ECLI:NL:PHR:2025:245
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/04404 Zitting 18 maart 2025 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 23 november 2022 door het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , wegens onder 1 primair “poging tot doodslag” en onder 2 “opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstig het vermoeden heeft dat die verklaring zal worden afgelegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof een in beslag genomen, nog niet teruggegeven mes onttrokken aan het verkeer. Voorts heeft het hof een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de militaire kamer van de rechtbank Gelderland van 27 oktober 2014, parketnummer 05-862935-13, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en de bij arrest van het gerechtshof Gelderland (bedoeld zal zijn: Arnhem -Leeuwarden, AEH) van 25 juli 2019, parketnummer 21-003056-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 11 dagen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H. Sytema, advocaat in ‘s‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3Het eerste middel 3.1 Het middel bevat de klacht dat het hof de bewezenverklaring van feit 1 primair ontoereikend heeft gemotiveerd, althans dat het hof zonder toereikende motivering is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de verklaringen van de [aangever] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] wegens hun onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.
3.2 Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat: “hij op 26 juni 2020 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, die [aangever] eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de lies heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”
3.3 Het hof heeft in zijn (promis)bewijsoverwegingen onder meer als volgt overwogen inzake het bewijs van het onder 1 primair bewezenverklaarde (met weglating van voetnoten): “Overweging met betrekking tot het bewijs Ten aanzien van feit 1 […] Oordeel hof Op 26 juni 2020 waren verdachte en [aangever] op [strand] in [plaats] . Uit de verklaring van aangever blijkt dat er sprake was van een woordenwisseling tussen aangever en een jongen. Op een zeker moment sloeg aangever die jongen met zijn vuist. Hierna werd aangever door die jongen gestoken in zijn lies. Aangever zag dat de jongen daarna op een donkerkleurige scooter weg reed. [getuige 2] heeft gezien dat aangever en een jongen een heftige woordenwisseling hadden en met hun voorhoofden tegen elkaar stonden. Zij zag dat deze jongen die tegenover aangever stond een stekende beweging maakte richting aangever. Zij zag dat die jongen aangever stak met één beweging naar voren, net boven zijn heup, net bij de milt. Zij verklaart tevens, dat zij daar toen met zijn drieën stonden en dat er verder niemand bij stond. Zij zag dat de jongen er met een zwarte scooter vandoor ging. Zij verklaart later ten overstaan van de rechter-commissaris dat zij het steken heeft gezien. Ook [getuige 1] heeft gezien hoe een jongen die tegenover aangever stond, met de gezichten naar elkaar toegekeerd, een voorwaartse beweging maakte met zijn arm terwijl hij een langwerpig voorwerp in zijn hand hield. Zij zag dat hij aangever daarmee raakte ter hoogte van zijn linker zij.
Uit de verklaringen van aangever en beide getuigen blijkt dus dat de persoon die betrokken was bij het opstootje met aangever, ook de persoon is die aangever heeft gestoken. Uit de verklaringen van aangever en [getuige 2] blijkt verder dat die persoon daarna op een donkerkleurige scooter is weggereden.
Verdachte heeft zelf verklaard dat hij op het strandje was op 26 juni 2020, dat hij betrokken was bij het hiervoor beschreven incident met aangever net vóór het steken, dat hij daarbij geslagen werd door aangever en dat hij (meteen) na het incident op een zwarte scooter is weggegaan. Daarnaast heeft aangever verdachte herkend als degene die hem heeft gestoken. Het hof stelt op grond daarvan dan ook vast dat het verdachte is geweest die met aangever in conflict is geweest.
Uit het vorenstaande volgt dat het hof concludeert dat verdachte degene is geweest die met aangever in conflict is geweest en dat de persoon die met verdachte in conflict was, verdachte dus, ook degene is geweest die aangever heeft gestoken.
De verklaringen van aangever, [getuige 2] en [getuige 1] vindt het hof, anders dan de verdediging heeft betoogd, betrouwbaar. Deze verklaringen vinden steun in elkaar en -voor zover ze zien op de aanwezigheid van verdachte bij het incident- in de verklaring van verdachte zelf, en -voor zover ze zien op het steken- in het feit dat aangever in zijn buik gewond is geraakt.
Het hof zal de fotoherkenning, in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet uitsluiten van het bewijs. Verdachte heeft immers zelf erkend dat hij betrokken was bij het incident met aangever en dat hij daarbij door aangever werd geslagen. Hieruit concludeert het hof dat het dus juist is, dat aangever verdachte heeft herkent. Ter onderbouwing van de stelling dat verdachte weliswaar een woordenwisseling met aangever heeft gehad, maar dat hij niet degene is geweest die aangever heeft gestoken, heeft de verdediging gewezen op de door [getuige 3] afgelegde verklaring. Nu het hof hiervoor reeds heeft geconcludeerd dat het verdachte is geweest die aangever heeft gestoken, kan het hof aan deze verklaring geen betekenis toekennen. Daarbij betrekt het hof dat het in het dossier geen verdere aanwijzingen ziet dat een ander persoon dan verdachte aangever zou kunnen hebben gestoken.”
3.4 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2022 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in (met weglating van voetnoten): “FEIT 1 Poging doodslag / zware mishandeling […] Situatie ter plaatse 7. Ten tijde van het steekincident waren er veel mensen aanwezig op het strand. Enkel aangever en [getuige 2] wijzen cliënt aan als de dader. Cliënt stelt zich op het standpunt dat hij aangever niet heeft gestoken en meent dat aangever en [getuige 2] zich moeten hebben vergist.
De politie is ten tijde van de enkelvoudige fotoconfrontatie sturend en de verdediging stelt zich op het standpunt dat de enkelvoudige fotoconfrontatie onjuist is uitgevoerd en de uitkomst dan ook niet als bewijs mag worden gebruikt. Maar daarnaast valt ook op dat aangever steeds aan geeft dat dat hem volgens mij wel is. De verdediging maakt hieruit op dat hij het dus niet volledig zeker weet. De rechtbank heeft in het vonnis opgenomen dat de verklaring van aangever na het tonen van foto’s van (overigens uitsluitend) verdachte, niet erg overtuigend is. De rechtbank heeft echter nagelaten een beslissing te nemen op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging dat er hier sprake is van een sturende, onjuist uitgevoerde enkelvoudige fotoconfrontatie en dat deze – toch wel vage en twijfelachtige herkenning – dient te worden uitgesloten van het bewijs.
Zoals blijkt uit de foto’s van cliënt op de scooter alsmede van de foto van zijn ID-staat alsmede uit de verklaring van cliënt had cliënt de betreffende avond zeer kort haar, een baardje, een wit (dan wel lichtgroen) t-shirt met korte mouwen en een lange donkere spijkerbroek aan. De door aangever gegeven signalementen komen niet overeen met het signalement van cliënt. [getuige 2] 16. [getuige 2] heeft ook meerdere verklaringen afgelegd. [getuige 2] wijst cliënt aan als zijnde de dader. Echter, de verdediging zet veel vraagtekens bij de verklaringen van [getuige 2] en stelt zich op het standpunt dat haar verklaringen onbetrouwbaar, tegenstrijdig en ongeloofwaardig zijn en aldus ter zijde dienen te worden geschoven.
Overige getuigen 22. De onschuld van cliënt blijkt ook uit andere getuigenverklaringen in het dossier.
3.5 Uit het onder 3.4 genoemde proces-verbaal blijkt dat de raadsvrouw in aanvulling op de pleitnota onder meer het volgende heeft aangevoerd: “ [getuige 2] heeft juist verklaard dat zij het niet heeft kunnen zien. daar hoor ik de advocaat-generaal niet over. Dit is een cruciaal punt. Op de verklaring van aangever is eveneens veel aan te merken. Aangever heeft de gehele dag GHB gebruikt. [getuige 1] komt ook terug van haar verklaring. Cliënt zou de enige zijn met en motief. Dat is niet waar, andere getuigen zeggen juist dat er meerdere groepen waren en er onderling opstootjes waren. Dat moet bij de beoordeling betrokken worden. […] Zonder de verklaringen van aangever en [getuige 2] is geen sprake van wettig en overtuigend bewijs. Als die verklaringen volgens uw hof wel gebruikt mogen worden voor het bewijs, ontbreekt de overtuiging.”
3.6 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behalve in bijzondere gevallen, onder meer indien door de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van de betrouwbaarheid van het gebruikte bewijsmateriaal. De omvang van de motiveringsplicht hangt af van de inhoud en de indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan alleen onderzocht worden of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn.
3.7 Het hof heeft geoordeeld dat het de verklaringen van de [aangever] , de [getuige 2] en de [getuige 1] betrouwbaar vindt. Daarbij heeft het hof ten eerste in aanmerking genomen dat de verklaringen van [aangever] , [getuige 2] en [getuige 1] steun vinden in elkaar. Anders dan de steller van het middel doet voorkomen, heeft het hof wel degelijk aangegeven op welke punten de verklaringen elkaar ondersteunen. Zo volgt uit de overwegingen van het hof dat zowel uit de verklaringen van de aangever, als uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] blijkt dat de persoon die betrokken was bij het opstootje met [aangever] , ook de persoon is die [aangever] heeft gestoken. Voorts heeft het hof aangegeven dat uit de verklaringen van [aangever] en uit de verklaringen van [getuige 2] volgt dat de persoon die heeft gestoken daarna op een donkerkleurige scooter is weggereden. Tot slot blijkt uit de overwegingen van het hof dat de verklaringen elkaar ondersteunen voor wat betreft de plek waar is gestoken. [aangever] heeft immers verklaard dat hij werd gestoken in zijn lies, [getuige 2] heeft verklaard dat de stekende beweging net boven de heup, net bij de milt was en [getuige 1] heeft verklaard dat [aangever] werd geraakt ter hoogte van zijn zij.
3.8 Het hof heeft aan zijn oordeel dat de verklaringen van [aangever] , [getuige 2] en [getuige 1] betrouwbaar zijn, bovendien ten grondslag gelegd dat deze verklaringen steun vinden in de verklaring van de verdachte zelf (voor zover de verklaringen zien op de aanwezigheid van de verdachte bij het incident) en in de geneeskundige verklaring, waaruit blijkt dat de verdachte in zijn buik gewond is geraakt (voor zover de verklaringen zien op het steken).
3.9 Daarmee heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom het is afgeweken van het door de verdediging gevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten aanzien van de betrouwbaarheid van [aangever] , [getuige 2] en [getuige 1] . Het hof hoefde niet op ieder detail van de argumentatie in te gaan. In zoverre faalt het middel.
3.10 Het hof heeft vastgesteld dat [aangever] de verdachte heeft herkend als degene die hem heeft gestoken. Bovendien heeft de verdachte zelf verklaard dat hij op het strandje was op 26 juni 2020, dat hij betrokken was bij het incident met [aangever] net vóór het steken en dat hij daarbij is geslagen door [aangever] , evenals dat hij na het incident is weggegaan op een zwarte scooter. In het licht van de verklaringen van [aangever] , [getuige 2] en [getuige 1] dat de persoon die in conflict is geweest met [aangever] , tevens de persoon is die [aangever] heeft gestoken en gezien de verklaringen van [aangever] en [getuige 2] dat degene die heeft gestoken na het incident wegreed op een zwarte/donkerkleurige scooter, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte degene is die heeft gestoken, niet onbegrijpelijk en is de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit in zoverre toereikend gemotiveerd.
3.11 Het middel faalt.
4Het tweede middel 4.1 Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit. Geklaagd wordt dat het onder 2 bewezenverklaarde, in het bijzonder het opzet en de kennelijke strekking van beïnvloeding, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
4.2 Het hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat: “hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 03 juli 2020 tot en met 21 oktober 2020 in de gemeente(n) [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland telkens opzettelijk mondeling, zich jegens [getuige 3] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft hij, verdachte, meermalen, opzettelijk, vanuit de penitentiaire inrichting(en) waar verdachte verbleef,
4.3 Het hof heeft inzake het bewijs van het onder 2 bewezenverklaarde onder meer als volgt overwogen (met weglating van voetnoten): “Ten aanzien van feit 2 […] Oordeel hof [getuige 3] heeft op 21 oktober 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. In de bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 is het hof reeds tot de conclusie gekomen dat de lezing die [getuige 3] geeft, niet de feitelijke gang van zaken is geweest.
Uit het dossier blijkt dat verdachte in de tenlastegelegde periode vanuit de penitentiaire inrichting meerdere keren telefonisch contact heeft gehad met de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . [getuige 3] heeft op 20 mei 2020 tijdens een verhoor het telefoonnummer [telefoonnummer 1] opgegeven als zijnde zijn telefoonnummer. Op 18 juli 2020 laat de beller met nummer [telefoonnummer 1] aan verdachte weten dat het nummer [telefoonnummer 2] zijn andere telefoonnummer is. Het hof gaat er aldus vanuit dat beide telefoonnummers toebehoren aan [getuige 3] .
Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte tegen [getuige 3] heeft gezegd zijn advocaat te bellen en te vertellen over het voorval. Verdachte geeft daarbij aan wat [getuige 3] kan verklaren en zegt meerdere malen dat [getuige 3] de advocaat van verdachte moet bellen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte bekend deze telefoongesprekken met [getuige 3] te hebben gevoerd. [getuige 3] verklaart later bij de rechter-commissaris overeenkomstig het (in strijd met de feitelijke gang van zaken zijnde) verhaal dat verdachte hem verteld heeft via de telefoon. Vragen over andere details dan hem telefonisch zijn medegedeeld door verdachte, weet [getuige 3] niet of niet juist te beantwoorden.
Het hof concludeert hieruit dat verdachte [getuige 3] heeft beïnvloed tot het doen afleggen van een verklaring. Aan de verklaring van verdachte dat hij [getuige 3] met deze telefoongesprekken slechts heeft gevraagd te gaan vertellen wat er daadwerkelijk is gebeurd, hecht het hof geen geloof. Uit de genoemde gesprekken blijkt immers onmiskenbaar dat verdachte [getuige 3] een verhaal voorhoudt over wat er zou zijn gebeurd. Nu het hof reeds heeft geconcludeerd dat dit verhaal in strijd is met de feitelijke gang van zaken wordt de verklaring van verdachte terzijde gesteld. Het hof acht ook het onder twee tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.”
4.4 De tenlastelegging is toegesneden op art. 285a lid 1 Sr. Deze bepaling luidt: “Hij die opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.”
4.5 Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop wat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2092, heeft overwogen over art. 285a lid 1 Sr: “3.4.2. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van deze bepaling bij de Wet van 11 november 1993, Stb. 603 houdt onder meer het volgende in: “Het voorgestelde artikel 285a Sr kan betekenis hebben in die gevallen waarin uitlokking tot meineed niet aan de orde is, bij voorbeeld omdat het causale verband ontbreekt, of omdat het gebezigde middel niet voldoet aan de daarvoor in artikel 47 Sr gestelde eisen of omdat het gaat om een tegenover de politie afgelegde verklaring. Het rechtsgoed dat hier wordt beschermd is niet zo zeer de waarheid van de verklaring als wel de vrijheid - het onbelemmerd kunnen verklaren - van de betrokken persoon. Het kan nuttig zijn, dat bijvoorbeeld de politie een persoon die zich aan dergelijke uitingen te buiten wil gaan, onmiddellijk op het bestaan van deze strafbepaling kan attenderen.
Ik stel voor niet alleen de intimidatie van getuigen en deskundigen doch ook de intimidatie van personen die tijdens het opsporingsonderzoek een verklaring willen afleggen onder het bereik van de voorgestelde strafbepaling te brengen. (...) De voorgestelde strafbepaling beoogt de vrijheid van alle burgers om ten overstaan van een rechter of een ambtenaar naar waarheid en geweten een verklaring af te leggen te beschermen.” (Kamerstukken II 1991/92, 22 483 nr. 3, p. 39.) 3.5.1.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2908 het volgende overwogen: “De strafbaarstelling van art. 285a, eerste lid, Sr strekt (...) tot bescherming van de vrijheid van personen om onbelemmerd ten overstaan van een rechter of een ambtenaar een verklaring te kunnen afleggen (vgl. HR 30 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7093, NJ 2005/ 544). Van 'beïnvloeden' in de zin van art. 285a, eerste lid, Sr is derhalve sprake indien de in deze bepaling omschreven uiting ertoe strekt deze verklaringsvrijheid aan te tasten. Voldoende is dat komt vast te staan dat de uiting kennelijk bedoeld was om de verklaringsvrijheid te beïnvloeden zonder dat wordt vereist dat die kennelijke bedoeling ook tot een daadwerkelijke beïnvloeding heeft geleid (vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7910, NJ 2008/315).”
3.5.2.
Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is geweest van ‘beïnvloeden’ in de zin van art. 285a, eerste lid, Sr, is onder meer van belang de strekking van de in die delictsbepaling bedoelde uiting. Indien deze uiting slechts erop is gericht dat een persoon een verklaring zal afleggen, zonder dat daarbij - met name door bemoeienis met de inhoud van (wezenlijke onderdelen van) die verklaring - de verklaringsvrijheid van die persoon wordt aangetast, is geen sprake van ‘beïnvloeden’. Dat ligt anders indien de uiting ertoe strekt dat de af te leggen verklaring een bepaalde inhoud zal hebben, bijvoorbeeld doordat een persoon wordt ontmoedigd een belastende verklaring af te leggen of wordt aangemoedigd een ontlastende verklaring af te leggen. Van ‘beïnvloeden’ kan daarbij ook sprake zijn indien de uiting ertoe strekt dat een persoon geen verklaring tegenover een rechter of een ambtenaar zal afleggen. In deze gevallen is immers telkens de vrijheid van de (potentiële) getuige in het geding om naar waarheid of geweten een verklaring af te leggen.
3.5.3.
Voor ‘beïnvloeden’ in de zin van art. 285a, eerste lid, Sr hoeft niet vast te komen staan dat de uiting van de verdachte ertoe strekte een persoon te bewegen een verklaring af te leggen die niet waarheidsgetrouw is. Art. 285a, eerste lid, Sr strekt immers ter waarborging van de vrijheid van personen om onbelemmerd naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of een ambtenaar een verklaring te kunnen afleggen, waarbij het aan zo een persoon is te bepalen hoe de inhoud van zijn in overeenstemming met zijn eigen, mogelijke gebrekkige herinnering aan bepaalde gebeurtenissen af te leggen verklaring luidt, zonder bemoeienis van een ander met die inhoud.”
4.6 Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte heeft in de ten laste gelegde periode meerdere keren telefonisch contact gehad met telefoonnummers die toebehoren aan de [getuige 3] . De verdachte heeft meerdere malen tegen [getuige 3] gezegd dat [getuige 3] de advocaat van de verdachte moet bellen en moet vertellen over het voorval. Daarbij geeft de verdachte aan wat [getuige 3] kan verklaren. [getuige 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard overeenkomstig het verhaal dat de verdachte hem via de telefoon heeft verteld, terwijl dit verhaal in strijd is met de feitelijke gang van zaken en [getuige 3] geen vragen (juist) weet te beantwoorden over andere details dan hem telefonisch zijn medegedeeld. Het hof heeft voorts overwogen dat het geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte dat hij [getuige 3] met de telefoongesprekken slechts heeft gevraagd te gaan vertellen wat er daadwerkelijk is gebeurd, aangezien uit de genoemde gesprekken onmiskenbaar blijkt dat de verdachte [getuige 3] een verhaal voorhoudt over wat er zou zijn gebeurd en dit verhaal in strijd is met de feitelijke gang van zaken.
4.7 Hiermee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de verdachte sturende bemoeienis heeft gehad met de inhoud van de verklaring. Dit is een conclusie van feitelijke aard, die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden beoordeeld. Ik meen dat van onbegrijpelijkheid geen sprake is. Het hof heeft zijn vaststelling dat de verdachte aangeeft wat [getuige 3] kan verklaren onderbouwd door te verwijzen naar het “Overzicht telio gesprekken met telefoonnummer [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] (bijlage 7), p. 44”. Een blik over de papieren muur wijst uit dat dit document onder meer inhoudt: “N: Wanneer moet je voor gaan ?
V: Volgens mij ehh , ik weet niet, donderdag. Daarom moet je mijn advocaat ook even bellen van “eh nvt als je wil ik verklaar ook voor hem weet je.”
N: Hmm V: Want je kunt ze laten zien/vertellen dat je mij vast hield, dat hij(derde) mij sloeg, gaf mij een stoot gewoon en nadat ik bijkwam eigenlijk op hem af wou gaan maar ja, dat je mij vast gehouden heb en daarna hoorde je dat hij (derde) schreeuwde. Dus ik kan hem nooit gestoken hebben snap je wat ik bedoel N: Hmmm […] V: Regel dat ding hoor, regel dat ding N: Maak je niet druk V: Regel dat, ik ben nu echt klaar met praten man, ik ga gewoon terug naar mijn cel , voordat ik die telefooncel nvt kanker insla […] V: Bel mijn advocaat en praat met hem, waarschijnlijk ben ik volgend weekend buiten. Zo niet dan gaan ze mij 90 dagen houden. Dat zou super klote zijn”
4.8 Naar mijn oordeel heeft het hof hieruit kunnen afleiden dat – anders dan door de steller van het middel is betoogd – de uitingen van de verdachte zich niet beperkten tot het vertellen “hoe hij de gebeurtenissen ziet”, of het aandringen op het afleggen van een verklaring, maar dat de uitingen er ook toe strekken dat de door [getuige 3] af te leggen verklaring een ontlastende inhoud zal hebben en dat het opzet van de verdachte ook was gericht op de beïnvloeding van [getuige 3] . De uitingen van de verdachte houden immers in dat [getuige 3] tegen zijn advocaat moet zeggen dat hij “voor hem” wil verklaren. Ook bevatten de uitingen van de verdachte een beschrijving van wat [getuige 3] kan laten zien/vertellen over de betrokkenheid van de verdachte bij het steekincident. Tot slot zegt de verdachte in het gesprek tweemaal dat de verdachte “dat ding” moet regelen, waaruit mijns inziens een zekere aanmoediging kan worden afgeleid. In het licht van wat hiervoor onder 4.5 is vooropgesteld, is de bewezenverklaring van feit 2 ten aanzien van het opzet en de kennelijke strekking van beïnvloeding, toereikend gemotiveerd.
4.9 Het middel faalt.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie o.a. HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780, NJ 2019/338, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.3.
Zie o.a. HR 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1840, r.o. 2.3.
HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2092, NJ 2019/240, m.nt. N. Rozemond.