PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01341 Zitting 14 maart 2025 CONCLUSIE G.R.B. van Peursem In de zaak [Werkneemster] , verzoekster tot cassatie tegen Rijksuniversiteit Groningen, verweerster in cassatie Partijen worden hierna verkort aangeduid als [Werkneemster] respectievelijk RUG, de universiteit of Werkgever. 1Inleiding 1.1 Deze zaak gaat over een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst van een wetenschapper bij de RUG op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3 sub g BW, de ‘g-grond’). Volgens Werkneemster houdt het ontbindingsverzoek verband met een essay dat zij in 2019 heeft gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift waarin zij kritiek heeft geuit op een deel van het genderbeleid van de universiteit (bevordering doorstroming vrouwelijke wetenschappers naar hogere functies), zodat met de ontbinding inbreuk wordt gemaakt op haar recht op vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid. Daarnaast houdt partijen in cassatie verdeeld of de RUG heeft voldaan aan haar herplaatsingsverplichting (art. 7:669 lid 1 BW). 1.2 Volgens de kantonrechter was sprake van een voldragen g-grond en werd irrelevant geacht of er sprake is van inbreuk op Werkneemsters hiervoor bedoelde (sociale) grondrecht(en), terwijl de RUG voldoende herplaatsingsinspanningen had verricht, zodat de arbeidsovereenkomst kon worden ontbonden. Weliswaar rekende de kantonrechter de verstoorde arbeidsverhouding in belangrijke mate de RUG aan, maar dat zou zich hooguit kunnen vertalen in toekenning van een billijke vergoeding, maar daar maakte Werkneemster in eerste aanleg nog geen aanspraak op. Het hof komt ook tot een ontbindingsoordeel, maar langs een andere route. Volgens het hof is geen sprake van inbreuk op haar grondrechten, omdat er geen voldoende causaal verband bestaat tussen de publicatie van het essay en het ontbindingsverzoek. Die publicatie is wel een schakel geweest in de gebeurtenissen die hebben geleid tot het ontbindingsverzoek, maar geen essentiële schakel volgens het hof. Daarnaast komt het hof net als de kantonrechter tot het oordeel dat herplaatsing niet mogelijk is. 1.3 In cassatie bestrijdt Werkneemster dat het hof, gelet op haar beroep op haar recht op vrijheid van meningsuiting, een juiste maatstaf heeft aangelegd ten aanzien van bedoeld causaal verband, waarbij het hof bovendien niet voorbij kon gaan aan haar beroep op de academische vrijheid. Naast deze rechtsklachten richt zij ook motiveringsklachten tegen het causaal verbands-oordeel. 1.4 Ik zie deze klachten geen doel treffen.
(2022), waarin werd geoordeeld dat zelfs een overweging ten overvloede van een tuchtrechter in een zaak die niet op een tuchtrechtelijke veroordeling uitliep wegens verjaring een inmenging kan zijn. Het ging om een wetenschappelijke medewerker van defensie, tevens hoogleraar constitutioneel recht aan een Spaanse universiteit, die in een op televisie uitgezonden wetenschappelijk debat kritiek had geleverd op de Spaanse grondwet. In een obiter dictum gaf de tuchtrechter ondanks dat het feit verjaard was echter wel aan dat de medewerker hier wel de wet had overtreden met zijn uitlatingen. Dat beschouwde het Hof als een feitelijke waarschuwing of vermaning aan zijn adres, die een chilling effect op hem kan hebben en hem ervan kan weerhouden in de toekomst soortgelijke meningen te uiten, aangezien er mogelijk nieuwe procedures kunnen worden gestart. 4.11 Eerder was in Steur/Nederland door het EHRM al iets vergelijkbaars geoordeeld in een advocatentuchtrechtzaak. De advocaat in kwestie – die kritiek had op de werkwijze van een opsporingsambtenaar tijdens een verhoor – was berispt, omdat hij professionele normen had geschonden. Dat kan een negatief effect hebben op de advocaat, in die zin dat hij zich beperkt zou kunnen voelen in zijn keuze van feitelijke of juridische argumenten bij de verdediging van zijn cliënten in toekomstige zaken. De advocaat is daarmee onderworpen aan een ‘formality’ of ‘restriction’ van zijn vrijheid van meningsuiting, zodat gesproken kan worden van inmenging. 4.12 Uit deze rechtspraak volgt dat de vraag of de aard van een bepaalde maatregel meebrengt dat sprake is van een inmenging in de zin van art. 10 EVRM, er sterk mee samenhangt of de maatregel de mogelijkheid schept van een chilling effect in de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting. Causaal verband tussen uiting en sanctie 4.13 Pas als er sprake is van een causaal verband tussen een meningsuiting en een sanctie, kan die sanctie kwalificeren als een ‘inmenging’ in de zin van art. 10 EVRM. Bij de vaststelling van dat causaal verband moet worden gelet op het geheel van gebeurtenissen vanaf de uiting tot aan het opleggen van de sanctie, in hun onderlinge samenhang bezien. Bij dergelijke causaliteitsvraagstukken is sprake van een sterk feitelijke beoordelingscomponent. 4.14 In Żurek/Polen, ook uit 2022, was dit causaal verband tussen uiting en sanctie aan de orde. Het ging hier om uitingen van een rechter, die tevens lid en woordvoerder was van de Poolse Raad voor de Rechtspraak (NCJ), in de periode 2015-2018 die vooraf ging aan de controversiële wetswijziging waarmee de NCJ onder de controle van het parlement werd geplaatst door de toenmalige PIS-regering. Żurek wees in die periode in zijn hoedanigheid van woordvoerder veelvuldig in de media op de bedreigingen voor de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht die voortvloeiden uit de betreffende wetswijziging. Vervolgens werd hij ontslagen als woordvoerder van de regionale rechtbank van Krakau en werd zijn positie als woordvoerder van de NCJ ook beëindigd. Verder werd hij geconfronteerd met disciplinaire procedures en onderzoeken door justitiële en fiscale autoriteiten die zich uitstrekten tot zijn familie. 4.15 Het EHRM stelt voorop dat om te bepalen of er sprake is van een inmenging eerst moet worden nagegaan of er een causaal verband is tussen uiting en sanctie. Het Hof memoreert eerdere rechtspraak waarin inmenging werd aangenomen bij maatregelen die uitsluitend of hoofdzakelijk (exclusively or principally) het gevolg waren van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting. In gevallen daarentegen waarin de maatregelen voornamelijk (mainly) verband hielden met het vermogen van de verzoeker om zijn of haar taken uit te voeren, was geen sprake van inmenging. Dit vat het Hof als volgt samen in Żurek/Polen: ‘202. Where the Court has found that the measures complained of were exclusively or principally the result of the exercise by an applicant of his or her freedom of expression, it has taken the view that there was an interference with the right under Article 10 of the Convention […]. In cases where it has, by contrast, considered that the measures were mainly related to the applicant’s capacity to perform his or her duties, it found that there had been no interference under Article 10 […].’ (Onderstrepingen A-G) 4.16 Het EHRM houdt rekening met de redenen die de autoriteiten aanvoeren en met argumenten in eventuele latere procedures. Desalniettemin voert het EHRM ook zelf een onafhankelijke beoordeling uit om te bepalen of dit causaal verband aanwezig is tussen uiting en maatregelen. Daarbij is oog voor de opeenvolging van relevante gebeurtenissen in hun geheel beschouwd, in plaats van een beschouwing van die gebeurtenissen als afzonderlijke incidenten. Bovendien, indien er enig prima facie bewijs is dat er sprake is van bedoeld causaal verband, dan zal de regering moeten bewijzen dat de betrokken maatregelen om andere redenen zijn genomen, zo volgt ook uit Żurek/Polen. 4.17 Het EHRM heeft in die Poolse zaak geoordeeld dat de meeste maatregelen verband hielden met de door Żurek geuite kritiek en dat er dus wat betreft die maatregelen sprake was van inmenging. Maar voor de voortijdige beëindiging van zijn ambtstermijn als rechterlijk lid van de NCJ lag dat volgens het Hof anders. Die beëindiging, wat het verlies van zijn woordvoerderschap van dat orgaan betekende, hield volgens het Hof alleen in zekere mate verband met de uitoefening van zijn vrijheid van meningsuiting, maar werd niet primair door die factor gemotiveerd. Er was wat die maatregel betreft dus geen sprake van inmenging: “209. (…) In the light of the objective pursued by the authorities in the 2017 Amending Act, the Court considers that the termination of the applicant’s term of office as a judicial member of the NCJ entailing the loss of his position as the spokesperson of that body was to some extent connected with the exercise of his freedom of expression, but it was not primarily motivated by that factor. (…).” (Onderstrepingen A-G) 4.18 Dit is een voor onze zaak in mijn optiek ook wezenlijk onderscheid, zo zullen we bij de bespreking van de klachten van subonderdeel 1c hierna zien. Het gaat er volgens het EHRM dus om wat de primaire reden is voor de sanctie. Alleen als de sanctie uitsluitend of hoofdzakelijk (‘exclusively or principally’) het gevolg is van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, dan is er sprake van een inmenging en moet als volgende stap worden nagegaan of de inmenging toelaatbaar is onder art. 10 lid 2 EVRM. Als het hoofdmotief voor de genomen maatregel daarentegen hoofdzakelijk (‘primarily’) verband houdt met het vermogen van de werknemer om zijn of haar functie uit te oefenen, dan kan niet gesproken worden van een inmenging en komt de bescherming van art. 10 EVRM niet in beeld. En zoals de zaak Żurek/Polen laat zien, is het ook mogelijk dat er bij sommige in een opvolgende reeks getroffen maatregelen sprake is van een hoofdzakelijkheids-causaal-verbands-relatie met de uiting die een inmenging oplevert, die vervolgens op geoorloofdheid onder art. 10 lid 2 EVRM moet worden getoetst, terwijl er bij andere getroffen maatregelen uit die reeks geen sprake is van zo’n causaal verband, omdat die maatregelen niet primair door de uiting zijn gemotiveerd en voor die maatregelen ontbreekt dan een voldoende causaal verband om van een inmenging te kunnen spreken en blijft de bescherming van art. 10 EVRM helemaal buiten beeld. 4.19 Toetsing op bedoeld causaal verband tussen meningsuiting en sanctie was ook aan de orde in de ROC Nijmegen zaak waarover de Hoge Raad in 2022 heeft geoordeeld (toen hij al kennis had kunnen nemen van Żurek/Polen, welk EHRM-arrest werd gewezen ruim 3 maanden ná de conclusie van A-G De Bock in ROC/Nijmegen). Een werkneemster van ROC had een boek gepubliceerd waarin zij de gang van zaken heeft beschreven bij de invoering van onderwijsvernieuwingen. Na publicatie daarvan is zij geschorst en enige tijd later doet ROC een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter. In appel wordt de ontbinding op de g-grond wegens een verstoorde arbeidsverhouding in stand gelaten en is een billijke vergoeding toegekend. De Hoge Raad casseerde omdat het hof ten onrechte buiten beschouwing had gelaten dat er sprake was van een beperking van de vrijheid van meningsuiting. 4.20 In cassatie werd het noodzakelijke causaal verband tussen meningsuiting en sanctie aangenomen, omdat het hof in hoger beroep had vastgesteld dat het ontbindingsverzoek een reactie vormt op de gevolgen die de inhoud van het boek had voor de interne verhoudingen en werkrelaties. Daarmee was het ontbindingsverzoek een inmenging in de vrijheid van meningsuiting, zo oordeelde de Hoge Raad: ‘3.1.3 Het hof heeft vastgesteld dat het ontbindingsverzoek een reactie vormt op de gevolgen die de inhoud van het boek heeft voor de interne verhoudingen en werkrelaties. Deze vaststelling laat geen andere conclusie toe — mede in het licht van het geheel van gebeurtenissen vanaf de publicatie van het boek tot aan (eerst) de schorsing van de werkneemster en (vervolgens) de indiening van het ontbindingsverzoek (zie hiervoor in 2.1 onder (vii)-(x)) — dan dat causaal verband bestaat tussen de publicatie van het boek en het ontbindingsverzoek, en daarmee dat het ontbindingsverzoek een inmenging in de vrijheid van meningsuiting oplevert in de hiervoor in 3.1.2 bedoelde zin. Het onderdeel slaagt.’ 4.21 In haar conclusie vóór deze beschikking heeft A-G De Bock aangegeven dat het criterium voor het causaal verband tussen uiting en sanctie hier is of de publicatie een essentiële schakel is geweest in de causale keten van gebeurtenissen die hebben geleid tot het ontbindingsverzoek en dat om die reden het ontbindingsverzoek niet los kan worden gezien van de meningsuiting: ‘4.33 Naar mijn mening heeft het hof in de bestreden beschikking miskend dat het ontbindingsverzoek van ROC wegens een verstoorde arbeidsverhouding met werkneemster niet los is te zien van de publicatie van haar boek. Dat verband blijkt in feite ook uit wat het hof overweegt in rov. 4.9, namelijk dat het ontbindingsverzoek een reactie vormt ‘op de gevolgen die de inhoud van het boek heeft op de interne verhoudingen en werkrelaties’. De publicatie is dus een essentiële schakel in de causale keten van gebeurtenissen, die geleid hebben tot het ontbindingsverzoek. 4.34 Anders gezegd: zonder de publicatie was dit ontbindingsverzoek niet ingediend. Daarmee is ook direct de vrijheid van meningsuiting in beeld en kan niet worden ontkomen aan een beoordeling van de vraag of het ontslag, als inmenging in die uitingsvrijheid van werkneemster, een gepaste sanctie is. De hierop gerichte klachten slagen dan ook.’ (Onderstrepingen van mij) 4.22 Vervolgens moet dan nog bezien worden of er sprake is van een toelaatbare inmenging is in de zin van art. 10 lid 2 EVRM. De rechter kan dan dus niet volstaan met de constatering dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), zo vervolgt deze conclusie onder 4.35-4.36. Toelaatbaarheid beperkingen op de vrijheid van meningsuiting – art. 10 lid 2 EVRM 4.23 Als de rechter heeft vastgesteld dat er sprake is van een meningsuiting die beschermd wordt door art. 10 EVRM en dat er een inmenging in de vrijheid van meningsuiting heeft plaatsgevonden, dan zal de rechter moeten nagaan of die inmenging toelaatbaar is. Het hof is daar in de bestreden beschikking niet aan toegekomen, omdat het heeft geoordeeld dat er geen causaal verband is tussen uiting en sanctie en zodoende de bescherming van art. 10 EVRM niet in beeld komt. 4.24 De vrijheid van meningsuiting wordt beschouwd als essentieel en onmisbaar in een democratische samenleving. Dat brengt mee dat groot gewicht wordt toegekend aan de mogelijkheid om ruim gebruik te maken van het recht om in het publieke debat meningen te uiten. Beperkingen op de vrijheid van meningsuiting, algemeen of bijzonder, zijn alleen toelaatbaar als zij voldoen aan de eisen uit lid 2 van art. 10 EVRM. Deze moeten (
- i)zijn voorzien bij wet en (
- ii)nodig zijn in een democratische samenleving (iii) ter bescherming van een van de in het tweede lid genoemde belangen: - de nationale veiligheid; - territoriale integriteit of openbare veiligheid; - voorkoming van wanordelijkheden of strafbare feiten; - bescherming van de gezondheid of de goede zeden; - bescherming van de goede naam of de rechten van anderen; - voorkoming van verspreiding van vertrouwelijke mededelingen; - waarborging van het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht. 4.25 Als de beperking is voorzien bij wet en dient ter bescherming van een van deze belangen, dan moet worden beoordeeld of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving. In het nog steeds leidende Handyside-arrest is daartoe als volgt geoordeeld door het EHRM: ‘Freedom of expression constitutes one of the essential foundations of a democratic society and one of the basic conditions for its progress and for each individual’s self-fulfillment. It is applicable not only to ‘information’ or ‘ideas’ that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without there is no democratic society.’ 4.26 Een beperking van een uiting moet daadwerkelijk nodig zijn om bepaalde legitieme doelstellingen te verwezenlijken. Deze noodzakelijkheidstoets wordt ook wel vormgegeven in een proportionaliteits- en subsidiariteitstoets, inhoudend dat van belang is of de beperking van de uitingsvrijheid in verhouding staat tot het te bereiken doel en of er geen andere, minder ingrijpende maatregel was om het gestelde doel te bereiken. Bij de belangafweging die de nationale rechter moet maken, dienen alle omstandigheden van het geval in de beoordeling te worden betrokken. Daarbij spelen de volgende factoren een rol: - context van de beperking; - belang van de uiting; - aard en ernst van de inbreuk; - aard en ernst van de belangenaantasting die het gevolg is van de uiting; - belang van de uiting voor de betrokkene; - hoogte en aard van eventuele sancties. 4.27 Bij de beoordeling van de redelijkheid van een opgelegde sanctie speelt ook de klassieke hoofdvraag of de sanctie een chilling effect kan hebben op het uitoefenen van de vrijheid van meningsuiting. Nagegaan moet worden of mensen ontmoedigd worden om gebruik te maken van dit recht. 4.28 Lidstaten hebben een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid (margin of appreciation) of en in welke mate een inmenging in de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is. Ik laat enkele van de genoemde factoren die in de onderhavige zaak van belang kunnen zijn de revue passeren. Context van de beperking 4.29 De werkgever komt in arbeidsrechtelijke verhoudingen een ruime discretie toe bij het opleggen van disciplinaire en sanctie-maatregelen. Arbeidsverhoudingen berusten op wederzijds vertrouwen, hetgeen meebrengt dat een goed werknemer tegenover zijn of haar werkgever gehouden is tot een zekere mate van discretie en loyaliteit. Uitingen die in een niet-arbeidsverhouding toelaatbaar worden geacht, kunnen dat in de context van een arbeidsverhouding onder omstandigheden niet zijn. Het kan zijn dat deze arbeidsrechtelijke loyaliteitsverplichting moet wijken om een ‘very sensitive and important matter of public interest’ aan de kaak te kunnen stelen, aldus bijvoorbeeld Aghajanyan/Armenië: ‘41. The Court reiterates the importance of the duty of loyalty and discretion of employees to their employers, which requires that the dissemination of even accurate information be carried out with moderation and propriety. However, this duty may be overridden by the interest which the public may have in particular information […]. In his interview the applicant raised a very sensitive and important matter of public interest […] concerning, as submitted in the impugned proceedings, the protection of the environment, damage to human health and workplace safety […]. However, the relationship between the applicant’s duty of loyalty and the public interest in being informed about environmental issues and perceived wrongdoing in Armenia’s vast chemicals factory was not examined by the domestic courts at all.’ 4.30 In de zaak Herbai/Hongarije ging het om een werknemer die op een website had gepubliceerd over HRM-kwesties. Zijn (bank)werkgever ontsloeg hem omdat zijn publicaties naar het oordeel van de bank in strijd waren met de gedragscode. In de procedure bij het EHRM stelde de Hongaarse regering zich op het standpunt dat het recht op vrijheid van meningsuiting niet in het geding was omdat de publicaties niet bijdroegen aan een kwestie van algemeen belang. Maar volgens het Hof moeten bij de belangenafweging die een rechter moet uitvoeren in het kader van uitingen van een werknemer die gevolgd zijn door een sanctie zijdens de werkgever in ieder geval de volgende omstandigheden worden afgewogen: - de aard van de meningsuiting; - de motieven van de werknemer voor de uiting; - de schade die de werkgever door de uiting van de werknemer heeft geleden; - de zwaarte van de door de werkgever opgelegde sanctie. De nationale rechter kon volgens het Hof in deze zaak niet tot het oordeel komen dat de publicaties niet beschermd werden omdat het algemeen belang niet in het geding zou zijn. Nu geen sprake leek te zijn van persoonlijke grieven van de werknemer noch van aantoonbare negatieve gevolgen voor de werkgever, was ontslag in dit geval een te zware sanctie. 4.31 Ontslag als sanctie wordt als een van de zwaarste inmengingen beschouwd, omdat het ook een chilling effect kan hebben op andere werknemers. 4.32 Het is in het algemeen wel geoorloofd om gematigde, opiniërende en/of informatieve uitlatingen gericht op kennisdeling of uitwisseling van standpunten te doen. Kritiek op een werkgever is in beginsel ook toegelaten, tenzij de uitingen van de werknemer onnodig grievend voor (andere werknemers van) de werkgever zijn. Daarnaast is het schenden van een eventuele geheimhoudingsplicht die op de werknemer rust, op zichzelf niet doorslaggevend voor de vraag of dat gegeven alleen al een gerechtvaardigde inmenging oplevert jegens de werknemer. Ook bij schending van zo’n geheimhoudingsplicht kan dus sprake zijn van een onaanvaardbare inmenging van de vrijheid van meningsuiting door de werkgever. 4.33 Naarmate de gevolgen van een arbeidsrechtelijke sanctie verstrekkender zijn, zoals bij ontslag, worden hogere eisen gesteld aan de grond voor de beperking van de vrijheid van meningsuiting. Het EHRM heeft geoordeeld dat een werkgever de bevoegdheid heeft om een persoon die de belangen van het bedrijf ernstig in gevaar heeft gebracht te ontslaan: ‘75. (…) an examination of the comparative-law material available to the Court reveals that employers generally enjoy broad discretion in determining the sanction that is best adapted to accusations against an employee; the scale of possible sanctions encompasses the power to dismiss a person who has seriously compromised the interests of the company. In the countries examined, the domestic legislation seeks to reconcile the employee’s right to freedom of expression with the employer’s rights and prerogatives, requiring in particular that a dismissal measure be proportionate to the conduct of the employee against whom it is taken (…). The homogeneity of European legal systems in this area is a relevant factor in balancing the various rights and interests at stake in the present case.’ 4.34 In een recente EHRM-zaak uit 2024 stond ook een arbeidsrechtelijke verhouding centraal. Het ging over het ontslag van een senior onderzoeker van een fabriek die chemische producten maakt. De medewerker werd op staande voet ontslagen nadat hij in een interview in een lokale krant had gesproken over bepaalde tekortkomingen in de bedrijfsvoering van de fabriek. Het Hof stelt het belang voorop van de plicht tot loyaliteit en discretie van werknemers jegens hun werkgevers, en dat die plicht vereist dat de verspreiding van informatie, zelfs als die nauwkeurig is, met mate en fatsoen gebeurt. Dit belang van de werkgever kan echter moeten wijken voor het belang dat het publiek kan hebben bij bepaalde informatie, zoals in dat geval bescherming van het milieu, schade aan de menselijke gezondheid en veiligheid op de werkplek. Het is dan aan de nationale rechter om de relatie tussen de plicht tot loyaliteit van de werknemer en het openbaar belang om geïnformeerd te worden te onderzoeken, hetgeen de nationale rechter hier niet had gedaan. Belang van de uiting 4.35 Er is een sterkere bescherming onder art. 10 EVRM als in het kader van ‘het belang van de uiting’ wordt beoogd om een bijdrage te leveren aan het publieke debat, of wanneer een uiting moet worden gezien als een uitoefening van de academische vrijheid. Zo wordt een wetenschappelijk boek sterker beschermd. Daar staat tegenover dat de bescherming zwakker en dus de margin of appreciation voor de staten om grenzen te stellen ruimer is, bij commerciële uitingen of publicaties van sensationele aard in de roddelpers, die in mindere mate het publieke belang dienen. 4.36 Daarnaast kan ook meespelen of de uiting onnodig grievend is geweest. Als een uiting de grenzen van het ontoelaatbare heeft overschreden, of de klager minder grievende bewoordingen had kunnen kiezen of de boodschap op een andere, minder aanstootgevende, manier had kunnen brengen, dan kan dit meewegen ten nadele van de uiter in de belangenafweging. Ook als een publieke kwestie aan de orde is, zijn er grenzen aan de vrijheid van meningsuiting omtrent die kwestie. Zo bijvoorbeeld in Constantinescu/Roemenië in geval van een vakbondsvertegenwoordiger die grievende bewoordingen had gebruikt: ‘72. Even if the context in which the applicant's comments were made was within a debate on the independence of the unions and the functioning of the courts, and was thus of public interest, there are limits to the right to freedom of expression. Notwithstanding the particular role played by the applicant in his capacity as union representative, he had a duty to react within limits fixed, inter alia, in the interest of “protecting the reputation or rights of others”, including the presumption of innocence. It therefore needs to be determined whether he overstepped the limits of permissible criticism. 73. In the Court's opinion, the term “delapidatori”, which refers to persons found guilty of the offence of fraudulent conversion, was of a kind to offend the three teachers because they had not been convicted by a court. 74. The Court considers that the applicant could perfectly well have expressed his criticism – and thus contributed to free public debate of union affairs – without using the word “delapidatori”.’ Het Hof geeft hiermee aan dat het tot de verantwoordelijkheden behoort van eenieder die gebruikmaakt van het recht op vrijheid van meningsuiting, om rekening te houden met de rechten en gevoelens van derden. De uiting kan om die reden onredelijk worden geacht, zodat er ruimte bestaat voor sanctionering. 4.37 Ook in de zaak Palomo Sanchez/Spanje ging het Hof in op uitingen van een werknemer die een beledigend karakter hadden voor functionarissen of leidinggevenden van de werkgever. Het Hof maakte hier onderscheid tussen kritiek en beledigende uitingen, waarbij de laatste categorie een sanctie kan rechtvaardigen. Hieruit volgt ook dat kritiek uiten op de werkgever in beginsel aan de werknemer is toegestaan, als dat binnen de fatsoensnormen blijft. Academische vrijheid 4.38 Het sociale grondrecht academische vrijheid is in Nederland niet separaat geregeld in de Grondwet en is evenmin als zodanig neergelegd in het EVRM. In het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), dat in 2009 juridisch bindend is geworden in de lidstaten van de EU, komt academische vrijheid wel voor. In art. 13 met als opschrift ‘De vrijheid van kunsten en wetenschappen’, staat: ‘De kunsten en het wetenschappelijk onderzoek zijn vrij. De academische vrijheid wordt geëerbiedigd.’ De Toelichting op dit artikel geeft aan dat de academische vrijheid voortvloeit uit de vrijheid van meningsuiting. Daarnaast is de academische vrijheid beschermd onder art. 15 IVESCR (een bepaling zonder rechtstreekse werking in de Nederlandse rechtssfeer, zo ook s.t. Werkneemster onder 5) en bepaalt art. 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat aan de instellingen voor hoger onderwijs de academische vrijheid in acht wordt genomen. In de Toelichting op de voorganger van die wet, de Wet op het wetenschappelijk onderwijs uit 1981, merkt de regering het volgende op over de academische vrijheid (ook geciteerd bij s.t. Werkneemster onder 34): ‘(…) academische vrijheid. Deze is nergens in de wetgeving verwoord. Niettemin wordt algemeen aangenomen dat zij in onze rechtsorde een ongeschreven en door traditie bepaald beginsel vormt dat aan de universitaire bestuursorganisatie mede ten grondslag ligt. Over de vraag, wat de inhoud van dit beginsel is en waar de grenzen ervan liggen, bestaat minder duidelijkheid. De academische vrijheid zien wij als een recht dat ten nauwste samenhangt met de vrijheid van meningsvorming en meningsuiting en dat specifiek gericht is op de positie van de individuele docenten en onderzoekers maar ook op die van studenten. In wezen gaat het erom dat zij in vrijheid onderwijs geven, onderzoek verrichten, respectievelijk onderwijs ontvangen. (…) De academische vrijheid kent dus drie aspecten: de vrijheid in het geven van onderwijs, de vrijheid in het ontvangen van onderwijs en de vrijheid in het beoefenen van de wetenschap.’ 4.39 Bij academische vrijheid gaat het in de kern om het beschermen van het wetenschappelijk debat. Om te kunnen spreken van wetenschappelijk onderzoek dient de uitvoering hiervan vrij van externe invloed te gebeuren. De wetenschapper dient vrij te zijn bij het verzamelen en selecteren van bronnen, het kiezen van methodes, het maken van analyses en het formuleren van conclusies, alsook in het delen van dit onderzoek binnen en buiten de academie. Academische vrijheid ziet daarmee op meer dan het alleen openbaren van gedachten en meningen en valt daarmee niet volledig samen met het klassieke grondrecht van de vrijheid van meningsuiting; feitelijke handelingen in een laboratorium zullen meestal niet kunnen worden gezien als meningsuitingen. Een belangrijk deel van het academische werk bestaat uit publicatie van resultaten van wetenschappelijk onderzoek of het overbrengen daarvan in het onderwijs aan studenten, hetgeen wel valt onder vrijheid van meningsuiting. Onlangs is door het ERHM bevestigd dat het toegang krijgen tot archieven voor de selectie van bronnen en informatie als relevante voorbereidende stap voor onderzoek en publicatie ook wordt beschermd door art. 10 EVRM. 4.40 Het ERHM omschrijft academische vrijheid zo: ‘In the Court’s view, this issue unquestionably concerns his academic freedom, which should guarantee freedom of expression and of action, freedom to disseminate information and freedom to “conduct research and distribute knowledge and truth without restriction”’. 4.41 De in de PI 16 (herhaald bij s.t. Werkneemster onder 6) gegeven omschrijving van academische vrijheid is ontleend aan die van de Verenigde Naties (UNESCO) en luidt in de authentieke Engelse tekst als volgt: ‘(…) the right, without constriction by prescribed doctrine, to freedom of teaching and discussion, freedom in carrying out research and disseminating and publishing the results thereof, freedom to express freely their opinion about the institution or system in which they work, freedom from institutional censorship and freedom to participate in professional or representative academic bodies.’ 4.42 Onder academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting valt ook de vrijheid van universiteiten om vrijelijk hun standpunten kenbaar te maken en de vrijheid van wetenschappers om meningen te uiten over de instellingen of het systeem waarin zij werkzaam zijn. Het gaat dan niet alleen om wetenschappelijk onderzoek in eigenlijke zin, maar ook om hun standpunten en meningen vrijelijk te uiten op het gebied van hun onderzoek, professionele expertise en competentie, zelfs als die controversieel of impopulair zijn. Dit kan zich ook uitstrekken tot een onderzoek naar het functioneren van publieke instellingen in een bepaald politiek systeem en kritiek daarop. Het Hof heeft geoordeeld dat vrijheid van meningsuiting niet is beperkt tot algemeen aanvaarde ideeën. Wel kunnen professionele verplichtingen ook meebrengen dat er grenzen worden gesteld aan de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting. Zo heeft het EHRM in een recente zaak in 2024 geoordeeld dat het gerechtvaardigd kan zijn om de vrijheid van meningsuiting te beperken van een praktiserend arts die wetenschappelijk onhoudbare informatie over medische kwesties verspreidde in een blogpost. 4.43 Academische vrijheid wordt zodoende ook gewaarborgd door art. 10 EVRM en is aan dezelfde beperkingen onderhevig die onder art. 10 EVRM zijn toegestaan, zoals ook volgt uit de al gememoreerde Toelichting op art. 13 van het Handvest: : ‘Dit recht vloeit op de eerste plaats voort uit de vrijheid van gedachte en de vrijheid van meningsuiting. Het wordt uitgeoefend met inachtneming van artikel 1 en kan worden onderworpen aan de beperkingen die krachtens art. 10 van het EVRM zijn toegestaan.’ 4.44 Bij de belangenafweging die moet plaatsvinden bij de toets of een beperking op de vrijheid van meningsuiting toelaatbaar is onder lid 2 van art. 10 EVRM, wordt gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de uiting een academisch karakter heeft. Dat belang moet worden afgewogen tegen de andere relevante belangen. 4.45 In Mustafa Erdogan/Turkije, een zaak over een hoogleraar constitutioneel recht die het Constitutionele Hof bekritiseerde wegens de ontbinding van een politieke partij, waarna die hoogleraar werd veroordeeld tot schadevergoeding aan de leden van dat Constitutionele Hof, hetgeen werd aangemerkt als een inmenging, is uitgemaakt dat elke beperking op de vrijheid van wetenschappers om onderzoek te doen en hun bevindingen te publiceren aan een zorgvuldige toetsing moet worden onderworpen. In die zaak moest het belang van academische vrijheid worden afgewogen tegen dat van individuen die een rechterlijke functie uitoefenen om hun reputatie te beschermen en beschermd te worden tegen persoonlijke beledigingen. Het EHRM benadrukte, als eerder besproken, het belang van onderscheid tussen kritiek en belediging. Als de enige bedoeling van een uiting is om te beledigen, dan vormt een passende sanctie geen schending van art. 10 EVRM. Daarnaast moet ook onderscheid worden gemaakt tussen feiten en waardeoordelen. Nu het hier om waardeoordelen ging met voldoende feitelijke basis, had de nationale rechter niet voldoende gemotiveerd dat de inmenging noodzakelijk was in een democratische samenleving ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. 4.46 Hieruit volgt volgens Groen, gepromoveerd op academische vrijheid, dat de academische context de drempel verhoogt voor het aantonen van de noodzakelijkheid en proportionaliteit van een inmenging. Vanwege het belang van een open academisch debat voor wetenschappelijke ontwikkeling in een democratische samenleving, dient inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting volgens deze auteur uitvoering gemotiveerd te worden. Hoewel art. 10 EVRM de vrijheid van meningsuiting voor iedereen garandeert, verleent het EHRM speciale bescherming aan wetenschappers die door hun wetenschappelijk onderzoek bijdragen aan het publieke debat. 4.47 Ook in Lombardi/Italië speelde de academische vrijheid een rol bij de beoordeling of de inmenging daar noodzakelijk was in een democratische samenleving. Het Hof oordeelde dat daarbij een evenwicht moet worden gevonden tussen het recht van de uiter op vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van het recht om kennis zonder beperkingen over te dragen (academische vrijheid), en het belang van de universiteit om onderwijs volgens zijn eigen religieuze overtuigingen te kunnen geven. 4.48 Sorguç/Turkije speelde ook in de context van de academische vrijheid. De vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt om de reputatie van anderen te beschermen. Het ging in die zaak om een hoogleraar die op een wetenschappelijk congres een paper verspreidde waarin hij in essentie het systeem van benoeming en promotie van wetenschappers aan de universiteit bekritiseerde. Dat is ook een belangrijk element in het essay van Werkneemster in onze zaak. Hij baseerde zich op zijn persoonlijke ervaring (net als Werkneemster in haar essay) en stelde dat de aanwezigheid van personen in promotiepanels die geen experts waren op het gebied van bouwmanagement, leidde tot de selectie van personen met onvoldoende academische kwaliteiten (hier wijkt de casus essentieel af van de onze). Hij beweerde in die context dat een kandidaat, die niet over voldoende kwalificaties beschikte, was gepromoveerd tot assistent-professor. Een UD nam daar aanstoot aan en claimde schadevergoeding die werd toegewezen, waarop de hoogleraar naar het EHRM stapte. Volgens het Hof, dat de schadevergoedingsveroordeling aanmerkte als inbreuk op de vrijheid van meningsuiting, had de nationale rechter niet overtuigend aangetoond dat er een dringende maatschappelijke noodzaak bestond om de bescherming van de persoonlijkheidsrechten van een niet bij naam genoemde persoon te stellen boven het recht van de wetenschapper op vrijheid van meningsuiting èn het algemeen belang bij het bevorderen van deze vrijheid. 4.49 Al eerder is Kula/Turkije de revue gepasseerd, waarin het ging om een wetenschapper die een berisping had gekregen (een eerdere boete was in die berisping omgezet) wegens deelname aan een televisieprogramma buiten zijn woonplaats zonder toestemming van zijn leidinggevende. Het Hof benadrukt dat hier de academische vrijheid in het geding was en dat om die reden een sanctie, hoe gering ook (een reprimande in dit geval), toch gevolgen kon hebben voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting van betrokkene en in dat opzicht een chilling effect kon hebben. Het EHRM toetste vervolgens of de aldus geconstateerde inmenging hier toelaatbaar was. Bij de daartoe noodzakelijke belangenafweging wordt van de rechter verlangd om de noodzaak van de sanctie te onderzoeken in de omstandigheden van het geval waarbij belang moet worden toegekend aan de academische vrijheid waarop verzoeker zich had beroepen. Evaluatie 4.50 Aan de ene kant lijkt zodoende bij een maatregel die interfereert met de uitoefening van de academische vrijheid eerder sprake te kunnen zijn van inmenging in de zin van art. 10 lid 1 EVRM, dan bij maatregelen gericht tegen uitingen die buiten die context worden gedaan en onder de commune vrijheid van meningsuiting vallen. Dat is als gezegd art. 10 lid 1 EVRM materie. Aan de andere kant is in het kader van de toets uit art. 10 lid 2 EVRM op toelaatbaarheid van een inmenging (als die eenmaal is vastgesteld) een af te wegen factor dat een uiting waar een maatregel op is gevolgd verband houdt met de uitoefening van de academische vrijheid. 4.51 Hier stuiten wij op een voor onze zaak relevante kwestie rond de bepaling of sprake is van inmenging in de zin van art. 10 lid 1 EVRM. 4.52 Enerzijds is in 4.18 besproken dat uit Żurek/Polen volgt dat het er in het kader van art. 10 EVRM (in het algemeen) om gaat uit te maken wat het hoofdmotief is voor de genomen maatregel die is gevolgd op een uiting: is die uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, dan is sprake van een inmenging, maar als de getroffen maatregel hoofdzakelijk (primarily) verband houdt met het vermogen van de werknemer om zijn of haar functie te vervullen, dan levert dat geen inmenging op – en blijft de bescherming van art. 10 EVRM helemaal buiten beeld; er wordt dan niet toegekomen aan toetsing volgens het tweede lid of de inmenging geoorloofd is – er is dan immers geen inmenging voorhanden. 4.53 Anderzijds zien we dat wanneer de academische vrijheid in het geding is bij een uiting waar een maatregel op volgt, hoe gering ook, het ERHM al snel aanneemt dat sprake is van inmenging, waarna vervolgens nauwgezet moet worden getoetst aan de toelaatbaarheidseisen van die inmenging onder art. 10 lid 2 EVRM, in welke afweging bepaald gewicht toekomt aan het gegeven dat hier de academische vrijheid in het geding is. 4.54 Hoe die twee naar het lijkt tegengesteld werkende mechanismen zich met elkaar verhouden en wat moet prevaleren bij botsing van deze elementen, zoals die zich in onze zaak lijkt voor te doen, of waar dan meer gewicht aan toekomt, is volgens mij niet (direct of indirect) af te leiden uit de Straatsburgse jurisprudentie. 4.55 Mogelijk dat dit zo moet worden begrepen dat nu bescherming van academische vrijheid geheel loopt via de route van art. 10 EVRM en aan dezelfde beperkingen onderhevig is als de (commune) bescherming van de vrijheid van meningsuiting, de bescherming van de academische vrijheid niet afwijkt van het format waarin de bescherming van de vrijheid van meningsuiting is vormgegeven onder art. 10 EVRM. Dan is er van de hiervoor gesignaleerde mogelijke tegenstrijdigheid, of zo men wil: van een gekwalificeerde vrijheid van meningsuiting in de vorm van academische vrijheid waar andere regels voor gelden, geen sprake. Ik ben daar niet zeker van. 5Bespreking van het cassatiemiddel 5.1 Het cassatiemiddel bestaat uit twee inhoudelijke onderdelen (onderdeel 1 en 2) en een voortbouwklacht (onderdeel 3). Het eerste onderdeel ziet op de beslissing over Werkneemsters beroep op vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid. Onderdeel 2 vecht het oordeel over de herplaatsingsplicht aan. Causaal verband tussen meningsuiting en ontbinding (onderdeel 1) 5.2 In de inleiding van de PI (onder 8 en 9) wordt zijdens Werkneemster de reactie van de kant het faculteitsbestuur benadrukt op de publicatie van haar essay, te weten de e-mail van prof. Nijstand van 16 juli 2019 aan de hele vakgroep en de brief van de decaan in die zomer aan de redactie van het tijdschrift dat het essay heeft geaccepteerd en gepubliceerd. De inleiding (en de klachten) laten evenwel onvermeld wat in de hofbeoordeling als de oorsprong van de verstoorde arbeidsverhouding moet worden gezien: dat is de door het hof als onjuist beoordeelde opvatting van Werkneemster, die al naar voren kwam medio 2018, dat niet van haar kon worden geëist dat zij aan eerder verlangde publicatie-eisen voldeed vóórdat zij een volgende promotiestap kon maken (zij maakte te vroeg aanspraak op promotie op een moment dat zij volgens haar direct leidinggevende nog niet aantoonbaar aan de afgesproken publicatienorm voldeed, hetgeen zij niet heeft geaccepteerd), waarna zij haar leidinggevende ernstige verwijten is gaan maken, welke slechte verhoudingen zijn voortgezet met haar door het hof als weinig coöperatief beoordeelde houding – ook na het essay – om tot werkbare verhoudingen te komen. Dat plaatst de in cassatie in onderdeel 1 aangevallen passages (mogelijk) in een ander daglicht. 5.3 Dat laatste geldt ook voor wat naar ik meen als de essentie van de aan te leggen maatstaf moet worden gezien voor de beoordeling van de gewraakte handelingen van de RUG in de sleutel van art. 10 EVRM als uiteengezet in Żurek/Polen: zijn die maatregelen op te vatten als uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting door Werkneemster, zodat sprake is van een inmenging, of houden die maatregelen hoofdzakelijk (primarily) verband met het vermogen van Werkneemster om haar functie te vervullen, in welk geval geen sprake is van inmenging en art. 10 EVRM buiten beeld blijft. Dat moet vervolgens worden geplaatst in het licht dat de betreffende uiting van Werkneemster moet worden aangemerkt als uitoefening van haar academische vrijheid. 5.4 Onderdeel 1 bestrijdt met vijf subonderdelen (a-
- e)het oordeel in rov. 3.26-3.37 dat er onvoldoende causaal verband is tussen de meningsuiting van Werkneemster en de ontbinding. 5.5 Subonderdeel 1a klaagt dat het oordeel in rov. 3.37 dat ‘uit de gebeurtenissen na publicatie van het essay’ niet (kan) worden afgeleid ‘dat zonder de publicatie het ontbindingsverzoek niet zou zijn ingediend’ en dat de publicatie van het essay ‘geen essentiële schakel’ is in de keten die leidde tot het ontbindingsverzoek, getuigt van een onjuiste, want te strenge beoordeling of causaal verband bestaat tussen de meningsuiting en de arbeidsrechtelijke sanctie. Van voldoende causaal verband is niet pas sprake als de uiting een essentiële schakel is in het proces dat heeft geleid tot het opleggen van de sanctie en/of als het ervoor kan worden gehouden dat de sanctie niet zou zijn opgelegd als de uiting niet had plaatsgevonden, maar al wanneer zich een causaal verband voordoet, dat wil zeggen: wanneer de uiting mede heeft bijgedragen aan het opleggen van de sanctie. De regel uit ROC Nijmegen is volgens de klacht of er (een) causaal verband is tussen uiting en sanctie en niet dat zonder de uiting niet tot ontslag als sanctie zou zijn overgegaan (condicio sine qua non-karakter). 5.6 De hier geventileerde rechtsopvatting strookt niet met de besproken art. 10 EVRM-rechtspraak van het Hof en met name niet met de maatstaf uit Żurek/Polen dat het erom gaat of de maatregelen zijn te zien als uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg van de meningsuiting van Werkneemster/uitoefening van haar academische vrijheid. Bij de causaal verband toets moet, als besproken, worden gelet op het geheel van gebeurtenissen vanaf de uiting tot aan het opleggen van de sanctie, in hun onderlinge samenhang bezien, met in wezen de toets wat de primaire reden was voor de sanctie: is die uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg van de meningsuiting, dan is er sprake van inmenging, anders niet. Het is dus niet voldoende als een maatregel in zekere mate verband houdt met een uiting (‘to some extent connected with the excercise of (…) freedom of expression’, zo par. 209 in Żurek/Polen), omdat vereist is dat het primair door die factor wordt gemotiveerd (‘primarily motivated by that factor’ aldus het Hof in diezelfde paragraaf). 5.7 Het hof heeft in rov. 3.37 geoordeeld dat er onvoldoende causaal verband is tussen de uiting en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en dat strookt met deze maatstaf. Daartoe is het hof gekomen door eerst te overwegen dat uit de gebeurtenissen niet is af te leiden dat zonder de publicatie het ontbindingsverzoek niet zou zijn gedaan. Vervolgens is overwogen dat de publicatie wel een schakel is geweest in de gebeurtenissen, maar geen essentiële schakel in de keten die leidde tot het ontbindingsverzoek. 5.8 Met dat laatste lijkt het hof aansluiting te zoeken bij de conclusie van A-G De Bock vóór ROC Nijmegen over dit aspect, hiervoor besproken in 4.21. In die zaak zag zij de publicatie als een essentiële schakel in de causale keten van gebeurtenissen die hebben geleid tot het ontbindingsverzoek, zodat het ontbindingsverzoek niet los was te zien van de meningsuiting, oftewel: zonder de publicatie was het ontbindingsverzoek niet gedaan, zodat daarmee ook direct de vrijheid van meningsuiting in beeld kwam. 5.9 Bij Repliek onder 4 beoordeelt Werkneemster de hofmaatstaf als beduidend strenger dan de door het EHRM gehanteerde maatstaf van het in overwegende mate ingegeven zijn van een maatregel door een meningsuiting. Dat lijkt mij niet: het vereiste van een essentiële schakel leest volgens mij naadloos op het criterium uit Żurek/Polen dat de sanctie uitsluitend of hoofdzakelijk en uitdrukkelijk niet alleen maar in zekere mate met de uiting verband houdt (dat laatste punt ontbreekt in het betoog van Werkneemster). Het hof oordeelt in de kern dat er wel in zekere mate een verband is, maar oordeelt dat de sanctie niet uitsluitend of hoofdzakelijk is veroorzaakt door de uiting. Of dit gekwalificeerd zou moeten worden als een condicio sine qua non verband kan in het midden blijven, omdat de aangelegde toets van het hof spoort met het juiste EHRM-criterium hier. Anders gezegd: in de EHRM-rechtspraak over het causaal verband vereiste wordt nagegaan wat de essentiële elementen (essential elements) zijn van de beslissing om een maatregel op te leggen, waarop de maatregelen in wezen betrekking hebben (essentially related
- to)en wat het essentiële aspect (essential aspect) is van de zaak. Door te verlangen dat de uiting een essentiële schakel is geweest in de gebeurtenissen die tot de sanctie hebben geleid, heeft het hof niet anders gedaan dan wat het Straatsburgse Hof hier van de nationale rechter verlangt. 5.10 Bij s.t. 52 wijst Werkneemster nog op de Straatsburgse rechtspraak waaruit volgt dat ook een maatregel of feitelijke handeling met geringe materiële consequenties een inmenging in art. 10 EVRM kan opleveren. Dit zou bevestigen dat van een relevante inmenging ook al sprake is wanneer een meningsuiting een bijdrage heeft geleverd aan het nastreven van beëindiging van het dienstverband, zelfs als die bijdrage geen essentiële is geweest. 5.11 De hier bedoelde inmengingsrechtspraak ziet evenwel op de vraag of de aard van de maatregel meebrengt dat sprake is van een inmenging. Voor een strafrechtelijke sanctie of ontbinding van een arbeidsovereenkomst is dat vanzelfsprekend, maar dat geldt dus ook voor maatregelen met geringere materiële consequenties voor de uiter van de mening. Uit de EHRM-rechtspraak hierover volgt dat de lat hier niet hoog ligt, zo is hiervoor besproken: bijvoorbeeld ook een feitelijke handeling, een berisping, een vermaning of een uitspraak in een obiter dictum kan als een inmenging worden gezien. Deze rechtspraak gaat echter niet over het vereiste van causaal verband tussen uiting en sanctie. 5.12 Bij s.t. onder 53 betoogt Werkneemster verder dat de hof-maatstaf niet alleen onjuist is, maar dat een dergelijke benadering daarnaast ook praktisch onwerkbaar en misbruikgevoelig zou zijn. Deze kritiek ziet vooral op de staat van de academische vrijheid in Nederland en houdt in dat de g-grond een dekmantel lijkt te zijn voor universitaire leidinggevenden om vrij eenvoudig, en zonder lastige discussies over academische vrijheid, af te raken van wetenschappers die onwelgevallige standpunten innemen, waarbij de verwijtbaarheid van de werkgever ook nog eens nauwelijks een rol zou spelen. 5.13 Deze kritiek ziet niet specifiek op de maatstaf voor causaal verband tussen uiting en maatregel, waar we het hier over hebben, maar regardeert meer in het algemeen toepassing van de g-grond bij de ontbinding van arbeidsovereenkomsten binnen de academie. De kritiek impliceert (dan ook) niet dat het hof van een onjuiste maatstaf voor causaal verband tussen uiting en sanctie is uitgegaan. Het is ook niet voor niets dat in ROC Nijmegen is benadrukt dat bij de causaal verbands-vraag goed moet worden gelet op het geheel van gebeurtenissen vanaf de uiting tot aan het opleggen van de sanctie, in hun onderlinge samenhang bezien. Daarmee wordt voorkomen dat de g-grond als een soort dekmantel kan worden gebruikt om van kritische wetenschappers af te komen. De minutieuze en uitgebreide motivering van het hof in onze zaak geeft daar geen blijk van in mijn ogen. Het hof heeft de opeenvolgende gebeurtenissen, te beginnen medio 2018 tot aan indiening van het ontbindingsverzoek ultimo 2022 op een rij gezet en in onderlinge samenhang beschouwd. 5.14 Subonderdeel 1a zie ik geen doel treffen. 5.15 Subonderdeel 1b klaagt dat het hof alleen heeft onderzocht of met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op de aan Werkneemster toekomende vrijheid van meningsuiting, maar ten onrechte niet heeft onderzocht hoe die ontbinding zich verhoudt tot haar academische vrijheid. Het hof heeft daarmee miskend dat voor zover een door het grondrecht op vrijheid van meningsuiting bestreken uiting, zoals hier, ook valt onder de academische vrijheid, dit meebrengt dat sprake is van een gekwalificeerde meningsuiting. In zo’n geval moet – juist ook wanneer die uiting controversieel of impopulair is – door de rechter met uiterste, althans in elk geval met additionele, gestrengheid getoetst worden of sprake is van een inmenging in of inbreuk op de vrijheid van meningsuiting. Het hof heeft eveneens miskend dat de in zo’n geval vereiste toetsing meebrengt dat ook wanneer ‘slechts’ sprake is van een lichte sanctie of maatregel en/of wanneer zo’n door de academische vrijheid bestreken meningsuiting geen ‘essentiële schakel’ vormt die heeft geleid tot het initiëren van een ontslagtraject, maar die uiting daaraan wel enige bijdrage heeft geleverd, van een inmenging sprake is, zodat dan vervolgens aan de hand van de daarvoor geldende, eveneens strenge, normen (als vervat in art. 10 lid 2 EVRM) onderzocht moet worden of deze inmenging objectief te rechtvaardigen is. Dat onderzoek heeft het hof ten onrechte achterwege gelaten. Juist vanwege het feit dat de uiting van Werkneemster ook viel onder de academische vrijheid mocht door het hof geen zo strenge eis gesteld worden aan het causale verband tussen de uiting en het ontbindingsverzoek. 5.16 Publicatie van het essay in een wetenschappelijk tijdschrift, waarin kritiek wordt geuit op het gelijke kansen beleid van de RUG, wordt inderdaad door de academische vrijheid bestreken. Met het essay wordt de academische discussie aangejaagd over de schaduwkanten van beleid dat gericht is op het dichten van de genderkloof door de doorstroom van vrouwen naar hogere functies te bevorderen (rov. 3.30). Dit is bovendien een onderwerp dat binnen het werkterrein van Werkneemster valt, het terrein van de sociale wetenschappen (zo ook s.t. Werkneemster onder 19). 5.17 Hiervoor is besproken dat uit de EHRM-rechtspraak volgt dat ook wordt beschermd de vrijheid van wetenschappers om vrijelijk standpunten en meningen te uiten, zelfs als deze controversieel of impopulair zijn, op het gebied van hun onderzoek, professionele expertise en competentie. Daar is ook onder begrepen de vrijheid van de wetenschapper om meningen te uiten over de instelling of het systeem waarbinnen de wetenschapper werkzaam is. De parallel met de in de inleiding besproken zaak Sorguç/Turkije dringt zich op, waarin een hoogleraar centraal stond die op een wetenschappelijk congres een paper verspreidde waarin hij in essentie het systeem van benoeming en promotie van wetenschappers aan zijn universiteit aan de kaak stelde en zich daarbij ook op zijn persoonlijke ervaring baseerde. Het EHRM oordeelde dat daarmee zijn academische vrijheid in het geding was. 5.18 Het hof heeft in onze zaak bij de beoordeling van het vereiste causaal verband tussen uiting en sanctie geen expliciete aandacht besteed aan de academische vrijheid. Wel heeft het hof er in rov. 3.30 oog voor gehad dat met het essay van Werkneemster ‘de academische discussie wordt aangejaagd over de schaduwkanten van het beleid dat gericht is op het dichten van de genderkloof door de doorstroom van vrouwen naar hogere functies te bevorderen’ en heeft het in rov. 3.33 overwogen dat er geen reden voor twijfel bestaat aan de inzet van de RUG om de werkverhoudingen te verbeteren ‘met het oog op voortzetting van de wetenschappelijke carrière van [Werkneemster].’ Uit deze bewoordingen lijkt mij te volgen (en tot uitdrukking gebracht) dat de academische vrijheid van Werkneemster bij het hof op het netvlies heeft gestaan. De klacht stelt aan de orde of bij de hofbeoordeling van het vereiste causaal verband tussen uiting en sanctie de omstandigheid dat de uiting valt onder de academische vrijheid een rol van betekenis moet spelen. 5.19 Ik denk het niet, althans niet in de door de klacht bedoelde zin, maar we stuiten hier wel op de hiervoor in de evaluatie in 4.54 gesignaleerde mogelijke botsing tussen de algemene inmengingstoets uit Żurek/Polen (is de uiting hoofdmotief voor de sanctie of juist niet) en de uit Kula/Turkije volgende lagere drempel voor het aannemen van inmenging als de maatregel een reactie is op de uitoefening van de academische vrijheid van betrokkene (hoe gering de sanctie ook is, er is al snel sprake van inmenging dan). Als de in 4.55 uiteengezette visie juist is, dan zit hier geen licht tussen – maar ik gaf al aan daar niet helemaal zeker van te zijn. 5.20 In de Straatsburgse rechtspraak zie ik geen aanwijzingen of aanknopingspunten voor de opvatting dat bij uitingen gedaan in het kader van de uitoefening van de academische vrijheid er andere eisen gesteld moeten worden aan het causaal verband tussen uiting en maatregel (zoals Repliek onder 3 suggereert). Waarom zou daar in die context dan opeens een minder strenge maatstaf moeten gelden? Ik zie daar geen aansprekende ratio voor. Uit de uitspraken waar Werkneemster naar verwijst kan weliswaar worden afgeleid dat de academische vrijheid een relevante factor is bij de beoordeling of een inmenging toelaatbaar is onder art. 10 lid 2 EVRM en dat die vrijheid ook relevant kan zijn bij de vraag of gezien de aard van de maatregel sprake is van een inmenging, maar niet dat ook een andere maatstaf ten aanzien van het causaal verband moet worden toegepast dan die volgt uit Żurek/Polen. Werkneemster wijst op de vaste EHRM-rechtspraak dat alle beperkingen op de academische vrijheid aan een zorgvuldige toetsing moeten worden onderworpen (to submit to careful scrunity any restrictions on the freedom of academics), maar dat ziet op de vraag of een eenmaal vastgestelde inmenging toelaatbaar is onder art. 10 lid 2 EVRM en niet op het causaal verband tussen uiting en maatregel vereist om van een inmenging te kunnen spreken. Datzelfde geldt voor de notie dat ‘however minimal’ de maatregel ook is een zorgvuldige toetsing van de geoorloofdheid is aangewezen; ook dat ziet niet op het vereiste causaal verband tussen uiting en sanctie, maar op de geoorloofdheidstoets uit lid 2. Uit de ingeroepen Hof-rechtspraak kan mijns inziens niet worden afgeleid dat de omstandigheid dat met een uiting de academische vrijheid in het geding is, ook relevant zou zijn voor de maatstaf die voor het causaal verband tussen uiting en sanctie moet worden gehanteerd (in gelijke zin Dupliek onder 9). 5.21 Het lijkt mij ook niet voor de hand te liggen dat zodra de academische vrijheid in het geding is, opeens een enkel causaal verband, hoe gering ook, zou volstaan om een inmenging aan te nemen, terwijl de algemene toets daarvoor onder art. 10 EVRM is dat moet worden nagegaan wat het hoofdmotief voor de genomen maatregel was. Het gaat er uiteindelijk om waarmee de maatregel in wezen verband houdt, zou ik denken (in gelijke zin s.t. RUG onder 64 en 67). Ik zie geen ratio voor een minder strikte toets al naar gelang het gaat om een ‘gewone’ vrijheid van meningsuiting of een uiting in de context van de academische vrijheid, die ook via art. 10 EVRM wordt beschermd en wel langs dezelfde lijnen. Als de sanctie niet uitsluitend of in overwegende mate verband houdt met de uiting in het kader van de uitoefening van de academische vrijheid, maar met de uitoefening van de functie van de werknemer, lijkt er geen plaats voor bescherming van art. 10 EVRM, ook al is deze uiting gedaan in het kader van de academische vrijheid van de werknemer. 5.22 Het hof is door voorbij te gaan aan het beroep van werkneemster op de academische vrijheid in dit verband (als dat al zo kan worden opgevat, gelet op rov. 3.30 en 3.33) dan ook niet van een onjuiste maatstaf ten aanzien van het causaal verband uitgegaan. 5.23 Ik houd het er in primaire lijn op dat de klacht op deze gronden afketst. 5.24 Mogelijk moet de klacht evenwel zo worden opgevat dat deze in de kern aanvoert: omdat de lat laag ligt voor het aannemen van een inmenging bij maatregelen die gericht zijn (ook al is dat maar ten dele
- zo)tegen uitingen in het kader van uitoefening van de academische vrijheid, kan je deze strikte causaal verbandseis om een inmenging aan te kunnen nemen uit Żurek/Polen van uitsluitend of hoofdzakelijk ingegeven door de uiting (die geldt voor buiten de context van die academische vrijheid gedane meningsuitingen), hier zo niet stellen. Dan zou de in de evaluatie in 4.55 gegeven analyse niet opgaan – althans zou in zo’n geval de Kula/Turkije-lijn moeten prevaleren of zwaarder moeten wegen. In deze secundaire lezing zou de klacht dan doel kunnen treffen, maar het zal duidelijk zijn dat ik dat niet bepleit. 5.25 Subonderdeel 1c klaagt over rov. 3.30, waarin het hof de stellingname van Werkneemster verwerpt dat de mail aan de hele vakgroep en de brief van de decaan aan de redactie van het tijdschrift dat het essay had gepubliceerd zijn aan te merken als sancties tegen haar, omdat zij dat volgens het hof onvoldoende heeft uitgewerkt in hoger beroep. Ook klaagt subonderdeel 1c over het oordeel in rov. 3.32 dat de benoeming van Werkneemster tot UHD1 begin 2020 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 een belangrijke contra-indicatie is voor de stelling dat het eind 2022 ingediende ontbindingsverzoek een reactie is op haar essay. 5.26 Volgens de rechtsklacht onder 21 moet de beslissing in ro.v 3.30 klaarblijkelijk zo worden begrepen dat de mail en de brief niet als inmenging kwalificeren, omdat deze niet zijn aan te merken als arbeidsrechtelijke sancties (in de zin van formele disciplinaire maatregelen, zo verduidelijkt Werkneemsters s.t. onder 67). Dat miskent dat van een inmenging niet alleen sprake kan zijn bij arbeidsrechtelijke sancties, maar ook bij feitelijke maatregelen of handelingen naar aanleiding van een uiting, die mogelijk niet als arbeidsrechtelijke sancties in de zin van (formele) disciplinaire maatregelen kwalificeren, maar die de uitingsvrijheid wel beperken en daarop een chilling effect kunnen hebben. Dat geldt te meer als de uiting onder de academische vrijheid valt, nu ‘any restriction on the freedom of academics to carry out research and to publish their findings’ moet worden onderworpen aan ‘careful scrutiny’, zodat dat niet alleen beperkingen in de vorm van formele arbeidsrechtelijke sancties hier relevant zijn. 5.27 Volgens de rechts- en motiveringsklacht onder 22 is de beslissing in rov. 3.30 dat de brief van prof. [betrokkene 5] aan de redactie van het tijdschrift geen (zelfstandige) sanctie op het essay die de (voorzienbare) mogelijkheid van een chilling effect op het gebruik van de vrijheid van meningsuiting behelst, onjuist, althans onbegrijpelijk. In de brief wordt meegedeeld dat het publiceren van het essay (
- i)negatieve gevolgen heeft gehad voor de arbeidsverhoudingen, (
- ii)negatieve effecten kan hebben op de reputatie van Werkneemster, (iii) schadelijk kan zijn voor haar functioneren binnen de RUG, terwijl (
- iv)de redactie zelfs met zoveel woorden wordt aangespoord om haar publicatiebeleid te herzien (met als kennelijk doel om publicatie van vergelijkbare artikelen in de toekomst te voorkomen). Dit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de EHRM-rechtspraak over een inmenging met een chilling effect, zeker nu de uiting viel in het domein van de academische vrijheid. Dat geldt nog sterker nu de brief in kopie is gestuurd aan Werkneemster, verschillende hoogleraren binnen de faculteit en een buitenlandse hoogleraar die voorzitter is van de Society for the Advancement of Mangement Studies. Mocht het hof hier niet zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan is hier sprake van ontoereikende motivering. 5.28 De volgende klacht onder 23 is dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat de brief van prof. [betrokkene 5] mede niet als inmenging is aan te merken omdat hoogleraren van de vakgroep zich door het essay persoonlijk aangevallen voelden, ook dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Een uiting die valt binnen het domein van de academische vrijheid zoals het essay van Werkneemster wordt ook onder art. 10 EVRM beschermd als deze onwelgevallige of controversiële standpunten behelst die betrekking hebben op de instelling of het systeem waarbinnen de wetenschapper/uiter werkzaam is. Dat maakt het onjuist om (mede) vanwege het feit dat zo’n meningsuiting als een persoonlijke aanval is ervaren door leidinggevenden, een reactie van één van die leidinggevenden op die uiting niet als inmenging te kwalificeren, waarmee die uiting de bescherming van art. 10 EVMR wordt ontzegd. 5.29 Onder 24 klaagt Werkneemster dat de beslissing in rov. 3.30 dat de email van prof. [betrokkene 4] aan de gehele vakgroep geen (arbeidsrechtelijke) sanctie is in reactie op haar essay, maar slechts een poging om de ‘commotie bespreekbaar te maken’, onjuist, althans onbegrijpelijk is. De email was gericht aan haar en al haar collega’s binnen de vakgroep en veroordeelt het essay ondubbelzinnig als een stuk dat ‘can be considered as inappropriate and damaging’ en verduidelijkt dat Werkneemster naar aanleiding van de publicatie ervan inmiddels gesprekken heeft moeten voeren met de decaan, een vertegenwoordiger van HR, en twee hoogleraren van de vakgroep om ‘herhaling in de toekomst’ te voorkomen. Miskend is dat een zodanige openlijke terechtwijzing/publieke reprimande kwalificeert als een arbeidsrechtelijke sanctie in de zin van zowel art. 10 EVRM als het Nederlandse arbeids(tucht)recht, althans is de beslissing dat de email slechts diende om de commotie bespreekbaar te maken ontoereikend gemotiveerd. 5.30 Onder 25-28 wordt geklaagd over rov. 3.32 dat het de benoeming tot UHD1 begin 2020, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019, als een belangrijke contra-indicatie moet worden beschouwd voor de stelling van Werkneemster dat het eind 2022 ingediende ontbindingsverzoek een reactie is op haar essay. Dat is onbegrijpelijk tegen de achtergrond van het feit dat prof. [betrokkene 4] begin 2020 uitdrukkelijk negatief heeft geadviseerd over haar bevordering tot UHD 1 voor zover het haar communicatievaardigheden/soft skills betreft. Prof. [betrokkene 4] wijst er in zijn advies op dat grote twijfel is ontstaan over haar soft skills, onder referte aan het essay. In het licht van dit negatieve advies is de overweging dat er sprake is van een contra-indicatie onbegrijpelijk, nu al ten tijde van de bevordering geen vertrouwen bestond in haar functioneren op dat meer seniore niveau. Subsidiair is de klacht onder 28 dat het hof zijn eindoordeel in rov. 3.37 dat onvoldoende causaal verband bestaat tussen de uiting en de ontbinding in elk geval ontoereikend gemotiveerd heeft door daarbij geen enkele aandacht te besteden aan het advies dat prof. [betrokkene 4] in het kader van haar benoeming tot UHD1 heeft uitgebracht, omdat die twijfel werd gekoppeld aan het essay, waarmee het beroep op dat advies als een essentiële stelling valt aan te merken, waarop had moeten worden gerespondeerd. 5.31 Bij de bespreking van deze klachten stel ik voorop het hiervoor in 4.18 behandelde in de zaak Żurek/Polen gemaakte onderscheid tussen maatregelen die wel in een voldoende hoofdzakelijkheids-causaal-verbands-relatie met de uiting staan, zodat die maatregelen een inmenging opleveren enerzijds en aan de andere kant maatregelen die een dergelijk causaal verband met de uiting ontberen en daarom niet als inmenging kunnen worden aangemerkt. Het ging in die zaak om verschillende typen maatregelen. 5.32 Een zelfde soort onderscheid valt in onze zaak te maken, helemaal langs de lijnen van Żurek/Polen. De email aan de vakgroep naar aanleiding van het essay van Werkneemster en de brief van de decaan aan de redactie van het tijdschrift die dat essay heeft geplaatst zijn aan te merken als maatregelen die hoofdzakelijk het gevolg zijn van de uiting en moeten dus als een inmenging worden aangemerkt. Daarop had als volgende stap moeten volgen de toets uit art. 10 lid 2 EVRM om te bezien of die inmenging toelaatbaar is te achten (hetgeen niet is gebeurd). Het ontbindingsverzoek daarentegen is volgens het hof niet (en nu gebruik ik de bewoordingen uit Żurek/Polen:) primarily motivated, maar slechts to some extend connected met de uiting (omdat de verstoorde verhouding al medio 2018 is begonnen met de vroegtijdige promotie-aanspraak van Werkneemster, gevolgd door een als onheus aangemerkte houding jegens haar direct leidinggevende, waarna na promotie tot UHD2 nog jaren zijn gevolgd met diverse direct-leidinggevendenwissels, twee mediationtrajecten, een lange herplaatsingpoging, hetgeen hiervoor is besproken bij de klachten van subonderdelen 1a en 1b), zodat voor die maatregel heeft te gelden dat die vanwege onvoldoende hoofdzakelijkheids-causaal-verband niet kan gelden als een inmenging en dan ook niet in aanmerking komt voor bescherming onder art. 10 EVRM. 5.33 Wat betekent dit voor de klachten onder 21-24 uit subonderdeel 1c? 5.34 De klachten lijken mij inhoudelijk op zich terecht voorgesteld op de aangedragen gronden, gelet op de besproken Straatsburgse jurisprudentie die leest op het hier voorhanden zijn van inmenging met minstgenomen een chilling effect. Het hof had de email aan de vakgroep en de brief van de decaan vanwege het hiervoor aangegeven hoofdzakelijkheids-causaal-verband met de uiting als een inmenging moeten aanmerken en vervolgens moeten toetsen of die inmenging volgens art. 10 lid 2 EVRM is geoorloofd en het hof heeft noch het een, noch het ander gedaan, zodat de klachten daarover inhoudelijk op zich gegrond zijn. 5.35 Maar vanwege het in subonderdelen 1a en 1b (primaire route) tevergeefs aangevallen oordeel dat tussen uiting en ontbindingsverzoek onvoldoende causaal verband bestaat (en hier maak ik eenzelfde onderscheid in typen maatregelen als in Żurek/Polen is gemaakt door het Straatsburgse Hof), kan dit niet tot cassatie leiden. De RUG betoogt dat ook bij s.t. 68-70, maar als ik het goed zie niet direct gemotiveerd langs deze lijnen van te onderscheiden typen maatregelen à la Żurek/Polen uiteenvallend in maatregelen die wel en maatregelen die niet in voldoende causaal verband staan met de uiting (maar het kan best zijn dat hetgeen in s.t. 69-70 wordt betoogd zo moet worden opgevat). Wat er dus verder zij van de inhoudelijke gegrondheid van de klachten op dit punt, bij gebreke van belang kunnen deze niet tot cassatie leiden. 5.36 De tegenwerping bij Repliek onder 9-11 zijdens Werkneemster is dat als wel zou zijn aangenomen dat email en brief een niet te rechtvaardigen inmenging zijn met een chilling effect, dat dan niet langer overeind kan blijven dat de reacties op het essay van de faculteitsleiding slechts een schakel waren in de verstoorde arbeidsverhouding, omdat dergelijke sancties van werkgeverszijde die niet door de toets van art. 10 EVRM komen een veel groter gewicht in de schaal (behoren
- te)leggen. Daar valt tegen in te brengen dat het oog moet worden gericht op de opeenvolging van alle relevante gebeurtenissen in hun geheel beschouwd, in plaats van beschouwing van die gebeurtenissen als afzonderlijke incidenten (zie hiervoor in 4.16) en dat in Żurek/Polen eenzelfde type onderscheid is gemaakt tussen verschillende maatregelen met verschillende causaliteitsrelaties met de meningsuitingen. De zwaarteverschuiving in causaliteitsweging die hier bij Repliek wordt bepleit zie ik niet opgaan. Als ik dat niet goed zie en niet zo maar gezegd kan worden dat de onjuiste rechtsopvatting in rov. 3.30 geen rol speelt de beoordeling van het vereiste hoofdzakelijkheids-causaal-verband, dan slagen deze klachten wel – maar als hoofdlijn zie ik deze klachten falen bij gebrek aan belang. 5.37 De motiveringsklachten tegen rov. 3.32 uit subonderdeel 1c zie ik ook geen doel treffen. De klachten benadrukken dat met betrekking tot de promotie van Werkneemster tot UHD1 begin 2020 er door haar op is gewezen dat haar direct leidinggevende prof. [betrokkene 4] toen negatief heeft geadviseerd voor zover het haar communicatievaardigheden/soft skills