PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01442 Bv Zitting 9 december 2025 CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [klaagster] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: de klaagster 1Het cassatieberoep 1.1 De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 11 februari 2025 (raadkamernummer 24-020471) het op grond van art. 98 Sv in verbinding met art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klaagster, gericht tegen een beslissing van de rechter-commissaris om geheimhoudersinformatie die zich op in beslag genomen databestanden bevindt door ‘uitgrijzen’ ontoegankelijk te maken in plaats van deze te vernietigen, ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank de officier van justitie de opdracht gegeven toekomstige logbestanden waarin staat vermeld wie, wanneer en hoe lang toegang had tot welke gegevens (tijdig) toe te voegen aan het dossier. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 25/01484. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is op 24 februari 2025 ingesteld door de officier van justitie. [Officier van Justitie] , plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt opgekomen tegen de opdracht van de rechtbank aan de officier van justitie toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het dossier. 1.4 Namens de klaagster hebben A.H.J. Saes en M. te Stroet, beiden advocaat in Amsterdam, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend. 1.5 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover daarin de voornoemde opdracht aan de officier van justitie is gegeven. 2Het middel 2.1 In het middel wordt geklaagd dat “de [r]echtbank met haar opdracht aan de officier van justitie om toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier, buiten haar bevoegdheid als raadkamer in de onderhavige procedure is getreden en zij daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien de [r]echtbank, optredend als raadkamer, deze opdracht wel had mogen geven, is sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing en/of is die beslissing niet zonder meer begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.” De procesgang 2.2 Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen. 2.3 In het kader van een verdenking van valsheid in geschrifte tegen de klaagster hebben in oktober 2020 en juni 2022 ‘actiedagen’ plaatsgevonden bij de klaagster en [A] BV (hierna: [A] , zijnde de klaagster in de samenhangende zaak). In dit kader zijn onder meer door aan de accountantskantoren [B] en [C] op grond van art. 126nd Sv gerichte vorderingen tot verstrekking van gegevens digitale gegevensdragers verkregen en in beslag genomen. Bij beslissing als bedoeld in art. 98 Sv van 2 augustus 2024 heeft de rechter-commissaris in het voornoemde onderzoek onder meer bepaald dat de door hem als geheimhoudersinformatie aangemerkte bestanden voor het onderzoeksteam van de FIOD ontoegankelijk moeten worden gemaakt door middel van ‘uitgrijzen’. Tegen deze beslissing zijn namens de klaagster en [A] klaagschriften ingediend die op 16 augustus 2024 bij de griffie van de rechtbank zijn ontvangen. Uit de bestreden beschikking van 11 februari 2025 blijkt dat de procedure daarna als volgt is verlopen: “De rechtbank heeft het beklag behandeld in besloten raadkamer van 19 november 2024. Bij beslissing van 3 december 2024 heeft de rechtbank het beklag ten aanzien van het item met ID-nummer 4905 ongegrond verklaard en ten aanzien van het uitgrijzen bepaald dat daarmee “kan worden volstaan om te voorkomen dat geheimhouderstukken kenbaar zijn voor de leden van het onderzoeksteam, op voorwaarde dat het uitgrijzen met voldoende en juist vormgegeven waarborgen is omkleed. Ter beoordeling daarvan dient de rechtbank kennis te nemen van het door de rechter-commissaris toegezegde proces-verbaal van de FIOD betreffende het uitgrijzen en de ontoegankelijkheid.” Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend en aangehouden tot 28 januari 2025 om 10:00 uur en bepaald dat voornoemd proces-verbaal uiterlijk op 21 januari 2025 aan de verdediging, de officier van justitie en de rechtbank diende te worden verstrekt. Op 24 januari 2025 heeft de officier van justitie twee processen-verbaal aan de rechtbank en de verdediging verstrekt. Het betreft een proces-verbaal van bevindingen met nummer GH-AMB-002-07 en een proces-verbaal van bevindingen met nummer GH-AMB-016-01 van 24 januari 2025. De rechtbank heeft op 28 januari 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de gemachtigde advocaten van [klaagster], mr. A.H.J. Saes en M. te Stroet en de officier van justitie op zitting gehoord. De [klaagster] is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.” 2.4 Ten aanzien van het (resterende) beklag luidt de beschikking als volgt: “Beklag Na voornoemde procedure en de beslissing van de rechtbank van 3 december 2024 over item met ID-nummer 4905 resteert de beslissing inzake (de waarborgen omtrent) het uitgrijzen van de als vertrouwelijk aangemerkte bestanden. Namens [klaagster] is aangevoerd dat de door de officier van justitie verspreide processen-verbaal – in weerwil van de beslissing van de rechtbank van 3 december 2024 – te laat zijn verspreid, waardoor controle onnodig moeilijk is gemaakt. Daarnaast geven de ingestuurde processen-verbaal geen inzicht in het proces van het ‘uitgrijzen’, waardoor ook geen inzicht wordt verkregen in de daarmee samenhangende waarborgen. Nu controle door de rechtbank en de verdediging niet mogelijk is, moeten de gegevens worden vernietigd. Daarnaast moet nader onderzoek worden verricht naar de toegang door het onderzoeksteam in de nog niet geschoonde accountantsdataset en door het horen van [verbalisant] , opsteller van het proces-verbaal met nummer GH-AMB-016-01. Ter zitting is namens [klaagster] verzocht tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nader proces-verbaal op te laten maken over wie en wanneer toegang heeft gekregen tot welke gegevens in de verschillende datasets. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft de verantwoordelijkheid op zich genomen voor de te late verspreiding van de processen-verbaal. Dit maakt echter niet dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard. Uit de processen-verbaal blijkt immers wie toegang had tot de case en of er bestanden zijn bekeken. Daarnaast is er technisch gezien voldoende inzicht in de gehanteerde waarborgen en de waarborgen, zoals die zijn nageleefd, zijn in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Ter zitting beeft de officier van justitie te kennen gegeven bereid te zijn proces-verbaal op te laten maken om inzicht te geven in de inhoudelijke logbestanden, oftewel wie, wanneer toegang had tot welke gegevens en ook voor welke duur. Beoordeling De rechtbank herhaalt dat zij enkel nog moet beslissen over de waarborgen met betrekking tot het uitgrijzen van de als vertrouwelijk aangemerkte bestanden. [In] het door de officier van justitie verstrekte proces-verbaal van 7 januari 2025 (GH-AMB-002-07) wordt de inhoud beschreven van zogeheten ‘audit logs’, bestanden waarin is vastgelegd wanneer, wie, wat heeft gedaan in een bepaalde dataset. Hieruit blijkt dat medewerkers van het onderzoeksteam op verschillende momenten sinds 1 september 2020 toegang hebben gehad tot mogelijk verschoningsgerechtigde gegevens in drie verschillende datasets. In elk geval sinds 2 november 2021 zijn de autorisaties ingetrokken, waarna het onderzoeksteam geen toegang meer heeft gehad tot de bewuste datasets. In het door de officier van justitie verstrekte proces-verbaal van 24 januari 2025 (GH-AMB-016-01) worden de werkafspraken uiteengezet die zijn gemaakt tussen de rechter-commissaris, het Openbaar Ministerie en (het onderzoeksteam van) de FIOD. Weliswaar wordt niet precies uiteengezet op welke wijze er wordt uitgegrijsd, maar deze procedure, waarbij door het plaatsen van een vinkje verschoningsgerechtigd materiaal ontoegankelijk wordt gemaakt, is bij de raadslieden bekend. Sterker nog, zij zijn actief betrokken geweest bij deze procedure, waarbij zij onder meer zelf zoektermen hebben aangedragen die konden bijdragen aan het opsporen van verschoningsgerechtigd materiaal in de datasets. Uit de werkafspraken blijkt dat: - de projectleider van de FIOD zorgt voor een versleutelde onderzoeksomgeving en het aanvragen, dan wel intrekken van autorisaties; - leden van het onderzoeksteam geen toegang mogen hebben tot uitgegrijsde gegevens, dan wel - (voormalig) geheimhoudersfunctionarissen geen deel uit kunnen (gaan) maken van het onderzoeksteam; - een forensisch IT-specialist van de FIOD de ontvangen data op de onderzoeksomgeving plaatst en inzichtelijk maakt; - bij het uitvoeren van de vorderingen bij [B] en [C] potentiële geheimhoudersstukken op een separate gegevensdrager worden verstrekt en dat deze gegevensdrager(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.