ECLI:NL:PHR:2025:297
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/03095 Zitting 25 maart 2025 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte Inleiding De verdachte is bij arrest van 26 juli 2023 door het gerechtshof Den Haag wegens (parketnummer 09-842168-18) “diefstal” en (parketnummer 09-852188-18) “diefstal door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 386 dagen, met aftrek van het voorarrest, alsook tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Verder heeft het hof beslissingen genomen over de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
Er bestaat samenhang met de zaken 23/03093, 23/03113 en 23/03114. In die zaken waren echter geen middelen ingediend en daarom zijn de desbetreffende cassatieberoepen door de Hoge Raad (op 17 december 2024) niet-ontvankelijk verklaard.
Het onderhavige beroep in cassatie is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel heeft betrekking op de strafoplegging. Het tweede middel klaagt over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase wat betreft de inzendtermijn.
Het eerste middel en de bespreking daarvan 5. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof een wettelijk niet toelaatbare combinatie van straffen heeft opgelegd. Met een beroep op het bepaalde in art. 9 lid 4 Sr wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het opleggen van een taakstraf naast een gevangenisstraf slechts mogelijk is wanneer het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf maximaal zes maanden bedraagt en dat daarvan in de strafoplegging van het hof geen sprake is.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich in een periode van zes maanden twee keer schuldig gemaakt aan diefstal uit een geldtransportwagen. De eerst keer is met de hulp van de chauffeur van de geldtransportwagen de deur van die wagen geopend, waarna de verdachte een sealbag met daarin in totaal € 90.000,- uit die wagen heeft weggenomen. De medeverdachte heeft hierbij bewerkstelligd dat de chauffeur van de geldtransportwagen medewerking zou verlenen.
De tweede keer heeft de verdachte sealbags uit een geldtransportwagen weggenomen met daarin in totaal € 150.000,-.
De bewezenverklaarde feiten brengen niet alleen forse financiële schade met zich mee, maar hebben ook een grote impact op de dienstdoende bankmedewerkers en geldkoeriers. Daarnaast veroorzaakt het onrustgevoelens en overlast voor de omwonenden en de wijk waarin de onderhavige feiten hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft blijkbaar enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 26 juni 2023 waaruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Het hof is van oordeel dat de informatie en conclusies in het reclasseringsadvies van 17 juli 2018 tamelijk verouderd zijn en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gebracht.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden een passende en geboden reactie vormt.
Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is overschreden met bijna 2 jaren. Immers is op 6 augustus 2019 namens de verdachte hoger beroep ingesteld en wijst het hof op 26 juli 2023 eindarrest.
Gelet op deze aanzienlijke termijnoverschrijding zal het hof de overwogen gevangenisstraf matigen tot aan de duur van de ondergane voorlopige hechtenis en daarnaast een taakstraf van na te melden duur opleggen. […] BESLISSING […] Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 386 (driehonderdzesentachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.”
Het tweede middel en de bespreking daarvan 9. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Slotsom 12. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft daarom mijns inziens geen bespreking.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Dit is het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf en niet het restant na aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht. Zie Kamerstukken II 1997/98, 26 114, nr. 3 (MvT), p. 11 en Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 9 Sr, aant. 7 (nt. 2).
Zie bijv. ook: HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2295; HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2289; HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:655; HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:336; HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1214.