ECLI:NL:PHR:2025:311
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/04294 Zitting 11 maart 2025 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte Inleiding 1. Bij arrest van 17 november 2022 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte wegens “poging tot zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan twee voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opgelegd en heeft het deze dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tevens heeft het hof aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De zaak 4. Tussen de verdachte en de aangever, zijn buurman, bestond al lange tijd onenigheid. Op 23 september 2021 heeft dat geleid tot een geweldsincident. De aangever fietste zijn straat in en de verdachte is op hem af komen lopen. Hij heeft de aangever daarna met zijn vuisten en met een hamer in zijn gezicht geslagen. De zoon van de aangever heeft dit zien gebeuren. Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en heeft de verdachte een contactverbod opgelegd. Ook is de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) toegewezen.
Het eerste middel 5. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd, mede gelet op een tot vrijspraak strekkend verweer.
De bewijsvoering van het hof en een bewijsverweer 6. Het hof heeft ten laste van de verdachte subsidiair bewezen verklaard dat: “hij op 23 september 2021 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] met een hamer en zijn vuisten op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
De verklaring van aangever wordt ondersteund door de op 23 september 2021 afgelegde verklaring van [getuige 3] , zijn zoon. Deze getuige heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte klappen aan het uitdelen was. De verdachte was met zijn vuisten aan het inslaan op het hoofd van een man die op de grond lag. Pas later zag de getuige dat de man die op de grond lag zijn eigen vader was. Op 24 september 2021 heeft de getuige bovendien verklaard dat de verdachte iets in zijn hand had wat op een hamer leek.
Daarnaast wordt de verklaring van aangever ondersteund door het bij hem geconstateerde letsel, te weten een gebroken neus, losse/gebroken tanden, kapotte kaakkopjes en een zware hersenschudding.
Gelet op de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat het alternatieve scenario dat het letsel van aangever is veroorzaakt door een onfortuinlijke val van zijn fiets niet aannemelijk is geworden. De door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen doen daar niet aan af. Deze verklaringen sluiten namelijk niet uit dat het letsel is opgelopen door toedoen van de verdachte, nu uit de verklaringen van de getuigen volgt dat er niet continu zicht op aangever is geweest en er daarmee een tijdspanne zit tussen het moment dat aangever volgens de getuigen zou gaan vallen en het moment dat de getuigen, buiten gekomen, bij aangever zijn en zij constateren dat aangever inmiddels gevallen is. Het hof merkt daarbij op dat de door de verdachte zelf tegenover de politie afgelegde verklaringen, inhoudende dat verdachte heeft gezien dat aangever met een baksteen is geslagen door een persoon die op dat moment een zwarte helm droeg eveneens geen ondersteuning biedt voor dit alternatieve scenario.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die aangever met een hamer en met zijn vuisten heeft geslagen. Het verweer wordt verworpen.”
Een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-17 met de bijbehorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 20 t/m 30): als de op 23 september 2021 afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Ik wens aangifte te doen van mishandeling en poging doodslag tegen mijn buurman woonachtig op de [a-straat 1] te [plaats] .
Vandaag op 23-09-2021 kwam ik thuis aan, ik woon op de [a-straat 2] te [plaats] . Ik zag dat mijn buurman van nummer [1] buiten voor zijn voordeur stond. Ik wilde de confrontatie niet met hem aan en daarom bleef ik aan de overkant van de straat fietsen. Mijn buurman zag mij. Hij kwam direct op mij afgelopen. Hij begon direct met uitschelden van mij. Hij zei dingen in de trant van: “Kanker je moeder” en “Dat is jouw dag” en “ik ga jou afmaken”. Ik zei dat hij mij met rust moest laten en dat ik naar huis wilde gaan.
Ik zag dat hij met een van zijn handen in zijn jas greep. Ik zag dat mijn buurman een hamer pakte uit zijn jas. Vanaf dit moment weet ik niets meer. Ik kwam pas weer bij kennis in het ziekenhuis. Ik heb veel pijn aan mijn voorhoofd, achterhoofd, kaak en nek. Mijn neus is gebroken en mijn voortanden van mijn bovenkaak ook. Ik heb geen gevoel meer in mijn tandvlees van mijn bovenkaak.
2.
Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 24 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-23 met de bijbehorende bijlage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 31 t/m 34): als de op 24 september 2021 in concept afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Gisteren kwam ik terug van een afspraak. Ik fietste mijn straat in. Ik zag die buurman van nummer [1] in de deuropening staan. Ik wilde wegfietsen. Ik zag dat hij zijn voordeur dichtdeed. Hij kwam op mij afrennen. Ik hoorde hem schreeuwen: "Kom hier! Je kankermoeder! Dit is jouw dag! Ik ga jou afmaken!”
Ik zag dat hij iets uit zijn binnenzak van zijn jas pakte. Ik zag dat het een hamer was. De hamer had een bruin handvat. Ik weet niet meer precies wat voor hamer het was maar ik weet 100% zeker dat het een hamer was. Wat er daarna gebeurde weet ik niet meer. Ik weet alleen dat ik wakker werd in de ambulance.
3.
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-3 met de bijbehorende bijlage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 35 t/m 38): als de op 23 september 2021 in concept afgelegde verklaring van [getuige 3] :
Op 23 september 2021 was ik in mijn woning aan de [a-straat 2] te [plaats] . Ik hoorde geschreeuw van buiten komen. Ik keek uit het raam en zag de buurman van nummer [...] (hof begrijpt: [1] ) op straat staan. Ik zag dat de buurman klappen aan het uitdelen was. Ik zag dat de buurman met zijn vuisten insloeg op een man zijn hoofd. Ik zag dat de man op de grond lag. Ik keek nog een keer goed en zag dat het mijn vader was, die op de grond lag en geslagen werd door de buurman. Ik zag dat de buurman vervolgens weg liep in de richting van de [b-straat] .
Ik zag dat mijn vader bloed aan zijn neus had en bloed op zijn hoofd. Ik zag dat mijn vader niet reageerde op wat ik zei.
4.
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-22 met de bijbehorende bijlage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 33 t/m 42): als de op 24 september 2021 in concept afgelegde verklaring van [getuige 3] :
Ik hoorde gisteren een hoop gescheld daarom keek ik naar buiten en toen zag ik alles gebeuren.
Ik zag gisteren niet gelijk dat het om mijn vader ging. Ik kwam daar pas achter toen ik naar buiten ging.
Ik wist gelijk dat het mijn buurman was voor 100%.
Hij had iets in zijn hand wat op een hamer leek. De kleur weet ik niet meer zeker maar ik weet wel zeker dat het een hamer was.
5.
Een proces-verbaal aanhouding verdachte d.d. 23 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 6 t/m 8): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 23 september 2021 omstreeks 16:20 uur, hield ik op de locatie [a-straat] , [plaats] , als verdachte aan:
Verdachte Achternaam [verdachte] Voornamen [...] Geboren [geboortedatum] 1982 Geboorteplaats [geboorteplaats] in Nederland Geslacht Man Adres [a-straat 1] Postcode plaats [plaats] Op 23 september 2021 om 16:07 uur hoorde ik dat er op de [a-straat] ter hoogte van perceelnummer [2] te [plaats] een persoon neergeslagen zou zijn en op de grond zou liggen.
Aangekomen op boven genoemde adres troffen wij een man aan die in de deuropening zat van perceelnummer [2] . De man was bij kennis en keek zeer verward om zich heen. De man had zichtbaar letsel aan zijn hoofd. Het zichtbare letsel betrof:
De man met het letsel werd mij later bekend als: [benadeelde] , geboren [geboorteplaats] 1978.
Ik zag dat er een jongeman achter de aangever stond. Ik vroeg aan hem of hij iets gezien had. Ik hoorde hem verklaren: “Ja.” Ik vroeg aan hem een geldig legitimatie bewijs. De jongeman gaf op te zijn: [getuige 3].
Ik hoorde hem verklaren: "Ja, ik hoorde hard geschreeuw en keek uit het raam. Ik zag de buurman van nummer [1] meerdere keren mijn vader op zijn hoofd sloeg. Daarna rende hij weg." Terwijl ik met de getuige in gesprek was hoorde ik hem ineens zeggen: “Kijk daar loopt hij dat is hem. Die man met dat flesje water in zijn hand.”
Ik ben direct samen met collega [verbalisant 1] richting de man met het flesje water gelopen. Ik vroeg aan hem of hij met mij mee wilde lopen zodat we alleen konden staan. Ik zei tegen de man dat hij niet tot antwoorden verlicht was. Ook vroeg ik een geldig legitimatiebewijs aan de man. De man gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] .
Ik liep terug naar de getuige en vroeg aan hem. Jij weet zeker dat hij het gedaan heeft. Ik hoorde, de getuige verklaren: “Ja, hij sloeg hem op zijn hoofd en rende daarna weg.”
Ik heb hierna de verdachte aangehouden.
6.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-5 met de bijbehorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 43 t/m 52): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 23 september 2021 hoorde ik dat de centrale meldkamer van de eenheid Den Haag een eenheid stuurde naar de [a-straat] ter hoogte van [2] te [plaats] . Alhier zou iemand geslagen zijn en letsel op zijn hoofd hebben. De aangever zou verward overkomen.
Toen ik ter plaatse kwam, zag ik in de deuropening van de woning gelegen aan de van [a-straat 2] een man zitten. Ik zag dat deze man behoorlijk veel bloed in zijn gezicht had. Ik sprak de man aan en ik vroeg hem wat er gebeurd was. Ik zag en ik hoorde dat de man niets terug zei. Ik zag dat de aangever mij wel aankeek. Ik had het idee dat het niet goed met hem ging. Ik vond dat de aangever zowel naar mij als naar collega [verbalisant 2] wazig keek. Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] ook meerdere keren aan de aangever vroeg wat er gebeurd was. Ik hoorde dat de aangever geen antwoord gaf.
Ik zag dat de aangever vers bloed op zijn hoofd had. Ik zag ook dat zijn neus behoorlijk aan het bloeden was en dat er bloed uit zijn mond kwam. Ik zag dat de aangever continu met zijn hand naar zijn hoofd greep. Ik zag dat er op zijn hoofd, een zwarte plek zat. Ik zag dat de aangever een grote bult boven zijn linker oog had. Ik zag dat zijn neus opgezwollen was en dat er behoorlijk veel bloed op zijn neus zat. Ik zag dat hij veel bloed in zijn en om zijn mond had. Ik zag dat zijn tanden in zijn mond loszaten. Ik zag dat de man ook nog bloed op zijn voor- en bovenhoofd had.
Aan het politiebureau bekeek ik de handen van verdachte [verdachte] . Ik zag dat hij op zijn rechterhand, bij zijn middel- en ringvinger zwarte plekken had. Ik zag dat dit tussen zijn knokkels en vingerkootjes zat. Ik zag dat dit dezelfde zwarte kleur was als de zwarte plek die de aangever op zijn hoofd had.
7.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-5 met de bijbehorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 53 t/m 52): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 23 september 2021 kreeg ik van de dienstdoende centralist van het operationeel centrum het verzoek te gaan naar de [a-straat 2] . Op de eerder genoemde locatie, zou een man op straat liggen met een hoop bloed. Deze man zou zijn mishandeld op straat.
Ik hoorde van de dienstdoende ambulancebroeder dat de aangever de volgende verwondingen had:
Medische informatie betreffende [benadeelde] :
De toelichting op het eerste middel 10. De toelichting op het middel bevat drie klachten over de bewijsmotivering en een klacht over de respons op een bewijsverweer. De drie eerstbedoelde klachten houden in dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid (1) dat de verdachte met een hamer op of tegen het hoofd van de aangever heeft geslagen, (2) dat de aangever gebroken kaakkopjes had en (3) dat de aangever een zware hersenschudding had. Verder acht de steller van het middel het onbegrijpelijk dat het hof een door de verdediging opgeworpen alternatief scenario, inhoudende dat het letsel is ontstaan doordat de aangever van de fiets is gevallen, onaannemelijk heeft geacht. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] kunnen dat alternatieve scenario namelijk ondersteunen.
De bespreking van het middel De drie bewijsmotiveringsklachten 11. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte met een hamer tegen of op het hoofd van de aangever heeft geslagen. Wat mij betreft houdt deze vaststelling in cassatie stand, omdat het hof dit kon afleiden uit de volgende combinatie van bewijsmiddelen: (i) de verklaring van de aangever, te weten dat hij heeft gezien dat de verdachte een hamer uit zijn zak pakte en dat hij daarna niets meer wist (bewijsmiddelen 1 en 2), (ii) de verklaring van [getuige 3] , te weten dat de verdachte “klappen aan het uitdelen was” en “iets in zijn hand [had] wat op een hamer leek. De kleur weet ik niet meer zeker maar ik weet wel zeker dat het een hamer was” (bewijsmiddelen 3 en 4), en (iii) de aard van het geconstateerde letsel, waarvan het ontstaan – zo begrijp ik het (onuitgesproken) oordeel van het hof – beter past bij de toebrenging van letsel met een hard voorwerp, dan bij de toediening van uitsluitend vuistslagen.
De klachten over het verweer waarin een alternatief scenario wordt voorgedragen 14. De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat het bij de aangever geconstateerde letsel “veroorzaakt kan zijn” door een “noodlottige val van de fiets”. Het hof heeft dit (alternatieve) scenario niet aannemelijk geacht omdat de verklaring van de aangever, te weten dat de verdachte hem heeft aangevallen, wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 3] (de zoon van de aangever), die dat met eigen ogen heeft zien gebeuren. De verklaringen waarnaar de verdediging ter ondersteuning verwijst (die van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ), houden volgens het hof een leemte in voor wat betreft het moment van ofwel de aanval door de verdachte (het scenario waarop de tenlastelegging is gebaseerd), ofwel de val van de fiets (het alternatieve scenario). Die getuigenverklaringen differentiëren dus niet tussen de twee scenario’s. Het hof heeft die verklaringen kennelijk om die reden ook niet tot het bewijs gebezigd.
Bovendien wijst het hof er uitdrukkelijk op dat ook de verklaring van de verdachte zelf geen ondersteuning biedt voor het alternatieve scenario; de verdachte heeft immers verklaard dat hij heeft gezien dat iemand het slachtoffer met een baksteen sloeg.
Het tweede middel 17. Blijkens de toelichting, wordt in het tweede middel met drie deelklachten opgekomen tegen de vrijheidsbeperkende maatregel. Ten eerste is de maatregel te onduidelijk geformuleerd en bovendien onhoudbaar omdat het hof daaronder een (algemeen) verbod heeft geschaard om “contact [te] hebben” met de aangever. Ten tweede heeft het hof een onjuiste maatstaf aangelegd bij zijn beslissing om de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tot slot volgt uit de sanctiemotivering niet dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden.
De beslissing van het hof en de motivering van vrijheidsbeperkende maatregel 18. Het hof heeft de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd die inhoudt dat “de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] ”. De oplegging en de verklaring tot dadelijke uitvoerbaarheid van het contactverbod heeft het hof als volgt gemotiveerd: “Voorts ziet het hof ter voorkoming van strafbare feiten aanleiding om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contactverbod zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Het hof beoogt hiermee te voorkomen dat de verdachte nog op enigerlei wijze contact met de aangever zal opnemen.
Het hof stelt - met de politierechter - vast dat er al langere tijd onenigheid is tussen de verdachte en aangever en dat zij vlak bij elkaar wonen. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat die onenigheid nog steeds bestaat. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er vooralsnog ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaald persoon of bepaalde personen. Daarom zal het hof bevelen dat de hierna genoemde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Het hof komt daarbij tot een langere duur dan door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, waarbij het hof zal bepalen dat de periode gedurende welke de maatregel reeds van kracht is, van deze tijd dient te worden afgetrokken. Het hof verwijst in dit verband naar de Memorie van toelichting (II Kamerstukken 2010/2011 3255 nr. 3, onder 6.3).”
Het beoordelingskader: de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid 19. Op grond van artikel 38v lid 1 Sr kan de rechter een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen, waaronder een contactverbod, indien iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld. Een contactverbod houdt, zo volgt uit de wetsgeschiedenis, een verbod in om contact te leggen of te laten leggen met zekere personen of instellingen. De maatregel dient betrekking te hebben op situaties waarin de verdachte op eigen initiatief contact heeft met degene ten aanzien van wie het verbod geldt. De rechter moet in zijn uitspraak zo concreet mogelijk vastleggen wat de maatregel inhoudt.
De toelichting op het tweede middel 23. De steller van het middel legt in de toelichting uit dat de maatregel zo is geformuleerd dat daaronder ook de situatie valt dat de aangever zélf contact zoekt met de verdachte, terwijl die situatie niet binnen de invloedssfeer van de verdachte ligt. Met betrekking tot de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel wordt geklaagd (1) dat het hof een onjuist criterium heeft gehanteerd doordat het acht heeft geslagen op het gevaar dat de verdachte “vooralsnog” vormt en (2) dat de motivering geen blijk geeft van de vereiste belangenafweging.
De bespreking van het tweede middel De klacht over de inhoud van het contactverbod 24. Het hof heeft de verdachte een verbod opgelegd om met de aangever contact op te nemen, te zoeken of te hebben. Ten aanzien van het doel van dat verbod overweegt het hof dat het wil voorkomen dat de verdachte nog op enigerlei wijze contact met de aangever zal opnemen.
De klachten over de dadelijke uitvoerbaarheid 26. Het hof heeft geoordeeld dat het opgelegde contactverbod dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard omdat er “vooralsnog ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaald persoon of bepaalde personen.” Aan dit oordeel legt het hof ten grondslag dat: (i) de verdachte met zijn vuisten en een hamer tegen het hoofd van de aangever heeft geslagen, hetgeen een grove inbreuk maakt op diens lichamelijke integriteit en gevolgen heeft gehad voor de psychische gezondheid van de aangever; (ii) de verdachte en de aangever buren zijn; (iii) er al langere tijd onenigheid bestaat tussen hen en dat die onenigheid op het moment van de terechtzitting in hoger beroep nog steeds gaande was.
Het derde middel 30. Met het derde middel wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de kosten voor het opvragen van medische informatie als rechtstreekse materiële schade aangemerkt kunnen worden. Dat oordeel is volgens de steller van het middel onjuist omdat het hier gaat om proceskosten. Om die reden kan voor deze kosten ook geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. Daarnaast bevat het middel een klacht over de foutieve ingangsdatum van de te vergoeden rente over deze kosten.
De processtukken 31. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ met bijlagen van de benadeelde partij [benadeelde] d.d. 22 december 2021. Daarbij is een begeleidende brief gevoegd, met de volgende kostenpost: “5. De materiële schade Omschrijving materiële schade Bedrag Bijlage Opvragen medische stukken € 56,12 1 (…).
Cliënt heeft ten gevolge van het misdrijf materiële schade opgelopen. Hij heeft fysiek letsel door het handelen van verdachte opgelopen en hij heeft hierdoor kosten gemaakt om medische informatie op te vragen, zie bijlage 1.”
De overwegingen en het dictum van het hof over de vordering tot schadevergoeding 34. Het hof heeft ten aanzien van de materiële vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen (onderstrepingen mijnerzijds): “Vordering tot schadevergoeding [benadeelde] In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.156,12. (..).
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat tot een bedrag van € 156,12 aan materiële schade is geleden [DA: met inbegrip van € 56,12 voor het opvragen van medische gegevens]. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.”
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de aangever, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.656,12 (tweeduizend zeshonderdzesenvijftig euro en twaalf cent) bestaande uit € 156,12 (honderdzesenvijftig euro en twaalf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. (..).
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 23 september 2021.”
Het beoordelingskader: vermogensschade, proceskosten en de wettelijke rente 37. Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt – overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht – slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan volgens artikel 6:95 lid 1 BW bestaan uit (onder meer) vermogensschade. Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten. Vermogensschade bestaat (dus) uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is de volledige vergoeding van de concreet geleden schade.
De toelichting op het derde middel 45. In de toelichting wordt bepleit dat de kosten van het opvragen van medische gegevens geen rechtstreeks geleden materiële schade betreft die door middel van een schadevergoedingsmaatregel vergoed kan worden. Volgens de steller van het middel zijn het weliswaar kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW, maar zijn het tevens proceskosten zodat op grond van artikel 6:96 lid 3 BW de proceskostenregeling van toepassing is. Daarnaast merkt de steller van het middel op dat het maken van de kosten niet redelijk is geweest omdat de huisarts deze niet in rekening had mogen brengen gelet op het feit dat huisartsen verplicht zijn eenieder die daarom vraagt kosteloos een afschrift van diens medisch dossier te verstrekken.
De bespreking van het derde middel De klacht dat medische kosten proceskosten zijn 47. Het hof heeft de kosten voor het opvragen van medische gegevens aangemerkt als materiële schade die het rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling. Het hof heeft het maken van deze kosten en de omvang ervan kennelijk redelijk geacht zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen. De vraag die de steller van het middel opwerpt is of het hof deze kosten had moeten aanmerken als proceskosten als bedoeld in artikel 532 Sv jo. artikel 237 – 240 Rv en artikel 6:96 lid 3 BW.
De klacht over de ingangsdatum van de wettelijke rente 50. Wat betreft de klacht over de ingangsdatum van de te vergoeden rente: het is inderdaad niet zonder meer begrijpelijk dat het hof heeft vastgesteld dat de bedoelde schade is ingetreden op 23 september 2021 nu pas op 9 december 2021 een opeisbare vordering van een derde (de huisarts) is ontstaan. Deze klacht is dus terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de ingangsdatum van de wettelijke rente voor wat betreft de kosten van het opvragen van de medische gegevens te bepalen op 9 december 2021.
Slotsom 52. Het tweede middel leidt wat mij betreft tot een verbeterde lezing van het dictum ten aanzien van de inhoud van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. Daarna faalt het middel alsnog.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Of indien overeenkomstig artikel 9a Sr wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 24. Zie hierover ook M.E. van Wees, Vrijheidsontnemende en vrijheidsbeperkende maatregelen, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 193-194.
Dat betekent, bijvoorbeeld, dat de rechter het een verdachte niet zonder meer kan verbieden contact te leggen met alle bewoners van een bepaalde wijk of met alle minderjarigen. In de wetsgeschiedenis lijkt wel de mogelijkheid opengelaten te worden van een contactverbod met een groot aantal supporters van een voetbalvereniging, indien voor de verdachte voldoende duidelijk is wie dat zijn. Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 6, p. 9 en 10.
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 6-7. Naar deze wetsgeschiedenis wordt door de Hoge Raad ook verwezen in zijn rechtspraak met betrekking tot artikel 38v Sr. Zie o.a. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1680, rov. 2.3.2, HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, rov. 2.5.2, en HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2916, NJ 2015/432, rov. 2.3.2.
De Hoge Raad stelt geen uitgebreide motiveringseis in gevallen waarin de rechter een vrijheidsbeperkende maatregel oplegt. Uit de (betrekkelijk schaarse) rechtspraak van de Hoge Raad over de motiveringseisen van artikel 38v Sr kan worden opgemaakt dat de rechter in ieder geval behoort te motiveren dat de maatregel wordt opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Ontbreekt elke vorm van motivering, dan wordt gecasseerd (zie HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, rov. 2.6).
De mogelijkheid tot het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de maatregel maakt een uitzondering op de regel dat tenuitvoerlegging in principe pas aanvangt als de veroordeling onherroepelijk is geworden. Om die reden geldt dat een maatregel alleen dadelijk uitvoerbaar verklaard mag worden als het gevaar dat van de verdachte uitgaat een hogere mate van ernst heeft dan voor de enkele oplegging van de maatregel op grond van artikel 38v lid 1 Sr is vereist. Alleen dan rechtvaardigt de bescherming en de veiligheid van anderen dat in een concreet geval wordt afgeweken van het uitgangspunt dat een uitspraak onherroepelijk is voordat de tenuitvoerlegging van start gaat.
HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1028.
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 24.
Zie hierover onder meer het overzichtsarrest benadeelde partij, HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga.
Zie art. 6:162 BW, en zie HR (civiele kamer) 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600, NJ 2016/380 (X/Rabobank).
T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse & S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 312; S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1 (Monografieën BW nr. B34), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 65.
S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1 (Monografieën BW nr. B34), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 65.
Zie bijvoorbeeld HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5333, rov. 2.5.
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga, rov. 2.7.3; HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414, NJ 2023/182, rov. 2.4.1.
Art. 241 Rv luidt: “Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing. Dit artikel is niet van toepassing ter zake van kosten als bedoeld in artikel 96, vijfde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.”
In de parlementaire geschiedenis van de Invoeringswet Boeken 3-6 Nieuw B.W. eerste gedeelte, bevattende wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en de Faillissementswet (Kamerstukken II 1980/81, 16 593, nr. 3 (MvT), p. 7-8) is hierover opgemerkt (onderstreping mijnerzijds): “dat [thans art. 241 Rv] het geval regelt van samenloop van de bepalingen betreffende proceskosten en die van [thans] artikel [6:96] lid 2 onder b en c [BW]. In de memorie van antwoord betreffende Boek 6 wordt bij dit artikel opgemerkt dat de kosten van lid 2 onder b en c niet mede de proceskosten omvatten. Dit behoeft echter verduidelijking, omdat beide groepen van kosten elkaar kunnen overlappen. Te denken valt met name aan de kosten van voorbereiding van de dagvaarding en andere gedingstukken en die van de instructie van de zaak. Zo het tot een proces komt, moeten deze kosten begrepen worden in de salarissen en verschotten en plegen zij in deze vorm in belangrijke mate te worden vergoed […]. Komt het echter niet tot een proces, dan zullen de kosten, voorzover zij redelijk zijn, krachtens [thans art. 96] lid 2 onder b en c voor vergoeding in aanmerking komen. […] Tegen deze achtergrond is het wenselijk dat komt vast te staan dat in geval de hier bedoelde bepalingen samenlopen, omdat een procedure is aangespannen, voor de onderhavige kosten geen vergoeding op grond van [thans art. 6:96] kan worden toegekend, maar dat dan uitsluitend de bepalingen betreffende proceskosten van toepassing zijn. […] Dat de verliezende partij in de proceskosten pleegt te worden veroordeeld, vindt […] niet zijn grond in een verplichting tot schadevergoeding, maar in andere overwegingen die zich aldus laten samenvatten, dat het verbod van eigenrichting en de daarmee samenhangende, vrijwel onbeperkte vrijheid een ander in rechte te betrekken en zich in rechte tegen eens anders aanspraken te verdedigen, kan meebrengen dat het gerechtvaardigd is de kosten van het geding, voor zover zij niet ten laste van de overheid blijven, over partijen te verdelen op een wijze waarbij aan overwegingen van procesrisico en procesbeleid mede betekenis wordt toegekend, onder meer om te voorkomen dat de voormelde vrijheid door de vrees voor een veroordeling tot omvangrijke proceskosten in het gevaar zou worden gebracht […]. Dit kan verklaren waarom de proceskosten waarin de verliezende partij veelal wordt veroordeeld vaak geen volledige vergoeding opleveren van hetgeen de winnende partij aan het proces ten koste heeft gelegd. […] Een volledige vergoedingsplicht is wel denkbaar, doch alleen in “buitengewone omstandigheden” […]. Daarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad.”
Zie HR (civiel) 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600, NJ 2016/380 m.nt. Krans (eiser/Rabobank): “Uit de wettekst en de zojuist aangehaalde toelichting volgt dat de art. 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Deze regeling derogeert ingevolge art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv aan art. 6:96 lid 2 BW. Zij derogeert eveneens aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden.”
Deze kosten kunnen ook niet worden meegenomen bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Voor zover proceskosten worden gevorderd als onderdeel van de schade in de zin van artikel 51f Sv, moet de rechter de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk verklaren. Zie HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga, rov. 2.7.2 en 2.9.2.
S.D. Lindenbergh, in: T&C BW, art. 6:96 BW, aant. 4 (online, bijgewerkt tot 15 februari 2025). ‘Van kleur verschieten’ heb ik ontleend aan de lezenswaardige noot van Brunner onder HR 3 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5568, NJ 1988/275, onder 2 en 3 (ik geef die passages hier weer): “De kosten van rechtsbijstand vallen in beginsel ook onder de kosten die krachtens art. 6.1.9.2 lid 2 NBW deel uitmaken van de schade en dus volledig, zij het binnen redelijke grenzen, moeten worden vergoed. Komt een minnelijke regeling tot stand, dan zijn die kosten deel van de schade die geheel of gedeeltelijk wordt vergoed. Anders wordt het echter, indien wordt geprocedeerd. Dan kunnen als schade alleen de buitengerechtelijke kosten worden gevorderd, omdat in de kostenveroordeling krachtens art. 56 Rv de proceskosten zijn begrepen.
Die veroordeling in de proceskosten wordt bij ons traditioneel niet beschouwd als een vergoeding van schade, maar als een door de in het ongelijk gestelde partij te betalen bijdrage in de kosten van de andere partij. Krachtens een informeel met de Haagse balie overeengekomen tarief, dat landelijk wordt toegepast, wordt het bedrag van de te liquideren proceskosten berekend op basis van het aantal procesverrichtingen en het belang van de zaak. In zijn declaratie aan de client berekent de advocaat zijn honorarium naar andere maatstaven (tijd, moeilijkheid, specialistische deskundigheid, belang en uitkomst). Dat en waarom — naar het inzicht van de regering — de veroordeling in de proceskosten niet beoogt een volledige vergoeding van de kosten van de rechtsbijstand aan de winnende partij te geven, wordt uiteengezet in de m.v.t. op het bij Invoeringswet 16593, p. 8, gegeven toelichting op het aan art. 57 Rv toegevoegde zesde lid.
Vermeden moet worden, dat de vrees voor een zeer hoge kostenveroordeling, pp. weerhoudt van het entameren van een proces of van het voeren van verweer. Het verschil in begroting accentueert het belang van de afbakening van buitengerechtelijke kosten en proceskosten. (…). Het inmiddels bij Invoeringswet vastgestelde zesde lid van art. 57 Rv bepaalt, dat jegens de tegenpartij niet op grond van art. 6.1.9.2 lid 2 NBW een vergoeding kan worden toegekend voor de kosten van verrichtingen waarvoor de in art. 56 en 57 Rv bedoelde proceskosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. In het in art. 6.1.9.2 NBW bij Invoeringswet toegevoegde derde lid wordt dit in herinnering gebracht.
Art. 57 lid 6 beoogt niet de grenzen van wat onder proceskosten valt buiten die van het huidige recht uit te breiden, noch aan te geven waar de grens ligt tussen proceskosten en de volledig buitengerechtelijke kosten, die wel voor vergoeding als schade in aanmerking komen (m.v.t., t.a.p.). Door de kosten verbonden aan de instructie van de zaak uitdrukkelijk onder de proceskosten van art. 56 Rv te begrijpen, kan een belangrijk deel van de kosten van rechtsbijstand voor en tijdens het proces, niet als schade worden gevorderd. Daarmee is de grens tussen proceskosten en buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand — anders dan de regering meent — vergaand gefixeerd. Ik zou denken, dat veruit het belangrijkste deel van de werkzaamheden van een advocaat, buiten de strikte proceshandelingen, bestaat in de feitelijke en juridische instructie van de zaak.
Daar buiten vallen globaal alleen de kosten van aanmaning buiten rechte en de kosten van onderhandelingen over een minnelijke regeling. Door over de zaak te procederen verschieten de kosten van rechtsbijstand buiten proces voor een groot deel van kleur: behoorden de kosten van instructie van de zaak eerst tot de schade die vergoed moet worden, nu zijn het kosten geworden die niet meer afzonderlijk in rekening gebracht kunnen worden, maar die geacht worden deel uit te maken van de geliquideerde kosten. Dit variabele karakter van de kosten van rechtsbijstand is door de regering in de toelichting op art. 57 lid 6 onderkend en is door de HR ook reeds voor het huidige recht aanvaard. Zie de slotalinea van r.o. 3.2 van het arrest.
Zo lang het honorarium van de advocaat volgens andere maatstaven wordt berekend, dan bij de begroting van de proceskosten door de rechter worden aangelegd, is dit resultaat onvermijdelijk.”
Vgl. HR (strafkamer) 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7077, NJ 2008/468 m.nt. Borgers, waarin het hof vergoeding van kosten van opsporing van een strafbaar feit als buitengerechtelijke kosten had toegewezen en de Hoge Raad dat oordeel in stand liet. Die uitspraak is vergelijkbaar met: HR (strafkamer) 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5333, waarin het ging om de kosten die door de benadeelde partij waren gemaakt in het kader van een onderzoek door een extern bedrijfsrecherchebureau, en waarin ‘s hofs oordeel dat het redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid betrof in cassatie in stand bleef.
Zie HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414, NJ 2023/182, rov. 2.5.
Zie ter ondersteuning ook de in voetnoot 16 onderstreepte passage in de parlementaire geschiedenis.
Lindenbergh schrijft hierover het volgende: “Volgens art. 6:81 BW is de schuldenaar in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van art. 6:82 en 6:83 BW is voldaan. Art. 6:82 BW hanteert als uitgangspunt dat een ingebrekestelling nodig is, waarin de benadeelde een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld. Art. 6:83 BW bepaalt evenwel dat het verzuim in een aantal gevallen zonder ingebrekestelling intreedt. Wanneer het gaat om een verbintenis tot schadevergoeding die voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in art. 6:74 lid 1 BW, dan treedt het verzuim volgens art. 6:83 onderdeel b BW in zonder ingebrekestelling, wanneer de prestatie opeisbaar is geworden en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen.” Zie S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1 (Monografieën BW nr. B34), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 78.
Zie ook HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga, rov. 2.5.
S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1 (Monografieën BW nr. B34), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 78; S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, afd. 10 Boek 6 BW, aant. 3.5.5.
In dit verband wordt verwezen naar de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), voor zover opgenomen in art. 7:456 BW, en art. 12 lid 5 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.2, en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2.