PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02865 Zitting 21 maart 2025 CONCLUSIE P. Vlas In de zaak V Marine Fuels B.V., gevestigd te Rotterdam, (hierna: VMF) tegen 1. Dexhon Shipping Inc., gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden, 2. Zodiac Maritime Ltd., gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, (hierna: Dexhon en Zodiac, en gezamenlijk aangeduid als Zodiac c.s.) 1Inleiding Deze zaak heeft, kort samengevat, betrekking op verkoop en levering onder eigendomsvoorbehoud van bunkerolie ten behoeve van een schip. De bunkerolie was door Zodiac c.s., de reder van het schip, besteld bij een olieleverancier (OWB), die op zijn beurt de bunkerolie bij een derde (VMF) had ingekocht. Ook deze verkoop en levering heeft plaatsgevonden onder eigendomsvoorbehoud. Nadat OWB in financiële moeilijkheden is geraakt, heeft VMF het eigendomsvoorbehoud ingeroepen en Zodiac c.s. aangezegd de bunkerolie niet verder te gebruiken. Zodiac c.s. zijn doorgegaan de bunkerolie ten behoeve van de voortstuwing van het schip te gebruiken. OWB heeft de vordering op Zodiac c.s. in zekerheid gegeven aan ING, waaraan Zodiac c.s. hebben betaald. In cassatie draait het om de vraag of Zodiac c.s. onrechtmatig jegens VMF hebben gehandeld dan wel ongerechtvaardigd zijn verrijkt door in weerwil van het eigendomsvoorbehoud van VMF de olie te verbruiken. 2Feiten en procesverloop 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Dexhon was in 2014 en 2015 eigenaar van het zeeschip Forest Park. Zodiac was daarvan beheerder of manager. Zodiac c.s. hebben zichzelf in deze procedure aangeduid als de reder van het schip. 2.2 Zodiac heeft omstreeks 8 oktober 2014 een hoeveelheid bunkerolie besteld bij OW Bunker (Netherlands) B.V. (hierna: OWB) ten behoeve van de Forest Park, af te leveren in Rotterdam. In deze koop had OWB een eigendomsvoorbehoud bedongen. De toepasselijke algemene voorwaarden bepaalden, voor zover van belang: ‘Until full payment of the full amount due to the Seller has been made […] the Buyer shall not be entitled to use the Bunkers other than for the propulsion of the Vessel […]’ 2.3 OWB heeft de desbetreffende partij bunkerolie op 13 oktober 2014 ingekocht bij VMF. Ook in deze koop was een eigendomsvoorbehoud van toepassing. De toepasselijke algemene voorwaarden bepaalden, voor zover van belang: ‘Until full payment of everything due to the Seller, for whatever nature, has been made […] the Buyer shall not be entitled to use the Bunkers other than for the propulsion of the Vessel […]’ 2.4 Op 15 oktober 2014 heeft VMF de bunkerolie doen afleveren aan de Forest Park in Rotterdam. Op diezelfde dag heeft VMF OWB hiervoor US$ 272.862,74 gefactureerd (due latest by 5 november 2014). OWB heeft op haar beurt Zodiac c.s. gefactureerd voor een bedrag van US$ 286.393,13 (due date 14 november 2014). 2.5 Op 6 november 2014 heeft VMF Zodiac medegedeeld dat de groep waartoe OWB behoorde in financieel zwaar weer verkeerde en dat OWB nalatig was met de betaling van de koopprijs aan VMF. Zij heeft daarbij haar eigendomsvoorbehoud op de bunkerolie ingeroepen en Zodiac c.s. aangezegd de bunkerolie niet (verder) te verbruiken. Daarmee zijn Zodiac c.s. c.q. de Forest Park desondanks voortgegaan (ten behoeve van de voortstuwing van de Forest Park). Verder heeft VMF Zodiac verzocht om de koopprijs van US$ 272.862,74 aan haar te betalen en heeft zij gerechtelijke stappen (‘legal action’) tegen de Forest Park aangekondigd indien Zodiac niet zou betalen. 2.6 Op 7 november 2014 heeft ING Bank N.V. (hierna: ING) Zodiac medegedeeld dat OWB haar vordering op Zodiac aan haar in zekerheid had gegeven. ING heeft Zodiac gevraagd om betaling van de koopprijs. 2.7 Op 7 november 2014 heeft The North of England P&I Association Ltd. (hierna: NEPIA), namens Zodiac c.s. gereageerd op het bericht van VMF van 6 november 2014. NEPIA schreef onder meer dat Zodiac c.s. de bunkerolie niet van VMF maar van OWB hadden gekocht en dat daarom de koopprijs niet aan VMF betaalbaar was. Voorts maakte NEPIA bezwaar tegen de aangekondigde gerechtelijke stappen tegen de Forest Park en verzocht zij om bevestiging dat VMF daarvan voorlopig zou afzien. 2.8 Omdat VMF niet reageerde, heeft NEPIA bij brief van 20 november 2014 wederom betwist dat Zodiac c.s. enig bedrag aan VMF waren verschuldigd. Verder schreef NEPIA dat VMF, indien zij toch beslag op het schip zou willen laten leggen, ook dit bericht van 20 november 2014 aan het desbetreffende gerecht zou moeten voorleggen. 2.9 Op 21 november 2014 is OWB gefailleerd. 2.10 Op of omstreeks 13 januari 2015 heeft VMF met verlof van het gerecht (het tribunal de commerce) te Casablanca, Marokko, conservatoir beslag doen leggen op de Forest Park, die op dat moment lag afgemeerd in Safi, Marokko, tot zekerheid voor het verhaal van de openstaande vordering uit hoofde van de levering van de bunkerolie. VMF had bij haar beslagrekest niet de genoemde berichten van NEPIA van 7 en/of 20 november 2014 gevoegd. Het beslag is op 16 januari 2015 opgeheven nadat Zodiac c.s. zekerheid hadden gesteld door middel van een contante storting bij het gerecht in Casablanca. 2.11 In 2016 heeft Zodiac ING voor de bunkerolie betaald. 2.12 Zodiac c.s. hebben VMF op 29 december 2016 gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam. Zij hebben diverse verklaringen voor recht gevorderd (onder meer dat VMF geen vordering op Zodiac c.s. heeft en evenmin een verhaalsrecht op het schip). Ook hebben Zodiac c.s. gevorderd dat aan VMF wordt bevolen om, op straffe van een dwangsom, al het nodige te doen om de rechter in Marokko het bedrag dat ter opheffing van het beslag is gestort, ter vrije beschikking van Zodiac c.s. te laten stellen. 2.13 Bij vonnis van 2 augustus 2017 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen. Zodiac c.s. zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag en hebben tevens op de voet van art. 223 Rv jo. art. 353 lid 1 Rv de provisionele vordering ingesteld dat het hof VMF beveelt om – kort samengevat – te doen wat nodig is in Marokko om het aldaar bij de rechtbank gestelde contante depot vrij te stellen of terug te betalen aan de reder of diens vertegenwoordigers, op straffe van verbeurte van een dwangsom. 2.14 Bij arrest van 13 november 2018 heeft het hof de provisionele vordering van Zodiac c.s. toegewezen en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen voor het indienen van de memorie van antwoord. VMF heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld en (onder meer) geklaagd dat de provisionele vordering van Zodiac c.s., gelet op art. 5 Beslagverdrag dat exclusieve rechtsmacht toekent aan de rechter binnen wiens rechtsgebied het scheepsbeslag is gelegd (in dit geval de Marokkaanse rechter), niet aan de Nederlandse rechter kan worden voorgelegd. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juli 2020 deze klacht gegrond geacht en de zaak zelf afgedaan door het arrest van het hof van 13 november 2018 te vernietigen en te bepalen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt om kennis te nemen van de provisionele vordering van Zodiac c.s. 2.15 Na het arrest van het hof van 13 november 2018 is in de hoofdzaak voortgeprocedeerd onder zaaknummer 200.227.283. Het hof heeft bij tussenarrest van 15 oktober 2019 de procedure aangehouden, in afwachting van het eindvonnis in de bodemprocedure die VMF bij dagvaarding van 14 december 2018 aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank Rotterdam. In die bodemprocedure heeft VMF betaling gevorderd van Zodiac c.s. van US$ 272.862,74 (het bedrag van haar verkoopprijs aan OWB), vermeerderd met rente en kosten. Aan deze vordering heeft zij (samengevat) ten grondslag gelegd dat Zodiac c.s. met het verbruik van de bunkerolie onrechtmatig tegenover VMF hebben gehandeld of ten laste van VMF ongerechtvaardigd zijn verrijkt. Onder voorwaarde dat deze vordering van VMF zou worden afgewezen, hebben Zodiac c.s. in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat VMF aansprakelijk is voor de schade die Zodiac c.s. hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig gelegde beslag op de Forest Park, alsmede veroordeling van VMF tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat. 2.16 Bij eindvonnis van 19 februari 2020 heeft de rechtbank de vordering van VMF tot een bedrag van US$ 150.000 toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben Zodiac c.s. onrechtmatig tegenover VMF gehandeld door na ontvangst van het bericht van VMF van 6 november 2014 de bunkerolie verder te verbruiken (rov. 4.7). De US$ 150.000 was naar schatting van de rechtbank het deel van de koopprijs VMF-OWB dat viel toe te rekenen aan het verbruik van de bunkerolie na 6 november 2014. Ter zake van de voorwaardelijke reconventionele vordering heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder deze was ingesteld, zodat zij niet toekomt aan de beoordeling daarvan. De rechtbank heeft haar vonnis, dat nadien is aangevuld bij herstelvonnis van 15 april 2020, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.17 Zodiac c.s. zijn van het vonnis van de rechtbank van 19 februari 2020, aangevuld bij herstelvonnis van 15 april 2020, in hoger beroep gekomen. Zodiac c.s. hebben, naast de grieven die zij tegen het vonnis hebben aangevoerd, incidentele vorderingen tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad en tot voeging (met het reeds onder zaaknummer 200.227.283 bij het hof Den Haag aanhangige beroep) ingesteld. Bij tussenarrest van 4 mei 2021, met zaaknummer 200.274.857/01, heeft het hof Den Haag, voor zover in cassatie relevant, de vorderingen van Zodiac c.s. toegewezen tot voeging en tot schorsing van de uitvoerbaarheid van voorraad van het – nadien aangevulde – vonnis van 19 februari 2020. 2.18 Bij tussenarrest van 17 januari 2023 heeft het hof Den Haag ten aanzien van de vordering van VMF tegen Zodiac c.s., gebaseerd op onrechtmatige daad, geoordeeld dat Zodiac c.s. niet onrechtmatig hebben gehandeld door de bunkerolie (verder) te verbruiken ten behoeve van de voortstuwing van de Forest Park. Hiertoe heeft het hof het volgende overwogen: ‘6.2 Zodiac c.s. stelt onder meer dat zij met haar (verdere) verbruik van de bunkerolie eenvoudig haar contractuele rechten tegenover OWB heeft uitgeoefend, dat VMF bij haar aflevering van de bunkerolie aan Zodiac c.s. op die rechten en rechtsuitoefening bedacht moest zijn, dat VMF daarom geacht moet worden daarmee op voorhand te hebben ingestemd, en dat zij daarop daarom niet later kon terugkomen met een beroep op haar eigendomsrecht. Zodiac verwijst daarbij naar het arrest van het hof Amsterdam van 18 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4765 (Equinox/Yang Ming c.s.) en het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2019. ECLI:NL:RBROT:2019:781 (Equinox/Heerema), waarin in vergelijkbare zaken in het nadeel van de fysieke bunkerolieleverancier (de positie van VMF in het onderhavige geschil) werd beslist. Zodiac c.s. meent daarom niet onrechtmatig tegenover VMF te hebben gehandeld. 6.3 Het hof onderschrijft dit standpunt van Zodiac c.s. Onweersproken is dat Zodiac c.s. in haar contractuele relatie tot OWB gerechtigd was om de bunkerolie te (blijven) verbruiken ten behoeve van de vaart van “the Vessel” (…), dat wil zeggen de Forest Park. 6.4 VMF werpt Zodiac c.s. tegen dat deze onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld, omdat Zodiac c.s. bedacht moest zijn op het eigendomsvoorbehoud in de relatie VMF-OWB. Echter, andersom geldt dat VMF zelf evenzeer moest rekenen op het recht van Zodiac c.s. om de bunkerolie te verbruiken voor de voortstuwing van het schip waaraan was geleverd (de Forest Park), ook als Zodiac c.s. de door haar aan OWB verschuldigde koopprijs nog niet had voldaan. Het beding dat dit toestond is volgens de onweersproken stelling van Zodiac c.s. gebruikelijk in de branche; eenzelfde beding was nota bene opgenomen in de algemene verkoopvoorwaarden die VMF zelf gebruikte (…). VMF heeft zich niet voorafgaande aan de aflevering aan Zodiac c.s. bekendgemaakt, laat staan Zodiac c.s. erop gewezen dat zij mogelijk haar eigendomsrecht op de door haar afgeleverde bunkerolie zou willen uitoefenen in weerwil van het recht van Zodiac c.s. om deze ten behoeve van de voortstuwing van de Forest Park te (blijven) verbruiken. Zodiac c.s. kon de bunkerolie bovendien – dit betwist VMF niet – op elk gewenst moment door betaling aan OWB c.q. ING in eigendom verkrijgen. Bij die stand van zaken moet VMF geacht worden met de rechtsuitoefening door Zodiac c.s. te hebben ingestemd, of althans haar recht om zich met een beroep op haar eigendomsrecht daartegen te verzetten, te hebben verwerkt. Zodiac c.s. heeft daarom niet onrechtmatig tegenover VMF gehandeld door de bunkerolie (verder) te verbruiken ten behoeve van de voortstuwing van de Forest Park. 6.5 Voor dit oordeel is in het onderhavige geval des te meer plaats gegeven de omstandigheid dat het hier om bunkerolie gaat die moest worden verbruikt ten behoeve van de voortstuwing van een zeeschip. Het mag praktisch onwerkbaar heten als een ‘fysieke’ afnemer van bunkerolie die tegenover haar contractuele leverancier gerechtigd is om de bunkerolie te verbruiken ten behoeve van de voortstuwing van haar zeeschip, op een onvoorspelbare tijd en plaats op haar zeereis – op welke tijd en plaats doorgaans niet aanstonds vervangende bunkerolie zal kunnen worden betrokken – zou kunnen worden geconfronteerd met een (gepretendeerd) eigendomsrecht van een eerdere leverancier die haar verder verbruik van de bunkerolie zou beletten. Dit moe(s)t natuurlijk ook (een eerdere leverancier als) VMF begrijpen, en daarom mocht Zodiac c.s. er des te meer op vertrouwen dat een eventuele eerdere leverancier, voor zover van toepassing, een dergelijk eigendomsrecht niet tegen haar zou c.q. kon inroepen.’ 2.19 Het hof heeft ten aanzien van de vordering van VMF op Zodiac c.s. gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking het volgende overwogen: ‘6.6 Zodiac c.s. is door haar (voortgezet) verbruik van de bunkerolie evenmin verrijkt, laat staan ongerechtvaardigd verrijkt ten laste van VMF. Vast staat dat zij de volledige door haar aan OWB verschuldigde koopprijs aan ING moest voldoen en heeft voldaan. Het verwijt van VMF dat Zodiac c.s. haar niet op de hoogte heeft gesteld van (de arbitrageprocedure rondom) de aanspraak van ING op voldoening van de koopprijs doet niet ter zake. VMF stelt immers niet concreet, en onderbouwt in elk geval niet – tegenover de stelling van Zodiac c.s. dat zij de volledige koopprijs aan ING moest voldoen – dat en waarom bemoeienis harerzijds met die arbitrageprocedure of claim tot een andere uitkomst had kunnen leiden.’ 2.20 Ten aanzien van de reconventionele vordering van Zodiac c.s. dat VMF wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding als gevolg van het in Marokko onrechtmatig gelegde beslag op de Forest Park, heeft het hof geoordeeld dat de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid toekomt om van deze vordering kennis te nemen. Het hof heeft hiertoe overwogen: ‘6.7 VMF betwist vergeefs de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om te oordelen over de vordering van Zodiac c.s. wegens het volgens deze onrechtmatig gelegde beslag. VMF stelt dat artikel 5 van het verdrag van Brussel tot het vaststellen van enige eenvormige regels betreffende het conservatoir beslag op zeeschepen van 10 mei 1952 (hierna: Beslagverdrag) hiervoor exclusieve internationale bevoegdheid schept voor de beslagrechter, c.q. de Marokkaanse rechter, maar deze opvatting vindt geen steun in het recht. In zijn arrest van 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1280, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de internationale bevoegdheid die artikel 5 van het Beslagverdrag voor het beslagforum schept voor vorderingen of verzoeken die door die bepaling worden bestreken, exclusief is, en ook dat de materiële reikwijdte van die bepaling zich uitstrekt tot niet alleen de daarin met zoveel woorden genoemde onderwerpen – de opheffing van beslag dan wel de genoegzaamheid van de borgtocht of de zekerheid –, maar ook tot vorderingen en verzoeken die daarmee nauw verband houden. Daartoe behoren, volgens de Hoge Raad, vorderingen of verzoeken tot vrijgave, vermindering, vermeerdering of andersoortige aanpassing van de vervangende zekerheidstelling. Naar het oordeel van het hof kunnen hiertoe niet gerekend worden (bodem)vorderingen die strekken tot schadevergoeding in verband met gestelde onrechtmatigheid van het beslag – zoals hier aan de orde. VMF heeft de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet op nog andere grond bestreden. Die bevoegdheid is er zonder meer op grond van artikel 4 lid 1 van de Europese Verordening 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis), omdat VMF in Nederland is gevestigd.’ 2.21 Ten aanzien van het toepasselijk recht op de reconventionele vordering van Zodiac c.s. heeft het hof geoordeeld dat ingevolge van art. 6 Beslagverdrag Marokkaans recht van toepassing is (rov. 6.8-6.11). Om partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte (nader) uit te laten over de gestelde aansprakelijkheid naar Marokkaans recht, heeft het hof de zaak naar de rol verwezen en iedere verdere beslissing aangehouden. 2.22 Op 23 april 2024 heeft het hof in beide zaken eindarrest gewezen. In zijn arrest in de zaak met zaaknummer 200.227.283/02 heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 2 augustus 2017 vernietigd en voor recht verklaard dat VMF geen vordering heeft, noch ook ooit heeft gehad, op Zodiac c.s. of Dexhon of Zodiac en geen vordering heeft gehad die verhaalbaar was op de Forest Park verband houdend met de leverantie van brandstof aan dat schip te Rotterdam in oktober 2014. Het hof heeft tevens voor recht verklaard dat VMF op geen enkel moment gerechtigd was om beslag te doen leggen op de Forest Park met betrekking tot vorderingen verband houdende met de levering van brandstof aan dat schip in oktober 2014 en geen rechten kan doen gelden op de ter opheffing van beslag in Marokko gestorte bedragen. Ook heeft het hof VMF verboden enig verder beslag op de Forest Park te (doen) leggen voor de door VMF gepretendeerde vordering die dit hof in zijn arrest van 17 januari 2023 ongegrond heeft geoordeeld. 2.23 In zijn arrest met zaaknummer 200.274.857/01 heeft het hof verwezen naar zijn tussenarrest van 17 januari 2023, waarin het heeft geoordeeld dat Zodiac c.s. niet onrechtmatig tegenover VMF hebben gehandeld, noch ongerechtvaardigd ten koste van VMF zijn verrijkt en overwogen dat dit betekent dat de vordering in conventie van VMF niet toewijsbaar is (rov. 2.2). De reconventionele vordering van Zodiac c.s. strekkende tot schadevergoeding op de grond dat VMF ten onrechte beslag heeft laten leggen in Marokko op de Forest Park en daarom tegenover Zodiac c.s. aansprakelijk is, heeft het hof toegewezen. Het hof heeft daartoe overwogen dat de aansprakelijkheid van VMF moet worden beoordeeld naar Marokkaans recht (rov. 2.4) en dat uit de opinies die partijen hadden ingebracht, volgt dat naar Marokkaans recht niet de regel geldt dat de beslagene een vordering uit onrechtmatige beslaglegging geldend kan maken op de enkele grond dat de vordering waarvoor beslag is gelegd later ondeugdelijk is gebleken. Wel zijn naar Marokkaans recht justitiabelen verplicht hun rechten te goeder trouw uit te oefenen en dit geldt ook voor het (ex parte) vragen om verlof tot beslaglegging (rov. 2.5). Het hof heeft vervolgens toegelicht dat VMF in haar beslagrekest de beslagrechter onjuist en niet te goeder trouw heeft voorgelicht (rov. 2.7-2.11). Vervolgens heeft het hof uiteengezet dat bij te goeder trouw gegeven voorlichting door VMF het verlof niet zou zijn verleend (rov. 2.12-2.18). 2.24 Volgens het hof staat vast dat de onjuiste informatieverschaffing door VMF aan de beslagrechter er de oorzaak van is dat beslag is gelegd op het schip en daarmee van de schade die Zodiac c.s. hierdoor hebben geleden en nog zullen lijden (rov. 2.19). Het hof heeft daarom, voor zover in cassatie relevant, voor recht verklaard dat VMF aansprakelijk is voor de schade die Zodiac c.s. hebben geleden als gevolg van het beslag dat VMF op of omstreeks 13 januari 2015 heeft doen leggen op de Forest Park in Marokko, met veroordeling van VMF tot vergoeding van deze schade aan Zodiac c.s., op te maken bij staat. 2.25 VMF heeft tegen het tussenarrest van 17 januari 2023 en de arresten van 23 april 2024 (tijdig) cassatieberoep ingesteld. Zodiac c.s. hebben verweer gevoerd en het verweer schriftelijk toegelicht. 3Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het middel bevat, na een inleiding, drie onderdelen (B, C en D). 3.2 Onderdeel B valt uiteen in drie onderdelen en bevat klachten die zijn gericht tegen het tussenarrest van 17 januari 2023. 3.3 Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 6.2-6.5 van het tussenarrest en valt, na een inleiding, uiteen in tien subonderdelen (genummerd 1.1 t/m 1.10). In de kern genomen heeft het hof in de bestreden overwegingen geoordeeld dat Zodiac c.s. niet onrechtmatig tegenover VMF hebben gehandeld door de bunkerolie (verder) te verbruiken ten behoeve van de voortstuwing van het zeeschip de Forest Park, omdat VMF moet worden geacht te hebben ingestemd met de rechtsuitoefening door Zodiac c.s., of althans haar recht om zich met een beroep op haar eigendomsrecht daartegen te verzetten, te hebben verwerkt. 3.4 Bij de bespreking van dit onderdeel stel ik het volgende voorop. Het hof heeft onderzocht of het handelen van Zodiac c.s. – het verbruiken van de bunkerolie na de aanzegging van VMF op 6 november 2014 om hiermee te stoppen – onrechtmatig was ten opzichte van VMF. Uit rov. 6.3-6.5 leid ik af dat het hof heeft getoetst of Zodiac c.s. door de bunkerolie (verder) te verbruiken in strijd hebben gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De maatschappelijke zorgvuldigheid brengt mee dat men zijn eigen belangen tegen die van een ander moet afwegen en zich daarbij moet laten leiden door hetgeen justitiabelen onderling in de maatschappij in redelijkheid van elkaar kunnen verwachten. Het hof heeft geconcludeerd dat Zodiac c.s. niet onrechtmatig (dus niet maatschappelijk onzorgvuldig) hebben gehandeld. Daartoe heeft het hof in het bijzonder relevant geacht dat VMF geacht moet worden te hebben ingestemd met de rechtsuitoefening door Zodiac c.s. van hun verbruiksrecht, althans haar recht heeft verwerkt om zich daartegen met een beroep op haar eigendomsrecht te verzetten. Het hof heeft hiervoor met name redengevend geacht dat VMF op de hoogte was of kon zijn met het verbruiksbeding in de overeenkomst tussen OWB en Zodiac c.s. en niettemin de bunkerolie afleverde aan Zodiac c.s., zonder zich bij Zodiac c.s. bekend te maken en Zodiac c.s. te wijzen op haar eigendomsvoorbehoud ten opzichte van OWB en de mogelijke uitoefening daarvan. Gelet op de omstandigheid dat het gaat om bunkerolie die moest worden gebruikt voor de voortstuwing van een zeeschip, hetgeen het stoppen met het verbruik van de bunkerolie (bijvoorbeeld op volle zee) praktisch onwerkbaar kan maken, mochten Zodiac c.s. er ook in redelijkheid op vertrouwen dat VMF niet op een later moment haar instemming met het verbruik kon intrekken (zie rov. 6.5). In de kern genomen komt het oordeel van het hof erop neer dat VMF in de gegeven omstandigheden, gelet op de gerechtvaardigde verwachtingen van partijen onderling, niet in redelijkheid van Zodiac c.s. mocht verwachten dat laatstgenoemden het belang van VMF bij haar voorbehouden eigendomsrecht zouden laten prevaleren boven hun eigen belang om de olie, in overeenstemming met het door OWB toegekende verbruiksrecht, te verbruiken voor de voortstuwing van de Forest Park. Zodiac c.s. hebben door de bunkerolie ook na 6 november 2014 te verbruiken, dan ook niet onrechtmatig jegens VMF gehandeld. 3.5 Onderdelen 1.1-1.4 hebben betrekking op het oordeel van het hof dat VMF geacht moet worden te hebben ingestemd met de rechtsuitoefening door Zodiac c.s. 3.6 Onderdeel 1.1 stelt dat als uitgangspunt geldt dat aan de hand van verklaringen en uitingen van degene die een eenzijdige toestemming heeft gegeven en aan de hand van de overige omstandigheden van het geval bepaald dient te worden of een eenzijdige toestemming mag worden herroepen. Voor zover het hof dit uitgangspunt miskent bij zijn beoordeling of Zodiac c.s. onrechtmatig jegens VMF hebben gehandeld, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het onderdeel. 3.7 Onderdeel 1.2 stelt dat, voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat VMF onherroepelijk en onvoorwaardelijk heeft ingestemd met het verbruik van de bunkerolie door Zodiac c.s. voor de voortstuwing van het schip en VMF de instemming (dus) ook niet kan herroepen/beëindigen met een beroep op haar eigendomsrecht als duidelijk is dat VMF niet zal worden betaald voor de door haar geleverde bunkerolie, dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Volgens het onderdeel valt, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet in te zien dat VMF onherroepelijk en onvoorwaardelijk ermee heeft ingestemd dat Zodiac c.s. de bunkerolie (ook) zouden mogen (blijven) verbruiken op het moment dat duidelijk zou worden dat VMF niet voor de bunkerolie zal worden betaald. Het onderdeel betoogt vervolgens dat het verlenen van een dergelijke onherroepelijke en onvoorwaardelijke instemming om – ook als duidelijk is dat de leverancier niet zal worden betaald – bunkerolie te verbruiken, niet valt te rijmen met het door VMF bedingen van een eigendomsvoorbehoud, omdat dit veronderstelt dat VMF daarop een beroep kan doen als duidelijk wordt dat betaling van de koopprijs zal uitblijven. Bovendien, zo stelt het onderdeel, hield het verbruiksrecht van Zodiac c.s. tegenover OWB naar het oordeel van het hof in dat zij de bunkerolie mochten verbruiken, ook als Zodiac c.s. de door haar aan OWB verschuldigde koopprijs nog niet hadden voldaan. Dat verbruiksrecht veronderstelt dat de koopprijs wél zal worden betaald en laat zich dus niet anders begrijpen dan dat dit kan worden herroepen of begrensd is als duidelijk is dat de koopprijs niet zal worden betaald. Niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, valt aldus in te zien dat het verbruiksrecht van Zodiac c.s. onherroepelijk en onvoorwaardelijk is in de zin dat het verbruiksrecht niet door OWB kan worden herroepen/beëindigd als duidelijk is dat Zodiac c.s. de koopprijs niet aan OWB zullen voldoen. Volgens het onderdeel valt, gelet op het door VMF bedongen eigendomsvoorbehoud en de veronderstelling in het verbruiksrecht dat de koopprijs wel zal worden betaald, niet, althans niet zonder nadere motivering, in te zien dat VMF een onherroepelijke en onvoorwaardelijke instemming met het verbruik van de bunkerolie voor de voortstuwing van het schip heeft verleend aan Zodiac c.s. in de zin dat de koopprijs niet aan VMF zal worden voldaan. De in rov. 6.4 genoemde omstandigheden doen er niet aan af dat het hof zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Die omstandigheden verklaren namelijk niet, althans niet op voldoende begrijpelijke wijze, dat VMF een onherroepelijke en onvoorwaardelijke instemming heeft verleend aan Zodiac c.s., aldus nog steeds het onderdeel. 3.8 Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij betreffen in de kern genomen de kwalificatie van de instemming van VMF met de rechtsuitoefening door Zodiac c.s. De onderdelen nemen kennelijk tot uitgangspunt dat de instemming van VMF kwalificeert als een eenzijdige, tot Zodiac c.s. gerichte rechtshandeling, die – afhankelijk van de verklaringen van VMF en de omstandigheden van het geval – zou kunnen worden herroepen. De onderdelen gaan daarmee voorbij aan de omstandigheid dat Zodiac c.s. als voorwaardelijk eigenaren van de bunkerolie met een geldig contractueel verbruiksrecht gerechtigd waren de olie te verbruiken. Zij behoefden daarvoor niet de instemming/toestemming van VMF. De door het hof aanwezig geachte instemming van VMF is daarentegen wel als omstandigheid door het hof relevant geacht voor de vraag of Zodiac c.s. bij hun handelen de belangen van VMF in acht hebben genomen voor zover justitiabelen onderling in de maatschappij dat in redelijkheid van elkaar kunnen verwachten. De onderdelen gaan dus uit van een verkeerde lezing van het arrest en falen daarmee. 3.9 Voor zover onderdeel 1.2 nog betoogt dat niet, althans niet zonder nadere motivering, valt in te zien dat het verbruiksrecht van Zodiac c.s. onherroepelijk en onvoorwaardelijk is in de zin dat het verbruiksrecht niet door OWB kan worden herroepen/beëindigd als duidelijk is dat Zodiac c.s. de koopprijs niet aan OWB zullen voldoen, faalt het onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet overwogen dat het door OWB aan Zodiac c.s. toegekende verbruiksrecht onherroepelijk en onvoorwaardelijk is in het geval dat duidelijk is dat Zodiac c.s. OWB niet zullen betalen. Dat op enig moment duidelijk was dat Zodiac c.s. OWB niet zouden betalen, is overigens evenmin door het hof vastgesteld; het hof heeft juist overwogen (in rov. 6.6) dat Zodiac c.s. de door haar aan OWB verschuldigde koopprijs hebben voldaan aan ING, aan wie OWB haar vordering op Zodiac c.s. in zekerheid had gegeven. 3.10 Onderdeel 1.3 stelt dat de oordelen in rov. 6.2-6.4 bovendien onjuist en/of ontoereikend zijn gemotiveerd, omdat de door het hof vastgestelde omstandigheden van het geval niet (althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt) de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een onherroepelijke en onvoorwaardelijke instemming. Het onderdeel wordt uitgewerkt in vijf subonderdelen. 3.11 Onderdeel 1.3.1 is gericht tegen de vaststelling van het hof dat VMF moest rekenen op het recht van Zodiac c.s. in hun contractuele relatie tot OWB om de bunkerolie te (blijven) verbruiken, ook als Zodiac c.s. de door hen aan OWB verschuldigde koopprijs nog niet hadden voldaan. Deze omstandigheid kan echter niet (althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt) de conclusie (helpen) dragen dat VMF onherroepelijk en onvoorwaardelijk ermee heeft ingestemd dat Zodiac c.s. de bunkerolie zouden mogen blijven gebruiken, ook als duidelijk zou worden dat VMF niet voor deze bunkerolie zou worden betaald, aldus het onderdeel. 3.12 Uit het arrest volgt dat VMF moest rekenen op – kort gezegd – het verbruiksrecht van Zodiac c.s., omdat zij geacht moet worden met de rechtsuitoefening door Zodiac c.s. te hebben ingestemd. Die instemming heeft het hof aangenomen op basis van de volgende omstandigheden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.