PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02736 Zitting 16 december 2025 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 5 juli 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22000045-23) wegens "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood", veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren, te vervangen door honderd dagen hechtenis, en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 2Het eerste middel 2.1 Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring, voor zover die inhoudt dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Dat oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend gemotiveerd zijn. 2.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij op 1 juli 2021 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de weg, de [a-straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend als volgt te handelen: - hij is aldaar vanaf de [b-straat] achteruit de [a-straat] opgereden welke weg door middel van bord G7 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 als voetpad was aangemerkt en - hij heeft bij het achteruit rijden geen voorrang verleend aan het overige verkeer, ten gevolge waarvan hij tegen een zich aldaar bevindende voetganger is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.” 2.3 Die bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen waar in de voetnoten van het PROMIS-arrest naar wordt verwezen. 2.4 Het arrest bevat, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, de volgende bewijsoverweging: “Nadere bewijsoverweging (…) Beoordeling Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof, met de rechtbank, de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte heeft sinds 18 november 2020 zijn rijbewijs en werkte sinds 2,5 maand in de bestelauto. Gedurende die periode reed de verdachte vijf dagen per week dezelfde route, een route die hem daardoor bekend was en op welke route hij gedurende een periode van vijftien dagen was getraind. Op 1 juli 2021 begon de verdachte om 16:04 uur aan zijn werkzaamheden. De verdachte was niet onder invloed van verdovende middelen en maakte ook geen gebruik van een mobiele telefoon. Hij was onderweg naar de Bruna om daar lege containers te brengen en volle containers op te halen. De Bruna is gelegen aan de [a-straat] en in een voetgangersgebied. Dit is ter plaatse aangeduid door middel van een G7-bord (zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). De verdachte had geen ontheffing om in dit voetgangersgebied te mogen rijden. Voordat de verdachte de [a-straat] in reed, stond hij een paar seconden stil om de gehele straat te overzien en verleende hij voorrang aan een scooter en een fietser, die op het aldaar gelegen fietspad reden. De verdachte reed hierna stapvoets achteruit die straat in. Gedurende het achteruitrijden keek de verdachte in zijn buitenspiegels en zag niemand. De bestelauto van de verdachte beschikte weliswaar over een binnenspiegel, maar die bood geen zicht op wat er zich recht achter het voertuig bevond. Verder was de bestelauto niet uitgerust met een achteruitrijcamera. Daardoor had de verdachte tijdens het achteruitrijden geen zicht op hetgeen recht achter zijn bestelauto gebeurde. [getuige] zag dat [slachtoffer] tegen de achteruitrijdende bestelauto aan stond, recht achter de bestelauto, precies in het midden, precies op de verticale middenstreep tussen de dubbele openslaande deuren. Zij zag dat de bestelauto verder achteruitreed en dat [slachtoffer] recht achterover viel en onder de bestelauto terechtkwam. De verdachte voelde iets tegen de bestelauto komen, stopte, stapte uit en liep naar de achterkant van zijn bestelauto. Hij zag dat er twee benen onder zijn bestelauto uitstaken en dat er een rollator achter de bestelauto stond. Hij liep vervolgens naar de andere kant van de bestelauto en zag dat het hoofd van een mevrouw (naar het hof begrijpt: [slachtoffer] ) was geraakt. Uit het schouwverslag volgt dat [slachtoffer] een niet natuurlijke dood is gestorven, veroorzaakt door de aanrijding met de bestelauto. Is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW? Bij de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid valt niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Het hof overweegt - grotendeels in navolging van de rechtbank - dat de verdachte had moeten en kunnen weten dat hij in een voetgangersgebied reed. Dit was immers duidelijk zichtbaar: het betrof een wandelpromenade in een winkelcentrum en de verdachte heeft dat gebied als chauffeur van deze bestelauto veelvuldig bezocht. Daarbij merkt het hof op dat de verdachte bij de politie over de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden heeft verklaard dat dit een stuk is waar mensen wandelen en fietsen en daar zich daar ook de Bruna bevindt. Dat hij er in zijn training niet expliciet op is gewezen dat dit een voetgangersgebied betrof en dat het G7-bord door begroeiing niet geheel zichtbaar is geweest, doet aan het voorgaande niet af. Van een chauffeur die beroepsmatig een bestelauto bestuurt, mag worden verwacht dat hij steeds zelfstandig voor ogen houdt in hoeverre hij met zijn verrichtingen verkeersregels overtreedt en of de verkeersveiligheid in het geding is. Verder overweegt het hof dat achteruitrijden een bijzondere manoeuvre betreft, waarbij al het overige verkeer voorrang heeft. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat achteruitrijden extra zorgvuldigheid van bestuurders vraagt, zeker in het geval waarin (zoals de verdachte ook wist) geen volledig zicht mogelijk is op wat er zich achter het voertuig bevindt. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de verdachte heeft nagelaten de nodige voorzichtigheid en oplettendheid te betrachten. Hij heeft weliswaar gedurende het achteruitrijden in zijn spiegels gekeken of er mensen waren en stapvoets gereden, maar die handelwijze acht het hof in dit geval onvoldoende voorzichtig en oplettend, nu hij niet voortdurend kon zien of er iemand achter zijn bestelauto stond of liep en hij derhalve niet in voldoende mate kon inschatten of hij veilig achteruit kon rijden in dit voetgangersgebied. Kennelijk heeft de verdachte niet gezien dat [slachtoffer] zich begaf naar of zich bevond op een positie direct achter de bestelauto van de verdachte, waardoor hij haar op dat moment niet kon zien. Door achteruit te rijden in een voetgangersgebied, zonder volledig zicht te hebben op wat er zich achter de bestelauto bevond en zonder de daarbij passende veiligheidsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat een voetganger zich (door hem ongezien) achter de bestelbus zou begeven, heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen. Van de verdachte mocht in de gegeven situatie worden verwacht dat hij zich er volledig van zou verzekeren dat zich tijdens het achteruitrijden niemand achter de bestelbus bevond. Dat heeft hij kennelijk nagelaten. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. Daarmee is sprake van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Met de rechtbank is het hof aldus van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, het veroorzaken van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te handelen.” 2.5 Bij de bespreking van het middel is verder relevant hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822 over schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft overwogen: “3.5 In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994, in het onderhavige geval de bewezenverklaarde aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van evenbedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.” 2.6 Volgens de stellers van het middel zou de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd zijn omdat het hof zou hebben geoordeeld dat de verdachte “onvoldoende voorzichtig en oplettend” heeft gehandeld, terwijl voor schuld in de zin van artikel 6 WVW aanmerkelijke onvoorzichtigheid is vereist. Daarbij zou uit de vaststellingen van het hof ook niet volgen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen, maar juist dat hij zorgvuldig is geweest door stapvoets achteruit te rijden en gebruik te maken van zijn spiegels. Daarnaast zou de omstandigheid dat het hof heeft nagelaten aan te geven welke “voorzorgsmaatregelen” de verdachte had behoren te nemen, maken dat de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd is. 2.7 Blijkens de hiervoor weergegeven nadere bewijsoverweging is het hof bij zijn beoordeling van het primair tenlastegelegde terecht uitgegaan van het hierboven onder randnummer 2.5 weergegeven juridisch kader. Met hantering daarvan heeft het hof geoordeeld dat van de verdachte in de gegeven omstandigheden, te weten terwijl hij met een bestelbus achteruitreed in een voetgangersgebied, waarbij geen volledig zicht mogelijk was op wat zich achter het voertuig bevond, mocht worden verwacht dat hij zich er volledig van zou verzekeren dat zich niemand achter de bus bevond. In dat verband heeft het hof er acht op geslagen dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.