PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00332 B Zitting 16 december 2025 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de klager. 1Inleiding 1.1 De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch (raadkamernr. 23/020110), heeft bij beschikking van 30 mei 2024 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, strekkende tot gedeeltelijke opheffing van het beslag op diverse onroerende en roerende goederen, ongegrond verklaard. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 25/00320, 25/00321, 25/00322, 25/00326, 25/00328, 25/00330, 25/00331, 25/00333, 25/00334 en 25/00335. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins, allen advocaat in Amsterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld. 1.4 Alle middelen hebben betrekking op het oordeel van de rechtbank dat voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het eerste, tweede en derde middel komen erop neer dat de rechtbank dat oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). Het vierde en vijfde middel komen erop neer dat de rechtbank voornoemd oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag. 2De zaak in het kort 2.1 De onderhavige beklagprocedure speelt tegen de achtergrond van het strafrechtelijk onderzoek ‘Milwaukee’. Dat onderzoek richt zich (onder meer) tegen de verdachten [medeklager 10] (25/00321), [klager] (aandeelhouder van [medeklager 10] ), [medeklager 8] (25/00331), [medeklager 9] (25/00320) (aandeelhouder van [medeklager 8] ), [medeklager 3] (25/00322), [medeklager 1] (25/00330) (aandeelhouder van [medeklager 3] ) en [medeklaagster] (25/00335) (partner van [medeklager 1] ), die verdacht worden van het – kort gezegd – illegaal aanbieden van online kansspelen op de Nederlandse markt, het witwassen van uit dat misdrijf afkomstige geldbedragen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Met het oog op de ontneming van het in dat kader wederrechtelijk verkregen voordeel is op 16 juni en 15 september 2021 conservatoir beslag gelegd op een groot aantal roerende en onroerende zaken, te weten: een woning, een boot, een tweetal voertuigen, een zestal effectenportefeuilles en een vijftal bankrekeningen. Deze voorwerpen bevinden zich in het onderhavige geval, afgezien van twee ABN AMRO bankrekeningen, in Zwitserland, alwaar [klager] (aandeelhouder van [medeklager 10] ) sinds 2015 woonachtig is. 2.2 Namens de klager is, na zich herhaaldelijk en tevergeefs (schriftelijk) tot het openbaar ministerie te hebben gewend, op 9 augustus 2023 een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag voor zover de waarde daarvan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt. Dat ‘overbeslag’ komt volgens de klager neer op bijna 10 miljoen euro. Het openbaar ministerie heeft op 10 april 2024 schriftelijk op dat klaagschrift gereageerd en zich daarbij op het standpunt gesteld dat van overbeslag in het geheel geen sprake is. Op 19 april 2024 is het klaagschrift in raadkamer behandeld, waarna de rechtbank dit bij beschikking van 30 mei 2024 ongegrond heeft verklaard. 3. Het klaagschrift, het standpunt van het OM, het proces-verbaal van de raadkamer en de bestreden beschikking 3.1 Het klaagschrift – dat voor [klager] en [medeklager 10] gelijkluidend is – komt er in de kern op neer dat op het door de FIOD geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 37.078.322,- in mindering moet worden gebracht
(2019). Dat is dus exclusief zakenreizen per auto of trein. 2.13. Opgeteld betekent dat dat inwoners van Nederland (18 jaar en ouder) gemiddeld 4,28% van de dagen doorbrachten buiten Nederland. 2.14. De ervaring leert dat spelers tijdens verblijf in het buitenland niet minder spelen dan thuis. In tegendeel, tijdens verblijf in hotel of op een luchthaven zijn kansspelen een populair tijdverdrijf (dit blijkt ook uit de vele casino's in het buitenland op dergelijke locaties). 2.15. Het is dus een veilige conclusie dat 4,28% van 96,92% = nog eens 4,15% niet aan Nederland toe te rekenen valt. Dus in plaats van 96,92% is het nauwkeuriger om uit te gaan van 96,92% - 4,15% = 92,77%. Een percentage van 7,23% is niet aan omzet van Nederlandse spelers toe te rekenen. 2.16. In verband met het beslag zou dat er toe leiden dat een bedrag van 7,23% niet wederrechtelijk is verkregen, en uitgaande van het bedrag dat volgens het Openbaar Ministerie (vide p. 74 en 75 van AMB-004, productie 1) werd verdiend met de online casino's (na aftrek van de bedragen die betrekking hebben op [A] NV) te weten op euro's afgerond € 33.768.058 zou een bedrag van € 2.441.431 in ieder geval niet wederrechtelijk zijn verkregen en dient het beslag met dat bedrag te worden verminderd ten aanzien van [klager] . 2.17. Vanaf 28 maart 2012 was oranjecasino.com niet meer te bezoeken in België. De Belgische cijfers na die tijd, te weten de 3,08%, zijn dus niet vergelijkbaar met de periode daarvoor. Ook voor [casino 1] zijn de cijfers over 2013 fors lager dan in voorgaande jaren, omdat daar geen Belgische spelers geaccepteerd werden tijdens de vergunningsaanvraag in België, die een groot deel van 2013 liep. 2.18. In aangehechte e-mail (productie 2) aan de bestuurder van [casino 1] en [casino 2] , [betrokkene 1] , zijn percentages opgenomen over een eerdere periode, namelijk 1 januari 2012 tot en met 28 maart 2012. Toen was het aandeel in het totaalbedrag deposits NL/BE/RoW (overige landen): • bij [casino 2] : 91,6%/6,2%/2,2% (dus 8,4% buiten NL) • bij [casino 1] : 88,9%/7,9%/3,2% (dus 11,1% buiten NL) dat kwam neer op in totaal 9,75% buiten Nederland. 2.19. Indien we uitgaan van de cijfers uit 2012 (9,75% buiten Nederland, dus 90,25% Nederland), dan is het 4,28% van 90,25% = 3,86%. Dat komt dan dus neer op 90,25% - 3,86% = 86,39% Nederland in het eerste kwartaal van 2012. 2.20. Op basis van de hiervoor benutte rekenmethodiek zou dan 13,61% van € 33.768.058 (verkregen voordeel na aftrek van de bedragen die betrekking hebben op [A] NV) als niet wederrechtelijk dienen te worden aangemerkt. Dat betreft dan € 4.595.833. 3.0. [A] N.V. 3.1. [A] N.V. heeft zich nimmer bezig gehouden met het aanbieden van online kansspelen. Door middel van publicaties op het internet werd informatie verschaft over kansspelen. 3.2. Niet alleen de aard van de onderneming wijkt af, ook de feitelijke betrokkenheid is geheel anders dan bij de overige verdachte vennootschappen. De aandeelhouders zijn niet hetzelfde als bij de andere vennootschappen. 3.3. Van groot belang voor deze procedure is dat [A] N.V. meerdere cliënten had en haar omzet zelfs voor meer dan de helft aan andere cliënten te danken had. Het merendeel van de omzet was derhalve afkomstig van partijen die met de huidige strafzaak niets van doen hebben. Meer concreet was de omzet voor 45,3% afkomstig van betalingen van [casino 2] en [casino 1] . Voor een percentage van 54,7% heeft het resultaat van [A] N.V. in het geheel niets te maken met de door het Openbaar Ministerie veronderstelde criminele organisatie. Dus zelfs als [A] N.V. gerekend zou dienen te worden tot een criminele organisatie, quod non, zelfs dan kan niet worden gesteld dat alle revenuen van deze N.V. aangemerkt kunnen worden als wederechtelijk verkregen. 3.4. [klager] ontving - ook volgens het Openbaar Ministerie - in totaal € 2.203.444 aan dividenden uit [A] N.V. Een bedrag van € 1.205.283 kan op basis van het huidige strafdossier in ieder geval niet als wederrechtelijk verkregen te worden aangemerkt. 3.5. De verkoopopbrengst wordt gesteld op € 24.809.385. Daarvan is dan 54,7% niet als wederrechtelijk aan te merken, te weten € 13.570.733. Een derde is [klager] toegekomen, dient dat te leiden tot een verlaging van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van € 4.523.578. 3.6. Zoals hiervoor opgemerkt was de omzet voor 45,3% afkomstig van [casino 2] en [casino 1] . Van die omzet was ten minste 3,08% afkomstig van spelers buiten Nederland. 3.7. Van de dividenden ad € 2.203.444 is € 998.160 toe te rekenen aan de omzet van [casino 2] en [casino 1] . Van dat laatste bedrag is dan 3,08%, te weten € 30.743, niet als wederrechtelijk aan te merken. 3.8. Van de verkoopopbrengst ad € 24.809.385 is € 11.238.651 toe te rekenen aan de omzet van [casino 2] en [casino 1] . Van dat laatste bedrag is dan 3,08%, te weten € 346.150, niet als wederrechtelijk aan te merken. Een derde kwam aan [klager] toe: € 115.383. 3.9. Het verweer betreffende [A] betreft in totaal een bedrag van € 5.874.986. 4.0. Subsidiariteit en proportionaliteit 4.1. Het zogeheten summiere karakter van de onderhavig procedure betekent niet dat uw Raadkamer louter dient te toetsen of sprake is van een verdenking van een misdrijf van de vijfde boetecategorie en of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter tot een veroordeling of toewijzing van de ontnemingsvordering zal komen. Het 'summiere karakter' is immers geen vrijbrief om helemaal niet naar feitenkwesties te kijken, bijvoorbeeld met betrekking tot de proportionaliteit van het voortduren van beslag waartegen beklag wordt gedaan. Daarbij komt dat rechtskwesties wel ten volle dienen te worden beoordeeld en dat daarover moet worden beslist. Mevis schreef hierover in zijn noot bij het overzichtsarrest: "En rechtskwesties dienen ten volle te worden beoordeeld en beslist, bijvoorbeeld bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het beslag (aub niet verschuilen achter de RC: HR 12 oktober 2010, NJ 2010/563 met verwijzing naar HR 20 juni 1988, NJ 1989/213) of in het kader van de naleving van formaliteiten bij beslag (art. 94b en art. 94c Sv, waarbij de rechter tot een niet altijd even gemakkelijke excursie naar BRv wordt uitgenodigd)." 4.2. In het verweerschrift is door het Openbaar Ministerie aangegeven dat uit coulance en geheel onverplicht aan [klager] reeds eenmalig een bedrag van € 75.000 is vrijgegeven. Dat bedrag is echter direct opgegaan aan het voldoen van diverse facturen, Zwitserse belasting en schoolgelden, en was dienaangaande geenszins toereikend. 4.3. Ten aanzien van de maandelijkse toelage die door de Zwitserse autoriteiten is toegekend aan [klager] en zijn gezin zij het volgende opgemerkt. De Zwitserse wet noopt er kennelijk toe dat verdachten van een strafrechtelijk onderzoek in hun (en dat van het gezin) primaire levensonderhoud moeten kunnen blijven voorzien. Dat betekent dat men nog boodschappen moet kunnen doen, verzekeringen en premies moeten kunnen betalen en zich moeten kunnen blijven vervoeren. Alhoewel de uitlatingen van het OM wellicht doen vermoeden dat de maandelijkse toelage een 'vetpot' is, is het allesbehalve dat. [klager] heeft sinds de zomer van 2021 geen Zwitserse belastingen ad CHF 17.500 per maand kunnen betalen en hij heeft het schoolgeld van zijn kinderen moeten voldoen met geleend geld. Het lenen bij vrienden en familie is na bijna drie jaren ook tot een einde gekomen. Van belang is voorts dat het levensonderhoud in Zwitserland meer dan het dubbele kost dan in Nederland. Opgemerkt zij voorts dat het OM gepoogd heeft om tijdens hun bezoek aan de Zwitserse autoriteiten in januari 2023, de maandelijkse toelage van het gezin van [klager] te doen stoppen. 4.4. Inmiddels ligt het beslag er voor een periode van meer dan 2 jaren en 10 maanden. Behalve een paar processenverbaal en wat documenten die zijn toegezonden, is er een radiostilte. Er zijn al heel veel stukken vrijgegeven aan het Openbaar Ministerie, maar toch blijft het mantra dat men niets kan zonder stukken. Die stukken zijn er in grote aantallen. Er zijn DOC's met een nummering boven de 1.000. Er zijn ook AMB's. Alles wordt aan de verdachten onthouden. 4.5. Bij cliënten bestaat de indruk dat nu alle financiële middelen zijn bevroren het Openbaar Ministerie het eigenlijk verder wel goed vindt. Het leven is stilgezet en de veroorzakende overheid doet alsof dit een definitief oordeel is. Cliënten werd in een brief medegedeeld dat ze maar aan hun nieuwe situatie moeten wennen. Het Openbaar Ministerie had immers al gesproken. Cliënten vertrouwen op de rechter, maar zolang een echte behandeling niet waarschijnlijk lijkt in de komende jaren, verzoeken zij uw Raadkamer het klaagschrift toe te wijzen en het leven - tot de datum van de uiteindelijke zitting - mogelijk te maken. Conclusie: In het kader van het vorenstaande handhaaft klager het klaagschrift van 9 augustus 2024 en verzoekt u het beslag op te heffen voor de bedragen die hiervoor zijn genoemd.” 3.7 Het proces-verbaal van de raadkamer houdt verder nog het volgende in: “De officieren van justitie: Desgevraagd door de voorzitter geef ik aan dat daar waar het Openbaar Ministerie stelt geen stukken te hebben dit gaat over inbeslagnames in Zwitserland. Desgevraagd geef ik aan dat ik nog niet kan zeggen of er onderdelen zijn waar wij ons kunnen vinden in de gestelde waardes van de verdediging. (…) De klager: De voorzitter vraagt mij of ik een toelichting kan geven over of en hoe de inbeslagnames effect op mijn leven en op mijn bedrijf hebben gehad. Waar kan ik beginnen. Zojuist kreeg ik te horen dat mijn zoon is toegelaten tot de universiteit en het eerste wat ik dan bedenk is hoe ik dit ga kunnen betalen. Wat mij enorm stoort is dat er wordt gedaan alsof ik enorme geldbedragen vanuit de Zwitserse inbeslagnames al terug aan het krijgen ben. Ik kan het lijstje wel opnoemen aan verplichte kosten die ik in Zwitserland heb. De toelage schiet ruimschoots te kort voor mijn maandelijkse verplichtingen. Buitenlanders die in Zwitserland wonen moeten namelijk belasting betalen over hun vermogen. Dat is een kleine 200.000 franken per jaar wat ik daar aan betaal. Daarnaast moet ik nog belasting betalen en dan heb je het nog niet eens over de ziektekostenverzekeringen van het gezin en dat soort kosten. We zijn onlangs in Nederland bij een bevriende tandarts langs geweest om deze kosten te beperken. Het is volledig doorgeslagen. Ik ben er van overtuigd dat ik niets fout heb gedaan en mijn financiën zijn een open boek. Gelukkig hebben vrienden en familie mij financieel kunnen helpen, maar dat houdt ook een keer op. Het onrecht wat mij wordt aangedaan houdt mij dagelijks bezig. We zijn jarig bezig geweest om wetgeving in Nederland te krijgen voor online kansspelen. Nu zie je partijen met vergunning die exact hetzelfde doen. Ze kunnen doen wat ze willen. Wij hebben dan ook niets fout gedaan, maar wij zijn de enigen die worden aangepakt. Ik sluit me aan bij hetgeen [medeklager 1] zegt over dat [F] zijn activiteiten in Nederland jarenlang heeft voortgezet en via [G] een vergunning heeft. Mijn raadsman vraagt mij hoeveel schulden ik heb. Ik zou het niet weten, maar van familie en vrienden heb ik ruim vier ton geleend. Ik zit nu al in de fase dat ik gewoon bij hele oude vrienden langs moet gaan en bij familie waar ik eigenlijk niet zo close meer mee ben. Het is gênant en ik gun het niemand. Ik heb volledige transparantie betracht met mijn Zwitserse advocaat en een volledige inzage van de financiële stroom van 2007 tot drie jaar geleden gegeven. Je wordt uitgerookt als een of andere crimineel die geld zou krijgen waar hij geen recht op heeft. Hoe leg je dat aan je kinderen en je partner uit? En dan wordt mijn vrouw, een week voordat haar klaagschrift werd behandeld, ook als verdachte bestempeld. Het stapelt zich op en daardoor kan ik overdag niet meer zo veel. Als ik mij vandaag de dag dan ook nog ergens mee bezig houdt dan is het investeerders zoeken om een bedrijf waar ik in heb geïnvesteerd in de lucht te houden. Ik zou graag zelf willen bijstorten want er zit potentie in dat bedrijf. Er kunnen straks 93 mensen met een gezin die bij het bedrijf werken op straat komen te staan en dan is het niet mijn fout geweest. (…) De officieren van justitie: (…) Ik heb soms het idee dat er sprake is van totaal andere belevingswerelden. Het Openbaar Ministerie wil ontzettend graag door met de zaak, maar wij kunnen en mogen geen enkele bemoeienis hebben met de geheimhoudersprocedure. Met de FIOD is de afspraak gemaakt dat zodra de geheimhoudersprocedure is afgerond er binnen enkele een eindproces-verbaal klaar zal zijn. Het Openbaar Ministerie wil graag de discussie met de verdachten voeren en zijn bereid om creatieve maatregelen te nemen om het proces te versnellen. Hierom was ook het voorstel gedaan om FIOD medewerkers naar Zwitserland te sturen, maar dit heeft jammer genoeg niet mogen plaatsvinden. Daarnaast merk ik op dat het summiere karakter van de raadkamerprocedure wordt overstegen als hier nu de discussie over of spelers die vanaf een vakantieland gokken moeten meetellen in de berekeningen gevoerd zou worden. Ten aanzien van [A] N.V. merk ik op dat in het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie is opgenomen dat investeringen en bedrijfsactiviteiten bij aanvang zijn gefinancierd door criminele gelde, hetgeen er voor zorgt dat hierna gegenereerde winsten als vervolgprofijt dienen te worden gezien. (…) De klager: De voorzitter vraagt mij of ik nog iets wil zeggen. Er werd net gesteld dat [A] N.V. is opgestart met crimineel geld. Dat is niet zo. Ik had ook geld uit andere legitieme bronnen. Laten we er even van uitgaan dat ik het geld waarmee het bedrijf is opgestart, omgerekend zo’n 400 euro, gewoon zelf had.” 3.8 De bestreden beschikking houdt – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten): De standpunten. Het standpunt van klagers (…) Inhoudelijk is verzocht het beklag gegrond te verklaren, omdat het voortduren van het conservatoir gelegde beslag in strijd zou zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu (zakelijk weergeven): - er sprake is van ‘overbeslag’, gelet op het bedrag aan vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dit is berekend door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) en de waarde van het door het Openbaar Ministerie gelegde beslag; en, - klagers als gevolg van (het lange voortduren van) de beslagen en het stagneren van het onderzoek niet (langer) in staat zijn om te voldoen aan hun financiële verplichtingen en nauwelijks het spreekwoordelijke hoofd boven water kunnen houden. Het standpunt van het Openbaar Ministerie (zakelijk weergegeven). (…) Subsidiair dient het beklag ongegrond te worden verklaard. Daarbij heeft het Openhaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van ‘overbeslag’ omdat de verdediging er aan voorbij gaat dat er sprake is van 'vervolgprofijt' en dat het voortduren van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De beoordeling. (…) Inhoudelijke beoordeling. Er is sprake van conservatoir beslag uit hoofde van artikel 94a Sv. Teneinde rechtsgeldig conservatoir beslag te leggen dient te worden voldaan aan de hiervoor geldende voorwaarde, namelijk dat sprake is van enige verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Ten aanzien van klagers is er gelet op de inhoud van de door het Openbaar Ministerie aangeleverde stukken sprake van een verdenking van overtreding van artikel 1 van de Wet op de Economische delicten (WED) juncto artikel 1 onder a en artikel 36 van de Wet op de Kansspelen (WOK), een verdenking van witwassen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Dit zijn misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Aan de hiervoor genoemde voorwaarde is dus voldaan. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter aan de klager, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Daarbij heeft het onderzoek een summier karakter. De rechter die oordeelt over het beklag, kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat er wederrechtelijk verkregen voordeel is ontstaan bij klagers en is voornemens een ontnemingsprocedure aanhangig te maken. In de visie van het Openbaar Ministerie is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat te zijner tijd door de strafrechter een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd. Klagers hebben op dit punt geen verweer gevoerd. Gelet op de op dit moment beschikbare informatie acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de later oordelende strafrechter aan de klagers, als verdachten, voor de feiten waarvan zij verdacht worden een verplichting tot betaling van een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Proportionaliteit en subsidiariteit voortzetten beslag De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). Klagers hebben in het kader van de proportionaliteit en subsidiariteit twee standpunten ingenomen die de rechtbank zal bespreken. Het ‘overbeslag'. Allereerst voeren klagers aan dat sprake is van overbeslag. Klagers stellen daarbij de waarde van het beslag op ongeveer € 28,5 miljoen, tegenover het vooralsnog door de FIOD berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van circa € 37 miljoen. Van laatstgenoemd zou nog een bedrag van circa € 10,5 miljoen moeten worden afgetrokken in verband met (legaal) behaalde omzet uit het buitenland en de (legale) inkomsten van [A] . Volgens klagers sprake van overbeslag en is het beslag in zoverre in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het Openbaar Ministerie heeft in dit kader aangevoerd dat het - vanwege de nog lopende procedure met betrekking tot de geheimhouderstukken - op dit moment niet beschikt over de stukken uit Zwitserland, Luxemburg en Malta en daarom de hoogte van het beslag niet zelf kan vaststellen. Het Openbaar Ministerie kan niet uitgaan van de waarde die de verdediging toekent aan het beslag omdat het dit niet kan controleren. Daarnaast is in het door de FIOD voorlopig berekende wederrechtelijk verkregen voordeel nog geen rekening gehouden met vervolgprofijt. Gelet op de grote bedragen die zijn verdiend, kan dit vervolgprofijt aanzienlijk zijn. De verwachting is daarom dat het uiteindelijk te berekenen wederrechtelijk verkregen voordeel een stuk hoger uit gaat komen. Zoals hierboven reeds is vermeld, draagt de beoordeling van een beklag als bedoeld, in artikel 552a Sv een summier karakter. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd inhoudelijk in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. De rechtbank stelt allereerst vast dat ook zij niet beschikt over de stukken die zijn nodig zijn om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het gelegde beslag. De stukken die de verdediging in dat kader heeft overgelegd zijn onvoldoende om deze vaststelling te kunnen doen. Ten aanzien van klagers bestaat een verdenking van strafbare feiten waarmee (veel) wederrechtelijk voordeel kan zijn verkregen, waarbij sprake kan zijn van ‘vervolgprofijt’. De afweging die de verdediging de rechtbank vraagt te maken zou in feite neerkomen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Een dergelijke afweging zou naar het oordeel van de rechtbank te veel vooruitlopen op beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak en gaat het beoordelingskader van deze procedure te buiten. De rechtbank kan en zal in deze procedure daarom niet inhoudelijk reageren op de door de raadsman voorgestelde rekenmethodes met betrekking tot de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen dat sprake is van overbeslag, zoals door de verdediging is gesteld. In zoverre is de rechtbank daarom van oordeel dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De belangen van klagers. Klagers hebben daarnaast aangevoerd dat zij als gevolg van het voorduren van het beslag en het stagneren van het onderzoek al 2 jaar en 10 maanden beslagen zijn en op dit moment niet langer aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen terwijl een inhoudelijke behandeling van de zaak naar verwachting nog lang op zich zal laten wachten. Vanwege deze persoonlijke belangen achten klagers het voortduren van het beslag eveneens in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het Openbaar Ministerie heeft erop gewezen dat het onverplicht een bedrag van € 75.000,00 aan klager [klager] uit het beslag heeft vrijgegeven. Daarnaast wordt aan klager [klager] sinds augustus 2022 maandelijks uit het beslag een bedrag van CHF 15.000,00 uitgekeerd. De officier van justitie in Zwitserland heeft hiertoe, zonder overleg met het Openbaar Ministerie, beslist. Van strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is daarom geen sprake. De rechtbank stelt voorop dat betekenis kan toekomen aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de strafzaak of de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. In dat kader acht de rechtbank van belang dat het onderzoek ‘Milwaukee’ waarbinnen deze beslagen zijn gelegd een uitgebreid strafrechtelijk financieel onderzoek betreft, waarin meerdere rechtshulpverzoeken zijn gedaan naar verschillende landen. Het beslag uit de verschillende landen is nog niet (volledig) is overgedragen en/of geschoond op geheimhouderstukken en staat nog niet ter beschikking van het onderzoeksteam van de FIOD en het Openbaar Ministerie. De verwachting is dat het daarom nog de nodige tijd zal duren voordat een beslissing in de strafzaak of de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. De rechtbank is van oordeel dat klager(
- s)onvoldoende hun persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag met stukken hebben onderbouwd en onvoldoende concreet inzage hebben gegeven in hun daadwerkelijke (dagelijkse) financiële verplichtingen. Zij hebben ook niet concreet aangegeven en onderbouwd welk bedrag noodzakelijk zou zijn om alsnog te kunnen voorzien in essentieel (levens)onderhoud en/of om noodzakelijke facturen te kunnen betalen om een (dreigend) faillissement te voorkomen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat aan klager [klager] uit coulance door het Openbaar Ministerie reeds eenmalig een bedrag van € 75.000,- is vrijgegeven en dat Zwitserse officier van justitie kennelijk per augustus 2022 heeft besloten om een bedrag van omgerekend CHF 15.000,= per maand aan klager [klager] en zijn partner vrij te geven. De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen dat klagers elk als gevolg van het gelegde beslag in een zodanig nijpende financiële situatie verkeren dat voortduring van het beslag, tegen de achtergrond van een omvangrijk en complex onderzoek, in strijd zou zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Gelet op al wat hiervoor is overwogen zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.” 4Het eerste tot en met het derde middel 4.1 Als gezegd klagen het eerste tot en met het derde middel dat de rechtbank haar oordeel dat voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). 4.2 Het eerste middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat “zij niet beschikt over de stukken die nodig [zijn] om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het gelegde beslag” en dat “de stukken die de verdediging in dat kader heeft overgelegd onvoldoende [zijn] om deze vaststelling te kunnen doen”. Het tweede middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat “de afweging die de verdediging de rechtbank vraagt te maken in feite [zou] neerkomen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel”. Het derde middel richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van de rechtbank dat zij “niet [kan] vaststellen dat sprake is van overbeslag” en dat zij “in zoverre (…) van oordeel [is] dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit”. De middelen lenen zich voor een gezamenlijk bespreking. Het juridisch kader 4.3 Het gaat in deze zaak om de vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen aan de motivering van zijn beslissing moeten worden gesteld. Voor de beantwoording van die vraag is het volgende van belang. 4.4 De Hoge Raad is op deze vraag ingegaan in zijn arrest van 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128. Daarin overwoog de Hoge Raad onder andere het volgende: “Proportionaliteit en subsidiariteit 2.4.1 De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. (Vgl. bijvoorbeeld HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), overweging 103.) Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). (Vgl. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3722 en EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië), overweging 80.) 2.4.2 De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag. 2.4.3 Mede in verband met de beoordeling door de rechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit mag van het openbaar ministerie worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, in de beklagprocedure informatie verschaft over het beslag en over de onderliggende strafzaak of ontnemingsprocedure. In geval van conservatoir beslag gaat het daarbij in het bijzonder om de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting in verband waarmee wordt beoogd een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen. Omdat tijdens de raadkamerprocedure het onderzoek in de strafzaak en/of de ontnemingszaak veelal nog loopt, zal het openbaar ministerie in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kunnen doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting. 2.4.4 Als de beklagrechter van oordeel is dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, brengt de onderzoekstaak van de beklagrechter met zich dat hij zich nader laat informeren. De beklagrechter kan daarvoor op grond van artikel 23 lid 1 Sv aan het openbaar ministerie het bevel geven om stukken over te leggen. Zo nodig houdt de rechter daartoe het onderzoek in raadkamer aan. Het openbaar ministerie is op grond van artikel 23 lid 5 Sv gehouden de hiervoor bedoelde stukken aan de rechter over te leggen. Laat het openbaar ministerie dat achterwege, dan kan de beklagrechter die omstandigheid betrekken bij de beoordeling van het klaagschrift. (Vgl. HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:376, rechtsoverwegingen 3.3.2-3.3.3.) 2.4.5 Als de beklagrechter naar aanleiding van zijn hiervoor in 2.4.1 bedoelde onderzoek oordeelt dat voortzetting van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, verklaart hij het beklag gegrond en geeft hij de daarmee overeenkomende last als bedoeld in artikel 552a lid 10 Sv.” 4.5 De omstandigheid dat door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(
- en)kan dus maken dat de rechter gehouden is blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De vraag of een dergelijke motiveringsplicht is ontstaan, en zo ja, welke eisen aan de motivering moeten worden gesteld, is volgens de Hoge Raad, naast het tijdsverloop en de termijn waarbinnen een beslissing van de rechter in de strafprocedure kan worden verwacht, afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten en van hetgeen daarover door het OM is ingebracht. Van het OM mag daarbij worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, informatie verschaft over de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting. Is de beklagrechter van oordeel dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, dan brengt zijn onderzoekstaak met zich dat hij zich nader laat informeren. 4.6 Het hiervoor door de Hoge Raad genoemde arrest EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië) geeft een nadere invulling aan de geformuleerde onderzoeksplicht. In de zaak die leidde tot deze uitspraak van het EHRM ging het om een verdenking van verschillende (economische) delicten, waarbij het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op € 1.060.000,-. Als gevolg daarvan had het openbaar ministerie beslag gelegd op onroerend goed van de verdachte, waarover laatstgenoemde tevergeefs had geklaagd. In het verdere verloop van de strafrechtelijke procedure had de verdachte de rechtbank verzocht de reikwijdte van het beslag opnieuw te beoordelen, omdat (nog altijd) sprake zou zijn van een grove wanverhouding tussen de waarde van het beslag en het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel. Ter onderbouwing van dat standpunt had de verdachte een “detailed assessment” van de waarde van het beslag overgelegd dat gebaseerd was op openbaar beschikbare informatie over de marktwaarde van onroerend goed in Kroatië. Volgens die informatie betrof de waarde van het beslagen onroerend goed € 9.887.084,- (en dus een negenvoud van het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel). Het EHRM onderzocht in het kader van de inbreuk die dit beslag maakte op het recht van ongestoord genot van eigendom, zoals neergelegd in art. 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, of sprake was van een “reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised” (§ 67). In het bijzonder keek het Hof naar “procedural safeguards” die nodig zijn om een disproportionele inbreuk op het eigendomsrecht te voorkomen (§ 68). Het EHRM overwoog daarover het volgende: “77. In this respect the Court notes, although it is impossible for it to speculate on the exact value of the restrained property, that the applicant’s allegations were not frivolous and devoid of any substance. In any event, in view of the overall circumstances of the case, the Court considers that such a request made by the applicant should have prompted the Supreme Court to examine his allegations carefully. This is particularly true given that the applicant’s business activity arguably related to the possibility of him freely disposing of his real property (see paragraph 17 above) and that a relevant assessment of the value of the seized real property had never been made (see paragraphs 67-69, and 71-75 above). 78. Having said that, the Court notes that the Supreme Court, without making any further assessment with regard to the applicant’s specific allegations concerning the disproportion between the impounded property and the alleged unlawfully obtained pecuniary gain, and although being unable to benefit from any such assessment made by the Vukovar County Court, rejected the applicant’s arguments as speculative, without explaining why it ignored the applicant’s detailed assessment of the value of his restrained property made on the basis of publicly available information on the market value of properties in Croatia (see paragraph 28 above). 79. The Supreme Court thereby allowed the impugned situation to persist for more than two and a half years without ever addressing the applicant’s specific arguments of disproportion between the value of the seized property and the alleged unlawfully obtained pecuniary gain. In this connection the Court finds it important to note that the overall seized property was not alleged to be a result of crime or traceable to the crime. The seizure at issue was rather applied as a provisional measure on the applicant’s overall property aimed at securing enforcement of a possible confiscation order imposed at the outcome of the criminal proceedings. 80. In these circumstances, the Court notes that the impugned seizure of the applicant’s real property in the context of the criminal proceedings at issue, although in principle legitimate and justified, was imposed and kept in force without an assessment of whether the value of the seized property corresponded to the possible confiscation claim. The Court therefore finds that the application of such a measure was not adequate to demonstrate that a requirement of “fair balance” inherent in the second paragraph of Article 1 of Protocol No. 1 was satisfied.” 4.7 Voor het aannemen van een schending van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de grond dat de rechter de proportionaliteit van de beslaglegging onvoldoende (kenbaar) heeft onderzocht, achtte het EHRM, naast de daarmee samenhangende persoonlijke belangen van de verdachte, aldus van belang dat hetgeen door de verdachte was aangevoerd “not frivolous and devoid of any substance” was. Onder die omstandigheden had het Kroatische gerecht hetgeen door de verdachte was aangevoerd zorgvuldig moeten onderzoeken en dit niet als speculatief terzijde mogen schuiven, zonder daarbij nader te motiveren waarom het de betrokkene niet volgde in zijn “detailed assessement” over de wanverhouding tussen het beslagene en het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel. De bespreking van de middelen 4.8 Namens de klager is op de onder 3.1 samengevatte wijze aangevoerd dat de waarde van het beslag het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel met € 9.930.792,- overstijgt. Met betrekking tot de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen zijn daartoe diverse stukken overgelegd, waaronder een kopie van een notariële akte inhoudende een zogenoemde “Vente a terme conditionelle” van de beslagen woning alsmede overzichten van de beslagen bankrekeningen en effectenportefeuilles. Het openbaar ministerie heeft het standpunt van de klager betwist op de wijze zoals hiervoor onder 3.4 is weergegeven. Kort gezegd zouden de namens de klager aangevoerde gronden die tot vermindering van het door de FIOD geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel moeten leiden niet opgaan dan wel zou de beoordeling daarvan het summiere karakter van de beklagprocedure overstijgen. Bij het door de FIOD genoemde bedrag moet bovendien nog vervolgprofijt worden opgeteld, waarvan de precieze hoogte afhankelijk is van stukken waarover het nog niet beschikt. Of er onderdelen zijn waar het openbaar ministerie zich kan vinden in de door de klager gestelde waardes van het beslag kon het ten tijde van de raadkamer “nog niet zeggen” (zie randnr. 3.7). 4.9 De rechtbank heeft geoordeeld dat zij niet inhoudelijk zal reageren op de door de klager voorgestelde rekenmethodes met betrekking tot de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat dit in feite neer zou komen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee zou zij te veel vooruitlopen op beslissingen die zullen worden genomen in de straf- of ontnemingszaak en dit zou het beoordelingskader van de beklagprocedure te buiten gaan. De rechtbank heeft hiermee tot uitdrukking gebracht dat het onderzoek in de raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt en dat een beoordeling van hetgeen namens de klager is aangevoerd over de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarvoor te ver voert. Dat oordeel acht ik, gelet op de onder 3.2 en 3.6 weergegeven aard en inhoud van de door de klager aangevoerde gronden die tot vermindering van het door de FIOD berekende bedrag zouden moeten leiden, niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat het openbaar ministerie die gronden grotendeels heeft betwist en dat het openbaar ministerie tijdens een raadkamerprocedure in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kan doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting. 4.10 De rechtbank heeft verder overwogen dat zij niet beschikt over de stukken die nodig zijn om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het beslag en dat de door de klager overgelegde stukken daartoe onvoldoende zijn. Gelet daarop kan zij niet vaststellen dat sprake is van overbeslag. In zoverre, zo vervolgt zij, is de rechtbank “daarom” van oordeel dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het in die overwegingen besloten liggende oordeel van de rechtbank dat zij, zonder zich een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het beslag, het klaagschrift kan beoordelen en haar onderzoekstaak derhalve niet met zich brengt dat zij zich nader laat informeren, acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat hetgeen door de klager is aangevoerd over de waarde van het beslag bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan “not frivolous and devoid of any substance” en “detailed” en dat het openbaar ministerie volgens het onder 3.7 weergegeven proces-verbaal daartegen niet meer heeft ingebracht dan dat het “nog niet kan zeggen” in hoeverre het zich daarin kan vinden. Dit terwijl van hem mag worden verlangd dat hij, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, informatie verschaft over de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting en ten tijde van de raadkamer sinds de beslaglegging inmiddels ruim twee en een half jaar waren verstreken. Daarbij neem ik verder in aanmerking dat de rechtbank niet gemotiveerd heeft geoordeeld dat het voor het openbaar ministerie niet mogelijk is deze informatie te verschaffen en wat daar, mede gelet op het genoemde tijdsverloop, de gevolgen van zouden moeten zijn. 4.11 Het middel is in zoverre terecht voorgesteld, doch leidt niet tot cassatie. Zelfs al zou de rechtbank – al dan niet na daartoe ingesteld nader onderzoek – de klager immers volgen in zijn standpunt dat de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen € 28.466.599,- bedraagt, dan overstijgt die waarde het door het openbaar ministerie voorlopig op € 37.078.322,- geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel geenszins. Van ‘overbeslag’ kan dan ook, het onder 4.9 overwogene daarbij in aanmerking genomen, geen sprake zijn. 5Het vierde en vijfde middel 5.1 Als gezegd klagen het vierde en vijfde middel dat de rechtbank haar oordeel dat voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de persoonlijke belangen van de klaagster bij de opheffing van het beslag. Anders dan bij de hiervoor behandelde middelen wordt niet ook geklaagd dat de rechtbank een onderzoeksplicht heeft miskend. 5.2 Het vierde middel klaagt in het bijzonder dat de rechtbank weliswaar heeft geoordeeld dat “betekenis kan toekomen aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de strafzaak of de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten” en dat in de onderhavige zaak “de verwachting is dat het (…) nog de nodige tijd zal duren voordat een beslissing in de strafzaak of de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten”, maar dat de rechtbank aan die vaststelling ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden. Het vijfde middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat “klager(
- s)onvoldoende hun persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag met stukken hebben onderbouwd en onvoldoende concreet inzage hebben gegeven in hun daadwerkelijke (dagelijkse) financiële verplichtingen”, waardoor zij “niet [kan] vaststellen dat klagers elk als gevolg van het gelegde beslag in een zodanig nijpende financiële situatie verkeren dat voortduring van het beslag, tegen de achtergrond van een omvangrijk en complex onderzoek, in strijd zou zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit”. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 5.3 Uit het onder 4.4 weergegeven arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2023 volgt dat de rechter – naast de hiervoor besproken omstandigheid dat wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(
- en)– ook gehouden kan zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit als door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met art. 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan. Voor de beantwoording van de vraag wanneer de rechter blijk moet geven van zo’n onderzoek, en als dat het geval is, welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing is van belang
- i)de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten en
- ii)hetgeen daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan iii) het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan
- iv)de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs te verwachten valt. Naarmate meer tijd is verstreken kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag. Daarbij komt ten slotte ook betekenis toe aan de vraag in hoeverre die persoonlijke belangen in grotere mate worden geschaad dan in de regel uit een beslag zal voortvloeien. 5.4 Namens de klager is aangevoerd dat het beslag reeds meer dan twee jaren en tien maanden voortduurt en dat de klager “op geen enkele wijze meer [kan] voldoen aan [zijn] financiële verplichtingen en nauwelijks het spreekwoordelijke hoofd boven water [kan] houden”, hetgeen “in ieder geval” binnen afzienbare tijd tot het faillissement van [medeklager 10] zal leiden en tot het stopzetten van de studie van beide kinderen. “Noodzakelijke uitgaven” kunnen niet gedaan worden en financiële en administratieve verplichtingen kunnen ook niet worden nagekomen. Sinds de zomer van 2021 zou de klager geen Zwitserse belastingen hebben kunnen betalen en zou hij het schoolgeld van zijn kinderen moeten hebben voldoen met geleend geld. Het openbaar ministerie heeft daartegenin gebracht dat het reeds eenmalig een bedrag van € 75.000,- heeft vrijgegeven en dat daarnaast maandelijks € 16.000,- uit het beslag wordt vrijgegeven. Volgens de klager schiet dat echter “ruimschoots” te kort voor zijn maandelijkse verplichtingen, waaronder belastingen, maar ook ziektekostenverzekeringen van het gezin “en dat soort kosten”. 5.5 De rechtbank heeft geoordeeld dat de klager zijn persoonlijke belangen onvoldoende met stukken heeft onderbouwd, dat hij onvoldoende concreet inzage heeft gegeven in zijn daadwerkelijke (dagelijkse) financiële verplichtingen en dat hij niet concreet heeft aangegeven en onderbouwd welk bedrag noodzakelijk zou zijn om alsnog te kunnen voorzien in essentieel (levens)onderhoud en/of om noodzakelijke facturen te kunnen betalen om een (dreigend) faillissement te voorkomen, waarbij de rechtbank betrekt dat aan de klager de door het openbaar ministerie genoemde bedragen zijn en worden vrijgegeven. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat het niet kan vaststellen dat de klager als gevolg van het gelegde beslag in een zodanig nijpende financiële situatie verkeert dat voortduring van het beslag in strijd zou zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat oordeel, waarmee de rechtbank overeenkomstig de onder 4.4 weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad blijk heeft gegeven van een – op de standpunten van de klager en het openbaar ministerie toegespitst – onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat door en namens de klager in feite niet meer is aangevoerd dan de niet (met stukken) onderbouwde en algemene stelling dat hij als gevolg van de beslaglegging niet meer aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen en waarbij het gestelde niet zonder meer betrekking heeft op essentieel (levens)onderhoud. 5.6 Dat de rechtbank heeft overwogen dat de verwachting is dat het nog de nodige tijd zal duren voordat een beslissing in de strafzaak of de ontnemingsprocedure te verwachten valt, maakt het voorgaande niet anders. Kennelijk heeft de rechtbank, overwegende dat haar proportionaliteits- en subsidiariteitsoordeel moet worden bezien “tegen de achtergrond van een omvangrijk en complex onderzoek”, geoordeeld dat die omstandigheid niet maakt dat de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan. Ook dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat in de vaststellingen van de rechtbank besloten ligt dat de maandelijkse uitkering van de Zwitserse autoriteiten wordt voortgezet. 5.7 De middelen falen. 6Afronding 6.1 Geen van de middelen kan tot cassatie leiden. Alle middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 6.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 6.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ECLI:CE:ECHR:2016:0517JUD003835913. Vgl. de uitspraak waar de Hoge Raad in het arrest onder 4.4 naar verwijst: EHRM 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije) § 104 (ECLI:CE:ECHR:2019:1107JUD003264409),