PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/04662 P Zitting 2 december 2025 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna: de betrokkene. Inleiding
(2011)is. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten zijn om tot een wijze van toerekening te komen. Zo heeft de rechtbank in het onderliggende strafvonnis nauwkeurig de rol van betrokkenen bij het versnijdingslaboratorium beschreven. De rechtbank heeft het navolgende vastgesteld ten aanzien van de afzonderlijke rollen. Rol [betrokkene] (p.5 onderliggend strafvonnis)| De versnijdingsruimte is in de woning van [betrokkene] aangetroffen. Uit camerabeelden blijkt dat [betrokkene] meermalen cocaïne zijn woning in en uit heeft gebracht. Een aantal keren was hij thuis terwijl er een overdracht plaatsvond. Ook blijkt uit camerabeelden en het onderzoek naar de Vsmart telefoon van [naam] dat [betrokkene] werkers, waaronder [naam] heeft opgehaald en weggebracht. Rol [medebetrokkene 1] (p. 5 en 6 onderliggend strafvonnis) [medebetrokkene 1] heeft meermalen cocaïne de woning in- en uitgebracht en een aantal keren was hij thuis, terwijl er een overdracht plaatsvond. Verder is op camerabeelden te zien dat hij op 1 februari 2020 een ton de woning binnenbracht die gelijkend is op tonnen die in de versnijdingsruimte zijn aangetroffen. Daarnaast heeft hij werkers opgehaald en weggebracht. Uit de inhoud van chatgesprekken heeft de rechtbank afgeleid dat [medebetrokkene 1] zich onder meer heeft beziggehouden met het verpakken van cocaïneblokken en dat hij op de hoogte was van wanneer er werd gewerkt en welke spullen er werden gebracht en in de woning lagen. Rol [medebetrokkene 3] (p.6 onderliggend strafvonnis) [medebetrokkene 3] is bestuurder van de taxi geweest en is vanaf 18 november 2019 bijna dagelijks bij de woning aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] geweest om cocaïne te brengen of op te halen. Rol [naam] (p. 6 onderliggend strafvonnis) [naam] heeft verklaard dat hij op I en 8 februari 2020 blokken heeft gemaakt. Verder blijkt uit het dossier ten aanzien van de rol van [medebetrokkene 2] het volgende. [medebetrokkene 2] heeft met haar man [betrokkene] in de woning aan de [a-straat 1] gewoond. Dit wordt bevestigd door [medebetrokkene 1] die eveneens heeft verklaard dat zijn ouders op de [a-straat 1] wonen. Verder is uit camerabeelden gebleken dat zij in de periode van 17 december 2019 tot en met 8 februari 2020 tenminste 66 keer bij de woning aanwezig is. geweest. Verder was zij op meerdere momenten aanwezig als er een overdracht plaatsvond en er mensen - onder wie [naam] - in de versnijdingsruimte aan het werk waren. De belangrijkste rol was blijkens de ontnemingsrapportage weggelegd voor “ [bijnaam] " waaromtrent verder niets bekend is geworden. Oordeel hof Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat [betrokkene] , [medebetrokkene 1] , [medebetrokkene 3] en [naam] een gelijkwaardige rol hebben vervuld bij het versnijdingslaboratorium. Allen zijn ook door de strafrechter aangemerkt als medepleger bij het bewerken en verwerken van cocaïne. [medebetrokkene 2] heeft een andere, kleinere, rol vervuld. De strafrechter heeft haar ook niet als medepleger maar als medeplichtige aangemerkt. Het hof komt op basis van ieders rol tot een verdeling waarbij aan de onbekend gebleven “ [bijnaam] ” van het voordeel 70% wordt toegerekend. Van het totale voordeel is dat dan een bedrag van (€ 3.687.665,- x 70%=) € 2.581.365,
- Het restant (€ 3.687.665 -/- € 2.581.365,50=) € 1.106.299,- (afgerond) is aan de overige 5 betrokkenen toegekomen waarbij het hof aan [medebetrokkene 2] 1/9 deel van dit bedrag zal toerekenen en aan de overige betrokken telkens 2/9 deel van voormeld bedrag. Dit betekent dat aan [medebetrokkene 2] wordt toegerekend een bedrag van (1/9 x € 1.106.299=) € 122.922,- (afgerond) en aan de overige betrokkenen telkens een bedrag van (2/9 x € 1.106,299=) € 245.844,- (afgerond). Het hof betrekt bij deze wijze van toerekening eveneens de procesopstelling van betrokkene dat hij op geen enkel moment heeft verklaard over zijn rol bij het laboratorium en het voordeel dat aan hem daarbij is toegekomen. De verklaring dat hij niets heeft verdiend, komt het hof hoogst onaannemelijk voor. Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.” Een nadere omschrijving van het middel
- Geklaagd wordt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom 30% van het totale voordeel wordt toegerekend aan de betrokkene en zijn medebetrokkenen, en vervolgens daarvan 2/9e deel aan de betrokkene. De bespreking van het middel
- Blijkens de onder 7 weergegeven motivering heeft het hof aansluiting gezocht bij de rolverdeling die de strafrechter omtrent de samenwerking van de betrokkenen bij het cocaïnelaboratorium heeft vastgesteld. Een groot deel van het voordeel (70%) rekent het hof toe aan de onbekend gebleven leider (‘ [bijnaam] ’) op de grond dat hij de belangrijkste rol in de organisatie vervulde, terwijl de overige betrokkenen slechts uitvoerende rollen hebben gehad. Wat betreft de resterende 30% van het voordeel heeft het hof vervolgens een onderscheid gemaakt tussen de medeplegers (de betrokkene, [medebetrokkene 1] , [medebetrokkene 3] en [naam] ) en de medeplichtige ( [medebetrokkene 2] ). De medeplegers hebben elk een gelijk deel toebedeeld gekregen (2/9), terwijl de medeplichtige een kleiner deel kreeg toebedeeld (1/9).
- Daarmee heeft het hof de door de strafrechter vastgestelde rolverdeling m.i. op een navolgbare wijze vertaald naar een verdeelsleutel. Daarbij heeft het hof in aanmerking kunnen nemen dat de betrokkene geen enkele openheid van zaken heeft gegeven over zijn rol en inkomsten, terwijl zijn verklaring dat hij niets heeft verdiend door het hof op niet-onbegrijpelijke gronden als ongeloofwaardig wordt bestempeld. De gekozen verdeling is daarmee niet willekeurig of slechts “gokwerk”, maar voldoende herleidbaar en consistent onderbouwd. Als de verdediging ter zake al een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen, ligt (de reden voor) de verwerping daarvan in de motivering besloten.
- Het middel faalt in al zijn onderdelen. Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie
- Namens de betrokkene is op 30 november 2023 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 7 maart 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim zeven maanden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 245.844,
- Daarnaast merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 30 november 2023, als gevolg waarvan de redelijke (behandel)termijn in cassatie ook is overschreden. Slotsom
- Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
- Anders dan hetgeen ik onder 12 en 13 heb opgemerkt, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG [naam] is in cassatie geen medebetrokkene. Het hof heeft overduidelijk het beoordelingskader van HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667, tot uitgangspunt genomen. Zie ook HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1977, en HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:
- Ter terechtzitting van het hof van 12 oktober 2023 heeft de verdediging blijkens het daarvan opgemaakte (ongedateerde) proces-verbaal op dit punt niet méér dan het volgende betoogd: “Het voordeel toerekenen op basis van percentages zoals de advocaat-generaal heeft voorgesteld, komt neer op gokwerk. Daarbij is het risico dat aan betrokkene een groter voordeel wordt toegerekend dan dat hij daadwerkelijk heeft gehad, hetgeen indruist tegen de uitgangspunten van de ontnemingswetgeving.” Terzijde: de datum van deze terechtzitting heb ik ontleend aan de (nagenoeg gelijkluidende) processen-verbaal van de terechtzitting waarop het hof de zaken van de drie medebetrokkenen (naar ik dus veronderstel: gelijktijdig) heeft behandeld.