nut van is. Het middel verwijst hierbij in voetnoot 16 naar HR 24 april 2009, NJ 2009,488, m.nt. A.I.M. van Mierlo.